Animo

By hans, 31 juli 2019

Schoolkrant van het Baarnsch Lyceum

Allereerst wil ik beginnen met het bedanken van Sjoerd Hekking (archivaris HBL/tevens oud-docent KuBV). Deze man heeft mij met open armen op het Baarnsch Lyceum ontvangen en me alle hulp gegeven die hij kon geven. Uiteraard wil ik ook Bert Natter en Jean-Marc van Tol heel hartelijk danken voor hun hulp.

Hoe meer ik me verdiepte in de Animo en dus het Baarnsch Lyceum hoe meer ik er achter kwam dat er wel wat bijzonders aan de hand was… Terwijl onze huidige koning – Willem Alexander – in een parallelklas zat van Ronald Giphart, zat Ronald in de redactie van de schoolkrant met niemand minder dan Jean-Marc van Tol (geestelijk vader en tekenaar van Fokke & Sukke) en Bert Natter (zelf ook roman schrijver).

Alles speelt zich af in de jaren 1984, ’85 en ’86; de jaren dat Purple Rain, Raspberry Beret en Kiss van Prince & The Revolution uitkwamen.

Tevens zat ik op het Nederlands Lyceum in Den Haag en deed mijn school – als een van de oudste lycea van Nederland – mee met de Interlyceale waar dus ook het Baarnsch Lyceum aan meedoet. Wie weet heb ik toen Ronald en/of Jean-Marc en/of Bert al gezien/ontmoet…

Hierna volgen door Ronald Giphart geschreven stukken uit die schoolkrantjes maar eerst een overzicht:

  • Schooljaar 1984/’85, Jaargang 55, nummer 2
  • Schooljaar 1984/’85, Jaargang 55, nummer 3
  • Schooljaar 1985/’86, Jaargang 56, nummer 1
  • Schooljaar 1985/’86, Jaargang 56, nummer 3
  • Schooljaar 1985/’86, Jaargang 56, nummer 4
  • Schooljaar 1985/’86, Jaargang 56, nummer 6
  • Schooljaar 1986/’87, Jaargang 57, nummer 1
  • Schooljaar 1986/’87, Jaargang 57, nummer 3
  • Schooljaar 1986/’87, Jaargang 57, nummer 4
  • Schooljaar 1986/’87, Jaargang 57, nummer 6
  • Schooljaar 1986/’87, Jaargang 57, nummer 7

Ik mis dus nog de volgende edities:

  • Schooljaar 1984/’85, Jaargang 55, nummer 1 en wellicht nog eerder? En 4 (en 5 t/m 7 als ze bestaan?)
  • Schooljaar 1985/’86, Jaargang 56, nummer 2, 5 en 7
  • Schooljaar 1986/’87, Jaargang 57, nummer 2 en 5

Als ik dit stukje Neerlands literatuurgeschiedenis compleet kan maken dan zou dat geweldig zijn! Via de contact pagina kun je me bereiken.

Ok, genoeg geluld we gaan beginnen! Hieronder volgen de eerste gepubliceerde stukken van Ronald Giphart (een van de bestverkopende schrijvers van Nederland en Vlaanderen). Let wel dit is 8 jaar voor het uitkomen van zijn debuut (Ik ook van jou) Ronald is hier zelf nog maar 18 jaar.

Animo Schooljaar 1984/’85, Jaargang 55, nummer 2

Redactie: Eric, Jean Marc, Ciska, Monique, Lotje en Jos

Met dank aan: Martijn Carlier, Chistian Bilek, Seniores, Dhr. Visser, Rederij “Jan”, Allard Huizing, Sjoerd Hekking, Michon Firet, Pieter Bart Korthuis, Ronald Giphart, Michael Walma van de Molen, De heren Kleyn, Morel en van Maurik

De Val

  • Terwijl hij van de berg afstapte,
  • En hij terstonds naar adem hapte,
  • Bekroop een vreemd gevoel de jongen,
  • Een gevoel van: had ik nu maar niet gesprongen.
  • Hij dacht bij zichzelf wel verdomme,
  • Dat mij dat nou weer moet overkomme,
  • Het leven is eigenlijk veels te kort,
  • Als je je van een berg afstort.
  • Maar die gedachtes kwamen wel iets te laat,
  • Want daar ging hij in volle vaart,
  • Totdat hij opeens iets ontdekte
  • Daar een tak, die zich uit de helling strekte.
  • Hij pakte hem beet met al z’n kracht
  • En hield hem maar met man en macht
  • Maar de tak was dood en dor bovenal
  • Samen vielen ze toen in het diepe dal.
  • En met een vaart van ongeveer tachtig
  • Werd het hem toch duidelijk iets te machtig
  • Geen redmiddel was meer bij de hand
  • Voor hem was de kaars bijna uitgebrand.
  • Toch werden zijn smeekbeden verhoord door de Heer
  • Want onder zich zag hij duidelijk een meer
  • Ze plonsden erin, met de angst in hun lijven
  • Hij verdronk, maar de tak bleef drijven.

Reg

Animo Schooljaar 1984/’85, Jaargang 55, nummer 3

Redactie: Eric, Jean Marc, Ciska, Monique en Jos.

MedewerkersRonald E. Giphart, Martijn Carlier, Constance Laout, Maartje Nieuwenhuis, Victoria de Zwart, Thijs Nicolas, Peter Bitter, Christian Bilek, Mientje A., Seniores, de heren Uttien, Morel en van Maurik en misschien Jacqueline Beyer (als ze nog schoonmaakt)

De Melancholieke weemoed van de schrijver

Het is voorbij. De balk is alweer afgebroken, de decors liggen al in de kelder en de lichten zijn weer terug naar meneer euh… Hofstra.

Zaterdag 26 mei ben ik ’s morgens naar school gegaan in de hoop er wat toneelspelers te treffen. Ik ben ze er niet tegengekomen. Wel vond ik in de aula de decorploeg, druk bezig met het afbreken van de uitbouw. Toen besefte ik pas dat de KUBIEKE CIRKEL nooit meer opgevoerd zou worden.

Zaterdag 26 mei had ik een kater, niet veroorzaakt door drank maar door TONEEL. Het is afgelogen. Na een half jaar samen werken, optrekken, schelden en vooral lachen is het over. De KUBIEKE CIRKEL komt niet meer terug. De kubieke cirkel komt nooit meer terug. Dat gevoel van afscheid is mijn kater. Het besef dat we sommige mensen waarschijnlijk nooit meer zullen zien maakt me zo verdomd melancholiek. De eindexamenkandidaten Bram, Marischka, Maartje, Constance, Liesbeth, Linda, Mariska enz enz. Misschien zien we ze nog eens op een feest, of in het dorp maar dan….. over, nooit meer. Eén hele erge grote kater.

Zaterdag 26 mei heb ik gezocht. Gezocht naar toneelmensen. Gezocht om even te praten, te lachen. Gezocht op school, gezocht in het dorp, gezocht ’s avonds in Prins Hendrik. Niemand. WAAR WAS IEDEREEN ZATERDAG 26 MEI??? WAAR WAS IEDEREEN OM HALF ZES TOEN ER GEGRIMEERD MOEST WORDEN??? WAAR WAS IEDEREEN OM TIEN VOOR TIEN ‘S AVONDS IN DE PAUZE VAN DE KUBIEKE CIRKEL???

Het is net of ik op vakantie ben geweest en op het leukste ogenblik weer naar huis moet, al mijn vakantievrienden achterlatend. Een toneelstuk is net een glas bier, je moet er heel lang voor in de rij staan en als je hem dan hebt dan is ie in drie slokken op. Een enorme leegte.

Maandagavond: vaste toneelavond. Komt niet meer terug. Een enorme leegte. Ben ik dan de enige die er zo over denkt? Maar laat NIEMAND van de toneelploeg het in zijn hoofd halen om de videobanden niet bij te wonen want ik zal hem persoonlijk uit zijn bed komen halen of vanachter zijn schoolboeken komen sleuren, De KUBIEKE CIRKEL is voorbij en ik haat het. Begrijp je?

Ronald E. Giphart

Schooljaar 1985/’86, Jaargang 56, nummer 1

Redactie: Mark Pietersen, Hubert Waagen, Bert Natter, Ronald Giphart, Jean-Marc van Tol.

Met dank aan: de heren van Maurik, ’t Hooft, Smit, Morel, Kleijn, Bus

VAKANTIE
Nee, dit jaar geen surf-, zeil- of ponykamp voor mij. Dit jaar ging ik op bezoek bij mijn neef Huub, die in een kraakpand woont.

Ik werd er hartelijk ontvangen en na een kopje cafeïnevrije Nicaragua koffie leidde Huub me uitvoerig rond. Met spuitbussen beschilderde muren waar de lettercombinatie M E nog het meest op voorkwam, viel me nog het meest op. Ik vroeg wat dat dan wel betekende.

“M E” sprak Huub, “is het uitgesproken voorbeeld van het typisch egocentrische in onze prestatiegerichte consumptiemaatschappij. Ikke, ikke, ikke, dat moet je M E niet flikken!”. Daar kom ik het mee doen.

Na een nacht te hebben geslapen in een jute-zak op een canvas-matje, werd mij te kennen gegeven dat men mij nu wel even zou leren hoe ‘aksie’ te voeren.

LES 1 Het uitzoeken van een doel: Neem een speld en een wereldkaart en prik.

Huub prikte. India. “Aha India, …Sikhs, Ghandi, honger…. Heerlijk!”

LES 2 Propaganda.

“Daarvoor gaan we naar de drukkerij, waar we voorbedrukte posters gaan bekijken. O.a. met: Stop, Steun, Weiger, Eis, Moet, Weg, Dood, Geen, Nee!, Nee bedankt, Aksie, Demonstreer, Tegen, Erken, Behoudt, Meer, Minder, Manifestatie, Vrij, Recht, Fascist, Fascistisch, Sexistisch, Discriminatie, Communist, Moorddadig, Marteling.”

LES 3 Het invullen van de posters.

“Wat dacht je van…” Hij dacht even na en begon toen te raaskallen: “Stop Ghandi, Steun Sikhs. Weiger Honger, Redt de Indiase bevolking, Eis Voedsel, Dood geen onschuldige Indiërs, Ghandi? Nee, bedankt, Aksie Nu!, Regering India moet weg!,…”. Hij sloeg er een paar over en vervolgde toen: “En dan heeéél belangrijk: India Fascistisch… of was het communistisch? Hè, nou ja maakt niet uit.

LES 4 “Maar die zul je morgen wel zien” zei Huub.

Die avond in de trein voelde ik me niet erg lekker. Ik was hard aan vakantie toe.

REGering BoNensoep [REG = Ronald E. Giphart en BN = Bert Natter]

Op de fiets naar Benidorm….

  • Hmmmm, een lekke band
  • Jijzis
  • Hmmmm, dat wordt plakken
  • Jijzis
  • Hmmmm, jouw beurt!
  • Jijzis
  • Frits, denk je dat god bestaat?
  • Hmmmm
  • Had Lenin gelijk volgens jou?
  • Hmmmm
  • Denk je dat kwarks echt de kleinste deeltjes zijn?
  • Hmmmm
  • Wat had jij gedaan als je Hitler was?
  • Hmmmm
  • Wil je een Sjokotof?
  • Hmmmm
  • Lekker hè?

  • Doe normaal joh!
  • Maar ik wil juist niet normaal zijn! Ik wil… anders zijn dan anderen…
  • Wat normaal.

  • Lekker hè, Frits?
  • Hmmmm-mmmmm
  • Vaneuhhh?
  • Hmmmm-mmmmm
  • euhheu hue euh
  • Proef je toch wel hè?

  • De ZEE! Aaaah! Wat een adembenemend gezicht! De zee! Aaaah!
  • Remmen Jaap, remmen
  • Zoiets doet je beseffen dat god bestaat!
  • Rem nou, Jaap. Rem!
  • Zoiets maakt alle remmen in me los!

REG/BN

ARTISTIEKE INTERLYCEALE….
Zoals jullie misschien niet weten vindt er volgend jaar op het Baarnsch Lyceum een bijzondere gebeurtenis plaats: De ARTISTIEKE INTERLYCEALE. Voor diegene die niet weten wat deze ‘Artistieke’ inhoudt: de A.I. is een artistiek evenement met een wedstrijdachtig karakter, waaraan wordt deelgenomen door de vijf ‘bijzonder neutrale’ scholen die ons land rijk is, met name: het Kennemer-, het Nederlandsch-, het Amsterdamsch-, het Lorents- en ons Baarnsch Lyceum.

De onderdelen waar om de eerste plak gestreden worden zijn: Toneel, Vrije voordracht, Muziek ensemble klassiek, Muziek ensemble vrij (pop) + solo, Tekenen, Fotografie, Eloquentia, Schaken, Dammen en Bridge.

Vervolgens worden alle standen en uitslagen inelkaar geplakt en komt er een uiteindelijke winnaar tevoorschijn. In de vijf jaar dat ik hier op school rondhang heb ik het nog niet meegemaakt dat het BL deze eindzege binnenhaalde. Het wordt tijd dat daar verandering in komt!

Omstreeks de maand februari vindt deze Artistieke plaats, m.a.w. jullie hebben nog enkele maanden de tijd om alvast te gaan werken aan de bovengenoemde onderwerpen. Componeer eens een popsong, verrijk je schaakkennis, schrijf eens een proefopstel, eloquent je vader eens onder de tafel of ga met een groepje om die tafel zitten en verzin een toneelstuk (zeg niet dat dit niet zou kunnen want Jean-Marc en Erik + co hebben vorig jaar het toneel ook op grandiose wijze gewonnen!)

Het is misschien erg ridicuul, rechts, links, fascistisch, obseen, sexistisch en weerzinwekkend van mij, maar ik wil dat het Baarnsch dit jaar de Artistieke WINT!

REG

Een nieuwe redactie hoeft nog niet te betekenen breken met alle ANIMO-tradities en dit gaan we dan ook niet doen. Eén van die ANIMO-tradities is dat er een feuilleton wordt gestart en ieder nummer door een aflevering wordt gemerkt.

Na het feuilleton-debuut ‘De Enzymen-Führer’ van twee jaar geleden, het robuuste ‘Peren Op Sap’ van vorig jaar komt de ANIMO dit jaar met het feuilleton:

HE, EEN BILJARTBAL?!

Het is rechtstreeks voortgekomen uit de fantasie van Bert Natter en Ronald E. Giphart. Een fantasie waarin dhr. van der Mark naast leraar ook nog handelaar is in biljartballen, dhr. Ragas al jaren bij de politie werkzaam is in de funktie van commissaris, Bertus naast zijn baan als sympathieke schoonmaker ook nog de Humprey Bogart-achtige leider is van de neeb-penoze en Robert Rook een vaste baan heeft als huispianist van de lerarenkamer.

We wensen je veel plezier, Reg-Bn

Op den vhijvde Shepthember 1684 gaf de eerste Nederlandsche Verenigde Oostindische Biljart Compagnie opdracht aan de kapitein van de driemaster “Berta Ronalda” om een vracht met kostbare biljart-attributen te vervoeren van Amsterdam naar Java.

Volgens de legende gaat het dat een oude lange Visser de kapitein en de bemanning waarschuwde en adviseerde om niet uit te varen: “Het Schchip sal bereidsch inden Suyder Sae versoipen ende vragt sal te einde over vierhondert jaeren pasch gesien worden”. De bemanning hoonde de lange Visser, sloeg zijn raad in de wind en voer toch uit…

HOOFDSTUK 1

“Zakken Friet! Zakken Friet! Zakken Friet!” schalde het over het dek van de oeroude Hollandse platbodem ‘de Amicitia’, die gelegen was naast de zo-mogelijk-nog-oeroudere eveneens Hollandse platbodem ‘de Nooit Volmaekt’ (een schip dat zijn naam eer aan deed). In die Amicitia en die Nooit Volmaekt huisden die eerste week van september een groepje werkweekgangers van het Baarnsch Lyceum, dat onder leiding stond van enkele leraren.

“Zo te horen nemen die Amicitia’s het er nogal van…” stelde dhr. Hekking, van de Nooit Volmaekt, ontevreden vast.

“Zakken friet? Zakken friet?” mormelde dhr. Roos, eveneens van de Nooit Volmaekt, “Zijn ze nu helemaal belaloetafeld?”

De hele bubs Nooit Volmaekt (dwz. iedereen, behalve Robbert Rook die de bubs gemist had) zat buiten op het dek te wachten tot de zon volledig onder zou gaan en te genieten van een bloedig gevecht tussen twee jonge honden waar vooral dhr. Roos onder het mompelen “wat is de natuur toch mooi” vertederd naar zat te kijken.

“Zijn er nog bruine bonen?” vroeg een meisje achteloos.

“BRUINE BONEN?” schreeuwde dhr. Roos verstoord, “BRUINE BONEN?, terwijl die ROT-Amicitia’s daar Zakken Friet aan-het-eten zijn? BRUINE BONEN?”

“Ach Benno, wind je toch niet zo op…” zei dhr. Hekking, die echter zelf ook wel trek had in een zakje friet. Dhr. Roos, die wel gewend is een veldslag te leiden, riep alle sterke jongens en meisjes bijeen en sprak ze fier toe:

“Jongens van Johan de Witt, en meisjes natuurlijk wrawrawr, zoals jullie weten heb ik altijd al gevonden dat alles eerlijk verdeeld moet worden, – en die mening ben ik nu nog steeds toegendaan!” Er steeg gejuich op bij de N.V.-menigte.

“Vandaar” ging dhr. Roos onverstoorbaar verder, “Dat wij ons even een paar zakken friet gaan toeëigenen, – en als die Amicitia’s het niet willen geven dan zullen wij die frietjes even een paar schoppen hier geven!” en hij wees op het uiteinde van zijn rug. (Wat bij hem nog moeilijk was natuurlijk).

En zo gebeurde het dat alle Nooit Volmaekters, incluis dhr. Hekking en dhr. Roos (die het bevel voerde), over de reling van het thuisschip op het dek van de Amicitia sprongen om zich daar, al enterende, op de niets vermoedende Amicitia’s te storten en zich te goed te doen aan de rijkelijk aanwezige ‘zakken friet’. Dit lieten de Amicitia’s natuurlijk niet vervaard. Er ontstond een gevecht waar het conflictje van de twee jonge honden een ordinaire vrijage bij was.

Deden alle mensen mee aan dit kinderachtige gevechtje om een paar honderd kilo friet? Nee, niet allemaal. Gelukkig waren er die werkweek ook nog beschaafde mensen: de leraren Nicolaas en ter Haar.

“Kijk nou toch eens hoe ze zich druk maken om die paar zakjes friet…” zei dhr. Nicolaas.

“…En dan te bedenken dat er hier beneden in het provicierek van de Nooit Volmaekt nog een hele kist Hors d’ Oeuvre, Huzaren Salade en Moermansk-kaviaar ligt te wachten” vulden dhr. ter Haar hem aan, terwijl zij zich in een haast naar beneden snelden om van dit buitenkansje gebruik te maken. Toen zij vijf uur later moe maar met een volle buik door het kleine luikje van de Nooit Volmaekt (waar zij dus geen leraren van waren – overigens het zelfde kleine luikje waar dhr. Roos nèt niet doorheen paste) weer naar buiten klommen, vonden zij de rest van de werkweek IJsselmeer nog steeds vechtende aan.

“Schande, zo op de vroege morgen!” sprak dhr. Nicolaas verontwaardigd, het was inmiddels al 4 uur A.M.

“Hé” begon dhr. ter Haar, “zouden jullie a.u.b. naar bed wullen gaan?” Er reageerde niemand.

“Hé” riep nu ook dhr. Nicolaas, “als jullie G.V.D. niet binnen drie tellen in jullie kooi liggen dan zal ik jullie persoonlijk onder handen nemen!”

“Ja, ik ook!” riep ter Haar. Binnen drie minuten lag iedereen in zijn hangmat behalve dhr. Roos, die weer eens was blijven steken in het luikje bij de trap.

“Hoe deden we dat hè” vleide dhr. ter Haar, terwijl hij naar de rand van het schip liep om zich met een emmer fris ochtend water te gaan wassen. Het spiegelde ook altijd zo mooi. Zilverachtig.

“Hé, kijk nou, er blinkt hier iets” zei hij dhr. Nicolaas, terwijl hij zich boog over de reling en keek naar het dropsmiles-gekleurde Adeko-ruikende water. Op de door de ochtendzon verlichte bodem blonk iets. Hij zette zijn Polaroidbril via de uit de TV-reclame bekende wijze op, … zodat deze met een mooie parabolische baan te water ging. Dhr. Nicolaas stelde honend vast dat er nu nog iets zou blinken.

“Nee, echt: er blinkt hier echt iets.”

“Verdraaid, je hebt ..g.. gelijk!” zei dhr. Nicolaas.

“Het lijkt wel edelmetaal.” Die durft!

“EDELMETAAL?” schrok dhr. Nicolaas, die nu een gelaatsuitdrukking had alsof er een gloeiend hete kroket overdwars in zijn keel bleef steken.

“Goud zal je bedoelen: Puur Goud!”

HOOFDSTUK 2

Romantische doch iewat pompeuze pianomuziek klonk het door de met rook gevulde lerarenkamer. Robert Rook, die door de schoolleiding was aangesteld in de pauzes de lerarenkamer te verblijden met zijn virtuoze pianoklanken ging helemaal op in zijn spel. In die zelfde lerarenkamer zaten onder het genot van een kopje thee.en een vrij uur Mw. Witsenburg, dhr. Uttien en dhr. van Duin te praten.

“Weet je wat wij hier op school zouden moeten hebben?” vertrouwde mw. Witsenburg dhr. Uttien toe, “een Biljarttafel. Dhr. Uttien, die haar onwetend (om niet te hoeven zeggen dom) aankeek, stamelde: “een biljarttafel?”

“Jop, een biljarttafel.” antwoordde mw. Witsenburg, die (zoals algemeen bekend is) lid is van het Koninklijk Nederlands Verbond van Biljartende Leraren, “dan kan ik al wat oefenen voor het Bondskampioenschap, overigens vind ik, Sammie, dat je er een beetje vreemd bijzit in dat duikerspak van je…” Drs. van Duin mompelde iets van: “Huww, gisteren laat geweest.” en zette zijn duikbril af, daarna zijn bril, maakte deze schoon, zette hem weer op zijn neus en plaatste de duikbril er weer boven. Mw. Witsenburg keek hem verbijsterd aan en vroeg zich af of ze nu moest lachen of medelijden hebben.

Op dat moment kwam dhr. Cleij binnen en zei: “Oe, heb ik ier misschien mien thélélens lat’n ligg’n?

“Ha! Daar hebben we Piet statief” vuurde dhr. Uttien, “en, Pentax Pietje, stel je vraag eens in normaal Nederlands joh, Kodak Cleij!” (enkele bijnamen geja… overgenomen van de ‘Enzymen Führer’) Mw. Witsenburg lachte beleefd, maar zij kon zich nog goed herrinderen hoe zijzelf gisteren door Piet ‘Bijnaam’ Uttien was uitgemaakt voor: Woelige Wits, Witsie het Warhoofd, Cadnium Carola en Wajang Wits.

“My humble man” begon Cleij rustig, “I assume that you, United Uttien, will not be able to concist in your shaming behavior, Piet the Ploert! Dhr. Uttien zat verbijsterd achter zijn lauw geworden kopje thee. Dhr. Cleij vertrok en riep dhr. Uttien nog toe: “Soe, daar hak oe toch ev’n goed te pak’n hè?

“Nu niet boos worden” sprak dhr. Uttien zichzelf in.

“Tel vlug tot tien” raadde mw. Witsenburg aan.

“Ut-een, Ut-twee, Ut-drie, Ut-vier, Ut-v…”

“Meneer van Duin, telefoon voor u” interrumpeerde dhr. Smit de Sesamstraat-achtige monoloog van dhr Ut-tien.

“Huww, laat eens wat van je van Je horen” antwoorde drs. van Duin en flopte op z’n zwemvliezen naar de telefoon.

“Sammie?” klonk het het aan de andere kant van de lijn.

“Huww, spreekt u mee!”

“Hoi, met Jan… Jan ter Haar”

“Huww Jan”

“Juist, zeg, ik sta in Enkhuizen, met de werkweek, moet je luisteren: in het water naast onze boot ligt iets kostbaars te blinkeren, zo’n tien meter diep. Alleen Ed en ik weten dat. En aangezien wij jou wel eens in eens in een kikvorspak op school hebben zien lopen, dachten we dat jij de buit wel kon opvissen zodat we het met z’n drieën kunnen verdelen…”

Drs. van Duin, die helemaal niet dom was, antwoordde: “Dat is prima, maar…”

“Je wilt natuurlijk weten hoe we dat voor de rest van de werkweekgangers verbergen? Nou die sturen we gewoon met een kratje pils Enkhuizen in!” Dhr. ter Haar lachte stuipachtig en zij dat hij drs. van Duin binnen twee uur in Enkhuizen verwachtte.

Vrolijk fluitend verdween drs. van Duin naar het parkeer terrein, alwaar hij drie keer over zijn zwemvliezen struikelde alvorens hij in zijn auto kon stappen en op weg kon gaan naar Enkhuizen.

HOOFDSTUK 3

“Je hebt hem toch opgebeld hè? O nee, daar zie ik hem al aankomen.” Op een afstand van drie kilometer zag het zuivere tekenaarsoog van dhr. Nicolaas de auto van drs. van Duin al aankomen. Toen deze drie kwartier later gearriveerd was wurmde de bestuurder zich uit de achterklep van zijn auto.

“Waarom stap je niet gewoon via de zijdeur uit?” vroeg een verwonderde Nicolaas hem bij wijze van groet.

“Huww… zijdeur?” stamelde drs. van Duin, liep naar het zijportier, deed hem open en borrelde toen enkele primitieve klanken.

“Nou ja, never mind” zei dhr. Nicolaas

“Huww?”

“Laat maar zitten!”

Gedrieën flapten ze naar een klaarliggende roeiboot, gooiden de trossen los en voeren uit naar de blinkende plek tussen de twee oeroude Hollandse Platbodems. “Kijk, daar ligt het: met een edelmetale glans” riep dhr. ter Haar triomfantelijk, – en zijn gezonde Hollandse boerenjongens gezicht begon van opwinding te glimmen.

“Edelmetaal???” vloekte dhr. Nicolaas met een gelaatsuitdrukking alsof er een liter bruine bonensoep in zijn verkeerde keelgat schoot, “GOUD zal je bedoelen, Puur Goud!”

Drs. van Duin maakte zich klaar om te gaan duiken. Fier stond hij met zijn rug naar het water gekeerd, daarna liet hij zich. zoals het een echte Goustaux betaamd, achterover in het water vallen. En alsof hij het had uitgerekend knalde zijn achterhoofd met een donderende slag tegen de zijkant van die oeroude Hollandse platbodem ‘de Amictia’.

“Nou” sprak dhr. Nicolaas, toen hij weer was bijgekomen, “Dat deed je leuk joh!”

“Ghopberdomme” blubberde drs. van Duin vanachter zijn duikbril waarna hij echter toch weer naar beneden dook. Nog geen minuut later kwam drs. van Duin weer boven en liet de beide expressie-leraren als-een-kind-zo-blij glunderend een nog bijna nieuwe Polaroidbril zien. Met het uit de TV-reclame nu wel overbekende gebaar ‘nam’ dhr. ter Haar zijn bril over die dien ten gevolge driemaal op het dek van de ‘Nooit Volmaekt’ stuiterde, alvorens hij in duizend stukjes uiteen vloog.

“Nou” sprak dhr. Nicolaas, toen hij weer een beetje bijgekomen was, “Dat deed je leuk joh!” Huilend zei dhr. ter Haar dat drs. van Duin weer naar beneden moest gaan en onderwijl mompelde hij nog iets over 265 gulden excl. BTW.

Enkele ogenblikken later kwam drs. van Duin boven met in zijn hand hetgeen wat de oorzaak is geweest voor het schrijven van dit verhaal.

“Hé” riep dhr. ter Haar verwonderd, “Drie edelmetalen biljartballen!”

“Edelmetaal?” vloekte dhr. Nicolaas met een gezicht alsof hij een bekertje hot Sambal Oelek had aangezien voor een verfrissend glaasje tomatensap, “GOUD zal je bedoelen, DRIE GOUDEN BILJARTBALLEN!”

“Stond er misschien ook een tafel bij?” vroeg dhr. ter H. Drs van Duin die hem aankeek alsof hijzelf door een plotselinge vlaag van ‘caison-ziekte’ was bevangen negeerde, nerveus knipperend met zijn ogen, deze vraag. Gefascineerd bekeek dhr. Nicolaas de drie gouden biljartballen.

“Drie gouden biljartballen” sprak hij, alsof hij zojuist het wiel had uitgevonden.

“Wat kunnen we daar allemaal niet meedoen?” schalde de stem van dhr. ter Haar kilometers over het IJsselmeer.

“Wat is dat nu weer voor loze opmerking? Bedenk liever wat je er wél mee kunt doen!” zei dhr. Nicolaas. Alle drie dachten ze even na, behalve drs. van Duin, die deed alsof. Dhr. Nicolaas stelde voor: “We zouden er bijv. een heleb…”

“Polaroid-zonnebrillen voor kunnen kopen vulde drs. van Duin aan, “AU, Jan, je doet me pijn!”

“Ik weet het al” riep dhr. Nicolaas, “WE…”

De drie praatten nog tot diep in de nacht en besloten allereerst het goud te verpanden bij Bertus, die naast zijn baan als sympathieke schoonmaker ook nog handelaar was in goud en sieraden. Hij werd daarbij geruggesteund door de leden van de Neeb-penoze, die ook wel eens wat sieraden ‘vonden’.

HOOFDSTUK 4

Gedeelten van de Notulen van de lerarenvergadering gehouden op 6 sep. ’84. Aanwezig oa ter Haar die zich zeeziek gemeld heeft bij de ww IJsselmeer. Dhr. Bakker, de Dolman van het BL, leidde de vergadering)

(…)

“Fijn, dank je wel, Piet (Uttien -red-) dat je ons even de voordelen van zo’n biljarttafel hebt willen uitleggen is er misschien nog iemand tegen?”

“Nou…” probeerde mw. van der Loo dapper, “Ik vind het nou echt zo’n typisch mannelijke ballensport!”

“Luister nou es eens effies Evelien” begon dhr. Borst, “Het kost hardstikke goedkoop en je kun er veel plezier aan mee beleven!”

“En trouwens, Eef Theezeef, als je geen zin hebt kom je maar niet!” riep dhr. Uttien bruut, waarna iedereen begon te lachen.

“Zijn er nog andere argumenten voor of tegen het plaatsen van een biljarttafel in de lerarenkamer” zei Dolman ..eh Bakker. Iedereen dacht even na op mw. van der Loo na die snikkend in een hoekje stond.

“Meneer, kunnen we geen dartbord ophangen?” vroeg Fennis.

“EEN DARTBORD???” brulde dhr. Visser (de lange), “BEN JE NU HELEMAAL VAN GOD LOS?? KAFFER!”

“M..m…maar..maar… IK zei het niet” opperde Fennis vlug, “HIJ zei het.” En hij wees op dhr. Weggemans, die dhr. Visser beleeft en begrijpend toeknikte.

“Maar misschien willen de leerlingen ook wel eens biljarten”. Dit was dhr. Meyer. Zielig hè, zoals iedereen om hem begon te lachen.

“JE KAN WEL MERKEN DAT HIJ NOG ZO HEEL ERG JONG IS HE?” fluisterde dhr. Visser tegen dhr. van de Stadt, terwijl buiten een boer het gefluister opving en dacht dat er onweer op komst was. Er werd gestemd en met ruime meerderheid werd besloten dat de biljarttafel er zou komen. Toen stond dhr. van der Mark op en bood zich aan.

“Zoals jullie misschien niet weten ben ik in mijn vrije tijd groothandelaar in Biljartballen – ik zou nu aan goedkope spullen kunnen komen en wel zo snel dat de tafel er morgen al staat! Applaus steeg op.

En zo werd er besloten dat er door de leraren bij dhr. van der Mark één wedstrijdtafel, drie massief eikenhouten keuën, een doos krijtjes en drie ivoren ballen zouden worden aangeschaft voor de somma van f 15.275,–. Tevreden verliet iedereen de leraren kamer behalve mw. van der Loo die op een tafel stond en hysterisch schreeuwde: Die biljartballen komen er niet!”

“DIE VERDOMDE SPOORBOMEN OOK ALTIJD” vloekte dhr. Visser (de lange), zodat nu ook de laatste vogels wakker werden “HET WORDT TIJD DAT IK DIE VERDOMDE FIETS DE DEUR EENS UIT DOE.” De bomen gingen open en hij fietste verder.

“DIE VERDOMDE KLAAROVERS OOK ALTIJD” vloekte hij verder, zodat nu ook de uil wakker werd van dit verbaal geluid.

“HE STOMME KAF, IDIOOT, WAANZINNIGE, JE KAN AL LANG OVER HOOR!” Verschrikt deed de klaarover zijn ogen open.

“Goeiernorgen, …eh… JEEZ… waar ben ik?”

“KAFFER” riep dhr. Visser hem nog bemoedigend toe terwijl hij zelf overstak. Na zijn fiets te hebben geparkeerd, kwam hij vrolijk fluitend met zijn bekertje Olvarit groente moes in de hand de overvolle lerarenkamer binnen en dat terwijl het pas tien voor half acht was.

“GODDOMME” zei hij bij zich zelf, waarna de hele lerarenkamer stil viel om te zien wat de oorzaak was van deze Jobstijding, “KOM IK HIER POTDOMME EXTRA VROEG OP SCHOOL OM NOG EVEN EEN SERIE TE MAKEN, VIND IK ALLE LER..” Hij stopte zijn betoog omdat hij dhr. Borst in het oog kreeg.

“W..WA..BB..rR… WAT HEB JIJ NOU AAN???” schaterde Visser een verwonderende Borst toe, “EEN STROPDAS, WHHAHAHAHAHAAA” Het was inderdaad een lullig gezicht.

“Ja” zei dhr. Borst laconiek, verlegen, beschroomd, beschaamd, onwetend onbedachtzaam, “Ik doch bij mezelluf, waarom niet bij zo een gelegenheid als dat dan deze toch wel niet is, knoop ik niet gewoon een stropdas aan…” Dhr. van de Stadt vluchtte uit de lerarenkamer om wat lucht te happen.

“Maar, Jan, een stropdas van twintig centimeter breed, met een bloemetjes-motief is al tien jaar uit de mode hoor” ‘zei mw. Witsenburg een teleurgestelde Borst, die de stropdas afknoopte en deze in een van de zakken van z’n houtje-touwtje jas stopte.

“Dan toch gewoon wel niet?” zei hij met de dood in zijn ogen. De bel ging en alle leraren stormden, zoals gewoonlijk, op hun lokalen af.

“Dus ik zeg tegen mijn zoontje: zo’n biljarttafel, dat is het he” zei dhr. Bökenkamp en hij nam een slokje pauzethee om zijn betoog even te onderbreken.

“Hmmm, lekkere thee” stelde hij vast, “Wist je overigens dat thee het product is van ‘Thea Sinensis L.’, afkomstig uit het grensgebied van India, Birma en China? Het Chineese type kan opgroeien tot een 3-5 meter hoge heester. Dus ik zeg tegen m’n zoontje…” Toen merkte dhr. Bökenkamp dat hij tegen het koffiezetapparaat aan het praten was. Even aarzelde hij. Maar toen sprong hij behendig tussen een groepje pratende leraren.

“Dus ik zeg tegen m’n zoontje…”

Intussen stond men bij de biljarttafel ook niet stil. Mw. Witsenburg had net een serie van twee gemaakt en nu was het de beurt aan dhr. Fennis.

“Nou joh dat was een aardige carambole” stelde mw Wits. vast en haar stem trilde van bewondering.

“EEN AARDIGE STOOT???” brulde dhr. Visser, “DIE KAFFER TOUCHEERDE DE STIP. ONGEMANIERDE BOER!, WAANZINNIGE!, IDIOOT!’ STOMME KAF!”

“Dus ik zeg tegen m’n zoontje: wist je dat kaf het omhulsel is van graanvruchten; droge, dorre…”

Omdat Fennis zijn tweede bal miste was het nu de beurt aan dhr. Dijxhoorn. Behoedzaam pakte deze het krijt, krijtte de keu, koos de bal met stip, gaf de bal linksonder effect, stootte… maar de bal schampte waardoor al het krijt van de keu op zijn vingers kwam. Dit maakte het beest in hem los. Hij bracht zijn hand naar zijn mond, likte het krijt van zijn vingers en brabbelde daarna tevreden de primitieve oerklanken “Tjop, tjp, tjop, Ffwwieww, tuttutut”

“Dus ik zeg tegen m’n zoontje: dat is natuurlijk gigantisch, formidabel, enorm, fantastisch zo’n oude filmcamera, awel toen zijn we meteen ma…..”

Toen dhr. Uttien eindelijk aan de beurt was kwam de rector binnen.

“Hé, wat leuk” zei hij en je kon zien dat hij het niet meende. Er ontstond zich om hem heen een groepje leraren.

“Aaah?” zei dhr. Meyer “wilt u echt niet een stootje wagen?”

“Nou, vooruit dan maar weer” zei dhr. ’t Hooft.

“HOI HOI HOI” juichden de heren Meyer, Fennis, Bus en Boss in koor. “DOE NIET ZO STOM IDIOTEN” beet dhr. Visser hen toe, waardoor de kalk van de muren afbrokkelde en er dus niet meer gekrijt hoefde te worden.

“Dus ik zeg tegen m’n zoontje…”

De rector stootte de bal zoals zich dat een ware schoolleider betaamd. De bal ging keihard op de korte band af, werd daar gewipt, vloog door een ruit naar de gymzalen, week toen af naar een vuilnisbak, stuiterde driemaal op het hoofd van dhr. Zoer, die net bezig was het onkruid in de vijver te dumpen, ramde toen de letter ‘H’ van de aula af en ketste via de fontijn terug naar de lerarenkamer alwaar hij precies op de biljarttafel terecht kwam.

“Gelukkig heb ik van schoolzaken meer verstand!” opperde de rector monter – en hij baande weg.

“Dus ik zeg tegen mijn zoontje…”

“STOMME KAF!, IDIOOT!. WAANZINNIGE!”

WORDT VERVOLGD

Bert Natter Ronald Giphart

Interview DHR VAN ROOIJEN

Met het verdwijnen van mw. Wigman kreeg het Baarnsch lyceum een nieuwe conrector Onderbouw: Dhr. H.J. van Rooijen. ANIMO zocht hem op in zijn nieuwe lokaal achterin de B-vleugel. Het gesprek ontplooide zich niet als een diepgravend interview, doch meer als een informatieve babbel.

ANIMO: Wij weten (bijna) helemaal niets van u. Vertelt u eens iets over u zelf.

Dhr. van Rooijen: Ik kom uit Amsterdam, waar ik les gegeven heb op het Ignatius-College – een scholengemeenschap die zo’n jaar of zeven geleden is omgezet tot gymnasium met ong. 300 leerlingen – en ook nog op een paar andere scholen. Mijn vak is Nederlands en de laatste paar jaren op het Ignatius heb ik ook in de schooleiding gezeten als brugklascoördinator. Ik heb twee kinderen, een van vier en een van vijf.

ANIMO: Hoe komt u hier op school verzeild geraakt?

Dhr. v. R.: …euh, ik denk dat dat iets te maken heeft met menselijke nieuwsgierigheid èn het eens een keer wat anders willen. Na acht jaar op die hele gezellige kleine Ignatius les gegeven te hebben, kreeg ik toch de neiging om eens een keer wat nieuws te proberen. Zo vind ik het bijvoorbeeld ook heerlijk om weer buiten te gaan wonen; ik heb sinds m’n studietijd in Amsterdam gewoond en ik vind het nog steeds een heerlijke stad maar ik vind het nu ook wel weer eens lekker om buiten te gaan wonen – en vroeger woonde ik ook altijd buiten. Ik ben van plan om hier direct in de buurt of in de iets weidere omgeving te gaan wonen.

ANIMO: Hoe vindt u het Baarnsch Lyceum?

Dhr. v. R.: Ik vind het gebouw echt schitterend gelegen, ik heb nog nooit een school gezien die zo prachtig gesitueerd is als deze, met tuinen, fonteinen, een schitterend sportveld… ik kom zelf van ven school die midden in een stad zat. En… ja… (Hij denkt even na) ik vind dat hier veel vriendelijke mensen zijn, men is erg bereid om elkaar te helpen. Dat is overigens iets wat ik wel graag wilde hebben; een goede sfeer, anders zou ik het absoluut niet gedaan hebben. Ook zou ik natuurlijk niet naar een zelfde school als het Ignatius zijn overgestapt maar de negenhonderd leerlingen van het Baarns in vergelijking met de driehonderd van het Ignatius vind ik wel een uitdaging.

ANIMO: Typeert u eens een ideale leerling.

Dhr. v. R.: Een ideale leerling is kritisch, ik bedoel dat hij/zij niet klakkeloos aanneemt wat er verteld wordt, een ideale leerling is in staat zin te maken, ook als hij een vak bijvoorbeeld vervelend vindt, – en een ideale leerling moet buitenschoolse activiteiten moeten weten te waarderen en er zo mogelijk zelf aan meedoen.

ANIMO: Maar zitten die niet juist in de hogere klassen in plaats van in de onderbouw?

Dhr. v. R.: Ja, maar wat mij aanspreekt in de eerste en tweede klassen is dat er veel meer enthousiastere mensen zijn dan dat in de hogere klassen het geval is. Daarom worden ze door de hogere klassen ook wel ‘opgewonden spul’ genoemd.

ANIMO: Wat vindt u van de midden-school?

Dhr. v. R.: Het uitgangspunt vind ik erg goed, maar het gigantische probleem is dat je, om de leerlingen bij elkaar te laten blijven, veel kleinere klassen en dus ook veel meer begeleiding nodig hebt en dat is in deze tijd een bijna onmogelijke zaak.

ANIMO: U gaat de eerste klassen les geven? En zitten de eerste klassers in een wat onderdrukte posite?

Dhr. v. R.: Ik ga de eerste klassen les geven, omdat ik dat heel leuk vind en omdat ik de namen dan wat beter leer kennen. Nee, ik vind niet dat eerste klassers in een wat onderdrukte positie zitten. Vroeger misschien, toen liepen ze er wat timide bij. Maar tegenwoordig zijn ze steeds duidelijker aanwezig. Ze zijn ook veel opgewondener.

ANIMO: Uw menig graag over de Kunst, Literatuur & Muziek.

Dhr. v. R.: Kunst, vind ik, moet je het plezier geven om er naar te kijken, niet tegen heug en meug dus. Moderne kunst volg ik ook. Ik ga vaak naar het stedelijk en naar galerijen om te zien wat er gebeurt. Ik ben niet iemand die vijftien keer naar de nachtwacht gaat. Literatuur. Vanuit mijn vak heb ik me veel met literatuur bezig gehouden. Jeroen Brouwers vind ik erg goed en ook vind ik dat er de afgelopen tijd enkele goede debuten zijn verschenen. Muziek. Wat klassieke muziek betreft ben ik niet zo goed op de hoogte; ik draai wel eens een plaat terwijl ik lees ofzo. En ik ga ook wel eens naar modern ballet. Van moderne muziek ben ik niet zo goed op de hoogte want ik kijk nooit t.v. en ik luister nooit naar de radio.

ANIMO: Heeft u zelf literaire asperaties?

Dhr. v. R.: Nee

ANIMO: Doet u aan sport?

Dhr. v. R.: Ja, van 1970 tot 1976 heb ik geroeid, als wedstrijd sport. En verder tennis ik en ik doe aan hardlopen.

ANIMO: Mag een leraar een politieke mening in de klas uitdragen?

Dhr. v. R.: Kijk, als mensen duidelijk maken dat ze een bepaalde mening hebben, en als ze die mening niet opdringen dan vind ik dat van wel. Ik vind zelfs dat dat beter is dan dat je niets zegt, want onbewust draag je natuurlijk altijd je mening uit.

ANIMO: Ook als die mening uiterst recht is?

Dhr. v. R.: Als je daar die hele gevaarlijke centrumpartij meebedoelt, die vind ik dus ultra rechts, dan vind ik, als daar enige mogelijkheid voor bestaat, dat een leraar dan niet op een school mag lesgeven.

ANIMO: Over kranten gesproken; welke krant leest u?

Dhr. v. R.: de Volkskrant en de N.R.C.

ANIMO: Aahaa, … Hoe besteed u uw vrije tijd?

Dhr. v. R.: Over dag komt het erop neer dat je wat met de kinderen speelt, dat je wat karweitjes doet en wat aan sport. ’s Avonds ga ik naar het toneel, ik lees wat of ik ga naar vrienden.

ANIMO: En dan nu een afsluitende vraag, hoe lang denkt u hier te gaan lesgeven, of iets bouter geformuleerd, hoe lang denkt u het hier te kunnen uithouden?

Dhr. v. R.: Ik ben van plan om hier lang te blijven. De bedoeling is om hier een leuke baan te vinden en ik hoop dat dat lukt!

Het interview werd gehouden op maandag 13 augustus om half drie ’s middags door Jean-Marc, Bert en Ronald.

Schooljaar 1985/’86, Jaargang 56, nummer 3

Redactie: Marc Pieterse, Claudine Hellweg, Hans Blik, Jean-Marc van Tol, Bert Natter, Jos Bus

Medewerkers: Ronald E Giphart, Seniores; Michon Fieret, Maurits Mok, Jacob den Uil, Dirk Visser en vele anderen

Met dank aan: Dhr. van Maurik, Dhr. Morel, Dhr. Kleijn, Dhr. Smit, allen die ‘meedoen’ aan het feuilleton, Robert Wildeman

Twee vaders, twee zoons

Ik kijk ze beide aan. Ze lijken veel op elkaar. Ondanks het grote verschil in leeftijd, veertig jaar, schijnen ze goed met elkaar op te kunnen schieten.

Mijn zoon, mijn vader.

“Willen jullie nog koffie?” roept Marianne, de vriendin van Dolf, vanuit de keuken. Zij nemen allebei zwart, ik neem met melk en suiker.

“Die Marianne van jou heeft een verdomd lekker snuitje!” zegt Vader en ik schaam me voor hem.

“Dat heb je goed gezien, Opa” zegt Dolf.

Hoe heb ik hem ooit naar m’n vader kunnen noemen? Dolf. “AAH! Daar komen de vrouwen” roept Vader op het moment dat Hetwig en Marianne binnenkomen. Zie je: zij zwart, ik melk en suiker. Hetwig zegt:

“Nou, doen jullie de afwas even, hè, want dan gaan wij even een blokkie om.” en ze gaan weg.

“Denken jullie in deze tijd nu nog wel eens aan trouwen?” vraagt Vader, “Want je vader en ik waren allebei twintig toen we trouwden, alleen ik…” hij lacht, “…ik moest trouwen!”

“Ik ook” zegt Dolf met gepaste trots. Zij moesten, ik niet.

“Ja?” vraagt Vader, “Een kindje? Hohoho, nu, dan zit je er wel aan vast he? Kerel, trouwen. Nou, ik kan je wel vertellen dat ik voor mijn trouwen behoorlijk de beest heb uitgehangen…”

“Ik ook” zegt Dolf.

“…en bedenk wel dat het toen oorlog was, dus pakte je alles wat los en vast zat. Ik weet nog, met een stelletje Duitse meiden…”

“…en die Duitse meiden. dat zijn pas stukken” zei Leo Verschuur en hij wees op het plaatje in het leerboek.

“Die gaan we nog een keer pakken!” zei ik stoer.

“Je bent een nul!” schreeuwde de leraar tegen een onnozele jongen, “Daarvoor zit je hier toch niet op de H.B.S.? Nou, zeg jij het maar, Dirk, welke voorzetsels regeren de derde naamval?

“Mit, bei, zu, van, aus, nach, gegenuber, seit, ausser, entgegen” De leraar zei dat ik de enige leerling was die een natuurlijke aanleg voor Duits had. Ik was inderdaad goed in Duits, afschuwelijk goed.

“…en dan die meisjes in m’n studietijd. Rechten, dat studeerde toen bijna niemand nog, sjonge, wat waren ze vurig!” roept Vader. Dolf merkt op dat ze dat nu ook nog wel zijn. Waren ze dat in mijn tijd ook?

“Ik weet nog een keer toen ik een vriendinnetje bij de Bijenkorf had, toen hebben we ons een keer laten insluiten in het magazijn. Dat was echt een geweldige nacht tussen de pantalons en de revers!”

“Ja! En in de duinen tussen de duinrozen en het helmgras” zegt Dolf.

“Of gewoon in bed” opper ik.

“Maar ja, toen kwam je oma Zaliger en moest ik m’n studie opgeven, net als je vader overigens die op twintigjarige leeftijd liever dichter wilde worden…”

“Was u verliefd op haar, Opa?”

“Ja nou, nou, in het begin was ze niet zo gewillig, hoor, maar toen er eenmaal een kindje op komst was moest ze wel…”

“…dus ik moest wel” zei m’n moeder, “Dirk, je bent nu twintig en je hebt recht om te weten wat er gebeurd is. Ik heb het nog aan niemand verteld, zelfs niet of beter natuurlijk niet aan je vader. Het was in die dagen dat je vader bijzonder verliefd op me was, maar wij gingen niet om met dat soort mensen. En toen kwam er een keer in de stromende regen terwijl je opa en oma naar familie in het Noorden waren, een Duitse soldaat op ons pad. Hij vroeg in vrij goed Nederlands of hij kon komen schuilen. Hij had een fles echte rum bij zich. We dronken wat, nog wat en toen heeft hij me in z’n armen genomen en naar je opa’s slaapkamer gebracht…”

“…maar ondanks dat ze in het begin een beetje tegenstrubbelde is het toch nog goed verlopen hè?”

Nu ik mijn vader zo hoor praten besef ik dat hij en moeder inderdaad een perfect huwelijk gehad hebben, ondanks dat Vader het nooit geweten heeft van mij.

“In het begin heb ik echt alles meteen uithalen om je oma in mijn bed te krijgen hoor, Dolf, Niets lukte. En toen, het is eigenlijk te banaal om er over te spreken -het is dan ook de eerste keer-, toen heb ik me een keer als Duitse soldaat verkleed en haar dronken gevoerd, toen lukte het, -en zijn we getrouwd, maar je oma heeft er nooit een woord meer over gerept”

Op dat moment komen Hetwig en Marianne weer terug.

“OH!” zeg ik, “We hebben de afwas nog niet gedaan…”

Bert Natter-Ronald E. Giphart

Vragen

  • Geef punten die het aannemelijk maken dat Dolfs’ opa een landverrader is.
  • Waarom was Dirk ‘afschuwelijk goed’ in Duitse Taal?
  • Verklaar de titel.
  • Geef in chronologie de gebeurtenissen weer.

Gespannen keken de drie leraren elkaar aan in lokaal K-1.

“M..m..maar, wat d..doen we nu?” stamelde dhr. Ter Haar paniekerig.

“Rustig nu maar, lummel, je weet toch wat we gaan doen? Nu we de ballen in school hebben, moeten we ze zolang verbergen tot ze bij Bertus worden getaxeerd.”

“E..e..en wat d..doen we dan?”

Drs. Van Duin sprong tien centimeter in de lucht en maakte Wickie de Viking-achtige bewegingen:

“We stoppen ze in een vuilnisbak zodat Bertus ze kan vinden!”.

“NEE!” schreeuwde dhr. Nicolaas, “Stumper, op die manier kunnen we ze beter meteen in de container gooien, je weet toch dat Bertus die vuilnis bakken alleen als het echt nodig is leegmaakt, stel je voor dat hij ze dan niet vindt!”

“Stommerd!” zei drs. Van Duin tegen dhr. Ter Haar, “Dat je dat niet doorhebt!”

“TOK, TOK, TOK” klonk het door de zoals Dirk Visser dat zo pakkend weet te verwoorden ‘koud ogende luidsprekers’ maar gelukkig ging dhr. Wolf daarna verder met zijn ‘warme onderhoudende stem’:

“Excuses voor deze onderbreking; maar het betreft hier een korte mededeling over de werkweek Engeland: alle mensen die hiermee meegaan, dienen zich aan het begin van de eerste pauze te melden in lokaal B-12, dank u”

“Nee, ik heb een veel beter plan: we verwisselen deze ballen voor die in de Ler. Kam.” zei dhr. Nicolaas.

“M..maar je ziet toch wel dat d..dat edelmetalenbiljartballen zijn?” riep dhr. Ter Haar dom.

“Edelmetaal???” vloekte dhr. Nicolaas en hij trok een gezicht alsof hij zojuist lokaal A-4 was binnen gestapt zonder zich daar mentaal op te hebben voorbereid, “Maar we verven ze toch, dan zie je die GOUDE kleur niet!”

“O.ooh, v..verven we die edelmetalenbiljartballen?”

“Gouwe joh” fluisterde- drs. Van Duin

“TOK, TOK, TOK, met excuses voor deze hernieuwde storing, maar het gaat nu weer over de werkweek Engeland, de deelnemers dienen aan het begin van de Tweede Pauze bijeen te komen in lokaal. B-13, dank u”

“Nou, luister naar m’n plan: Sammie, jij gaat nu even die biljartballen uit de lerarenkamer halen en die verstop je zo dat je ze later nog een keer kan terugvinden”

“Huw?”

“Ga.nou maar!”

“Huw ja!”

“E..E..ennn en ik d..dan?” vroeg dhr. Ter Haar

“JIJ, jij gaat de GOUDEN biljartballen verven”

“E..e..en dan, w..wat ga ik d..dan doen?”

“TOK, TOK, TOK, met veel excuses voor deze hernieuwde storing, de werkwekers Engeland moeten zich aan het eind van de Eerste Pauze melden in lokaal B-11, dank u”

De heer Ter Haar had ondertussen witte en rode verf gepakt en hij begon de ballen ijverig te schilderen

“Toch wel moeilijk he; om die ene bal wit en die andere rood te krijgen.”

Drs. van Duin deed de deur van de kelder achter zich dicht en liep met grote passen op de trap af. Hij klauterde omhoog, zich onder panische angsten vastgrijpend aan de leuning. Trots als een pauwen zelfverzekerd als een aap klopte hij de stof van z’n vacht. Of was het ‘het stof’?

“Geen zee te hoog voor Sammie” zei hij bij zichzelf, terwijl hij struikelde over de loodzware ANIMO-bus, die zoals vanouds weer gevuld was met ‘kilo’s’ brieven van onder andere Dirk Visser.

“TOK, TOK, TOK” wederom excuses voor deze hernieuwde onderbreking, maar de werkweekgangers Engeland dienen zich aan het eind van de Tweede’Pauze te melden in zoals gezegd lokaal B-9, dank u”

Een spoor van afgesloopte Niet-Storen-lichtjes en verwarmingselementen. achter zich latend, kwam drs. Van Duin bij de lege Ler. Kam. aan. Hij moest de biljartballen verstoppen.

“Als ik ze nu eens…” En hij begon na te denken.

“TOK, TOK, TOK, wederom hernieuwde excuses voor deze verhernieuwde herhaling, de werkweekgangers Engeland dienen zich aan het eind van de eerste en tweede pauze te melden in de lokalen B-8 respectievelijk B-14, dank u”

Drs. van Duin had één plaats gevonden. Hij zou de rode biljartbal verstoppen in de piano van RR, maar eerst even een stukje spelen. Hij zette de vlooienmars in en Wagneriaans rammend op de vleugel gaaf hij een beuk tegen de zijkant omdat hij het ‘TAM-TAM’ wilde verstevigen. En met een vloeiende ‘TAM’ kwam zijn hoofd klem te zitten tussen het houtwerk en het ivoor:

“Popbombomme” pingelde drs. Van Duin, “Genoeg gespeeld” en hij liet de rode bal tussen de snaren verdwijnen.

“TOK, TOK, TOK, pardon hoor, maar de zojuist mede gedeelde mededelingen gelden uitsluitend voor de werkweekgangers IJsselmeer en dus niet voor de werkweekgangers Nadrin zoals eerder door mij vermeld, dank u”

“Die tweede biljartbal verstop ik in lokaal A-5, want daar komt toch nooit iemand”. Kwiek begaf drs. Van Duin zich in de richting van het Senioreslokaal. Een sleutel had hij niet nodig, want de deur stond toch altijd open, alsmede de kas. Binnengekomen verbaasde drs. Van Duin zich over de netheid van het lokaal. Ietwat verbouwereerd stapte hij op de eerste archiefkast af en opende deze. Als een lawine donderde er een stroom van gesmokkelde koffiekopjes, theelepeltjes, Baarnsch Lyceum vellen, Verkiezingsposters, Opstellen van Dirk Visser, toneelrequisieten, afgedankte stoelen, reglementen voor de CLUB, stembiljetten en één Nasi Rames Speciaal. Toen drs. Van Duin zich uit de puinresten had gesleept, opende hij de tweede archiefkast. Na zich een weg te hebben gebaand door de 30 jaargangen Playboy, Animo, Vrij Nederland, Penthouse, Gereformeerd Dagblad, Gay-magazine en de telegraaf vond hij een geschikte plaats om de bal te verbergen.

“TOK, TOK, TOK, ..Tok tok .pok.pok..POK..Bwok Bwok BWOK”

“O” stelde drs. v. D. vast: “De Wolf heeft weer een kip geslacht!”. Toen kwam drs. v. Duin voor een dilemma te staan zijn fantasie was op, en hij moest nog één bal verstoppen.

“’s Effe kaiken, hoor, ik denk dat ik nu moet gaan denken, effe kaiken, ja, ik denk het wel, denk ik, ik weet het wel zaiker, ja, ik denk, ja, ik moet nadenken nu, ja, geloof ik, ’s effe kaiken, ja, ik weet heel zeker dat ik nu moet nadenken, denk ik, ja.”, maar hij vond geen geschikte plaats voor de derde bal: “Nou, dan maar in m’n handtasje, als er een lamp in past, dan toch zeker een biljartbal” (Epigonenwerk reg/bn)

Ondertussen zat men in de kelder ook niet stil. Dhr. Ter Haar had de gouden biljartballen geverfd en dhr. Nicolaas had ze naar de ler. kam. gebracht. Het was inmiddels pauze geworden…

Mw. Witsenburg kwam als eerste de kamer binnen ‘gekacheld’

Nadat ze haar eten had gegeten en haar drinken had gedronken pakte ze een keu en wilde stoten:

“Er klopt iets niet” zei ze met het oog op de twee roden en de ene witte bal: “Het lijkt wel of de witte iets groter is!” Ze nam de ballen in de hand en bemerkte iets vreemds:

“Hmmm, het lijkt wel of deze ballen een dichtheid hebben van 19.3 x 103 kg.m-3 (T=293K), terwijl ivoren ballen toch een dichtheid hebben van 1.9 x 103 kg.m-3 (T-293K), nou ja, ik overleg het zo wel even met Binas Bakker”

Geleidelijk liep de LK vol. Als laatste kwam dhr. Goselink binnen. Even keek de menigte hem aan en het moment daarop joelde men onder aanvoering van dhr. Uttien als één man: “HE, EEN BILJARTBAL!”

Met tranen in zijn ogen begaf dhr. Goselink zich naar het kamertje bij dhr. Smit, waar hij een vriendelijk steun en toeverlaat vond in de daar aanwezige schoonmaker/agoog Kees.

“Keehees” snikte dhr. Goselink, “Ze hebben me gepehest”

“Waarmee dan?” vroeg Kees, onderwijl op het voorhoofd van dhr. Goos kijkend en een scheiding in zijn haar aanbrengend.

“Ze hebben me gepehest met mun hohoofd”

“Wat denk je er zelf van?”

“Hatatatatat!” klonk het die avond bij de deur van het lokaal A-4, waarbinnen de ANIMO-redacteur Bret Tanner de advertenties aan het ‘verzorgen’ was. Het geluid werd veroorzaakt door Senior Arnold Hitgrap die een mitrailleur imiteerde. Vervolgens sloot deze de deur en liep door naar zijn lokaal. Hij kwam er binnen en verwonderde zich…

“Jeempie, we hadden die rommel toch in die archiefkast gestopt?” vloekte Arnold onbeschoft.

“HATattatatat!” klonk het nu ook bij de deur van A-5, waar Bret Tanner een MIG.58 bediende. Arnold liet dit niet op zich zitten en sprong behendig achter de barrière gesmokkelde koffiekopjes, theelepeltjes, Baarnsch Luceumvellen, Verkiezingsposters, opstellen van Dirk Visser, toneelrequisieten, afgedankte stoelen, reglementen van de CLUB, stembiljetten, 30 jaargangen Playboy, die dhr. van Duin ook nog even had doorgenomen, -en één Nasi Rames Speciaal.

“IIIEEEOOOEEEEWIEWIWWIEWIE-BOEM!” klonk zijn Davis torpedokanon. Bret zette als antwoord zijn Helm/kanon uit 1916, uitgevoerd met een pneumatische trekker op:

“OEM, OEM, OEM, BEMMELIE -BOEM!!”. Arnold, difuus door dit verbaal geweld, lanceerde nu de Fliegerfaust, een meerloops raket lanceer apparaat met een draagwijdte van 500 tot 2000 meter:

“RoosierooosiesoooorooowwMaxsssplop”. Bret kwam daarop met een geheel eigentijds wapen: de Honest-John (m-31) 2.640 kg bereik 32 km, snelheid Mach 1.5

“GuwewoewoewioewieowieoAHP- SJoep!”

“OK, nu stop ik hoor” riep de Senior, “Ik moet aan het werk, en overigens…” huichelde hij verder, “..vind ik wel dat de ANIMO en de Seniores wat beter met elkaar moeten opschieten”, terwijl hij vlug nog even een tijdbommetje aan het horloge van Bret monteerde.

“Ja!” riep Bret en hij maakte aanstalte om weg te lopen, maar vlug stopte hij nog even een gasbommetje in één van de rijkelijk aanwezige geïllustreerde ‘Heren’-bladen.

“Nou, laat ik maar weer eens aan het werk gaan” zei Arnold Hitgrap toen Bret Tanner naar zijn eigen ‘honk’ terug was. Toch een lichtelijk verbaast over zijn eigen werklust begon hij.

Nadat hij de gesmokkelde koffiekopjes, theelepeltje (zo’n 2000 in totaal), de Baarnsch Lyceum-vellen (een kilo’tje of 800), Verkiezingsposters, de Opstellen van Dirk Visser (er zat zelfs een betoog bij van de leraar Visser die stelde: Het feit dat mijn zoon hier op school zit geeft niemand zonder meer het recht te denken dat ik zijn mening napraat!), Toneelrequisieten, de afgedankte stoelen, de reglementen van de CLUB (goh, bestonden die dan?), de stembiljetten (Hij was niet voor niets Senior geworden…) en de 30 jaargangen Playboy weer in Archiefkast no. 1 had opgeborgen, de Nasi Rames Speciaal had opgegeten begon hij aan Archiefkast no. 2.

Na een kwartier te hebben opgeruimd, hoorde hij in het naast gelegen lokaal een knal en daaropvolgend een gedemd: “Godsie”

“HEEJOH” riep hij de ANIMO-redacteur toe, “Loop niet zo onbeschoft te vloeken joh!”. Maar Sjeempie, wat begon hier toch te ruiken?

Na weer een kwartier zoeken zag hij in die tweede archiefkast op die avond in lokaal A-5 op de derde plank IETS LIGGEN… Hij keek. Hij pakte. Hij voelde. Hij taste.

“He, een BILJARTBAL?!

Hij vroeg zich af hoe die daar nu kwam.

“Weet je wat?” zei hij bij zich zelf, “Laat ik eens lekker gaan slijmen eh. normaal doen, en deze biljartbal terugbrengen naar waar hij vandaan komt: de lerarenkamer!”

Vervolgens liep hij door de donkere, gangen naar de in stilte gehulde leraren kamer. Hij stapte er naar binnen, voelde een harde klap in zijn nek, keek op, zag de dader en viel neer…

Bert Natter

Ronald Giphart

Wie is de dader? Is het Bret? Dhr. Goselink? Dhr. Uttien? Dirk Visser? Drs. Van Duin? Dhr. Ter Haar? Mw. Witsenburg? Kees de Schoonmaker/agoog? Jos Bus? Dhr. Smit? Dhr. Cley? Bertus de sympathieke schoonmaker? Dhr. van de Voet? dhr. van Rooijen? Robert Rook? Dhr. Bökenkamp? Of zijn het de Neebs? En welke rol speelt commissaris Ragas? Lees dit alles in het nummer van VOLGENDE MAAND.

Nu kwam ook dhr. Roos, vrolijk de internationale fluitend de leraren kamer binnen gewalst. Zijn optimistische gezang werd echter bruut verstoord toen hij met zijn hoofd tegen de zijkant van de biljarttafel beukte.

“Snotverdeurie, tis da schuld van het Kapitaal!” Hoewel er daarna vredig werd doorgespeeld -ook ondanks de scheuren in het houtwerk- ontstond er elders in de lerarenkamer een wat minder vredige situatie:

“En ik zeg tog, over zoon taalverniewing ben ik in prinsiepe biezonder entosjast”

“Ja maar luistert gij nu eens eeven, zooiets is toch uit den booze? Hè, Leeve den losbandigheid!”

“Ja got zeg, vint jij dan niet dat ju un kint goet moet proberen te onderigten?”

“Wel, natuurlijk, maar dat hoeft dan toch niet ten koste te gaan van onze mooie taal? En zo moeilijk is het toch ook niet om die te leeren?”

Het gesprek ging nog even voort, tot het moment dat het ruw onderbroken werd door iemand dié er echt verstand van had: Nederlands tennis hoop in bange dagen, Jos Bus.

“Goddamned mèn, zouden jullie plies zo kind kunnen zijn en to shut up? Ik zit hier net een onwijs gave poster Lendl te bekijken. Hij ronkt de ballen echt weg, mèn.

Schooljaar 1985/’86, Jaargang 56, nummer 4

Redactie: Jean-Marc, Bert, Hans, Hubert, Claudine, Mark

Medewerkers: Daphne, Menno, Ronald, Marc, Robert, Michon, Jakob, Bob, Seniores

Met dank aan: dhr. van Maurik, dhr. Morel, dhr. Kleyn, dhr. Uttien

Het was een koude, kille, gure winterochtend in oktober en de Rector stapte van zijn fiets af. Hij liep door zijn gang, kwam langs zijn conciërge, die een diepe buiging maakte, en bij zijn lerarenkamer aangekomen gooide hij de deuren met een gracieus gebaar open. Hee, wat was dat? Er lag iets op zijn hoogpolige vinyltegels. Hij boog zich voorover en ontdekte een spoortje bloed. Voorts ontdekte hij een gebroken biljartkeu.

“Hier is iets gebeurd!” stelde hij vast. Nu zag hij ook een Seniorketting liggen. Hij handelde zoals dat een ware Rector betaamt.

“Ik wil niet dat mijn school, mijn Seniores in een schandaal verwikkeld worden” zei hij op zo’n afschuwelijk melodramatische manier dat hij er zelf van schrok. Hij pakte de ketting en stopte deze in zijn zak.

“Ik denk da’k maar es een oud vrindje ga opbellen, commissaris Ragas…”

“Hmmmm, ik begin al iets te vermoeden” zei Commissaris Ragas, terwijl hij uit de trein stapte. “En dat” zei hij jolig, “terwijl ik niet eens weet wat er aan de hand is!” Hij rende naar school toe, vloog langs dhr. Smit, die een diepe buiging maakte, ramde ’n pilaar, beukte de deur van de lerarenkamer in tweeën en kuchte.

“Hallowwwww , Lang Gewacht, Dikke Benen, Niet Verwacht, en toch Verschenen!” zei dhr. Ragas jolig, en hij nam een slok ‘water’ uit zijn schouderflaconnetje. “Maar” voegde hij er aan toe: “Ik begin al iets te vermoeden!”

De Rector wees commissaris Ragas het bloed en de keu.

“Luister, ‘t, nu even alle gekheid op een keutje, ik.. hmmm, stil!, hmmm, Er is hier iets gebeurd!” stelde com. Ragas hoogst professorabel vast.

“Genoeg gedacht” dronk commissaris Ragas.

Nu kwam ook dhr. Van de Stadt de lerarenkamer binnengewandeld, druk verdiept in het boekje ‘Op naar een Socialistische gemeentepolitiek onder redaksie van Max v/den Berg, Pierre Janssens en Eisse Kalk’.

“Het stimuleren van Activiteiten in de welzijnssector heeft natuurlijk alleen maar zin als de besturen en werkers organisatievor…” zei hij, verdiept in zijn nieuwe bijbel. Met zijn lange benen struikelde hij over de daar liggende biljartkeu.

“Goooodgloeiende god god godve……e” zei dhr. van de’ Stadt rustig en beheerst, “HSjith, ik lig hier met mu neus in du bloet!!!”

“BLOED!!! BLOEHOED!” schreeuwde com. Ragas jolig, “NIEMAND DE DEUR UIT, IK BEGIN AL IETS TE VERMOEDEN!” en hij kwakte de deur inderdaad dicht.

“Waar was jij gisterenavond” begon com. Ragas zijn kruisverhoor monter.

“Ik was naar een sosialistiese konferensie waar wu du konsekwensies van ut tegunwoordidigu doemdenkun busprakun” zei dhr. van de Stadt en begon verder te lezen in zijn boek

“En jij, ‘t?”

“Ikku was… weg, ik was hier niet, ik.. he Nico?” Commissaris Ragas begon al iets te vermoeden.

Na wat over en weer gepraat begon het eerste uur, Com. Ragas verhuisde naar een eigen werkplaats het kleine kabinet voor de P-vleugel.

“Kijk he” begon dhr. Bos, economie, “‘Die Animo, ik denk dat wanneer ze een paginaatje of 3 over hebben dat ze dan gewoon dat koppel even een paar pagina’s feuilleton laten schr..!”

“Ja kijkt u nu eens meneer Bos” zei schaakgrootmeester en trots van de hele school Rogier Hentenaar, oudste zoon van het roemrijke kennedy-achtige geslacht van de Hentenaars, waarvan vader Hein-Blake Hentenaar een machtige positie binnen de oudercommissie inneemt en de jongste telg, Liedewij-Lucie, haar bestuurscapaciteiten botvier bij de Seniores.

“Ik denk niet dat u om het Literair Aspekt heen kunt” en hij haalde een schaar uit zijn binnenzak.

“W..wat gaan we doen?” vroeg dhr. Bos, economie, bezorgd.

Maar het was al te laat, begerig en vol overgave begonnen de leerlingen van klas 6v deze baard te scalperen.

WAT ER ALLEMAAL NIET UIT DIE BAARD TE VOORSCHIJN KWAM!!!! Gesmokkelde koffiekopjes en theelepeltjes, Baarnsch Lyceumvellen, Opstellen van Dirk Visser, fietsen, vogelnestjes, schaakborden, een volledige RSV-enquête, het dikke boek ‘General Theory of Employment, Interest and Money’ van John Maynard Keynes en als klapper: EEN BILJARTBAL!!!

“He, een biljartbal” riep Rogier Hentenaar.

“Hik, NIEMAND de DEUR UIT!! dhr, commissaris Ragas, die inmiddels het lokaal binnen was gekomen, en hij ging verder: “Nou, Bos, joh, ouwe Spakenburger, ouwe haringfanaat, je hebt zo wel een blote billen gezicht, zeg, met dat geschoren onderkinnetje” zei com. Ragas jolig, “Maar, waar was jij gisterenavond?

“Ik was foebele, trenen”

“O” boerde com. Ragas, en hij begon al iets te vermoeden.

Het was pauze. Enkele leraren waren aan het biljarten, maar op het kleine podiumpje kwam nu wat beweging. Drie charmante jonge dames betraden de verhoging. Ze begonnen te ‘zingen’

  • Oe, lets talk it over in the ladiesroom
  • Lets talk about the boys
  • You do agree as I assure
  • We have to make a choice

“Wauwmpie, te gek!” vond dhr. Visser, gym, van dit nieuwe dames groepje Carola and the Boombox, bestaande uit Carola Wits, Evelyn Loo and miss D. ter Haar-kroket.

  • Oe, lets talk it over in the ladiesroom
  • Lets talk about the boys
  • You do agree as I assure
  • We have to make a choice

“NOU ROT DAN OP NAAR DIE PLEE, ALS JE ZO NODIG MOT” bulderde dhr. Visser, ouwe tale, maar de meiden zongen verder:

  • Oe, lets talk it over in the ladiesroom
  • Lets talk about the bo…

“Nou, dan ga ik wel weg” zei dhr. Visser en hij liep langs de piano naar de uitgang. Op de piano zag hij het handtasje van drs. van Duin liggen.

“Hmmm” zei dhr. Visser, “Het wordt weer kerstmis, en ik zoek nog naar een goed kado, … wat zou een vent nou toch in zo’n handtasje hebben?”‘vroeg hij zichzelf af, en zonder dat hij het doorhad nam hij het tasje mee naar zijn lokaal, lok. A6.

Daar aangekomen maakte hij het ritsluitinkje los:

“He, een biljartbal” riep hij ontsteld

“HiK, NiEmanD dE DeUR UiT!” rotte com. Ragas jolig en hij begon al iets te vermoeden.

“Waar was jij gisterenavond?”

“Fietsen”

“Nou, tzaljuhobbiemaarzijnhe?” zei com. Ragas, en hij nam nog een slok.

De pauze was afgelopen en brutaal als ANIMO-redacteur Bret Tanner was liep hij de lerarenkamer binnen om een stukje piano te spelen. Al bij de eerste toon merkte Bret dat er iets niet klopte. De B# had een duidelijke afwijking

“Poooootgloeiende pot pot potjandoosje” vloekte hij onbeschoft. Woedend en impulsief, zoals ANIMO-redacteuren nu eenmaal door het leven gaan, gooide hij de klep open.

“He, een biljartbal?!”

“HIk, NiEjMan dU DEUr uiT!!” walmde commissaris Ragas jolig en hij begon al iets te vermoeden, en hij vervolgde:

“Waar was u als ik vrij mag zijn om dat te vragen? gisteren avond” en hij keek de onthutste ANIMO-boy verlangend aan.

“Ik was gisteren hier op school; Animo-werken”

“Zo, zo, heb je nog iets biezonders gezien?”

“Nee, niemand, echt niet, heus niet, hoor”

“Ik geloof je wel, maar heb je echt niemand gezien???”

Bret dacht even na -en huichelachtig antwoorde deze jonge god toen: “0, jaa, hehehe, ik heb DIRK VISSER gezien! Ja!”

“Dirk Visser? Zozo hmhm jaja, Nou, ik begin al iets te vermoeden, hoor!”

UIT HET DAGBOEK VAN COMMISSARIS RAGAS ..-..-’84

Vandaag ben ik al meer te weten gekomen. Mijn dekmantel werkt goed. Alleen die Bret Tanner vertrouw ik niet. Alsmede die Visser, ’t en dhr. Bos. Omdat ik meer over Dirk Visser te weten wilde komen ging ik naar ’t (= ’t Hooft -reg/bn) toe. Nog voordat ik helemaal binnen was had ’t zich aan me vastgeklampt: “Raggie” zei ‘t, “Raggie, je moet me helpen, je moet!” Koel en beheerst keek ik hem aan, dronk mijn glas courvoisier leeg, nam een handje pretletters en keek hem zakelijk aan:

“Voor wat, hoort iets euh, voor iets, hoort wat, euh, voor wat gaat de zon op, ik ben geen filantropische instelling!”

“Raggie” zei ‘t, “Het mag geen schandaal, geen water-geet aan mijn ..school worden!”. Nu zag ik dat hij iets liet vallen. Er zat bloed aan, zag ik. “Wat is dat, vroeg ik, omdat er bloed aan zat. “Da..Dat is een S..Seniorketting” antwoordde hij, hij zag blijkbaar nog niet dat er bloed aan zat.

“Maar er zit bloed aan!” zei ik, omdat er bloed aan zat.

“Ja” zei ‘t, “Er zit inderdaad bloed aan” omdat er inderdaad bloed aan zat. Ik vroeg hem hoe dat bloed er kwam, hij vertelde me het (Ik zal hier later nog eens over uitweiden) en vroeg vervolgens of ik hem wilde helpen.

“Jouw kamertje” zei ik. Met grote ogen keek hij me aan.

“Nee, je bedoelt toch niet…”

“Ja” zei ik, want in dat soort zaken ben ik keihard, “Wie een kuil graaft voor een ander is zelden goed, euh, gehaaste spoed valt er zelf in of zoiets, anyway, doeit of doeit niet?”

“Ik…k.. hmm…kdoet, maar wel voor de school!!”

Hij wou me nog een hand geven, maar zover ga ik nog niet met hem. Ik stuurde hem mijn kamer uit en tevreden stelde ik vast: “Zoals het klokje thuis tikt, tikt het!”

Stinkend, walmend en dampend stond de buikige, beroerde, boerende bovenbouw-massa zich te goed te doen aan de muffe marlborough king-size cigarettes ten einde in het kader van het wegenbouwproject haar longen nog meer te asfalteren. De bel ging. Lomp, loom en lummelig sleepte menigte haar domme, dikke, duffe lichamen vijftien minuten na dit teken door de fris geboende hoofdgang om slapend, slurpend en slijmend de lessen te gaan volgen. Een luie leerling bleef achter, omdat dat zo’n fijne alliteratie is.

“Uche, uche, uche, uche, uche, uche, uche” hoorde hij

“Het stikt hier van de muggen” riep hij triomfantelijk.

“Uche, uche, uche” ging het verder.

Waar kwam dat toch vandaan? Het leek wel of het vanonder de roosters kwam, waar de grond bezaaid lag met een duizendtal peukjes die daar door de smeulende bovenbouwers waren neergesmeten. Het geluid begon aantezwellen:

“UCHE, UCHE, UCHE, UCHE”

WAT ZOU HET TOCH ZIJN? ZOU HET MISSCHIEN… ARNOLD… HITGRAP… ZIJN??? EN WAAROM? EN DOOR WIE? EN HOEZO?

LEES HET VOLGENDE MAAND in deel 5

Cees Cakemeel

Pierre van Gestampte Muisjes

Hier houdt Jean-Marc niet van hoor, en er verscheen een grijns op onze gezichten.

Schooljaar 1985/’86, Jaargang 56, nummer 6

Het is niet duidelijk wat Ronald Giphart in deze Animo heeft geschreven maar hij wordt wel bedankt.

Toen ik naar dit teejater kwam, had ik nooit gedacht dat er zoveel mensen aan de organisatie van dit evenement te pas waren gekomen! Wisten jullie bijvoorbeeld dat Amy, Robert, Tako, Vincent, Barbara, Karin, Tamara, Edith, Edmay, Maurik, Bart, Eric, Jean-Marc van Tol, Bert, Claudine, Mark, Hans, Robert, Piet, Jakob, Thora, Tritia, Marcel, Sander, Jeroen, aanwezige leraren van de deelnemende lycea, Dhr. Uittien, Dhr. Giphart (Giphartistiek!), Dhr. van de Stadt, Dhr. van Maurik, Dhr. Smit, Dhr. van Leersum hebben meegewerkt?

Nee? Dan wisten jullie ook niet dat juryleden, Seniores, Leerlingen, Duders, Koningklijke Marine en ’t KNMI hier wekenlang mee in de weer zijn geweest!

Schooljaar 1986/’87, Jaargang 57, nummer 1

Hoofdredacteur: Dirk Visser

Redactie: Lucienne van Daatselaar, Claudia Hellweg, Hester Wetzlar, Siri Bilek, Bert Natter, Jean-Marc van Tol, Elisabeth Visser.

Medewerkers: Apollonia, Hedy, Katrien

Met dank aan: Dhr. Smit, Dhr. van Leersum, Dhr. Morel, Dhr. van Maurik

Impressie: een geboorte

Er was iets, ze wist het niet.

Niels voelde zweetdruppels op zijn rug. Donkere wolken begonnen zich boven de stad te verheffen als voorbodes van een hevig onweer, dat weldra de stad en zijn bevolking zou bespoelen. Niels voelde zich klein.

Het was benauwd in de stad. Een warme beklemmende atmosfeer heerste in de straten, een legioen onweersbeestjes, het gonzende voorspel van een stortbui, vloog af en aan en ieder levend wezen scheen zich klaar te maken voor het naderende waterspel. Niels ging sneller lopen.

“Hij heeft me het dagje wel uitgekozen, he?” zei de verloskundige.

“Hoe weet U dat het een jongen wordt?” vroeg Simone.

“Bij noodweer worden alleen maar jongens geboren, helden.”

“Noodweer?”

“Ja. Het gaat straks plenzen. Lach maar, ja, maar ik moet straks weer naar huis; jij kan lekker met je baby blijven slapen. Trouwens, komt je man niet? Je vader en moeder zijn er al.”

Simone gaf geen antwoord.

Sneller. Hij rende bijna. Zijn hoofd begon al rood te worden, zoals zijn hoofd vlug verkleurde bij de minste inspanning of opwinding. Het tempo van zijn stappen werd alsmaar groter. Het leek alsof hij de wereld begon te vergeten, alsof er nog maar éen funktie in zijn leven was: daar te rennen. Hij moest er komen, niemand op aarde zou hem tegen kunnen houden. Hij voelde een grote druk op zijn hoofd. Wat was dit? Dit benauwde gevoel, deze voetklemmen die ieder vluchten onmogelijk maakten. Waarom? Iets hield hem tegen. Wat was dit?

Dit hoort zo. Dit hoort zo. T~gen zichzelf.

Met zijn handen onbesuisd om zich heen slaand, rende hij door de warme straten. In de straat liep een poesje te happen naar onweersbeestjes. Het was een verwilderd poesje, haar haren waren dik en vies, ze stonk naar vuilnisbakken en haar lichaam was gehavend met schrammen en sneeën. Gisteren had ze nog met haar moeder gevochten. Niels had geen oog voor dit poesje.

Hij moest op tijd zijn.

Simone voelde zich bedrukt. Had haar moeder zich ook zo gevoeld toen zij op het punt stond een kind te baren? Had haar moeder gedacht aan de dingen waaraan zij nu dacht? Had haar moeder zich ook beseft dat zij lééfde. Simone besefte nu dat ze bestond, dat ze er was, iets waarvan zij zich daarvoor nooit bewust van was geweest. Zij was er. En juist door dit besef, maakte zij zich zorgen. Ergens klopte iets niet, er was iets, iets wat zij niet kon omschrijven.

Ze begon zich te irriteren aan de sfeer in de verloskamer. Aan de langzaamheid waarmee alles gebeurde. De handdoeken op zijn plaats, het gemompel van de verpleegsters.

Toen brak het water.

Toen brak de hemel, maar nog voordat de druppels Niels konden raken, was hij door de hoofdingang van het Verloshuis ‘De Bloskamp’ gerend.

Zijn hoofd was rood als bloed.

“Waar blijft die man toch van jou?” merkte Simones vader op. Even sprak er niemand.

“Niels mag er niet in.” zei Simone toen, op nadenkende toon.

“Wat?” vroeg haar vader.

“Niels mag deze kamer niet in.”

“Wat een onzin, wat bedoel je nu?” zei haar moeder.

Simone wist zelf niet wat ze bedoelde. Het was niet Simone die dit zei, maar iets diepers, iets onbewust, iets wat ze zelf niet kon begrijpen. Wat bedoelde ze nu?

“Ik bedoel, dat ik Niels er niet bij wil hebben. Ik wil hem niet bij de bevalling!”

Stilte.

“Maar dat kun je hem toch niet aandoen? Het is toch ook zijn kind!”

Stilte.

“Waarom wil je hem er eigenlijk niet bij hebben?”

“Ik wil hem er niet bij, simpel.”

Was het zo simpel? Ze begreep het zelf niet.

“Is er iets tussen jullie?”

“Wat is er dan?”

“IK WIL NIELS ER NIET BIJ HEBBEN? VERDOMME!”

Simone begon te huilen en kreeg haar eerste wee.

“O, god, ik heb een wee!”

“Laat mij er eens bij.” zei de verloskundige.

Als Niels naar de ingang had gekeken, dan had hij het verwilderde poesje gezien, dat daar aan het schuilen was voor de regen. Dit deed hij niet. Hij liep naar de balie.

“Ik wil mijn vrouw zien, Simone Montier”

“Verloskamer twee, derde etage, meneer.”

Hij rende naar de lift. Hij moest maar boven. Kamer twee, of was het drie? Domme. De lift. Twee. Drie. Simone!

Het verwilderde poesje zocht in de regen vergeefs naar onweersbeestjes.

“Wat vind U ervan, dokter?”

“Ik weet het niet, het zijn angsten of zo, verwacht U van mij geen mening, het is iets tussen haar en haar man, en bovendien, ik heb wel wat anders aan m’n hoofd.”

“Ooh, ik heb weer een wee.”

“Dat bedoel ik.”

Stilte.

“Mamah, ik wil Niels er niet bij hebben.”

Haar toon was nu smekend, met behuilde wangen keek ze haar moeder aan.

“Kind…”

“Ik wil het niet!”

“En hoe denk je dat die jongen zich voelt? Verdomme!”

“Laat haar nu maar,” suste Simones vader.

“Papa, jij laat Niels er niet in, he?”

“…”

“Papa, ik wil Niels er niet bij hebben!”

“Goed kind, goed, ik beloof het.”

“Dit wordt een moeilijke bevalling,” fluisterde de verloskundige tegen een verpleegster.

Met een rood hoofd kwam Niels de derde etage op gerend. Gejaagd keek hij om zich heen, hij zocht kamer twee. Toen zag hij zijn schoonvader.

“Vader!”

“Niels.”

“Waar is ze? Is het kind al geboren? Is het een jongen?”

“Ze… ze.. wil je er niet bij hebben.”

“Wat?”

“Ze, ja, ze zei dus, dat jij, eh, de verloskamer niet in mocht…”

“…”

“Ik kan er niets aan doen.”

“…”

“Ze wil je er niet bij hebben…”

“Maar…”

“Dat is wat ze zei…”

“Maar ik ben toch de vader, ik ben toch de vader, of niet soms, heb ik dan geen rechten? Wel, wel, waar haalt ze het lef vandaan ik wil er bij zijn, wat is dit voor onzin, ik heb toch ook rechten? Ik ben de vader, waar is die kamer.

“Ze wil je er niet bij hebben.”

“Maar waarom? Waarom dan niet? Ik begrijp er niets van!”

Niels pakte zijn schoonvader bij de kraag.

“Ja, zeg, jongeman, …”

De verloskundige voelde zweetdruppels op zijn rug.

“Persen, persen!” zei hij tegen Simone.

Het tempo van haar persen werd alsmaar groter. Het leek alsof zij de wereld begon te vergeten, alsof er nog maar éen funktie in haar leven was: daar te persen. Het kind moest komen, niemand op aarde zou haar tegen kunnen houden. Persen. Persen. Niet denken aan de baby, niet denken aan zichzelf. Alleen maar persen.

Waar was Niels? dacht ze.

Niels stond buiten in de regen. Schoonvader had hem een klap gegeven, na een woordewisseling. Hij huilde. Tranen vermengde zich met het regenwater. Het straatpoesje kwam op hem aflopen en mauwde tegen hem. Niels werd natter.

Hij keek naar het poesje

“Persen, persen!”

De regen was al bijna niet meer hoorbaar.

“Mamah!”

“Ik ben er, kind.”

Niels was door en door nat, hij voelde een grote druk op zijn hoofd. Hij was alles vergeten, zijn hersenen waren vormeloze instrumenten geworden, slechts een woord doorgonsde zijn hoofd. Waarom.

“Mamah!”

Niels rende door de gang van het verloshuis, snel besteeg hij de trappen, woest gooide hij de branddeuren open, met een rood hoofd rende hij naar verloskamer twee en holde door de plastic flapdeuren naar binnen.

“Niels…”

“Jongeman, ik dacht dat ik gezegd had…”

“De baby, waar is de baby, verdomme!”

Niemand gaf antwoord.

“De baby, ik wil m’n baby zien!”

Stilte.

“Niels?”

De pasgeboorne lag levenloos op een schaal, het was een meisje en ze had een rood hoofd.

Ze leek wel een verwilderd poesje.

REG

Schooljaar 1986/’87, Jaargang 57, nummer 3

Redactie: Hester, Bert, Janine, Lucienne, Claudine, Elisabeth, Aldert, Siri, Dirk

Medewerkers: Mw. Steenman, Mw. Roest, Mw. Uttien, Ronald, Elsbeth, Babet, Arjan, Lia, Natasja, het echtpaar Barentsz-van den Vlasakker.

Met dank aan: dhr. Morel en dhr. van Maurik.

En, hoe ging het?

Nog voordat je als eindexamenkandidaat de aula bent uitgestapt, na een vermoeiend tentamen, word je aangevallen door hordes leerlingen uit de niet-examen klassen, die je omver werpen en je vervolgens confronteren met -het niet van sadisme gespeende cliché: ‘En, hoe ging het?’, om je vervolgens, nadat je ze stotterend hebt geantwoord: “Verschrikkelijk”, aan je lot over te laten, juist op het moment dat je behoefte hebt aan zowel psychische als fysieke ondersteuning. Blijkbaar hebben leerlingen (mensen) er lol in te horen hoe slecht het andere mensen (leerlingen) vergaat.

Misschien is het nuttig, gelet op jullie toekomst, om hier eens te vertellen hoe dat gaat, zo’n tentamen.

De meesten van jullie denken dat wij om kwart over acht beginnen, omdat ze ons dan de aula binnen zien druppelen, dit is niet zo; dan hebben wij namelijk PAUZE. De tentamens beginnen om VIJF uur ’s nachts. Dit betekent dat we om vier uur door onze moeders gewekt worden, door middel van een emmer ijskoud water, want daar heeft de schoolleiding via een ‘rondschrijven’ speciaal om gevraagd.

Als we om kwart voor vijf op school aankomen, we komen altijd ruim op tijd, worden we, omdat koud water nu eenmaal zo verhelderend werkt, via een in de hal opgesteld waterkanon, met z’n tweehonderden naar de ingang van de aula gespoten, waarna men ons samenwringt met het dikke, rode vissertouw en de bordjes ‘stilte examen’ (vroeger stond daar ook nog 220 op, maar dat is nu afgeschaft.). Dit opdrijven en samenpersen gebeurt door een, speciaal door de school gehuurd en opgeleid, detachement Burgerwacht, ondersteund door een peloton uitgehongerde Politiehonden.

Dan gaan de deuren van de aula open en worden we met zwepen naar binnen geperst, enkele onder de voet gelopen medescholiertjes gebroken achterlatend (Deze worden met veldbedden door de burgerwacht naar binnen gesleept, want voor het maken van een tentamen is een gebroken ledemaat geen belemmering).

Vervolgens worden we met kettingen aan onze examentafeltjes vast geketend en onze muilkorven beletten het kauwen van kauwgom. Dan en slechts dan, wanneer éen van ons, middels een doktersverklaring kan aantonen dat hij NIET 5,5 uur achter elkaar kan staan, krijgt hij, zij het schoorvoetend, een stoel aangeboden, waarbij wel de kanttekening gemaakt moet worden dat hij, door de speciale constructie van de stoel, na een half uurtje zitten, onherroepelijk te maken zal krijgen met hetzij een hernia, hetzij een rugfractuur.

Dan gebeurt het. De in de aula opgestelde schijnwerpers (meestal voor toneel) worden op ons gericht en flitsen aan. Terwijl de rode en groene balken voor onze ogen ons kijkvermogen reduceren tot een niet noemenswaardig getal, worden de opgaven uitgedeeld. Op sein van de groepsleider slaan wij dan het eerste velletje van de drieënhalve kilo wegende stapel om, -en beginnen te werken. Wij dienen alle, ons in de zes afgelopen jaren bijeengebrachte, leerstof uit ons hoofd te kennen, -en dit is dan alleen voor het beantwoorden van de eerste vraag.

De rest van de vragen zijn de zogenaamde ‘inzicht-vragen’ een woord dat voor ons eenzelfde gevoelswaarde heeft als zweep, brandmerk of duimschroef.

Van 8.10 tot 8.15 uur hebben wij een halfuurtje pauze (sic), mits we kunnen aantonen dat we ieder afzonderlijk al minstens 30 vellen hebben volgeschreven, aan beide kanten.

Om 8.15 uur worden de leraren op ons losgelaten! De leraren (en leraressen), die blijkbaar in éen klap (of meerdere) willen inhalen wat wij hen in zes jaar hebben aangedaan, betreden breeduit lachend en wild om zich heen schoppend de aula, waar zij zich installeren bij een speciaal voor hen uitgerukt banket. Hun taak is: kijken of niemand spiekt en de leerlingen van extra blaadjes voorzien.

En ze doen hun werk goed!

Als een van ons de euvele moed heeft om in plaats van op zijn blaadje te kijken, even op het tafelblad kijkt, dan snellen de dienstdoende leraren toe om hem even een afstraffing te geven. Het kort martelen. Niemand van ons heeft het lef om zijn vinger op te steken om bijvoorbeeld te zeggen dat zijn pen op is, want dat zou kunnen worden uitgelegd als een werkweigering, en daarop staat een potje Chinees Hara Kiri worstelen met dhr. Roos. Het korte martelen.

Specialist in het langzame martelen is dhr. Cley. Hij vindt het nodig om, terwijl wij aan het zwoegen zijn, foto’s van ons te gaan nemen met een fototoestel waaraan een luidspreker is verbonden. KLIK, KLIK, KLIK. En was het nu nog maar een groepsfotootje of een overzichtje, nee, iedereen moet afzonderlijk op de foto, klaarblijkelijk omdat hij van iedereen het individuele leed op de ‘gevoelige plaat’ wil vastleggen, om later nog eens te kunnen kijken hoe de wraakneming zich voltrok.

Zoals ik al zei, de leraren nemen de taken goed op en de meesten zijn dan ook passend gekleed. Zo zal bijvoorbeeld tot mensenheugenis bij me blijven het schattige SADO-mantelpakje van dhr. Bos (eco) en de onder leer en ijzeren kettingen bedolven mevrouw Boesveldt, beide voorzien van enkele sadistische martelwerktuigen, om nog maar te zwijgen van de kopstoten van dhr. Goselink.

Om kwart over tien, nadat we murw gebeuld en moe geschreven ons werk met een kruiwagen naar de inlever-tafel hebben gesleept, worden we vrijgelaten.

Bij de uitgang van de aula wordt ons laatste restje hoop en zelfrespect met de grond gelijk gemaakt door de ons aanvallende niet-examen leerlingen:

En, hoe ging het?

Ik durf mijn naam niet te noemen uit angst voor maatREGelen.

Schooljaar 1986/’87, Jaargang 57, nummer 4

1)

  • In rijmen ben ik niet zo goed.
  • In dichten eigenlijk nog slechter
  • en bij het horen van Jan Borst
  • denk ik altijd:
    • de linker of de rechter.

2) Fideel

  • Ik heb een man die me Animo’s aanbood
  • geslagen met mijn hand
  • gemarteld met een pijpje lood
  • verpletterd tegen de waterkant
  • ik heb hem gestoken en zijn edele delen
  • heb ik vermorzeld met een kei
  • die zou nooit meer kunnen helen
  • dat is toch fideel van mij?

3) Rolstoel

  • Heb je kilometers afgelegd?
  • Ja, wat je me daar allemaal zegt
  • Heb je je brood niet meegenomen
  • en ben je daarvoor teruggekomen?

4) Twee vragen en één mededeling

  • Wat is er in godsnaam gebeurd tussen ons
  • we waren toch zeker een paar
  • Welnu, het is misschien wat ridicuul
  • maar krijg jij de waterpokken maar.

5)

  • niet de fletse felle maan
  • niet het kraken van het grind
  • niet het sluimerende graan
  • niet de opgejaagde wind
  • niet het huilen van dat roofdier
  • niet de geur van rottend vlees
  • maar het knijpen van mijn sluitspier
  • accentueerde toen m’n vrees.

6) Streep

  • “Als jullie nu even stil kunnen zijn,
  • Er is iets gebeurd met Streep
  • Gisteren, midden op een plein,
  • Was er een auto, die zich in stukken reed.
  • Een weg, een bocht. ‘T was nacht.
  • Ze hadden teveel gedronken, ’t zat in hun bloed
  • Het was door niemand echt verwacht,
  • daar te liggen onder die helse gloed.”
  • Eerst hoopte ze op een groot misverstand
  • Deze week was er toch immers niets aan de hand?
  • Maar op dat moment dat de tranen kwamen en rolden
  • en haar herinneringen stokten en stolden
  • besefte ze dat het niet zou worden zoals ze verwacht
  • want steeds zou haar heugen, die ene gedachte.

7)

  • Onder duizenden bomen
  • en honderden zonnen
  • liggen tientallen paren
  • in eenheid gebonden.

8)

  • Ik zag je door een beslagen ruit
  • in mijn gedachten lachtte je me toe,
  • in werkelijkheid natuurlijk uit
  • Ik zat in MacDonalds.

Ronald E. Giphart

Qui vive

  • Ik en mijn vrijpostigheid!
  • Toen ik laatst vroeg aan een vrouw,
  • waarom zij een trosje druiven
  • over haar schouders hangen had,
  • Antwoordde ze me, met iets van nijd
  • iets geagiteerd en iets te gauw,
  • waarom er toch een blokpatroon
  • in mijn trui verwerkt zat.
  • Ik keek haar aan, begreep haar hak,
  • ze voelde zich niet zo op haar gemak.
  • Maar ja, wie zou zich wel op zijn gemak voelen met een trosje druiven over zijn schouder?

KAASKOP

  • Ik ben verliefd op Mariëtte,
  • van de Een, twee, drie,
  • Zij brengt mij in verroering,
  • net als Camembert of Brie.
  • Een huid zo zacht als kaas,
  • een mond, waarmee ze lacht,
  • twee Edammers aan de voorkant,
  • ziet zij dan niet hoe ik smacht.
  • Soms zou ik in haar willen bijten,
  • net als een stiekum muisje,
  • Maar ja, dat kan nu eenmaal niet,
  • Dus neem ik nog een kaas uit het vuistje.

Ronald E. Giphart (niet te verwarren met Ronald L. Giphart)

Schooljaar 1986/’87, Jaargang 57, nummer 6

Grandi art 1986!

Over de GRANDI-ART, de ARTISTIEKE INTERLYCEALE en de JURERING op beide evenementen.

Toen ik als zesjarige lag te zonnen op het naaktstrand van Saint-Martin, toen het daar nog veilig was, dacht ik dat ik perfect gelukkig was. Ik was het ook, denk ik.

Nu ben ik dat niet meer.

Wat is er gebeurd? Ik heb de laatste tijd mijn gedachten laten gaan over de jurering op de beide Artistieke spektakels waar onze school mee te maken heeft. Het is mij opgevallen dat mijn mening lang niet altijd wordt verwoord door de dienst doende jury’s. Nu zou ik mezelf een verwaten zak vinden, als ik mijn mening als de enige ware visie op bepaalde zaken, zou beschouwen, maar toch vind ik mijn mening meestal interessant genoeg om er voor mezelf rekening mee te houden, hoewel ik daar mee niet zeg dat andere meningen niet interessant zouden zijn.

Zo vind ik dat een jury twee taken heeft:

  • Het uitmaken wie er wint (Op de Grandi-Art wil dat zeggen wie er de school gaat vertegenwoordigen).
  • Het uitbrengen van een. jury-rapport.

Ik zal beide spektakels qua jurering bespreken. Wat betreft punt een heeft de jury op de GRANDI-ART, naar mijn inzicht, de juiste beslissing genomen, want het toneelstuk de ‘Zee’ was inderdaad een goed toneelstuk met een mooie dans, goed spel, fraai decor en een redelijke tekst. Terecht de winnars! (Waarom liggen er dertig flessen nagellak hier in de lade en geen enkel flesje tipp-ex?- winnaars natuurlijk)

Aan het jury-rapport; vond ik, maar wie ben ik?, wel enkele bezwaren kleven.

Ten eerste vond ik het jammer de Dhr. Meijer, geheel onbedoeld, de winnaar al bekend maakte bij het bespreken van de ‘Zee’, met de zin:

“Ik denk dat de danseressen met het kleine toneel in Amsterdam wel moeite zullen krijgen…”

Ik ik van dit stuk een onaardige verhandeling zou hebben willen maken, dan zou ik waarschijnlijk getypt hebhen: Dahaag spanning.

Ik vond het ook jammer dat de jury geen enkele opmerking maakte over de manier waarop Bert en ik literatuur in ons stuk hebben geprobeerd te weven. Dirk Ayelt Kooiman, Bloem, Jeroen Brouwers en Marsman.

Ik weet dat de jury had afgesproken om het juryrapport zo beknopt mogelijk te houden, zodat de mensen niet te lang in spanning hoefden te blijven, -en het publiek zo snel mogelijk naar huis zou kunnen gaan.

Ik vond het rapport toch wel wat aan de te korte kant, -en ik miste enkele belangrijke complimentjes. Iedereen weet hoe nuttig complimenten kunnen zijn. Toen ik mijn eerste toneelstuk speelde kreeg ik ook legio schouderkloppen, en dat deed mij bijzonder goed, zodat ik verder ben gegaan met spelen. Later kwam ik wel tot het inzicht dat het echt niet allemaal zo bijzonder was, wat ik toen speelde in 4h maar het heeft me wel gestimuleerd.

Wat ik nu jammer vind, is dat; de jury op deze GRANDI-ART zelf niet een beetje gedaan hebben aan stimulering van het ‘nieuwe’ talent.

Ik, mijn mening hoor, was nogal te spreken over het spel van enkele spelers bij het toneelstuk ‘nonsens’. Natuurlijk kan dat stuk niet concurreren met ‘de Zee’ of ‘Les liaisons’, maar wel is het zo dat de spelers gelet op hun leeftijd een bijzonder mooie prestatie leverden, die veel perspectief geeft voor de toemkomst. Ik denk dat o.a. die kleine Napoleon later een goede speelster kan gaan worden. Idem dito Ceasar en de anderen.

Het is mijn mening (een mening!) dat de Jury hen best had kunnen roemen, met bijvoorbeeld de zin: “Goed gedaan, jochies, ga door met spelen.”

Het zelfde geldt voor Janine Tjoa, die in de derde klas zit, een rol moest spelen die gespeend was van enige humor, nog nooit op een toneel had gestaan, bij de repetities met haar stem b.w.v.s. nog niet eens het doek haalde en een aantal keer moest kussen en ik-hou-van-jou-en. Ik, mijn mening hoor, vond dat ze dit prima, gelijk een volleerde zesdeklasser, deed.

Misschien was het aardig geweest als de jury over haar iets had gezegd. “Leuke rol, goed gespeeld, -en kom volgend jaar eens op de auditie”.

Concluderend: misschien zou het goed zijn als er volgend jaar iets uitgebreider wordt verteld, waarom de jury tot haar besluit is gekomen, en wellicht kan ze daar een beetje rekening houden met de schoolse situatie.

Over de jurering tijdens de Artistieke:

Er is een stelling die luidt: Scheidsrechters en jury’s hebben altijd gelijk.

Na van de jurering op het Amsterdams kennis te hebben genomen kan ik nog maar éen ding konkluderen; deze stelling klopt niet.

Voorbeelden, geen weerlegging zonder voorbeelden! Er bestaat een rijtje ‘een brug te ver’, ‘metafysisch verzet’, ‘spelen met stof’, ‘les liaisons, en de ‘zee’. Ik vond deze stukken qua tekst soms wel eens wat rommelen. Een toneelstuk waarvan de tekst zeker niet rommelde en zeker in dit rijtje thuis hoort, is het stuk van het Nederlands Lyceum dit jaar. Een toneelbewerking van Salingers roman ‘Catcher in the Rye’. Dit stuk maakt diepe indruk op me, o.a. door het fantastisch spel, de eenvoud van het decor en de welgekozen tekst.

Dit stuk was voor mij de winnaar.

Het werd laatste.

‘De Zee’ was voor mij de duidelijke tweede.

Het werd een na laatste.

Wie werd er tweede en wie werd er eerste?

Hebben jullie het stuk ‘de zaak God’ gezien’? Dat was best wel flauw en eigenlijk niet zo leuk. Het toneelstuk van het Amsterdam was 1000x zo flauw, 100x zo slecht, 10x korter en er werd 1 keer in gelachen. HET STUK WAS ZO ONTZETTEND SLECHT, ZO BENEPEN, ZO AFTANDS.

En dus tweede.

Motivatie: de jongens hadden zo leuk met toneel gestoeid.

Eerste werd het toneelstuk ‘God’ van Woody Allen. Zo leuk dat deze jongens met toneel hadden gestoeid. Ik word hier ziek van.

Het Amsterdams had een leraren werkgroep achter zich staan, het Lorentz speelde een stuk van een professional, het Kennemer schakelde ook een tekstschrijver in, -en bij alledrie was het spel beneden alle peil.

Het Baarnsch en het Nederlands, schreven (bewerkten) zelf de tekst, regisseerden zelf en ze speelden (g…..e) goed!

Dit was een voorbeeld. Andere voorbeelden:

Opstel: De winnaars zijn… (gehele jurering)

Eloquentia: De uitslag is als volgt… (gehele jurering).

Het peil van de jurering was zo laag dat de jury’s meestal werden uitgeluid met een hartelijk boegeroep.

En terecht.

Ronald E. G. (Z. E. V.)

Schooljaar 1986/’87, Jaargang 57, nummer 7

Redactie: Siritje, Piet, Dirk, Bert (zev) en Ronald E. G. (zev).

Medewerkers: Apollonia, Katrien, Sebastiaan, M’50, mevr. Laout, Jaap.

Met heel veel dank aan: dhr. B. Boekhoudt, dhr. Morel, dhr. van Leersum, dhr. van Maurik.

STOOKOLIE IN HET ZAND – EEN TONEELRECENSIE

Een toneelstuk is net een glas bier, je moet er heel lang voor in de rij staan, maar als je het eenmaal hebt, is het binnen drie slokken op.

Deze astrante uitdrukking gebruikte ik, bij het beschrijven van mijn leedwezen ná het toneelstuk ‘De Kubieke Cirkel’ in 1984, maar even zo goed zou deze expressie van toepassing kunnen zijn op S.G. de Tassenberg, het Diëstoneelstuk in 1986, waar ook lang aan is gewerkt, maar welks decor na de tweede voorstelling (slok) al werd afgebroken.

Jammer toch, dat iets waar met zoveel enthousiasme voor en met zoveel inzet aan is gewerkt, slechts een zo kortstondig hoogtepunt beleeft, -of is deze vergelijking iets te plastisch?

Er zijn bij zo’n grote productie als S.G. de Tassenberg (S.G. staat voor scholengemeenschap) verschillende schakels, die gezamenlijk de toneelketting vormen. Ik noem de schakels: -tekst, -regie, -decor, -spel en dans, -muziek, -licht, -schmink, -en ook zouden nog te noemen kunnen zijn de secundaire schakels -sfeer en -publiek.

De fundamentele bouwstenen van een toneelstuk zijn de teksten. De tekst voor S.G. de Tassenberg werd geschreven door Jan Borst en Jos Bus. De schrijvers hebben zich, wat hun goed recht is, niet gehouden aan de voorschriften eenheid van tijd, plaats en handeling, wat een geheel opleverde dat bestond uit fragmentarische impressies over het leven en streven op een scholengemeenschap.

Opmerkelijk vond ik het dat er zich tussen deze impressies onderling weinig samenhang bevond, -en ik kon me dan ook niet van de indruk ontdoen dat het stuk een samenraapsel was van enkele schoolse situaties (dit klinkt negatiever dan ik het bedoel).

Er was, naar mijn mening, in de meeste situaties te weinig verhaal c.q. karakter ontwikkeling. Slechts bij de leraarrol uitgebeeld door Nicole Croes was de ontwikkeling van het personage diep uitgewerkt. Bij de scenes van Elsbeth Booij was de ontwikkeling van het karakter Elsbeth redelijk te zien, maar wat voor mij onbegrijpelijk was, was het feit dat meisje Corinnes houding tot stuntel Czessie, na een half telefoongesprekje omslaat van een snibbige aversie voor, in een welwillende verliefdheid op.

Afgezien van dit gebrek aan verhaal waren de meeste teksten toch als vanouds, weer zeer sterk.

Prachtig waren de teksten van de leraren (het schitterende gedicht van een met een kippekop getoonde lerares Nederlands: “Jij schreef je naam met stookolie in het zand) bijzonder komisch waren populaire woord-trends “Shitto!”, “Takka!” en “Partij balen”, maar soms wat vergezocht en een hoogst enkele keer irritant vond ik de vocaties van Fingers, de jongen in de zaal.

Typerend voor enigszins onsamenhangende plot en het gebrek aan verhaal ontwikkeling, vond ik het einde, de afronding van het stuk. De drie ‘running-situations’ (Czessie-Corinne, Elsbeth en Nicole) kwamen, volgens Fingers voor het eerst, alle drie bij elkaar bij een bushalte en toen riep Fingers vanuit de zaal dat hij dit op de gevoelige plaat wilde vastleggen. Leerlingen, leraren, decorbouwers, tekstschrijvers en alle medewerkers er bij, op de foto, klik, einde. Ik denk dat de schrijvers met het einde een ietsje in hun maag hebben gezeten, maar de oplossing die gekozen is vind ik niet de sterkste.

Belangrijk voor een totaal-toneelstuk als S.G. de T. is het decor. Voor het decor van S.G. de T. heb ik maar éen woord: Subliem. Subliem van eenvoud, subliem van opzet, subliem van opbouw. Linksvoor de tassenberg, in de punt de censor (intercom), rechtsboven een lokaal, rechtsbuiten de Trendies en in de achterhoede enkele verschuifbare decorplaten.

“Een mooi decor, jammer dat er spelers voor stonden” is een oude flauwe mop, die bij het toneelstuk S.G. de T. zeker niet op gaat, -want het spel in S.G. de T. was verfrissend en leuk , alleen jammergenoeg bij sommige spelers onvoldoende verstaanbaar.

Verstaanbaarheid is in de grote Baarnsch Lyceum-zaal een groot probleem, maar de regisseurs hebben de spelers het ook niet makkelijk gemaakt (De leraren moesten met maskers op lopen, leerlingen moesten drie meter boven het podium spelen, spreken met hun mond vol (Mickel!) etc.), maar gelukkig stoorde de wat mindere verstaanbaarheid niet zo, als gevolg van de korte scenes.

Eén van de oorzaken van de wat mindere verstaanbaarheid en net soms wat onzekere spel is misschien dat het stuk nogal veel mensen had die voor de eerste keer met een theater-productie meededen. Er deden aan het stuk opvallend weinig (zeg maar) ervaren toneel cracks mee, (ik zou willen noemen Jean-Marc, die alleen hoorbaar was, Hans Blik, die in de zaal zat, en Nicole Croes) en in dat licht is de toneelprestatie van alle spelers als geheel bewonderenswaardig.

Het viel me op dat er in het stuk nogal wat typetjes zaten; de plukkerige kip (een bijzonder mooie rol), der Duitsche meister (een vermakelijk type), de slaapverwekkende geit (en daardoor zeer lachwekkend ), het dikke vraatzuchtige jongetje, de zendfanaat, de trendies, het verschopte knappe meisje etc. Er waren slechts twee rollen met een beetje ontwikkeling (zoals genoemd Elsbeth en Nicole).

Een andere (typische) rol was de rol van stuntel Czessie. Czeslaw vertolkte deze rol op een schitterende en lachwekkende wijze (voor Czessie een achie!), maar ik vond het wel jammer dat hij niet heeft geprobeerd van zijn personage een round-character te maken. Nu was hij in het begin de zelfde kneus als aan het eind. Hij zou zich in het begin ook hebben kunnen inhouden en gaande weg in het stuk steeds meer van zijn timide onhandigheid prijs hebben kunnen geven, met het hoogtepunt van zijn stunteligheid het telefoongesprek met Corinne.

Des ondanks, heb ik van Czeslaws rol toch het meeste plezier gehad en er gaat bij mij een voorzichtige vergelijking op tussen Czeslaw en Folko, de dommerd uit de Kubieke Cirkel. Sluitspier knijpend het volgende stukje:

  • Wat ging die leraar tegen jou tekeer, zeg. Ik dacht, man, dacht ik, man, nu moet je toch ophouden, man, anders doe ik je wat aan!.
  • Zou je dat echt gedaan hebben?
  • Nou, nee ik denk het n.. Jaja, natuurlijk zou ik dat gedaan hebben…

Niet zichtbaar, maar zeker zo hoorbaar, bovenin; de Censor. De afscheidsrol van Jean-Marc van Tol, onbetwist de meest veelzijdige toneelspeler van de afgelopen 6 jaar. Een heerlijke rol, met een prachtige creatie: tuinman Seurens:

  • Ju-llie sit-ten op mu gras, ju-llie mo-gen niet op mu gras lo-pen. An-ders maji ik ju-llie al-le-mal van mu gras.

Ook mooi:

  • Ding-dong, wil de eigenaar van een roodharig jongetje, hem komen afhalen bij de concierges, ding-dong.

Enkele andere vermakelijke scenes in het stuk: de Dubbelscene met een te late leerling en een te late leraar, -en de Hmmmm-scene tussen een vader en dochter. In beide scenes lof voor Ruben Groen, die van nature iets grappigs heeft.

Muziek. Zoals bij iedere grote toneelproduktie, wordt er een ondersteunend bandje geformeerd, ik was blij dat dit bandje in vergelijking met voorgaande jaren een niet zo overheersende rol kreeg. Kwalitatief was de muziek goed, -en verder valt er weinig over te zeggen, alleen dat het lijkt alsof Corinne steeds beter gaat zingen. Gek alleen dat de liedjes meestal in het Engels gezongen worden, alsof de Nederlandse Taal niet toereikend zou zijn om een boodschapje te behappen.

Zeer verrassend was de leerling-leraar saxofoon act tussen Peter Lieberom en Jos Bus. Een hoogtepunt van de avond. Hieruit bleek overigens ook het fragmentarische geheel; deze act kon er makkelijk tussendoor, zonder dat ze het verhaal schaadde.

De techniek, die normaal zo vlekkeloos verloopt, verliep tijdens de voorstellingen van S.G: de T. heel wat minder geordend. Misse belichtingen, foutieve belichtingen, dhr. Fingers die hetzij te vroeg, hetzij te laat belicht werd, Thora Neeb, die plotseling in een spot kwam te staan en niet meer weg kon, Jelle van de techniek die onverwachts verrast werd door een bundeltje 220, ik vond dit behoorlijk ‘shitto’ en zat soms in de zaal een behoorlijke partij te ‘balen’. (Gelukkig wordt er een nieuwe toneelbrug gebouwd, zodat deze euvels in de toekomst tot het verleden zullen behoren… ofzoiets…)

Waar ik toch altijd weer zo om moet lachen is de manier waarop, op deze school, de afkondiging en afsluiting van een toneelavond wordt gedaan.

Er is een prachtige toneelvoorstelling geweest, de toneel spelers nemen het applaus in ontvangst, maar het is nog niet klaar. De AC-ploeg moet ook op het toneel, applaus! de techniek komt vanaf het toneel naar voren, hoera!, de grime-meiden komen vanaf hun riante eerste rij plekken het podium opgerend, Bisbis!, alles onder het mom, de zaal moet toch kunnen zien wie er achter-de-schermen-werk-hebben-verzet.

Van mij mag het hoor, ik vind het prima! Het is toch lachwekkend om te zien hoe de honderden medewerkers op het podium staan, met in hun gezichten geklonken de bij deze gelegenheden horende gelukzalige glimgedaantes. Maar wel vraag ik mij af waar het programma boekje eigenlijk voor dient; mensen in de zaal kunnen toch lézen wie er zo goed waren de onderlagen aan te brengen of de spots te bedienen?

En helemaal gillen is het als iedereen dan uiteindelijk is geïnstalleerd en een lid van de schoolleiding nog even een afsluitende babbel komt houden.

Dhr. van Rooijen, na de eerste voorstelling, deelde de zaal mede dat hij in de pauze, even naar de bibliotheek was geslopen, om daar ‘Bint’ nog even te (her)lezen en hij had het boek en passant nog even meegenomen om er een stukje uit voor te lezen (Ik hoop wel dat dhr. van Rooijen een uitleenkaartje heeft ingevuld..).

Dhr. Uttien dacht, bij de tweede voorstelling, dat hij een op applaus belust publiek wel even zonder microfoon kon temmen, met als gevolg dat er van zijn speech niets anders hoorbaar was dan vlagen “En de techniek…”, “Veel dank ook..” die werden omringd door een lacherig, trainerend applaus, totdat dhr. Uttien eindelijk de microfoon pakte.

Maar dit terzijde.

Duidelijk is dat het Baarnsch Lyceum op de negentiende en de twintigste maart 1986, twee mooie, typische Baarnsch Lyceum voorstellingen heeft mogen beleven, totaal-toneel zoals we dat van Jan en Jos, van de techniek en alle anderen gewend zijn. Duidelijk is ook, dat al mijn kritiek uiteraard alleen voortkomt uit het feit dat ik het zo ‘shitto’ vind, dat ik zelf niet heb meegedaan.

Ik heb me kostelijk vermaakt.

Héé, dat is voor het eerst dat we deze 5 woorden op een rij hebben staan, nou, laten we dan hier maar stoppen.

REG