De boterballentijd is een uitgave van KLM Royal Dutch Airlines ter gelegenheid van het jubileum van de eerste trans-Atlantische lijndienst op 21 mei 1946. Deze werd verzorgd door KLM.

De boterballentijd

By hans, 23 mei 2016

Dit is een fictief verhaal dat zich afspeelt op 21 mei 1946 tijdens ‘de eerste reguliere vlucht van Amsterdam naar New York’.

 

“FOTOGRAFEN, RADIOVERSLAGGEVERS EN FILMOPERATEURS HADDEN ZICH MET HUN STATIEVEN OP DE STARTBAAN VAN SCHIPHOL OPGESTELD OM VERSLAG TE DOEN VAN DE NU AL LEGENDARISCHE VLUCHT VAN DE VLIEGENDE HOLLANDER.”

21 mei 1946 vond de eerste reguliere trans-Atlantische vlucht plaats, tussen Amsterdam en New York, in een DC-4. De boterballentijd is een fictief verslag van deze historische gebeurtenis. Een jonge vrouw maakt de overtocht en schrijft een brief. Ze neemt ons mee van Amsterdam naar New York. In beleving, maar ook in taal.

Titel: De boterballentijd

Subtitel: Van Amsterdam to New Amsterdam

Engelse vertaling: © Jonathan Reeder 2016

Concept: DDB & Tribal Amsterdam

Omslagontwerp: Craig & Karl | Agent Pekka

Opdrachtgever: KLM Royal Dutch Airlines

Geproduceerd door Bureau Bruinzeel

Schrijver: Ronald Giphart

Jaar: mei 2016

Druk: 1ste

Pagina’s: 67

Afmetingen:

Type: Hardcover

 

21 mei 1946, ergens boven Engeland, net over half twee ’s middags…

Excuses voor mijn handschrift, dat wat bibberig is door de turbulentie. Ik schrijf je dit voor later, al weet ik niet of je mijn woorden ooit zult lezen. Eerder heb ik met mijn medereizigers het glas geheven op het welslagen van onze reis. In de wachtruimte bij de vervallen hangar kregen alle passagiers een feestelijke cocktail om te toasten op de naderende historische gebeurtenis. Bartenders in kraakheldere witte jassen met gouden knopen stonden verschillende spiritualiën te shaken. Ik had nog nooit een echte cocktail gedronken, en al nippend moest ik toegeven dat het glas mij uitstekend beviel. Mijn emoties waren op dit moment eveneens een cocktail: van hoop, verrukking, twijfel en angst. Hoe ik op deze vlucht verzeild ben geraakt is een lang verhaal. Ik heb een ticket, dat is het belangrijkste.

In het gezelschap ben ik duidelijk het buitenbeentje, als verreweg de jongste passagier. Er reizen ongeveer veertig mensen mee naar New York, plus bemanning en hun aanhang. De crew leden stonden bij elkaar: ze maakten in hun uniformen een daadkrachtige indruk, zowel de mannen van de cockpit als de air hostessen met hun hoedjes. Wachtend op het moment dat we ons naar het toestel zouden verplaatsen, maakte ik kennis met een paar mede-cocktaildrinkers: hooggeplaatste lieden, een vertegenwoordiger van de regering, de burgemeesters van Amsterdam en Rotterdam, directieleden van de K.L.M., verslaggevers van heinde en verre, zakenmannen, de directeur van een grote zuivelfabriek. Ik ben niet gewend om in zo’n gezelschap te verkeren – en eerlijk gezegd hield ik mijn hart vast. De goed gecoiffeerde echtgenote van een belangrijke meneer vroeg vriendelijk wat mijn besognes waren, met wie en waarom ik de grote oversteek naar de Nieuwe Wereld maak.

‘Ik reis alleen…’ antwoordde ik aarzelend, want ik wilde niet laten merken dat ik nog nooit ergens alleen naartoe ben geweest en zelfs nog nooit in het buitenland heb vertoefd. Ik ben een keer in Bolsward geweest, op bezoek bij familie van mijn moeder, de verste plek die ik in mijn leven heb bezocht.

‘Mijn vader zegt dat ik mijn toekomst tegemoet vlieg,’ ging ik verder.

‘Dat is mooi gezegd, Carrie,’ zei de vrouw.

Ik knikte haar toe.

‘Hoewel ik me afvraag of je ook van je toekomst zou kunnen wegvliegen.’

De vrouw hield haar glas proostend omhoog en ik legde uit dat ik op weg ben naar mijn verloofde – die officieel nog niet mijn verloofde is, maar dat is een detail voor kniesoren en nijdassen.

‘Een Canadees?’ vroeg ze.

‘Amerikaan.’

De vrouw knikte, met een kleine, minzame glimlach. Trees en haar Canadees. Het was niet de eerste keer dat ik iemand dat zag denken. Veel Nederlandse vrouwen zijn het afgelopen jaar verliefd geworden op een bevrijder, alleen ben ik vandaag de enige op de eerste officiële vlucht van het Europese vasteland naar New York. Dit feit doet me meer dan ik zou willen toegeven.

‘Dus je bent een war bride?’ zei de vrouw.

Ik herhaalde haar woorden en dacht er over na. ‘Getrouwd met de oorlog… Ik vind het maar een vreemde omschrijving.’

De vrouw knikte moederlijk, waarop ik haar wilde vertellen – toeschreeuwen – over Anthony, over liefde, over alles, maar op een provisorisch podium in een hoek van de hangar begon iemand in een grote microfoon te praten, onder een Nederlandse en een Amerikaanse vlag. Het gezelschap viel stil. Na een plechtig welkomstwoord en twee nog plechtiger toespraken van meneren die niet naar New York meereisden werd ons gevraagd de wandeling naar het toestel aan te vangen – voor mij het moment dat zenuwen bezit van me namen. Het was zover: we gingen eindelijk vliegen.

Ik zal niet zeggen dat ik als drieëntwintigjarige al een heel bewogen leven achter de rug heb, maar het is ook niet zo dat ik niets heb meegemaakt. Hoewel er genoeg momenten waren waarop mijn angst het bijna won van de onverschrokkenheid die ik mezelf graag toedicht – ik denk aan een bezoek aan een beschonken schooltandarts, een tocht op een zadel loze hengst die op hol sloeg met mij op zijn rug, een paar zware gecompliceerde bevallingen bij flakkerend kaarslicht en een incidentele ‘ coniotomie’ – maakte de naderende vlucht me pas werkelijk bevreesd. Ik heb nog nooit gevlogen, ik ken ook niemand die dat wel heeft gedaan, op Anthony na. Hij heeft me per brief verzekerd dat vliegen veiliger is dan rijden op een paard. Een air hostess met wie ik even sprak zei letterlijk: ‘Het oversteken van de Leidsestraat tijdens spitsuur is veel heftiger dan een vlucht met onze gloednieuwe DC-4.’

Fotografen, radioverslaggevers en filmoperateurs hadden zich met hun statieven op de startbaan van Schiphol opgesteld om verslag te doen van de nu al legendarische vlucht van De Vliegende Hollander. Vanuit heel Europa en daarbuiten waren verslaggevers – Zwitsers, Luxemburgers, Fransen, Amerikanen – naar Schiphol gekomen, net als honderden, misschien wel duizenden belangstellenden. Het voelde alsof wij voor even wereldsterren waren. Het bijna negen meter hoge vliegtuig, genaamd De Rotterdam, was groter dan ik mij had voorgesteld, zoals verwachtingen welbeschouwd nooit overeenstemmen met hoe de werkelijkheid zich presenteert – maar dit schrijf ik om mezelf in te dekken.

Het laatste beeld van Nederland: mijn ouders in een drom der naamlozen. In de menigte die ons uitluidde zag ik mijn vader staan, niet zo stoïcijns als altijd, pijp in zijn mond, zijn dunne haar wapperend in de wind. We hadden twee uur eerder bij de hangar al afscheid genomen, maar mijn ouders waren gebleven om het vliegtuig te zien vertrekken. Mijn vader stond verloren tussen vele mannen met gleufhoeden. Ik heb hem nog nooit een hoofddeksel zien dragen. Naast hem mijn moeder, getooid met een van haar laatst overgebleven vooroorlogse tulbanden. Om haar heen vrouwen met matelots, baretten, uitbundige zomerse karrenwielen. Ik zag dat mijn moeder probeerde te lachen, maar zelfs op die afstand bespeurde ik een kleine glinstering in haar ooghoeken. Ze zwaaide naar me, als een meisje – ik zwaaide ingetogen terug. Ik heb beloofd dat ik binnen afzienbare tijd weer terug zal zijn. Of ik me aan deze belofte zal houden, durf ik niet te beloven.

Dit is wat ik achterlaat: alles. Vriendinnen, familie, mijn jeugd, de winkel, het ziekenhuis, die hele rotoorlog en die hele rotwederopbouw. Mijn vertrek is opnieuw een grote klap voor mijn ouders, voor mijn moeder met name. Ik heb het vier weken uitgesteld, maar toen moest ik hun wel vertellen van het ticket. Mijn vader schudde langzaam zijn hoofd en stak een pijp op, mijn moeder begon zachtjes te huilen en is daar dagen en nachten mee doorgegaan. Sinds de dood van Piet is alles anders, daar kan niets of niemand iets aan doen. Zelfs de Bevrijding bracht mijn ouders nauwelijks vertroosting. ‘Liever bezet mét Piet, dan in vrijheid zonder hem,’ zei mijn moeder, een paar weken na 5 mei, toen heel langzaamaan het gewone leven in Nederland weer op gang kwam. Ik had haar op dat moment nog niet voorgesteld aan de man die ervoor zou zorgen dat ík haar ook nog zou verlaten.

Op de trap naar de ingang van het vliegtuig draaide ik me nog een keer om. Er werd naar me gezwaaid en geroepen. Mijn ouders zag ik niet meer, maar ik had geen tijd om hen te zoeken in de massa, want een steward maande me vriendelijk door te lopen. Kordaat – met bonkend hart – stapte ik De Rotterdam binnen, waar ik werd ontvangen door een piloot en een cabin attendant. Het liefst wilde ik haar meteen vertellen dat ik gespannen was, maar ik hield mijn maskers op: het masker van onverschilligheid, het masker van wereldwijsheid, van onaanraakbaarheid. Ze nam mijn mantel aan en hing deze in de garderobe. Toen ze me vertelde dat ik deze reis de jongste aan boord ben vroeg ik haar mij te tutoyeren, omdat ik me anders zo ongemakkelijk voelde. Haar naam was Puck en ze hoorde bij de nieuwste lichting stewardessen. In een golf van naoorlogse energie had de K.L.M. dit voorjaar vijftig nieuwe air hostessen aangenomen, zoals we lazen in kranten en magazines. Overal verschenen foto’s van meisjes die uitverkoren waren om bij onze nationale trots te mogen werken. Ik denk dat geen jonge vrouw een vliegtuig kan binnenstappen zonder te denken dat ze zelf cabin attendant zou kunnen zijn, en natuurlijk heb ook ik me voorgesteld in zo’n donkerblauw K.L.M.-uniform, dat zoveel modieuzer oogt dan het bleke verpleegsterspak dat ik al jaren draag. Ik kan niet zeggen dat ik bedroefd was toen ik afgelopen week mijn zusterkostuum definitief in de kast op mijn meisjesslaapkamer hing.

Wederom iets dat anders was dan ik me had voorgesteld: het interieur van het vliegtuig. Ik zag steeds een trein of desnoods een bus voor me, maar de cabine had meer weg van een luxe hotellounge – of althans wat ik me voorstelde van een luxe hotellounge. Puck ging me voor naar mijn fauteuil, niet aan het raam, maar aan het gangpad. Bij het raam zat een man die ik al eerder had gezien bij de feestelijke receptie. Hij kwam overeind en stelde zich voor, maar niet in het Nederlands. Ik schrok, want ik had er niet op gerekend dat ik naast een buitenlander zou zitten. Zijn naam hoorde ik wel, maar uit bezorgdheid over mijn slechte Engels onthield ik die niet.

De meeste reizigers in dit toestel hadden al een keer gevlogen en wisten dus hoe het eraan toegaat aan boord, maar ik wist van niets. Puck legde me uit hoe ik de seatbelt moest vastmaken en ze vroeg of ik zin had in koffie als we waren opgestegen. Een purser liep rond met een schaal met druiven, die eerder die week waren ingevlogen vanuit Tunis.

Even later vroeg de gezagvoerder, staande bij de voorste rij, de aandacht van alle reizigers, terwijl het cabinepersoneel ondertussen de toe gangsdeur van het toestel sloot. Een radioverslaggever hield een ronde microfoon bij de piloot, die een speech gaf over de naderende overtocht. Grappig detail was dat hij, terwijl hij sprak, een grote rode doos bonbons onhandig in zijn arm hield. Die had hij van zijn vrouw gekregen bij het afscheid. Hij vertelde dat we bijna een etmaal in het luchtruim zouden verkeren, met tussenstops in Schotland en Newfoundland. Na zijn woorden werd er om me heen geestdriftig geapplaudisseerd. Ik klapte uitgelaten mee, geen idee waarom. Zenuwen? Verlangen naar betere tijden?

Een paar minuten later zette het toestel zich in beweging. Tot dat moment had ik het heimelijke gevoel dat ik nog kon ontsnappen. Kon uitstappen om de hele reis af te blazen. Maar er was nu geen weg meer terug. Ik probeerde naar buiten te kijken, maar mijn buitenlandse buurman zat pontificaal voor het ovaalvormige raam. Toen hij doorhad dat ik over zijn schouder meekeek liet hij zich achteroverzakken. Met geronk maakte de DC-4 vaart, de startbaan schoot onder ons door en ik werd tegen mijn stoel gedrukt. Mijn lichaam trilde en schokte zodanig dat ik mijn ogen sloot en me vastgreep aan de armleuningen. Op het moment van take- off dacht ik aan jou.

Tijdens een tussenstop in Glasgow…

De landing in Schotland was geweldig, voornamelijk vanwege the spectacular view. Ik bekijk deze reis voor een deel met de ogen van mijn ouders en steeds hoor ik mezelf vertellen over deze reis. Van Nederland heb ik uiteindelijk niet veel gezien, maar van Engeland des te meer: meanderende beken, glooiende heuvels, bergwanden, dorpjes met een plein, wegen met rijdende auto’s, boerderijen die verspreid lagen over het land. We konden zelfs miniatuurmensjes zien: een vrouw achter een kinderwagen, een fietsende man, een echtpaar dat volgens mijn buurman duidelijk ruzie stond te maken.

‘Het is een grappig besef dat overal mensen een bestaan hebben opgebouwd dat lijkt op het bestaan dat wij hebben, terwijl we ze toch nooit zullen ontmoeten,’ zei mijn buurman. ‘Behalve als we bij toeval naast elkaar zitten in een vliegtuig voor een vlucht van zesentwintig uur.’

Hij bedoelde het als a little joke, meant to break the ice, ik lachte vriendelijk, maar ik had moeite te begrijpen wat hij zei, omdat zijn Engels een bijklank had die ik niet kon duiden. Met mijn ouders spraken Piet en ik soms Engels tijdens de maaltijd, omdat dat volgens mijn vader de beste manier was om snel een taal te leren: just by speaking. En de afgelopen maanden ben ik trouw twee keer per week na mijn dagdienst naar mevrouw Smulders geweest voor Engelse les. Met Anthony sprak ik natuurlijk ook Engels, of beter een vorm daarvan, mondjesmaat en zo goed als het ging. In dribs and drabs. Inmiddels lees ik Engelstalige boeken en luister ik geregeld naar de BBC World Service en nog liever naar Amerikaanse zenders, al heb ik nog steeds niet het gevoel dat ik de taal machtig genoeg ben om in een vliegtuig to be able to carry on a conversation met een onbekende van wie ik de naam niet heb onthouden.

‘I’m sorry, I’ve forgotten your name,’ zei ik, na enige mentale voorbereiding. Ik hoopte dat het niet onaardig zou overkomen.

‘Carrie? Really?’ zei hij, met gespeelde verontwaardiging en duidelijk makend dat hij mijn naam nog wel wist. Beleefd lachend – we zaten tenslotte al een paar uur naast elkaar en we hadden een kop koffie en een stuk feestelijk gebak genuttigd, waarbij we steeds vriendelijk naar elkaar hadden geknikt – noemde de man nogmaals zijn naam. Hij gaf me voor de tweede keer een hand. Sven Jakobsson, een verslaggever uit Stockholm die voor zijn krant de oversteek van De Rotterdam moet verslaan. Hij was al eerder met de K.L.M. naar Afrika gevlogen. Eigen lijk vond ik hem meer ogen als iemand die bij een bank werkt dan dat hij het nieuws verslaat, maar misschien had hij zich voor de gelegenheid gekleed. Verheugd vroeg ik hem naar Zweden. De naam van dat land brengt me sinds een jaar in een zoete roes en geanimeerd wilde hij weten wat ik met zijn vaderland heb. Ik legde uit dat dat – natuurlijk – te maken heeft met de oorlog. Zweden, het land van hoop en overvloed. But Sven Jakobsson did not really get my drift.

Hoe onwerkelijk is het? Nog maar anderhalf jaar geleden leek de situatie in ons deel van Nederland uitzichtloos, ondanks de opmars van de geallieerden in Zuid-Nederland en de rest van Europa. In de maanden dat wij wachtten op de Bevrijding, raasde een verzengende kou als een furie over velden en landen. De uitputting, armoe en honger waren ongekend, vooral in de grote steden. Het grote leegstaande schoolgebouw achter de winkel van mijn moeder werd in de loop van 1944 ingericht als centrale
keuken, of zoals mijn vader met zijn belegen ge voel voor humor altijd zei ‘die gare keuken’. In het gebouw werden grote hoeveelheden eten gekookt, daarna in de stad verspreid in blikken gamellen. Later begon het gebouw dienst te doen als afhaalpunt. Ketels werden neergezet en mannen schepten kwakken voedsel in door buurtbewoners meegenomen pannen en emmers. Mijn ouders stonden ook in de rij, door het aanhoudende gebrek aan voedsel en de almaar knagende honger hadden ze hun schaamte overwonnen. Naar wat er precies in de gamellen zat moesten we altijd raden, het enige wat er met zekerheid over de substantie kon worden gezegd was dat die een overtreffende trap van gaar was. Hoewel de kleur van de maaltijden iedere dag verschilde, was de smaak – of liever gezegd het gebrek daaraan – steeds hetzelfde. Mijn moeder zei eens, toen ze in onze verduisterde en ijskoude huiskamer een karige hoeveelheid onder drie personen verdeelde: ‘Dit is het eten dat ze in de hel serveren.’ Eigenlijk bedoelde ze dat we ons op dat moment al in een voorportaal bevonden.

En het schrijnende was dat de karige hoeveelheid die wij kregen toebedeeld in feite was bedoeld voor vier personen, want de weken na het overlijden van Piet kregen we wel nog zijn voedselbonnen. Mijn moeder wilde die aanvankelijk niet gebruiken, maar mijn vader overtuigde haar ervan dat wel te doen. Huilend zei mijn moeder dat het voor haar voelde alsof we eten belangrijker vonden dan Piet. Ik vrees dat dat op dat moment ook waar was.

Tegen het einde van de oorlog werd de kwaliteit van de gaarkeuken beter. Mijn ouders en ik raakten verknocht aan zogenaamde Zweedse erwtensoep, die een kleur had die zich moeilijk laat omschrijven, hoewel de substantie verrassend lekker was. Iedere avond dat er Zweedse ärtsoppa werd uitgedeeld, kwamen alle wijkbewoners met pannen, emmers en wat er verder beschikbaar was voor een extra grote portie – niet vanwege de honger, maar vanwege de smaak. We waren vergeten dat eten ook aangenaam kon zijn.

Ik keek Sven Jakobsson aan alsof hij persoonlijk verantwoordelijk was voor de Zweedse traktaties.

‘And then the Swedish white bread, het Zweedse wittebrood as we call it,’ ging ik verder, want ik had mijn gespreksonderwerp gevonden en stond er niet meer bij stil dat mijn Engels te wensen over laat. ‘Wittebrood with butter. The British Army threw the breads off planes to feed the hungry people in our country.’

Ik keek mijn buurman met grote ogen aan.

‘Vitt bröd?’ vroeg hij.

‘Really, I think it’s the best thing I’ve ever eaten in my life,’ zei ik, en dat meende ik. ‘My father and I were allowed to eat as much as we wanted. I cried when I ate my first Swedish white bread with butter. You can’t imagine.’

Het einde van de middag, Nederlandse tijd. Boven de Atlantische Oceaan…

Gestaag schrijf ik je verder, want het is verhelderend en rustgevend om – nu ik er de tijd nog voor heb – mijn gedachten aan jou en het papier toe te vertrouwen. Ik weet niet hoe druk ik het ga krijgen als ik eenmaal in Amerika ben. Op de luchthaven Prestwick bij Glasgow stonden we geruime tijd stil om bij te tanken en afscheid te nemen van reizigers die alleen tot hier meevlogen. Vanuit mijn raam zag ik Schotse technici bij een tankwagen. Een paar officiële heren en verslaggevers verlieten het toestel en de copiloot kwam melden dat het de andere passagiers werd gegund een kijkje te nemen op de luchthaven en daar eventueel een kleine maaltijd te gebruiken.

Niet iedereen maakte hiervan gebruik, maar ik liet me meetronen door de mevrouw met wie ik op Schiphol had gepraat. Hoe ze het had klaargespeeld is mij niet duidelijk, maar ze had tijdens dit deel van de vlucht kans gezien zich om te kleden in een geheel andere outfit. Haar mantel was modieus en ze droeg een hoed die door mijn moeder ‘een landende zeppelin’ wordt genoemd. Mijn moeder heeft in de loop der jaren vele namen gegeven aan de hoeden die ze maakte. Ze verkocht exemplaren met – geheime – namen als ‘vergiet’, ‘bonbondoos’, ‘fruitmand’, klapsigaar’, ‘diligence’, ‘poef’, ‘Armada’ en ‘roombroodje’.

Samen daalden de vrouw en ik de vliegtuigtrap af. Ik weet niet wat ik van ‘het buitenland’ verwachtte, maar wel dat alles anders zou zijn. Maar dat viel dus nogal mee. Het rook hier hetzelfde. De wind voelde hetzelfde op mijn wangen. We walked in the same sunlight.

Mevrouw Boerstoel – echtgenote van een grote zuivelfabrikant die in Amerika zaken hoopt te doen – vroeg me of ze me een arm mocht geven omdat ze wat moeilijk ter been was en haar man lag te slapen in zijn fauteuil. Nu begreep ik waarom ze me had gevraagd haar te vergezellen. In een rustig tempo schuifelden we naar de terminal, een hal met een bar en een winkel, waar ik – service van het vliegveld, dus zo gierig zijn die Schotten dan toch niet – een ansichtkaart voor mijn ouders schreef en verstuurde. Mevrouw Boerstoel nodigde me uit voor een kop echte Engelse thee met scones, waar ze zich al dagen op verheugde. Ze had er speciaal Engelse ponden voor meegenomen en zei: ‘Dan gaan we eens lekker over onze reisgenoten praten.’ Ik begreep dat ze roddelen bedoelde.

Tijdens onze kop thee kwam ik veel te weten over de mensen in het vliegtuig, al zal veel van wat zij vertelde jou weinig interesseren – nor me, to be honest. Ik ben niet als mijn vader, die zich als ouderwetse sociaaldemocraat voortdurend te sappel maakt over alles wat de boven-ons-gestelden aangaat, noch als mijn moeder, die met haar clientèle urenlang kan converseren over zaken die simpelweg de conversatie niet waard zijn. Toch moet ik toegeven dat ik het niet onaangenaam vond te luisteren naar wat mevrouw Boerstoel wist over wie, en wat hoe waar waarom, al was het maar om tijdens haar uitweidingen om me heen te kunnen kijken naar Schotse passagiers. Voor de duidelijkheid: geen enkele bagpiper, geen mannen met kilts aan.

Love is literally in the air. Ik hoorde over the newly married co-pilot, die op onze overtocht zijn echtgenote heeft meegenomen, want het verse paar heeft de vlucht aangegrepen om er hun huwelijksreis van te maken. Ook sprak mevrouw Boerstoel met ontzag over Trix Terwindt, de hoofdstewardess, die ik al een paar keer heb gezien, maar nog niet heb gesproken. Het blijkt een indrukwekkende vrouw te zijn, een van de eerste vier air hostessen van de K.L.M.. Nadat in mei 1940 alle burgertransporten vanuit Nederland moesten staken, kwam ze in aanraking met het verzet. Ze vluchtte naar Londen, waar ze voor de Britse geheime dienst meewerkte aan een militaire operatie om neergeschoten RAF-piloten terug naar Engeland te halen. In 1943 werd ze gedropt in Overijssel om een ontsnappingsroute te organiseren, maar ze werd direct opgepakt. Iemand had het netwerk verraden. Trix werd dagen achter elkaar ondervraagd, wist stand te houden en overleefde verschrikkelijke ontberingen. Mevrouw Boerstoel vertelde dat Trix Terwindt na de oorlog door koningin Wilhelmina persoonlijk was gevraagd om hofdame te worden. Helaas, ze ging liever terug naar de K.L.M. – dat leek haar nuttiger werk. Zachtjes zei mevrouw Boerstoel: ‘Steeds als ik haar zie, denk ik: deze vrouw heeft heldendaden verricht. Haar leven zou zich lenen voor een film.’

I nodded and for a moment we sat drinking our English tea in silence. Eenmaal terug in vliegtuig werd ik welkom geheten door mevrouw Terwindt, voor wie ik een beleefde buiging maakte. Weer in mijn stoel dacht ik aan mijn ouders – omdat zij eigenlijk steeds in mijn gedachten zijn. Zij waren geen helden zoals Trix Terwindt, die zich met een parachute uit een vliegtuig liet gooien, maar mijn ouders hebben op hun eigen, bescheiden manier geprobeerd verzet te bieden, zoals velen deden. Door het verhaal van mevrouw Boerstoel schoten mij een paar herinneringen te binnen. Een ervan speelde zich af aan het begin van de bezetting, toen we nog ongewis waren van hoelang de oorlog zou duren en welke narigheid ons te wachten stond.

Mijn vader – die rustige pijprokende bureauzitter – kwam erachter dat hij de handtekening van de Ortzkommandant in onze stad behoorlijk goed kon namaken. ‘Beter dan het origineel,’ zei Piet, toen mijn vader hem het resultaat liet zien. Urenlang zat mijn vader ’s avonds met een gebroken scheermesje in een plaat rubber te snijden, net zo lang tot hij een stempel had met een adelaar in een cirkel en een toepasselijke tekst. Hij bezat ook een zelfgemaakte cyclo style, een wasachtige plaat waarover stempelinkt moest worden uitge streken. Hoe het precies werkte weet ik niet, maar de resultaten waren frappant. Mijn vader voorzag op deze manier mondjesmaat familie leden en goede kennissen van Passierscheinen en bewerkte identiteitsbewijzen. Nu was hij uiter mate voorzichtig en uit voorzorg had hij allemaal veiligheidsmaat regelen bedacht waarin ook mijn moeder, Piet en ik een rol speelden.

Als mijn vader aan de tafel onder zijn lamp zat te experimenteren met stempels en Ausweisen moesten wij stand-by staan in de huiskamer. We hadden allen een eigen taak in het geval er plotseling iemand zou aanbellen. Onder geen beding zou mijn moeder de huisdeur van bovenaf opentrekken, maar ze moest langzaam en duidelijk hoorbaar de trap aflopen om pas beneden de deur open te doen. Dat gaf mijn vader tijd om zijn cyclostyleplaat in de kachel te stoppen en zijn attributen te verbergen. Als extra afleidingsmanoeuvre moest ik ondertussen de lamp in de huiskamer uitdoen en mijn broer moest met een doosje lucifers bij een kaars gaan staan. Mijn vader zou vervolgens luid vloekend de kamer binnenkomen, omdat ik zogenaamd de huiskamerdeur ‘zo wild had opengetrokken dat de kaars was uitgewaaid en we dus in het donker zaten’. Psychologisch klopte het allemaal prima.

Eén keer hebben we dit toneelstuk gerepeteerd. Everything went according to script, until my father himself turned out to be the weak link: in zijn haast alles snel te verstoppen stootte hij in het donker een fles stempelinkt om. De oefening hebben we nooit meer herhaald. Er heeft ook nooit iemand onverwachts aangebeld. Na een paar jaar oorlog raakte mijn vader zonder spullen, waarop hij zijn bezigheden moest staken. Wel zit er tot op de dag van vandaag een grote paarse vlek op het vloerkleed in onze huiskamer.

Mijn moeder heeft haar eigen verzetsanekdote. Halverwege de bezetting kwam er een hooggeplaatste militair in haar winkel. De toevoer van de spullen was beperkt en de fabricage van hoeden stond op een laag pitje, maar toch lukte het mijn moeder nog om in haar atelier bijzondere hoeden te vervaardigen. Not that there was much demand for them, mind you. De commandant zocht een mooie hoed als cadeau voor zijn vrouw, die hij weldra weer zou zien. Qua leeftijd en uiterlijk leek die vrouw wel iets op mijn moeder, zei de man. Mijn moeder zei dat ze in dat geval het perfecte exemplaar had. Ze liep naar achter, alleen ging ze niet naar haar atelier maar naar de kapstok bij de gang naar boven. Daar pakte ze een hoed van de hoedenplank. Rustig borstelde ze de stof en stopte daarna het hoofddeksel in een fraaie, gevoerde hoedendoos. Met gespeeld enthousiasme (feigned enthusiasm) kwam ze terug in de winkel, waar de man kalm op haar stond te wachten. Vijf minuten later verliet hij opgewekt de winkel, verheugd over het mooie presentje voor zijn echtgenoot. Mijn moeder was ook verheugd: voor drie keer de marktwaarde had ze de man haar eigen hoed verkocht, that she’d been wear ing for seven years.

Nog steeds boven de Atlantische Oceaan…

Natuurlijk had mevrouw Boerstoel me in Glasgow ook uitgehoord over the purpose of my own journey, al was ze wel zo subtiel me niet op de vrouw af te vragen naar de bijzonderheden. Achteraf kreeg ik het idee dat het hele toneelstukje van die tea-and-scones eigenlijk louter was bedoeld to pump me for information about my love life. Dat is niets bijzonders, die nieuwsgierigheid. De afgelopen maanden ben ik regelmatig ondervraagd over ‘mijn Canadees’, die voor de goede orde geen Canadees is, maar een Amerikaan. I expect you’ll be interested in him too. Verpleegsters op de verpleegpost, oude schoolvriendinnen, kennissen van mijn ouders, familieleden, mensen uit de straat, klanten van mijn moeder: allemaal willen ze weten hoe het is om verkering te hebben met een geallieerde soldaat. De vragen die ik op me kreeg afgevuurd waren soms schaamteloos en leerden me vooral iets over degene die ze stelde. Ben ik niet bang dat hij ervandoor gaat? Is het wel echte liefde? Kunnen we elkaar wel goed verstaan? How is my English? Heb ik hem al Nederlandse woorden geleerd? Heeft hij niet in ieder stadje een ander schatje? Wat vindt hij van Nederlandse vrouwen? Mist hij zijn vaderland? Heeft hij toevallig nog leuke collega’s? Hoe is het cultuurverschil? Heb ik nog nylonkousen over? Is he a good kisser?

Wat iedereen wil weten is hoe we elkaar hebben ontmoet. Dit is het verhaal zoals het echt is gegaan. Het was 4 mei 1945 en ik had een stroperige dienst achter de rug, waarin niet veel was gebeurd. In de heftige wintermaanden ervoor was er geen olie of hout meer om het ziekenhuis te verwarmen – laat staan onze vrieskoude kamers, wanneer we na een afmattende werkdag verkleumd tot op het bot thuiskwamen – en ook konden we nauwelijks meer iets eetbaars geven aan patiënten die dat het hardst nodig hadden. Vanaf eind april waren er voedsel droppings geweest: Britse en Amerikaanse toestellen hadden voedselpakketten, gevuld met meel en proviand, naar beneden geworpen. Ook de ziekenzalen kwamen weer een beetje op temperatuur. De naderende veranderingen waren overal en in alles voelbaar. Het leek alsof een nieuw soort moed zich van de mensen meester maakte. Illegale krantjes, die eerder in het grootste geheim werden verspreid, gingen met iets meer nonchalance van hand tot hand en er zoemde de hele winter een woord rond: de invasie. Invasie. Invasie. Mijn vader, immer grappig, zei almaar: ‘De invasie is nakend. De invasie is nakend.’ In zijn Bosatlas he redrew the front line and traced the progress of the Tommies and other Allies.

Toen ik die namiddag kwam aangefietst uit het ziekenhuis, half the neighborhood was stand ing in front of the shop. Ik zag meteen dat er een uitgelaten stemming heerste, mensen sloegen elkaar op de schouder, er werd geroepen en zelfs gezongen. Al een paar dagen ging het gerucht rond dat de Russen Berlijn hadden veroverd en inmiddels was duidelijk dat dit bericht waar was. De Belgische afdeling van de BBC bracht het nieuws dat de vijand in Nederland de volgende dag zou capituleren. Mijn ouders kwamen naar buiten om te delen in de euforie, zelfs mijn moeder had kortstondig een blije trek om haar mond. ‘Dit had Piet moeten meemaken,’ zei ze lachend, daarna huilend.

That evening and night the city was in a state of wild jubilation. My shift begon de volgende ochtend om zeven uur, maar ik verzette me niet toen ik werd opgezogen in de zinnelijke feestvreugde. Waar ze vandaan kwamen begreep niemand, maar plotseling doken er flessen champagne en oranjebitter op. Ik herinner me van die avond niet veel meer, behalve de verrukking dat de oorlog, die ellendige tijd, voorbij was. Er werden lampen ontstoken, lampions, fakkels, vuurwerk, vreugdevuren and a house near us even caught fire.

The next morning vergezelde mijn vader mij naar the hospital, want hij wilde er vroeg bij zijn om de Canadezen te verwelkomen. De Ondergrondse had bezit van de stad genomen, huisvaders met geweren, winkeliers met pistolen, er stond een man te zwaaien met een sabel. Met een geweerloop op ons gericht moesten we onze persoonsbewijzen laten zien, want er moest worden gecheckt of we niet stiekem wilden vluchten voor de woede van het volk. Mijn vader was verbolgen. Maar gelukkig kende iemand mijn vader van de voetbaltribune. Ook meneer Meuldijk van de boekwinkel op de Spuistraat, waar ik wekelijks voor 7½ cent een boek leende, nam mijn vader in bescherming. ‘Hij is een Rooie, maar wel een goeie.’ No sign of any Canadians yet.

Four chaotic days later, they finally arrived. Het vieren van de herwonnen vrijheid werd bijna a full-time job. En toen hoorden we doedelzak-lawaai opklinken in de straten. Dat heb ik in alle eerlijkheid nooit aangename klanken gevonden, maar toen de Canadezen de stad kwamen binnengemarcheerd – voorafgegaan door drie rijen soldaten met snerpend tetterende bagpipes – heb ik die muziek voor altijd in mijn hart gesloten. I recently heard bagpipes on the radio en weer stroomde een gevoel van opwinding door mijn lijf. Er werd gehuild en uitbundig geschreeuwd naar de jongens op hun jeeps en tanks. Ook door mij. In die eerste dagen na hun komst werd water wijn: we waren dronken van vrijheid, verliefd op de toekomst, verguld met de komst van jongens die zoveel kilometers hadden afgelegd om – met gevaar voor eigen leven – voor ons te vechten. We paraded with them, arm in arm. ‘En toen ontmoette je Anthony?’ De vraag die velen mij de afgelopen maanden stelden. Het is niet zo dat ik Anthony tegenkwam op een van de dansavonden of op de spontane straatfeesten die overal in de stad ontstonden, hoewel dat best had gekund. De werkelijkheid was weerbarstiger. Een paar Canadese soldaten speelden op een middag in het park voor het ziekenhuis pakkertje met een groep kinderen. Het overgebleven jongetje of meisje zou een stuk chocola krijgen. En de andere kinderen trouwens ook, but they didn’t know that yet.

Ik had koffiepauze en stond buiten te genieten van een sigaret die ik van een soldaat had gebietst, die zelf met een dikke sigaar in zijn mond stond.

‘Nice weather,’ zei hij tegen mij.

Ik knikte bevestigend terug. ‘Nice weather too.’ Een trek nemend vroeg ik me af of het wel goed was wat ik had gezegd.

Eigenlijk deed ik dat nooit, roken, maar de zoete lucht van het Canadese sigarettenmerk Samba was zoveel beter dan de surrogaatzooi van mijn vader. Roken werd voor veel mensen een uiting van vrijheid. Het voelde geweldig om een sigaret aan te nemen van een man in een uniform.

I happily watched the spectacle. Na een tijdje viel een kind, dat zich op een jeep verstopt had, op de grond. Ik kende het joch wel, hij werd Siempie genoemd en was de zoon van een oud-collega van mijn vader. Zijn val leek niet ernstig, tot ik merkte dat de knul zich had verslikt in een snoepje dat hij van een soldaat had gekregen. Siempie hoestte en maakte misbaar met zijn armen. Omdat hij na verloop van tijd paars begon te worden, schoot ik toe. Ik deed wat me was geleerd: ik sloeg hem op zijn rug, probeerde de boosdoener met mijn vingers uit Siempies keel te verwijderen, sloeg nog steviger op zijn rug. Niets lukte, het joch werd blauwer en blauwer. I’m not normally one to lose my cool, but now I was starting to panic.

Op dat moment – the moment that led to my being here in this DC-4 writing to you – liep er toevallig een Amerikaanse legerarts langs die, in dienst van een Brits bataljon, gedetacheerd was bij de First Canadian Army. Zijn taak was de verspreiding van penicilline – het wondermiddel waarover Duitse, noch Nederlandse artsen beschikten – over bevrijde ziekenhuizen te coördineren. Op kraamafdelingen en operatiekamers, overal in het land werd gesmeekt om het nieuwe medicijn. De arts, een good-looking jonge vent, overzag direct de ernst van de situatie en hij begon te doen wat ik ook had geprobeerd: hij sloeg Siempie op zijn rug en wroette met zijn vingers in diens keel. Toen ook hem niets lukte, tilde hij het jochie resoluut over zijn schouder, om met hem naar de EHBO te rennen. I ran too, caught up with him and threw the door wide open.

‘I’m going to try a cricothyrotomy!’ riep hij, toen hij Siempie op een behandeltafel legde.

Ik zal bekennen dat ik niet verstond wat hij zei. Een cricothyrotomy. Cricothyrotomy. Probeer dat maar eens goed uit te spreken of te spellen.

‘A cricothyrotomy,’ herhaalde hij dwingend, waarna hij om een scalpel vroeg. Dat woord begreep ik gelukkig wel. Later hoorde ik van een hoofdzuster dat hij een ‘coniotomie’ wilde toepassen, maar ik wist eigenlijk ook niet wat dat betekende. De Amerikaanse arts kantelde de inmiddels bewusteloze Siempie met zijn hoofd naar achter, waardoor diens strottenhoofd vrijkwam. Vlak onder zijn stembanden zette hij het lancet, waarna hij een welgekozen snee zette om een noodluchtweg te creëren. Inmiddels was er een Nederlandse dokter bij gekomen, die een canule aangaf waarmee een kunstmatige beademing kon worden gestart. Vijf minuten later was het zuurtje uit de luchtpijp van het jong verwijderd en het gevaar geweken.

‘I could use a cigarette,’ zei de Amerikaanse arts. He offered me one too – and I eagerly accepted.

Vijf voor acht ’s avonds, Dutch time, fl ying past low-hanging clouds…

Ik begin al echt te wennen aan het vliegen. De geluiden in de cabine, die luidruchtiger zijn dan bij een busrit, maakten me eerst nogal nerveus – maar nu ik mijn draai in het toestel heb gevonden ervaar ik de aanhoudende zachte brom om me heen juist als aangenaam. It’s nice to write this to you in the knowledge that we’re gently making our way to the other side of the world. Je merkt dat ik steeds meer in het Engels begin te schrijven – en dat is natuurlijk niet voor niets.

Puck heeft me zojuist een rondleiding door het vliegtuig gegeven. Toen ze hoorde dat ik verpleegster was, zei ze dat ze zich soms ook zo voelde: ‘Verpleegster, gastvrouw, kindermeisje, koffiejuffrouw, keukenhulp, barkeepster, serveer ster, tolk, reisleidster, conciërge, apotheekster, schooljuf, schoenenpoetser, wasvrouw, moeder, zielenknijpster… Wij zijn het allemaal.’

Tijdens de sightseeing-tour stelde ze me voor aan de piloot en zijn crew, waarop ik even mocht peepen in de cockpit, die een stuk kleiner was dan ik me had voorgesteld. When Puck announced me, the pilot said: ‘Neemt u het hier even van ons over, juffrouw? Dan kunnen wij een hapje eten. Mannen, deze dame kan ons tijdens onze pauze wel even vervangen.’

He pretended to get up and leave the cockpit. The other men laughed. Hierna wenkte de piloot me binnen. Hij rookte een pijp, de anderen sigaretten. Ik zag een duizelingwekkende hoeveelheid knopjes, hendels, apparaten, meetinstrumenten. Er stonden kopjes koffie, schaaltjes fruit en een halflege doos bonbons. Naast de piloot zaten een co-vlieger, twee telegrafisten en een van de twee boordwerktuigkundigen. De piloot wees me erop dat er aan de horizon helemaal geen land te zien was. Oceaan, zo ver als we in alle richtingen konden kijken. Middaglicht reflecteerde in het blauwe water als een mozaïek van lichtgespetter. Below and off to one side I saw the trail of smoke coming from a steamship, and I thought I could even make out the white crests of the waves.

Terug in de cabine nam Puck me mee naar de pantry, waar een collega van haar bezig was met ronde blikken. Het was boterballentijd, zei ze. Dat was een gangbare term bij K.L.M.. Het luchtpersoneel moest blikken boter op ijs leggen, om daarna boterballetjes uit te steken. Een van de stewards had een witte buis aangetrokken, omdat hij dienst had als flying chef. Ik wist niet dat dat een beroep was. Met een onhandig lange koksmuts op zijn hoofd stond hij gerechten klaar te maken. Omdat dit de eerste vaste vlucht naar New York was, wilde de luchtvaartmaatschappij uitpakken. Puck took me through the menu, which was full of dishes I’d never heard of.

Back at my seat bood mijn Zweedse buurman me een sigaret aan en samen deelden we een asbak. Op dat moment hoorden we een aanhoudend geluid. Alsof er ergens in het vliegtuig een touw tegen een mast klapperde. De man en de vrouw in de fauteuils voor ons hadden het ook gehoord. When Puck walked past with two plates we mentioned it to her. She listened intently and shrugged.

‘We gaan nu het voorgerecht uitserveren, maar daarna zal ik onderzoeken wat het kan zijn,’ zei ze, met de intonatie van een schooljuf.

Als eerste gang kregen we ‘mayonaise de saumon’, een hors d’oeuvre met zalm. Dat is niet iets wat ik de afgelopen drieëntwintig jaar overdreven vaak voorgeschoteld heb gekregen. Again I was struck by the bizarre notion that just a year and a half ago my parents would go to bed at five in the afternoon, out of pure desperation: omdat er geen elektriciteit meer was voor verlichting, geen brandstof was voor warmte en geen voedsel om hun magen mee te vullen. En nu krijg ik in een gloednieuw vliegtuig naast brood met boterballen een ‘petite marmite’, ‘poulet froid’ met ‘salade de pommes de terre’ – en reis ik naar het werelddeel dat er mede voor heeft gezorgd dat er een einde kwam aan onze ontberingen. I think of Anthony, who had selflessly agreed to be shipped off to a strange country.

Na het incident rookten we samen een sigaret, terwijl Nederlandse doktoren zich bezighielden met het oplappen van de onfortuinlijke Siempie, die net niet was gestikt in een Canadees zuurtje.

‘You saved his life,’ zei ik.

‘No, we saved his life,’ the doctor replied, waarna hij me aankeek. Ik zal niet zeggen dat alle verschrikkingen van vijf oorlogsjaren met één blik werden weggevaagd – but certainly three or four did the trick. De man stak zijn hand uit en noemde zijn naam. Ik knikte en sprak zijn naam nogmaals uit. Er viel een kleine stilte.

‘You might tell me yours too, you know,’ zei hij met een gespeelde frons op zijn voorhoofd. Ik schrok.

‘My name’s Caroline,’ zei ik snel. ‘But my parents call me Carrie.’

Ik sprak het op z’n Engels uit, kerrie, but immediately corrected myself.

‘Carrie?’ he said, doing his best with the Dutch pronunciation. Carrie. Cah-rie. He had traveled six thousand kilometers to say my name.

After the meal…

We kregen ‘café’ met ‘liqueur’ en ‘friandises’. Sven Jakobsson told me about his travels. I  understood everything he said, even though I sometimes lost track of which country or region he was talking about. De laatste jaren reist hij minder, want een van zijn zoons is ziek en hij wil zijn vrouw zo goed mogelijk bijstaan. Misschien kwam het door dat ene glaasje cognac – ik heb nog nooit cognac gedronken – of door de openhartigheid van deze betrouwbare Zweed, dat ik begon te vertellen over Piet.

I’d been on the night shift en zat bij de zusterpost statussen van patiënten bij te werken.

‘Heb je een rustige nacht?’ vroeg het nachthoofd, die meekeek met wat ik schreef.

‘Er mag wel wat gebeuren,’ zei ik – idiot that I was.

Toen hoorden we boven the city plotseling een screeching noise, een lange dreigende fluittoon, die we na een paar oorlogsjaren herkenden als de voorbode van rampspoed. The night head, another nurse and I rushed to the window. Een paar seconden later zagen we verderop in de stad a huge explosion, een fel opvlammende flash of light, een kort moment later gevolgd door een booming shock wave die tegen de ramen van the hospital sloeg. Wayward bombs had fallen on the city before, but this was the first time I’d witnessed it. Ik wou dat ik niet had gekeken. The bomb could have struck anywhere. Intuïtief wist ik het meteen. Met grote ogen keek ik verbijsterd naar de donkere stad en de brand in het midden.

Piet always had a thing for nature. Hunger pangs kept him awake that night en daarom was hij gaan kijken bij wat hij zijn tuinkundig experiment noemde. In het bos bij de rivier had hij eetbare paddenstoelen verzameld en sporen daarvan uitgezet in een speciale plankenkast die hij had gebouwd in de broeierige binnenplaats achter mijn moeders hoedenatelier. He’d also fetched some snails from a farmer, and created in that same courtyard a habitat for them in the hope that they would reproduce. Ik had nooit wijngaardslakken gegeten, maar door de verhalen die mijn vader hierover vertelde, verheugde ik mij er zeer op. Piet heeft zijn paddenstoelen en slakken nooit kunnen oogsten. Mijn moeder was een groot deel van haar hoeden kwijt, but that was of course the least of all the misery.

Sven Jakobsson gaf me zijn handkerchief, die ik even tegen mijn ogen hield. Samen staarden we daarna zwijgend naar de voorbijtrekkende wolken. Hoewel ik me had voorgenomen alleen nog maar vooruit te kijken en de voorbijgaande jaren achter me te laten, raakte de herinnering aan Piet me diep – but before it had the chance to get me down, something happened which I myself had had at least a small hand in.

We hadden al gezien dat Puck met een van de boordwerktuigkundigen naar onze hoek van de cabine was gekomen om te luisteren naar het opmerkelijke geluid dat al door meerdere passagiers was waargenomen. Niet veel later kwam de gezagvoerder persoonlijk de cabine binnen. Hij vroeg om aandacht en zei dat hij heuglijk nieuws had.

‘Dames en heren, wij zijn klaarblijkelijk niet de enigen die graag deze historische oversteek wilden maken,’ zei hij tegen de passagiers, ‘want we hebben net een verstekeling uit het ruim gehaald.’

Op dat moment Puck appeared from behind him holding a little dog: a gray-brown English cocker spaniel. Er werd gejuicht en er steeg een vrolijk applaus op. The dog barked back, eliciting even louder applause. De piloot vertelde dat ze het in Zaventem eerder hadden meegemaakt dat er een hondje in het laadruim bleek te zitten, maar dat beestje had de hele reis doodstil in een hoekje gezeten. De ongenode gast op onze vlucht had geblaft voor zijn leven, tot een boordwerktuigkundige hem uit zijn benarde positie kwam bevrijden.

‘We weten niet of hij zich op Schiphol al heeft ingecheckt of dat hij ons in Glasgow stiekem is komen vergezellen,’ zei de gezagvoerder. ‘In een onbewaakt moment moet hij het laadruim zijn binnengedrongen.’

The mayor of Amsterdam stood up and took the floor.

‘In dat eerste geval zou ik het arme diertje graag weer mee terugnemen naar zijn geboortestad om hem een warm onderdak te bieden,’ he said solemnly, waarna hij onder luide instemming van passagiers weer ging zitten. After a brief silence the mayor of Rotterdam, seated across the aisle, stood up.

‘Mijnheer de piloot, als u mij toestaat daarop te mogen reageren? Namens college en wethouders van de gemeente Rotterdam wil ik vanuit mijn bevoegdheid als burgervader uw verstekeling óók gaarne een onderkomen aanbieden, want het is natuurlijk niet voor niets dat dat meelijwekkende beestje de hoofdstad is ontvlucht, en in dier voege bieden wij hem met alle plezier een veilige haven.’

Roars of laughter, and he too sat down, while I tried to explain all this to Sven Jakobsson. Ten minutes later the dog ambled cheerfully up and down the aisle, wagging zijn staart.

At sunset…

Although our body clock says it’s already late evening, the sun is only now setting. Sommige passagiers are dozing, their curtain drawn over the window; others are smoking and reading. Mijn buurman Sven snoozes and reads at the same time. He nods off and the book slips out of his hand, but till now he refuses to give in to his fatigue. I just keep penning my story for you, mijn verhaal voor jou. Het zal je verheugen hoe verliefd Anthony was en hoe groot zijn toewijding. As though he’d been in the service all those years just to meet me. He was witty, strong and wise. And a fine doctor too, my mother would add. Thank goodness he was stationed near our city so I could see him often.

We gingen by train naar Groningen… We stapten uit in Amersfoort en in Assen… We reden in een Amerikaans legervoertuig door de polder… We aten roombroodjes… We rookten samen in een bushokje, waar we schuilden voor de regen… We doezelden in het gras bij de oevers van de IJssel… We dronken Bourbon, soda water en drie verschillende soorten thee… Ik droeg zijn hemd, dat hij een ‘T-shirt’ noemde… Ik maakte foto’s with my father’s camera… We zongen Nederlandse en Amerikaanse songs… We voetbalden in het park bij ons huis… We aten cheese… We aten nog meer cheese… Ik knipte his hair… We luisterden naar Amerikaanse radio zenders… We pasten hoeden van mijn moeder… Ik leerde hem to ride a bike… We reden in een stadsbus… We visited Amster dam and took the tram all over town… We picked apples… We played with a dog… We swam in the Gemeentelijke Zweminrichting, off limits to Dutch boys but where Canadian soldiers were allowed… He took me to see different hospitals… I massaged his back… He rented a hotel room and I snuck off to visit him there… We ate French-style sandwiches and Danish delicacies… He played saxophone voor mij… We ate in four different station restaurants… We smok ed a pipe… We waltzed and danced the foxtrot… I knotted his tie… We kissed end lessly… We looked forward to the coming spring… And much, much more.

The time came to tell mijn ouders over Anthony. Now, things had changed over the course of the ‘dolle dwaze zomer’, and the locals’ attitude toward the Canadian bevrijders had changed accordingly. In het begin the soldiers were extremely popular, they handed out chocolate and cigarettes, chewing gum, nylons, lipstick and other luxury goods we had so missed all those years. And they were rugged, well-fed, fit and good-looking, which of course did not escape the notice of many a Dutch woman. At a certain point the mood, especially among Dutch men, started to tip. I even heard mijn eigen vader talk disparagingly of ‘an invasion of love’. Later he also started using the widely- heard term ‘Canadellen’ – Cana-floozies.

Ik begon me zorgen te maken about how to tell my parents, but that problem solved itself in the end. Van Donselaar, een handel in levensmiddelen en comestibles, where my mother often shopped before the war, had sure enough been restocked with products we’d gone without for several years. One evening my mother made her own version of the Swedish erwtensoep we had come to enjoy – a story I’d have liked to tell my neighbor, but by now he was snoring gently, his book rising and falling with his belly.

My father was delighted with de soep. After a few spoonfuls he asked if we had heard that Siempie, his ex-colleague Sluisdam’s son, had been saved by a Canadian. Dit had ik thuis blijkbaar niet verteld. ‘Apparently he choked on a piece of candy,’ ging mijn vader verder, ‘and went all blue, gasping for breath. Nobody could do anything, the thing was stuck in his throat. Along comes a Canadian medic, jabs a knife into the lad’s throat and frees up the airway. If he hadn’t, Siempie’d have been done for. Got away with just a little scar on his throat.’

Taken aback, I looked at him and realized the time had come to tell my parents about Anthony.

Nighttime, while it’s already morning in the Netherlands…

De verlichting in de cabine has been turned off except for a few ambient lamps, which makes writing rather difficult. Most of the passengers are sleeping, but not me, I’m too anxious about how our life will proceed from here. I’ve just finished helping Puck put away the dishes and cutlery in the pantry. Nothing doing, she said at first, but I insisted. Daarna bood ze me een sigaret aan, but I was feeling slightly nauseous so I didn’t take it. I watched her smoke as she tidied up her galley. We discussed all sorts of things. If we’d known each other back home we could have become friends – een verpleegster en een stewardess, not a bad combination. In a conspiratorial voice Puck asked if I was looking forward to seeing my American beau again. Even though we’d only just met, she had already caught on that Anthony de enige was aan wie ik dacht.

After de Bevrijding most of the Canadian and American soldiers were keen to get home as soon as possible. But there was only so much room on the ships, so some had to wait their turn. With Anthony it was just the opposite: he did everything he could to postpone his return in order to prolong our time together. But there was no avoiding it, and in January he got his orders to ship out. It was a hard pill to swallow, zelfs voor mijn ouders, who had come to know and like him. Anthony and my father discussed socialism and the American political system at length, and my mother cooked – as far as Van Donselaar’s grocery allowed – dishes she’d never made for us before. Anthony zei dat haar kookkunst hem aan die van zijn moeder deed denken. When my mother was bothered by an infection in her leg, he made sure our doctor could prescribe penicillin for her – the first among his patients. It was this kind of attention that made him immensely popular bij mijn van huis uit gereserveerde moeder.

As Anthony’s departure approached, we talked endlessly about our next move. Either he could come back to the Netherlands after his army discharge, or I could follow him to America, or we could say farewell now in a civilized way. Andere opties waren er niet. In my fantasy I was a verstekeling on the ship that would take him back overseas.

When the definitive departure date was announced, it left us just five more days – I don’t know how we survived them. Just before leaving he paid my father one last visit, and we went over to my mother’s makeshift hat shop. Her half-burnt-out atelier had been opgekalefaterd, but she couldn’t bear to work there.

‘Are you coming to say goodbye?’ she asked Anthony, spreading open her arms. She tried to be light-hearted about it, but she was clearly upset about his impending departure.

He nodded.

‘That too,’ he said, allowing her to hug him.

Releasing himself, he said: ‘But I also want to buy a nice hat for my mother. And I’d like you to choose it.’

Of course he knew my mother’s anecdote about the German army officer en dat moet hem op een idea hebben gebracht. My mother was touched, and picked the prettiest hat in the shop, not one she’d made herself but a model from a prewar Parisian fashion house. Anthony insisted on paying for it but she wouldn’t hear of it. My mother won. Mijn laatste beeld van hem: Anthony in an army truck among the other soldiers, with a large hat box on his lap.

Newfoundland, end of the night…

We had a long refueling stopover in Gander. Rustbedden had been set up in a former RAF hangar so passengers could nap if they wished. There was a small restaurant and a bar, but I skipped both. Like in Glasgow, the airport offered a free postcard service, so I wrote some reassuring words to my parents.

Back in the nearly empty airplane I sat down next to Puck, who was catching her breath. When we arrive in New York, Puck will have worked twenty-six hours nonstop, so she deserved a break. She was playing with the verstekeling, who had become the troetelhond and mascot of the passengers. When he saw me approach he trotted over, wagging his tail.

‘Hey, Siempie!’ I cried.

Hij sprong all over me.

Puck said: ‘You’ve guessed his name.’

The dog went wild with joy.

‘Siempie! Siempie!’

When we’d finished playing, Puck asked to see a picture of Anthony.

‘Handsome,’ she said. The photo had been taken three days before his departure, at a studio on the Voorstraat. De fotograaf also took a portrait of me, and one of the two of us together. When we went to pick them up the next day it suddenly occurred to me that our goodbye could well be a final farewell. From then on we avoided talking about the future or making plans, although the conversations were peppered with unfinished sentences. Will you… Are you… Shall we… What if… Zoals ik me voorstelde dat het zou gaan: at first Anthony would write faithfully, I would write even more faithfully back, the frequency would taper off and after a few months – years, maybe – we would wish each other well and move on. He would join his father’s medical practice in Massachusetts – another name I had to learn to spell – and I would stay at my nurse’s job until a suitable husband eventually came along. That’s how it would probably go.

But it did not go like that. Drie weken en twee dagen after he left the Netherlands I got his first letter. He wrote that he’d seen the advertisement for the first transatlantic flight from Schiphol to New York. I sent an affectionate reply, but assumed he was joking about that ad. At the beginning of April I got a second letter – registered mail. It contained an airline ticket. A travel agent in Manhattan had arranged a one-way ticket for me. Anthony had paid 394 dollars for it – about a thousand Dutch guilders, more than I earned in a whole year.

‘No!’ Puck cried.

‘What was I to do?’

‘Go, what else?’ Then she smiled at me.

We greeted two passengers returning from the hangar. Puck was about to show them to their seats but the man gestured for her not to get up.

‘And does he know…’ she asked, lowering her voice, once the couple had reached their seats.

I looked at her expectantly. ‘Know what?’

She smiled again, slyly – en samenzweerderig knikte ze naar jou.

Approaching La Guardia Field, under clear skies…

This is what I wanted to write to you. For the rest of the world this flight is a historic event, for me it is the future I’m flying to meet, just like your grandfather said. The only thing is, expectations don’t often come true, and things are not necessarily what they seem. That’s true for the courageous Trix Terwindt, who was parachuted into enemy territory and after suffering all kinds of hardship is now content to scoop boterballen. It’s also true for your grandmother, who had high expectations of jouw oom Piet, until a well-meant bomb destroyed his life.

Sven Jakobsson, the dear Swedish man who I probably won’t ever see again after this trip, excitedly pointed out the Manhattan skyline in the distance and the other impressive boroughs around it. I’ve never had a more beautiful view of a city. The past twenty-six hours have been filled with hope, delight, doubt and fear. This is what I know for certain: there, in La Guardia Field arrivals hall, your father is excitedly waiting for us. He doesn’t know. He doesn’t know about you, that we are about to land together.

With the airport now in view, I can hazard a guess as to how it will go. Your father will run towards me, his arms outstretched. I’ll leap into his arms, he’ll lift me off the ground and spin in circles. He’ll shout: ‘I’m carrying you, Carrie,’ which he did so often back in the Netherlands. I’ll introduce him to the dog Puck gave me, smuggled away from the mayors of Amsterdam and Rotterdam. Your father will be pleased to hear he’s called Siempie, because of course he’ll remember the name. And then I’ll tell him about you, right away. Better to get it out in the open rather than wait until I can’t go back. I see your father gasp for air. He’ll holler with delight. You are the confirmation of our love, you’re our child, our hope. We’ll drive euphorically to his house in Massachusetts, where I’ll be greeted warmly by your other grandparents. In a few years you’ll have a brother or sister, and maybe another one after that, and sometime later K.L.M. will fly our family back to Schiphol, so you can meet your Dutch grandma and grandpa. Your grandmother will weep van blijdschap.

Of course this is all a dream for now, and I know what I just said about not all dreams com ing true, but don’t you worry: if it doesn’t all turn out like I’ve just pictured, then I promise I’ll tear up this letter – and no one will ever read it.

 

Verantwoording
Verschillende mensen hebben mij geholpen, onder wie Annemiek van de Weg (stewardess bij KLM), Jaap van de Weg (oud-boordwerktuigkundige bij KLM) en Lars de Hartigh (piloot bij KLM, oprichter van The Flying Dutchman Foundation en eigenaar van een DC-4 Skymaster). Tevens heeft Nel Soet mij via KLM van veel nuttige informatie voorzien.

Mijn buitengewone dank gaat ook uit naar luchtvaarthistoricus Jan Willem de Wijn en schrijver Jeroen van Baaren. Ik heb geput uit de opgetekende oorlogsherinneringen van mijn vader, Rob Giphart.

 

Geraadpleegde boeken en sites:

Trix Terwindt, Een vrouw vloog mee, Kosmos, 1951

50 jaar cabinepersoneel, jubileumuitgave KLM, 1985

This is your flight engineer speaking… Jublileumuitgave Vereniging van KLM-Boordwerktuigkundingen, 1988

Ingrid van de Chijs, Luchtmeisjes, Nijgh & Van Ditmar, 2012

Pieter Steinmetz, Cabine, koffie op hoog niveau, Doelenpers, 2000

Jeroen Wielaert, Oorlogspad, de bezetting voorbij, Kosmos, 2005

Verschillende historische krantenberichten op www.delpher.nl

‘Trees en haar Canadees’ op www.bertvanvondel.nl

‘Geschenk uit de hemel’ op www.npogeschiedenis.nl

‘De zuster komt zo’ op www.npogeschiedenis.nl

‘Geneeskunde en Gezondheidszorg in Nederland 1940-1945’ op www.books.google.nl

‘Nederland-Amerika door de lucht’ op www.beeldengeluid.nl
De boterballentijd is een uitgave van KLM Royal Dutch Airlines ter gelegenheid van het jubileum van de eerste trans-Atlantische lijndienst op 21 mei 1946. Deze werd verzorgd door KLM.

Intussen vliegt KLM alweer 70 jaar tussen Amsterdam en New York.

Het boek neemt de lezer mee van Amsterdam naar Nieuw Amsterdam – niet alleen in verhaal, maar ook in vorm. Het begint in het Nederlands, maar gaat langzamerhand over naar het Engels om daar volledig in te eindigen.

KLM-passagiers van Amsterdam naar New York reizen met De boterballentijd niet alleen fysiek, maar ook in beleving naar een ander continent.