Ronald Giphart de Volkskrant columns feuilleton

de Volkskrant

By hans, 2 maart 2015

Met inbreng van lezers schreef Ronald Giphart een feuilleton tussen september 2012 en juli 2013 voor het dagelijkse katern V van de Volkskrant, de afleveringen verschenen daarna ook op Volkskrant.nl.

 

Columns:

De Volkskrant; 18 juni 2012: column Giphart, Auto-fellatio

Vroeger op de middelbare school had ik een klasgenoot die beweerde dat hij zichzelf oraal kon bevredigen, een mededeling die door de andere jongens werd doorverwezen naar het rijk der fabelen. Wij daagden hem wel eens uit zijn claim te staven met een praktijkvoorbeeld, maar dat is er nooit van gekomen, al bleef hij volhouden dat hij zijn lichaam in een hoek dusdanig omhoog kon vouwen dat hij bij zijn eigen schaamstreek kon. Ach ja, good for him, zoals een Amerikaanse uitdrukking luidt.

Eerlijk gezegd heb over de wereld van de zelfpijp nooit zoveel nagedacht, al heb ik in de loop der jaren wel eens een plaatje voorbij zien komen van een of andere freak die zo lenig was dat hij zijn erectie in zijn eigen mond kon proppen. Volgens mij vergt dit zoveel geconcentreerde mond-peniscoördinatie dat het onmogelijk een aangenaam gevoel kan zijn, maar ieder zijn eigen plezier natuurlijk.

Vorige week stuitte ik echter op een bijzondere afbeelding van hiërogliefen. Een van de afgebeelde figuren, een jonge jongen zo te zien, balanceerde staand op zijn schouders met zijn benen in de lucht. Zijn immense geslachtsdeel bungelde daarbij vrolijk in zijn mond. Dit was overduidelijk een voorbeeld van wat in de wetenschap een auto-fellatio wordt genoemd: een man die zichzelf pijpt.

Blijkbaar was het fenomeen zelfs bij de oude Egyptenaren al bekend. Volgens oudheidkundigen was deze vorm van masturbatie een belangrijk onderdeel van de Egyptische godsdienst. Tijdens religieuze rituelen moesten sommige mannen zichzelf proberen af te zuigen, om na hun orgasme het zaad op de grond te spugen. Kijk, dat zijn nog eens andere gewoonten dan het ontvangen van een hostie.

Volgens historici was de self-fellatio een daad van de goden. Egyptische goden zouden zelf ook regelmatig hun eigen geslachtsdeel even langs hun eigen lippen donderjagen. Over de Egyptische God Osiris – ieder gehucht in Nederland heeft wel een shoarmatent die zo heet – werd geschreven dat hij zichzelf pijpte om zijn eigen sperma door te kunnen slikken en hiermee te voorkomen dat de sterren van de hemel zouden vallen. Denk hier de volgende keer eens aan als je naar de sterrenhemel kijkt. Of knoflooksaus bij je shoarma eet.

Zelf-fellatio is een seksuele aberratie die niet erg vaak wordt gepraktiseerd, vanwege de moeilijkheidsgraad. Mannen moeten én groot zijn geschapen én een erg flexibel lichaam hebben. Seksuologen schatten dat slechts 3% van de mannen ertoe in staat is en 1% deze vorm van zelfbevrediging daadwerkelijk toepast. Dat klinkt weinig, al zouden er – volgens deze bewering – van de 6 miljoen volwassen Nederlandse mannen 60.000 wel eens vooroverbuigen om zichzelf te verwennen (wat neerkomt op een stad ter grootte van Vlissingen of Roermond). Door de groeiende populariteit van yoga en andere lichaamsoefeningen, zou ook het aantal zelfzuigers zijn toegenomen.

Er zijn twee beroemdheden van wie bekend is dat zij zichzelf kunnen of konden pijpen. De ‘King of Porn’, een nogal onappetijtelijk heerschap genaamd Ron Jeremy, liet in zijn vroegere pornofilms zien dan hij een meester was in deze vorm van lichaamsbeweging (inmiddels ziet hij eruit als een dikbuikige gorilla en zal hij het onmogelijk meer kunnen). En er is de popicoon Marilyn Manson, over wie wordt beweerd dat hij een rib uit zijn lichaam zou hebben laten verwijderen om makkelijker met zijn mond bij zijn geslachtsdeel te kunnen. Een typisch gevalletje van ‘good for him’.

 

De Volkskrant; 14 april 2012: column Giphart, Flits

Flaubert schreef ooit dat schrijvers een roman in een flits voor zich zien. Ze lopen over straat, lezen de krant of bezoeken een bordeel, en flits, plotseling explodeert er in hun hoofd de oerknal van een boek. Vaak is het verhaal nog woordloos of bestaat het slechts uit krap een zin, de essentie van de vertelling.

In de Amerikaanse plotkunde heet zo’n samenvattende regel een logline, een zinnetje dat zowel beknopt de verwikkeling weergeeft als een emotional hook biedt om gebeurtenissen aan op te hangen. Een emotionele haak. wat dat ook mag betekenen.

Het is een beroepsafwijking, maar ik veer vrijwel dagelijks op van de flitsen van Flaubert. Meestal blijft het bij een schok van erkenning dat er achter een bepaald onderwerp een roman schuilgaat. Om de paar weken werk ik puur voor plezier een romanidee verder uit, bijvoorbeeld om wat tijd tijdens een lange autorit te doden. Pas wanneer het idee dan nog beklijft, bedenk ik of het de moeite waard is twaalf maanden van mijn leven te investeren.

Begin deze week las ik een bericht over een acteur die onder andere de stemmen van Bob de Bouwer, Beertje Paddington en het navigatiesysteem TomTom vertolkte. Vorig weekend overleed hij op 49-jarige leeftijd, nadat bij hem drie weken geleden alvleesklierkanker werd ontdekt. Het leed in dit bericht is de te vroege leeftijd van de acteur en het feit zijn sloper slechts drie weken nodig had om hem te vellen.

In de auto op weg naar Ver dacht ik na ever het bericht. Wat doe je als je van een arts te horen krijgt dat je nog maar een paar weken hebt te leven? Plotseling flitste Flaubert in mijn hoofd. Een roman over een man die heeft te horen gekregen dat hij nog maar een paar weken heeft te leven. Zijn vrouw zit bij hem in het ziekenhuis. De emotionele haak: wat de echtgenote niet weet is dat haar man al een paar jaar een verhouding heeft met een jongere vrouw bij hem op het werk. Nooit is hij van plan geweest bij zijn vrouw weg te gaan, nooit verlangde zijn minnares dat van hem.

Met de dood in ogen wil hij afscheid van zijn dierbaren nemen. maar ook wil hij zijn echtgenote niet bezwaren met nog meer ellende. Probeert hij te regelen dat zijn vrouw er op een ochtend niet is zodat hij zijn minnares kan ontvangen? Betrekt hij een vriend in zijn geheim? Of staat de minnares plotseling in zijn kamer, zogenaamd een collega die hem voor de laatste keer komt groeten?

Ik zie een scène van deze man en twee vrouwen in een steriele kamer. De minnares blijft niet lang, na een kort en emotioneel ingehouden gesprek gaat ze weg. De man kijkt haar na en weet dat hij de beloftes die hij haar nooit heeft gedaan niet zal kunnen nakomen, De minnares begrijpt dat de man die over een paar jaar nog genoeg zou zijn voor een nieuw leven. niet oud met haar zal worden. De echtgenoot weet dat ze tot zijn dood bij haar man zal blijven. Hoe drie levens elkaar kruisen bij een ziekenhuisbed. Geen idee of deze flits beklijft.

Dit is voorlopig de laatste column Van Ronald Giphart in V. Na de zomer keert. Giphart terug in de krant.

 

De Volkskrant; 5 april 2012: column Giphart, De balvraag

Gisteren bezocht ik een vriend die thuis op bed ligt na te hijgen van een pijnlijke ingreep aan een tot pingpongbal uitgegroeid ontstoken kliertje. Wat is het toch dat mensen anderen in zo’n geval proberen te troosten door iets over henzelf te vertellen dat ook erg is? Ik vertelde mijn vriend van een behandeling die ik een keer heb ondergaan, waarop mijn vriend met een nog pijnlijkere kwaal uit zijn verleden kwam. En zo belandden we in een Monty Python-achtige sketch waarin we tegen elkaar zaten op te bieden in gruwelijkheden.

De allerergste fysieke pijn die ik ooit in mijn leven heb gevoeld associeer ik met de piepjonge schrijver Ernest van der Kwast. Dit speelt zich af in de zomer van 2005, toen Ernest en ik een avond zouden optreden op De Parade in Rotterdam. Een maand ervoor had ik onder narcose een kleine operatie ondergaan genaamd een vaso-vasostomie, in de volksmond een hersteloperatie.

Een paar jaar nadat ik was gesteriliseerd – ook niet bepaald een pijnloze ingreep, zeg ik voor alle mannen die nog hoopvol denken dat ‘het leggen van een knoopje’ te vergelijken is met ‘het bijvijlen van je teennagels’ – werd mijn vrouw… sorry, werden mijn vrouw en ik plotseling geplaagd door een opgelaaid kindverlangen, dat zo sterk bleek dat ik opnieuw onder het mes ging om uit de knoop te worden gehaald.

Alles verliep hierbij vlekkeloos tot ik een maand na de ingreep met Kwast optrad bij De Parade en ik werd bevangen door koorts en een aanzwellende pijn in mijn schaamstreek. Kreunend heb ik mijn voorleesbeurt afgemaakt, waarna ik vol zelfmedelijden naar huis reed. Thuisgekomen stelde ik vast dat een van mijn testikels inmiddels de grootte had van een stevige mandarijn.

Die nacht probeerde ik te slapen, maar de wereld was een kloppende teelbal geworden. Ik kon niet liggen, niet staan, niet zitten, niet lopen, niets. ’s Ochtends heb ik een bevriende arts gebeld, die vaststelde dat mijn kloot inmiddels de grootte had van een handsinaasappel.

Hij nam me mee naar mijn behandelend uroloog, die een echo van mijn zwangere scrotum maakte om te kijken of het misschien ging om een toevallig opspelend gezwel. Toen dit niet het geval bleek zei de uroloog dat we nu twee dingen konden doen. Hij kon het abces in mijn sinaasappel doorprikken, maar het gebied eromheen was niet te verdoven waardoor ik ‘de ergste pijn zou krijgen die ik ooit zou voelen’. De uroloog zei: ‘Na een paar minuten ben je er dan wel vanaf.’

Een andere optie was dat we met penicilline zouden proberen de boosdoener te lijf te gaan. Dan zou ik zeker een maand platliggen en de pijn zou heel langzaamaan afnemen. De beslissing was aan mij. En dat was nogal een keuze. A) Kortstondig de allerergste pijn denkbaar of B) een maand kermend op bed. Later heb ik ‘de balvraag’ aan vrienden voorgelegd: welke keuze zou jij hebben gemaakt en wat leert je dat over je persoonlijkheid?

Ik heb uiteindelijk gekozen voor een lome maand op mijn bank. Daar heb ik geen spijt van, al weet ik dat ‘de ergste pijn die ik ooit zal voelen’ nu een andere keer komt.

 

De Volkskrant; 1 maart 2012: column Giphart, VUMC

Omdat er veel belastinggeld naar de gezondheidzorg stroomt, besloot een ziekenhuis meer openheid van zaken te geven. Documentairemakers mochten komen filmen, scholieren werden rondgeleid, auteurs draaiden maanden mee op een afdeling. De boeken die deze schrijvers publiceerden werden lovend besproken. Zelfs de Volkskrant roemde het initiatief.

En toen ging het mis met een tv-programma waarvoor 35 camera’s verdekt waren opgehangen bij de Spoedeisende Hulp. De privacy van patiënten bleek in sommige gevallen geschonden. Wellicht was de hang naar openheid doorgeslagen. De verontwaardiging in het land was grotesk. Geschrokken blies het ziekenhuis de uitzendingen af.

Ook werd er in een paniekreactie besloten de schrijver die op dat moment al drie weken full time meedraaide met de afdeling cardiologie tijdelijk af te bestellen. Mij werd afgelopen maandagochtend plotseling gevraagd het ziekenhuis te verlaten. Toen ik ’s middags verdwaasd thuiskwam las ik dat een woordvoerder van het ziekenhuis inmiddels bekend had gemaakt dat het boek waarvoor ik was benaderd er definitief niet kwam.

Over deze beslissing en de manier waarop het nieuws mij bereikte zal ik voorlopig verder zwijgen, want dat leidt af van wat ik veel liever kwijt wil. Kranten, programma’s en de horde der twitteraars hebben in schuimende verontwaardiging waarheden en pertinente onwaarheden verkondigd, waarmee bij velen de indruk is ontstaan dat het VUmc een slecht ziekenhuis zou zijn. En dit strookt in het geheel niet met het beeld dat ik heb van de afdeling waar ik stage liep.

Nijen, de verpleger die met zoveel warmte de mensen op zaal begeleidt. Ronald, de Ajacied die grappen maakt met Feyenoord-patiënten. Marlous, de arts-assistente die een man die een cardioversie krijgt liefdevol in slaap brengt. Jeroen, mijn held, de arts-assistent die tegen een stokoude voetballer zegt: ‘We gaan ervoor zorgen dat u weer kunt meespelen in de Eredivisie Voor 80-jarigen’. Ischa, de arts-assistent die een uur lang uittrekt om een kritische patiënt voor te lichten over een pacemaker.

Robin, die als nachtarts halve marathons loopt voor zijn patiënten. Aernout, de cardioloog die een mevrouw die allergisch is voor pijnstillers door een slokdarm-echo loodst en daarbij zijn zachte stem gebruikt als verdovend middel. Eric, de opleider die aankomende verpleegkundigen enthousiast maakt voor de cardiologie. Sarah, die een patiënt die per ongeluk in bed heeft ontlast troost met haar blik.

Niels, de interventiecardioloog die een mevrouw met een hartinfarct toeknikt zoals je door arts wil worden toegeknikt. Ferry, de arts-assistent die een meneer in zijn spreekkamer ongestoord laat huilen en zegt: ‘Met de mensen in de wachtkamer hebben we niets te maken.’ Alexander, de cardiochirurg die berustend zijn hand legt op de schouder van een man wiens hart hij weldra zal zien kloppen. Bert, de professor die tijdens de dagelijkse ochtendoverdracht zijn arts-assistenten spart, uitdaagt en onderwijst. En alle anderen die ik uit plaatsgebrek niet kan vermelden (Roxane, Karin, Irene, Cor, Maarten, Tanja, Annelies, Marijke, Aukje, Koos, natúúrlijk Sascha, Saskia, diëtiste Heleen, schoonmaker John, enzovoort). Kon ik maar een boek over hen schrijven.

Hoe de overspannen managers en hysterische boe-roepers ook hun best doen het beeld kapot te maken: deze bovengenoemde mensen en alle andere zich uit de naad werkende medewerkers zijn het ware gezicht van het VUmc. Laat dat ook eens gezegd zijn.

 

De Volkskrant; 26 januari 2012: column Giphart, Koosjer

Van de week zag ik een voorvertoning van De koosjere hamvraag, een nieuw programma van de Joodse Omroep, dat vanaf 29 januari wordt uitgezonden op Nederland 2 (kijktip). Programmamaker Jigal Krant gaat hierin op zoek naar de zin en de onzin van koosjer eten. Zo stort hij zich op druiven, een vrucht waarmee orthodoxe joden een getroebleerde relatie hebben, die zo complex is dat niemand precies begrijpt waarom druiven wel koosjer zijn, maar druifproducten niet.

Krants verhaal deed me denken aan een voorval van tien jaar geleden. We waren op vakantie in de Ardennen, onze oudste zoon was drie, onze dochter net geboren. Ik had een grote achenebbisje, vooroorlogse villa gehuurd, met een tuin en een veranda waar we konden kijken naar het dal. de bergen en… de buren. Naast ons huis stond een vergelijkbare villa, waar een dag na onze aankomst twee Volkswagenbussen kwamen voorrijden met een enorme familie chassidische Joden.

‘Niet loeren’, zeiden wij tegen ons zoontje, die met open mond stond te kijken naar de zwartgeklede bleke wezens met lange pijpenkrullen, die in een straf tempo spullen naar hun vakantievilla begonnen te slepen. Wat we onze zoon niet toestonden deden we zo ongemerkt mogelijk zelf wel, want het was ei’n fascinerend schouwspel.

Een van de leden van het gezin bakende het terrein rond het vakantiehuis af met een wit lint, wat ons aanvankelijk bezitterig overkwam, maar naar we later begrepen vooral een symbolische betekenis had. Ondertussen begon een ander deel van het gezin de grote keuken opnieuw in te richten. Een deel werd van vloer tot plafond bedekt met aluminiumfolie, een ander deel kreeg een houten tussenschot.

Misschien was het ons naïeve idee dat chassidische joden niet op vakantie gingen. maar dat zij zo maar in het wild naast een goddeloos gezin uit Nederland zouden staan verbaasde ons toch. De familie vierde vakantie zoals vele gezinnen, met geschreeuw en gezang tot laat in de avond (hadden wij weer: stonden we op onze vakantie naast de tokkies onder de chassidische Joden).

Er waren ook veel kinderen in het gezin. die naar ons keken als naar het apenverblijf bij Artis, Andersom bekeek mijn zoon hen op dezelfde manier. Nu kent de internationale kinderdiplomatie één universele ijsbreker: snoep. Op een gegeven moment – o, het was zo mooi – strekte een van de Joodse kindjes zijn hand over het witte lint van hun omheining, om een Joods lekkernijtje aan mijn zoon te geven. die dit in grote dankbaarheid aannam. Nadat er een paar keer zoetigheden van het chassidische territorium naar het Hollandse was gegaan, moest en zou mijn zoon iets teruggeven. Rekening houdend mer eventuele spijswettelijke beperkingen van fabriekssnoep gaven we hem pakjes rozijnen om uit te delen, maar dit stuitte op bedenkelijke gezichten. Een van de oudere familieleden verontschuldigde zich in vlekkeloos Vlaams dat zij de gedroogde druifjes helaas niet konden aannemen. Dankzij De koosjere hamvraag begrijp Ik de hilarische onnavolgbaarheden van de Joods-orthodoxe eetregels. maar nog zie Ik de beteuterde gezichtjes van zowel de chassidische kindjes dis mijn zoon.

 

De Volkskrant; 15 december 2011: column Giphart, Treiterschijten

Eind jaren tachtig woonde ik met een groep studenten in de oude verpauperde Utrechtse arbeiderswijk Zuilen.De aanwezigheid van studenten zorgde niet voor extra sociale cohesie in de wijk. We kregen verwensingen naar het hoofd als we langsfietsten, er werden middelvingers naar ons opgestoken, auto’s gaven dubbel gas als wij op het zebrapad liepen. Het gebeurde nogal eens dar we werden toegesnauwd dat wij, halleve zolen, moesten opdonderen uit de wijk.

Wij zagen deze uitbarstingen van studentenhaat aanvankelijk als een arbeideristische folklore waaruit een vreemd gevoel van genegenheid sprak. Tot het ons begon op te vallen dat er regelmatig hondenpoep lag voor ons huis. We zagen soms zelf drollen tegen onze drempel aan, alsof iemand die daar speciaal voor ons had laten neerleggen door zo’n hondenpoepvervaardigingsinstrurnent.

Het kostte weinig deductie en reductie om erachter te komen dat er opzet in het spel was. We besloten de zaak grondig te onderzoeken. Een huisgenoot monteerde een spionnetje en twee anderen gingen posten op een bankje. Na een paar dagen dataverzamelen hadden we beet, Een oudere man liet zijn twee honden hun gevoeg doen pal bij onze voordeur. Hij manoeuvreerde zijn beesten zo dicht mogelijk tegen de gevel. Hierna wandelde hij doodgemoedereerd verder.

Onze huisgenoten zijn hem gevolgd tot aan zijn woninkje, twee blokken verderop. Die avond hielden we een huisvergadering. Er waren twee kampen: de duiven die redelijk met de middelbare man wilden praten over zijn gedrag, en de haviken die wilden dat we met het hele studentenhuis een week lang op emmers zouden poepen, om de gevel van de hondenbezitter opnieuw te voegen met bruin cement.

Besloten werd dat we met vijl man sterk verhaal zouden halen. Het gesprek met de man verliep niet zoals we hadden besloten. We hadden ons voorgenomen redelijk met hem te praten, maar toen hij opendeed, blafte een van onze huisgenoten, een gespierde havik genaamd Frans, zonder ons te introduceren: ‘Als we ooit nog hondenstront bij ons voordeur vinden, laten we u alle drollen opvreten.’

Dat zette de toon. De man schrok zichtbaar, schold ons pieperig uit voor kutstudenten en gooide zijn deur dicht, Opvallend was wel dat we daarna nooit meer last hadden van hondenpoep voor het huis.

Dit verhaal was weggezakt in de mestvaalt van mijn herinneringen, tot ik gisteren een werkkamer in de stad verruilde voor een andere. Ik had twee studenten ingehuurd om me te helpen sjouwen. De jongens waren nog niet binnen of het begon in mijn oude kamer te stinken. Een van de studenten leek geschrokken onder zijn voeten. Het moment erop ontdekten we voor de voordeur van mijn werkkamer op 10 centimeter van de drempel een grote vertrapte hoop kerriekleurige uitwerpselen.

‘Het lijkt wel of iemand die daar bewust heeft neergelegd’, zei de jongen. Ik knikte en vroeg mij somber af hoe klein je als mens moet zijn om plezier te putten uit de gedachte dal medemensen in de stront van jouw hond stappen. Wat als je op het eind van je leven over je schouder terugkijkt en beseft dal je grootste verkneukeling was dat je stiekem je honden hebt laten treiterschijten bij je buurtgenoten. Medelijden voelde ik met deze anonieme voordeurkakker. Deernis, Erbarmen.

 

De Volkskrant; 10 december 2011: column Giphart, Lippenstift

Het is gistermiddag. Omdat ik tussen twee bezigheden een paar uur heb te doden zit ik in een rustig café in Haarlem. Van de serveerster heb ik het niet ongeestige wachtwoord voor de wifi van het etablissement: ‘veelbestellen’.

Ik zit aan mijn tweede koffie. Een paar tafels verder neemt een vrouw plaats. De serveerster brengt haar een glas witte wijn, dat ze onaangeraakt voor zich laat staan omdat ze verdiept is in haar mobiele telefoon. Na een tijdje stopt ze het toestel terug in haar tas en begint ze haar lippen te stiften.

Bij de woorden ‘de vrouw stift haar lippen’ zullen lezers direct een allerindividueelst beeld voor zich zien van een vrouw die haar lippen stift. Als dit geen column maar een filmpje was zou ik een shot laten zien van een vrouw die haar lippen stift, een beeld dat geen enkele toeschouwer kan vervormen naar zijn eigen voorstelling. Schrijven is een manier om de innerlijke projector van lezers aan te zetten. Mensen gebruiken woorden om hun verbeelding een duw te geven. De lezer is de filmer van de tekst, de verbeelder van het geschreven verhaal.

De vrouw verderop in het café maakt haar mond o-vormig en strijkt glanzende gloss over haar lippen, terwijl ze geconcentreerd in een zakspiegeltje kijkt. Een unbeschreiblich weibliche handeling. Ik ga er niet vanuit dat de vrouw haar lippen voor mij invet, al zullen baltsethologen in haar bewegingen ongetwijfeld onbewuste signalen zien.

Zoals borsten, volgens bioloog Desmond Morris, surrogaatbillen zijn bedoeld om mannelijke aandacht te trekken, zo zouden lippen voor vrouwen een verklikker zijn van hun schaamstreek. Omdat schaamlippen roder worden en opzwellen bij seksuele opwinding zouden vrouwen als een soort suggestieve amuse-bouche hun lippen kunstmatig inkleuren.

Bij een recentelijk Frans onderzoek namen wetenschapsters op woensdag- en zaterdagavonden plaats in verschillende uitgaansgelegenheden. De ene keer droegen zij geen lippenstift, de andere keer wel. De studentes hielden bij hoe lang het duurde eer ze werden aangesproken door mannen en turfden het aantal toenaderingspogingen. De uitkomsten spraken voor zich: als de vrouwen hun lippen hadden beschilderd in rode oorlogskleuren werden ze veel sneller benaderd en kregen zij ‘a higher number of male solicitations’. Ergo, mannen flirten niet met vrouwen, mannen flirten met lippenstift.

Enfin, de vrouw in het Haarlems café zit er niet op te wachten dat ik haar aanspreek, want daarvoor is ze te veel in de weer met haar mobiele telefoon. Plotseling gaat het toestel over.

‘Waar blijf je nu?’ hoor ik haar zeggen, waarna ze knikt en luistert. ‘Ik wil best komen, maar hoeveel tijd heb je dan?’

Ze kijkt een beetje samenzweerderig om zich heen, maar niet in mijn richting. Wederom luistert ze naar de stem aan de andere kant van de verbinding.

‘Nee, dan kom ik wel even,’ hoor ik haar zeggen, zachter nu. De blik in haar ogen mag iedere lezer voor zichzelf invullen.

De vrouw knikt, beëindigt het gesprek, legt een briefje van 10 euro op tafel naast het onaangeraakte glas witte wijn en trekt haar jas aan. Dan open ze nog één keer haar handtas om haar make-up te controleren. Resoluut klapt ze haar spiegel dicht en verlaat het café. Terwijl ik haar nakijk komt de serveerster vragen of ik nog een koffie wil. Veel bestellen, was het devies.

 

De Volkskrant; 29 november 2011: column Giphart, Michelinsterren

19 september jongstleden was een bijzondere dag voor de gastronomie in de Benelux. Toen verscheen De magie van de Michelinster van Paul van Craenenbroeck, de voormalige hoofdinspecteur van de Rode Gids van Michelin. Er waren al eerder geruchten, er waren eerder inspecteurs die uit de school klapten over de integriteit van het Franse instituut, maar nog niet eerder was er iemand die zijn mond durfde open te doen over de situatie in de Nederlandse en Belgische sterrengastronomie.

Het stond er zwart op wit. Volgens Van Craenenbroeck, die 22 jaar bij het bedrijf werkte, wordt Michelin geleid op een bedje van incompetentie, conservatisme, bureaucratie, chauvinisme en navelstaarderij. Voor de hele Benelux heeft Michelin maar drie (hoeveel? drie) inspecteurs in dienst. Volgens Mac van Dinther, culinair journalist bij de Volkskrant, betekent dat een restaurant uit de hogere divisies van het koken omgerekend hooguit slechts één keer in de twee jaar wordt bezocht. Deze inspecteurs zouden anoniem zijn, een feit waarover Michelin altijd hoog opgeeft, maar die volgens Van Craenenbroeck een fabeltje is.

Nog een fabeltje dat uit het leven werd geholpen: het idee dat Fransen níet chauvinistisch zouden zijn. Natuurlijk moeten de Fransen niets hebben van Laaglandse restaurants, daar zijn het Fransen voor. Een ster uit Nederland op België staat culinair gezien op hetzelfde niveau als twee Fransen sterren. En daarbij zou, wederom volgens Van Craenenbroeck, de toekenning van sterren voor een groot deel worden bepaald door de marketingafdeling van de gids. Inspecteurs staan onder druk om voor rumoer te zorgen, ten behoeve van de verkoop van de gids. Van Craenenbroeck: ‘Sterretje erbij, sterretje eraf, opwinding creëren.’

Gisteren werden de Michelinsterren voor het jaar 2012 bekend gemaakt. De gansche vaderlandsche gastronomie wachtte stijf van de spanning op het verlossend nieuws, dat dit jaar snel via twitter werd verspreid. Leep had Michelin de afgelopen weken gesuggereerd dat er een derde restaurant met drie sterren zou worden genomineerd, wat had geleid tot honderden berichten, geruchten en gratis publiciteit.

Sterretje erbij. Natuurlijk waren er weer winnaars. Drie zaken kregen een tweede ster (waaronder Librije’s Zusje, wat Jonnie Boer de eerste 5-sterrenkok van de Benelux maakt). Zeven restaurants kregen hun eerste ster. De winnaars reageerden zoals er van winnaars wordt verwacht. Ze waren erg blij (‘onmeunig trots’ verklaarde de woordvoerder van restaurant De Bloemenbeek in De Lutte met een mooi Twents woord voor verschrikkelijk), waarbij aangetekend dat men vooral blij was voor hun gasten. ‘Daar doen we het allemaal voor.’

Sterretje eraf. Uiteraard waren er ook verliezers. Niet alleen de restaurants die een ster verloren, maar ook de gedoodverfde tweesterrenzaken die er geheid een derde bij zouden krijgen. Hans van Wolde van Beluga in Maastricht, die vorige week nog in een als interview gepresenteerde adhd-aanval in de Volkskrant liet optekenen dat hij de aandacht voor de derde ster ‘belachelijk’ vond, reageerde verslagen. ‘We moeten dit verwerken en dat valt niet mee.’
Opwinding veroorzaken. We hadden mogen hopen dat de Nederlandse gastronomische wereld, tot inzicht gekomen door Van Craenenbroecks boek, zich weinig meer zou aantrekken van de terreur van Franse bandenverkoper, maar niets was minder waar. Alle media besteedden uitvoerig aandacht aan de met slechts drie inspecteurs en een onwillige ongeïnteresseerde Franse achterban in elkaar geflanste restaurantgids. Het is Michelin weer gelukt.

 

De Volkskrant; 15 oktober 2011: column Giphart, De internationale

Afgelopen maand mocht ik optreden in de 13de-eeuwse kerk van het kleine Zuid-Hollandse stadje Geervliet. Omdat de geluidsinstallatie geïmporteerd leek uit een voormalige communistische heilstaat, stelde iemand voor dat ik vanaf de kansel zou voorlezen. Zeven eeuwen lang hebben mensen daar onversterkt naar hun toehoorders staan schreeuwen, dus waarom ik niet?

God, wat zou mijn vader trots zijn geweest. Want hij noemde zich misschien wel humanist (‘atheïst light’), maar als lid van de socialistische kerk had hij veel christelijke gebruiken geadopteerd. Zo zong hij voor zijn plezier thuis strijdliederen, socialistische psalmen die ik vanwege mijn opvoeding ook uit mijn hoofd ken.

Dit vertelde ik vanaf de kansel aan het Geervlietsepubliek, waarna ik – om deze oude liederen te eren – De Socialistenmars en De Internationale inzette, gezangen die onverwachts door het bijna voltallige publiek woordelijk werden meegezongen. De plotselinge terugkeer van De Stem Des Volks! Hoe lang was het geleden dat De Internationale heerste?

Medio de jaren negentig mocht ik voorlezen op een 1-mei-viering in Rotterdam, vlak voor de toenmalige PvdA-leider Wim Kok zou speechen. De PvdA had destijds verordonneerd dat men de bijeenkomst niet zou ontsieren met strijdliederen en arbeideristisch gewauwel. Tijdens mijn lezing vroeg ik aan de zaal bejaarde verworpenen of ze er niet ontzettend kwaad over waren dat zo’n prachtig lied als De Internationale zo werd verkwanseld. De conservatieve linksen van dagen barstten hierna uit in gezang, tot ergernis van de PvdA-leiding.

Bestaan ze nog, de Stemmen des Volks? Waar is de tijd gebleven dat strijdliederen nog betekenis hadden? Vroeger zette mijn moeder als op het gymnasium van mijn zus voorafgaand aan een toneelvoorstelling Latijnse clubliederen werden gezongen, loeihard De Socialistenmars in voor het tegenwicht. Het roode vaandel volgen wij! Tegenwoordig zijn de liederen zo goed als weggezakt in de beerput van de geschiedenis.

Of toch niet? Zomergast-presentator Jelle Brand Corstius heeft aangekondigd dat hij vandaag om 12.00 uur met zo veel mogelijk medestanders het Beursplein in Amsterdam gaat bezetten, als Nederlands antwoord op de Amerikaanse ‘Occupy Wall Street’-beweging. Het zal een protest worden tegen de groeiende sociale en economische ongelijkheid in de wereld. In tientallen hoofdsteden zullen de slaafgeboornen protestdemonstraties houden. Het reed’lijk willen stroomt weer over de aarde. Begeerte heeft ons aangeraakt!

Om mij geestelijk voor te bereiden op weer een demonstratie die ik zal moeten missen, keek ik van de week naar Michael Moores documentaire Capitalism: A Love Story (2009), over het Amerikaanse financiële systeem en de alles vernietigende schraapzucht van de 5 procent rijksten in Amerika.

De film eindigde met een uitvoering van The Internationale die mij deed stilvallen. De New Yorkse bigbandzanger Tony Babino zong als een crooner á la Frank Sinatra of Paul Anka een swingversie van het aloude strijdlied. En plotseling kreeg ik een visioen.

Wat Amerikanen kunnen, moet voor ons toch ook mogelijk zijn? We stellen een bigband samen met The New Cool Collective van Benjamin Herman en Corrie van Binsbergen & de Grote Brokken, en we vragen crooners als Kasper van Kooten, Wouter Hamel en Tim Knol om het aloude working class anthem nieuw leven in te zingen. Ontwaakt, verworpenen der aarde! De Internationale zal morgen kreunen op aard

 

De Volkskrant; 13 september 2011: column Giphart, Eerste keren

In mijn straat in Utrecht zag ik een stuk of zes studenten voor hun uitgeleefde kot. Ik heb eerder over deze jongens geschreven: roeiers van de vereniging Triton, ruwe bolsters blanke pikken. Ze stonden er uitgelaten en verwachtingsvol bij. Eerder die avond waren ze ‘overvallen’ door vrouwen van een meisjesstudentenhuis, die met spuitbussen de muren hadden beklad, met lippenstift kusjes hadden gedrukt en overal bloem hadden rondgepoederd. Deze overval was een wraakactie voor vergelijkbare vernielingen die de jongens eerder die week in het huis van de meisjes hadden gepleegd. De mannen stonden kwispelend te wachten op de vrouwelijke schoonmaakploeg. Dat was een traditie, begreep ik. Eerst troep maken, dan opruimen, dan neuken. Wat is het toch geweldig om jong te zijn.

Ik moest aan dit samenzijn denken toen ik afgelopen vrijdag de presentatie bezocht van het boek Ik doe het! van publiciste Mireille Goedkoop. Zij vertelde dat het de eerste keer was dat ze een boek van zichzelf presenteerde. En daarbij was het haar eerste boek. Het is toch mooi, vroeg ze aan de zaal, dat zij nog iets voor de eerste keer meemaakte? Als je jong bent, maak je voortdurend dingen voor de eerste keer mee. Je eerste stapjes. Je eerste zoen. Je eerste belastingaangifte. Je eerste wilde studentenfeest. Je eerste liefdesverdriet.

Het lijkt wel of we naar mate we ouder worden steeds minder vaak dingen voor de eerste keer doen of meemaken. Hoe meer rimpels, hoe minder verrassend het leven. Ik doe het! is een boek voor en over oudere mensen die nog dingen in hun leven voor de eerste keer willen meemaken. Niemand is te oud om nog op ontdekkingsreis te gaan, is de boodschap van Goedkoop, die in haar boek probeert aan te tonen dat het geweldig kan zijn om ouder te worden, als je maar openstaat voor nieuwe eerste keren.

Teruggekomen van de presentatie zocht ik in mijn knipsel­map een recent wetenschappelijk artikel over het fenomeen ‘de eerste keer’, over een onderzoek van de Universiteit van Pennsyl­vania naar het zelfbeeld van jonge mensen nadat zij voor het eerst met iemand naar bed waren geweest. Een grote groep nog niet ontmaagde studenten moest tijdens hun studie voortdurend vragenlijsten invullen waarin ze onder meer hun eigen uiterlijk beoordeelden.

Onderzoekers concludeerden dat zowel hij mannen als bij vrouwen het beeld van hun lichaam in de weken na hun eerste seksuele ervaring opmerkelijk verandert. Voor jongens is hun ontmaagding een enorme opkikker, hun zelfvertrouwen neemt toe en ze voelen zich aantrekkelijker. Bij meisjes is het omgekeerd, hun zelfvertrouwen over hun uiterlijk neemt na hun ontmaagding juist af en ze zijn minder tevreden over hun lichaam.

Een professor jeugdseksualiteit aan de Universiteit van Toron­to bood hiervoor de verklaring dat jongens blij zijn dat iemand hen überhaupt aantrekkelijk genoeg vond om het bed mee te delen. Vrouwen zouden diep in hun hart juist teleurgesteld zijn dat hun eerste keer niet uitliep op een langdurige liefdesrelatie. Voor wat het waard is: het verloren zelfvertrouwen zouden vrouwelijke studenten na hun ontmaagding, volgens de wetenschappers, vooral weer opbouwen… door hard te studeren. Het verheugt mij dat mijn buurjongens op hun manier proberen bij te dragen aan de studieresultaten van hun vrouwelijke mede-studenten.

 

De Volkskrant; 10 september 2011: column Giphart, Hoer!

Dit stukje gaat over goeie intenties, die soms compleet tegenovergesteld uitvallen. Afgelopen vakantie las ik een van de mooiste anekdotes van de laatste tijd, over een reclame van het sportmerk Nike. In Kenia nam het bedrijf een spotje op voor een van hun schoenmodellen. Hoofdrolspelers waren leden van de zogenoemde Samburu-stam. In de commercial werd ingezoomd op een stamlid, die in zijn eigen taal, het Maa, een paar woorden zei. Na zijn zin verscheen de vertaling in beeld, de slogan ‘Just Do It’. Eenmaal uitgezonden kreeg het bedrijf een brief van een antropologe van de universiteit van Cincinnati. Zij had ontcijferd wat de Samburu-man in werkelijkheid zei. Hij had niet in het Maa ‘just do it‘ gezegd, maar ‘ik wil deze niet. Ik wil grotere schoenen.’

Ik hou van dit soort fouten. Ook een aandoenlijk verhaal hoorde ik over een voormalige directrice van een Nederlands Filmfestival in Utrecht. De vrouw was druk bezig met het werven van fondsen, toen ze een sms’je kreeg van een collega die net een groot bedrag had binnengesleept of veiliggesteld. Enthousiast schreef de directrice een antwoord bestaande uit één woord. ‘Hoera!’ In haar onstuimigheid was ze echter vergeten om de letter a te typen, waardoor haar boodschap een iets andere wending kreeg.

Hetzelfde verhaal, maar dan anders. Mijn vader en mijn oom Bram hadden bij de 70ste verjaardag van mijn stiefoma (Stoma, voor intimi) het lumineuze idee om haar bij het ontwaken te verrassen op een geschreven boodschap op haar slaapkamerraam. En dus bevestigden zij een kwast aan twee aan elkaar gebonden bezemstelen. Zij doopten de kwast in witte verf, waarna zij midden in de nacht een felicitatie op het raam schilderden. In spiegelschrift, want ze waren dan wellicht een beetje aangeschoten, maar zoveel helderheid hadden ze nog wel. Mijn oma, die als weduwe alleen sliep en die op dat moment even vergeten was dat ze die dag verjaarde, opende monter haar gordijnen. Ze schrok van het scheldwoord waarmee ze werd begroet. Het opzij geschoven gordijn had de letter a geheel verborgen, iets waarover mijn vader en oom Bram dan weer niet hadden nagedacht.

Een zeer fraai voorbeeld van goeie bedoelingen die verkeerd uitpakken kreeg ik gemaild van een kennis. Hij gaf me de naam van een internetsite die is gewijd aan zogenoemde ‘unintentionally sexual church signs‘. Hier staan foto’s van vele goedbedoelende borden langs Amerikaanse kerken, met teksten die door een kwaadwillende verstaander anders kunnen worden uitgelegd.Zo heeft de Community Baptist Church in North Waterboro een bord met de onbedoeld erotische tekst: ‘You can’t enter heaven, unless Jezus enters you.’ En een stuk verderop adverteert de Glenstone Baptist Church met een uithangbord waarop staat: ‘God’s favorite word is come‘ (Gods favoriete woord is klaarkomen). Een variant daarop is de bijbelspreuk Openbaring 22:20. Op een levensgroot bord staat het toch wat vreemd: ‘Surely, I come quickly, amen!

Dit is ook een uitspraak waarmee mensen misschien niet al teveel te koop moeten lopen. De First Evangelical Free Church in Ashland durft het gewoon te zeggen: ‘Jezus loves little children!’

Tot slot een nuttige wenk van de Seventh-Days Adventist Church: ‘The most powerful position is on your knees.’ Of sommige christenen zijn erg naïef, of ze hebben een vreemd gevoel voor humor.

 

De Volkskrant; 6 september 2011: column Giphart, Cutzien

Als student was ik nachtportier in een Utrechts ziekenhuis, waar het een van mijn taken was om ponsplaatjes voor patiënten aan te maken. Het computerprogramma had hiervoor een handige aanvulfunctie: bij de eerste letters verschenen alle mogelijke namen die al in het bestand van het ziekenhuis voorkwamen. Vulde ik gra in, dan gaf het systeem: VanGrafhorst, De Graaf, Graanoogst, et cetera.

Op een nacht zaten een arts-assistent en ik ons onnoemlijk te vervelen en hadden we alleen de ziekenhuiscomputer om mee te spelen. We bedachten hoe uitermate grappig het zou zijn om eens te kijken wat de oogst was van een bepaalde drielettercombinatie die in medisch-studentikoze kringen bekend staat als de korte urinetrechter (tegenhanger van de lange urineleider). Op mijn scherm rolden de vindplaatsen voorbij: Turkse achternamen als Kutli en Kutsul, en Duits klinkende varianten als Kutschrütter en Kuttdreier.

En toen gebeurde wat eind jaren tachtig altijd gebeurde: het computersysteem liep vast. De arts-assistent verdween naar een patiënt en ik keek een uur lang naar de kutnamen, in de hoop dat het probleem vanzelf zou oplossen. Uiteindelijk belde ik in arren moede de systeembeheerder met het verzoek of hij de boel weer kon opstarten. Slaperig vroeg hij: ‘Waar was je dan mee bézig?’

Ik dacht aan dit verhaal toen ik gisteren stuitte op de vermakelijke en aanbevelingswaardige internetpagina www.vernoeming.nl. Dit is het blog van Maarten van der Meer, leraar Duits in de regio Den Haag. In zijn vrije tijd schrijft Van der Meer over wat hij zelf noemt ‘namen, genealogie en al wat daarbij komt kijken’.

Van der Meer is een lijstjesmaker en een turver. Op zijn site staan heerlijke artikelen over alle 333 tussenvoegsels in Nederlandse achternamen (van ‘aan den’ tot ‘zur’). Of een leerzaam overzicht van ruim honderd van die opvallend deugdzame Surinaamse achternamen als Braafheid of Trustfull, aangevuld met tien wat minder deugdzame achternamen als Nikker en Traagheid.

Ook interessant is de lijst met de dertig langste achternamen van Nederland (winnaar is de familie Van den Heuvel tot Beichlingen, gezegd Bartolotti Rijnders) en de eenentwintig langste voornamen die in Nederland zijn geregistreerd. De allerlangste is van een jongetje genaamd Prince-Fritz-Cruene-August-Willem-Jan-Hendrik-Dick (‘Prince-Fritz-Cruene-August-Willem-Jan-Hendrik-Dick, eten!’).

Maar het vermakelijkst is het als Van der Meer losgaat op de meer scabreuzere zaken. Vele plezierige uren moet hij hebben gezocht in de Nederlandse Voornamenbank van het Meertens Instituut op echt bestaande opmerkelijke varianten. Er heten in Nederland een of meerdere kinderen Anus. Er zijn Borstjes. Er is een Dikshit. Kasthoeri. Rampaal. Geiltje. Pik (meer dan 65 jongens heten zo). Befke. Er is een meisje genaamd Vaginarovna. Kutdosi. Zwansiska (‘Zwansiska, ga je huiswerk maken!’).

En ook heeft Van der Meer zich in de Nederlandse Familienamenbank gestort op lieden met een seksueel getinte achternaam. Ik kan niet ontkennen dat ik een oude studentikoze verkneukeling voelde bij het lezen van familienamen als Beffert, Stijve, Hoer, Pikhaar of Rukkers (‘Onder welke naam had u gereserveerd?’). Overigens is het in Nederland mogelijk je achternaam te laten veranderen als deze ‘ongepast of bespottelijk’ is. Zo heeft de familie Cutzien de naam officieel veranderd in Krukzieners, een achternaam die wellicht minder hilariteit oproept bij de puberale gniffelaars onder ons.

 

De Volkskrant; 3 september 2011: column Giphart, Wil om te overleven

Gisteren ging ik op een barre expeditie van mijn eenzame boshut op de Veluwe naar de dichtbij zijnde negorij. Op de toonbank van de boekhandel lag Het SAS Survival Handboek, een boek met als ondertitel ‘hoe overleef je in het wild’.

Kijk, een boek met mijn naam erop. Laat ik toegeven dat ik mezelf nooit een survivor zou kunnen noemen. Ik mis de vastberaden overlevingsdrang waarmee sommige mensen in het leven staan. Ik ben eerder iemand die bij een ingegroeide teennagel al snel euthanasie nog als enige optie ziet.

Maar goed, terug in mijn boshut verdiepte ik mij gretig in mijn bijna 600 bladzijden dikke impulsaankoop. De schrijver is John ‘Lofty’ Wiseman, die 26 jaar heeft gediend bij de SAS, de Special Air Service, een Britse elite-legereenheid. De soldaten van de SAS zijn getraind om zich onder alle mogelijke omstandigheden te redden. Na jaren soldaten te hebben getraind hoe ze vuur konden maken met behulp van een oud boterhamzakje en een regenbestendige tent van drie schoenveters en acht opgedroogde slakken, besloot ‘Lofty’ zijn kennis te delen met gewone stervelingen zoals ik.

Wat een geweldig naslagwerk. Letterlijk duizenden overlevings-weetjes. De belangrijkste les voor mensen die verdwaald raken in een weerbarstige omgeving is dat zij onvoorwaardelijk moeten luisteren naar hun ‘WOTL’, hun Wil Om Te Leven. ‘Het is een grote geruststelling te weten dat er niets ter wereld is waar we niet tegen opgewassen zijn en dat er geen plek ter wereld is waar we niet kunnen overleven’, schrijft Lofty bemoedigend.

En dus geeft hij ons fascinerende tips over hoe te handelen in situaties waarin we nooit terecht zullen komen. Het belangrijkste in ons overlevingspakket? ‘Ons gezonde verstand.’ Wat bijvoorbeeld te doen als we plotseling oog in oog komen te staan met een walrus? Die lijken log en traag, maar zijn in feite zeer gevaarlijk. ‘Blijf uit hun buurt, tenzij u gewapend bent’, adviseert Lofty, een les die ik dus nooit zal vergeten.

Ook nuttig: als je in een ijswak bent gevallen, moet je je vervolgens door de sneeuw rollen om het water te laten absorberen. ‘Ga daarna naar een schuilplaats en trek droge kleren aan.’

Als er ooit een noodzakelijke hoogspanningskabel in mijn omgeving breekt, weet ik dat ik deze kan vervangen door een wilgentak, maar pas op: de tak moet veelvuldig worden vervangen, omdat hij uitdroogt. Tip: mijd fruit dat in vijf segmenten is verdeeld. En de aanwezigheid van reptielen is geen aanwijzing voor de aanwezigheid van water. Reptielen verzamelen dauw en krijgen vocht binnen van hun prooi.

Daarover gesproken: overal is water te vinden, in bloemen, in de ruwe basten en ranken van wingerds. Maar ook – en hier raakt Lofty me toch een beetje kwijt – bevatten ogen van dieren water dat eruit kan worden gezogen. Mijn WOTL moet heel groot zijn wil ik water uit ogen gaan zuigen.

Nog meer Lofty’s levenswijsheden: ‘Slecht weer bestaat niet, alleen slechte kleding.’ En deze: ‘U bent niet scherper dan uw mes.’

Mijn favoriet: ‘Er is niets zo goed voor het moreel als een warme kop thee.’ Bijvoorbeeld getrokken van sparrennaalden, die – wist u het? – rijk zijn aan vitamine C en die zelfs hier op de Veluwe makkelijk zijn te vinden. Ik ga een kop sparrenthee zetten, ter ere van mijn nieuwe held.

 

De Volkskrant; 29 augustus 2011: column Giphart, Torenseks

Best een ontroerend filmpje. Twee al wat oudere geliefden hebben op vakantie samen een verlaten middeleeuwse toren beklommen in een mediterrane stad. In de straten van het centrum was het klam en drukkend, maar op de burcht stond een zachte bries. Bovenaan gekomen keek het paar uit over de straten, uitblazend van de inspanning van de beklimming. Een kort moment roken ze elkaars zweet. Was het een door de vakantie opgeleefde verliefdheid? Was het omdat het torencomplex van God en iedereen was verlaten? Was het de verpletterende saaiheid van het Spaanse stadje?

Ze hadden geen woorden nodig. Zij ging met haar rug naar hem toe staan, leunend op de balustrade van de toren. Overmeesterd door haar eigen opwinding schoof ze haar rok omhoog en haar slip naar de grond, terwijl hij zijn broek losknoopte. Even keek hij om zich heen om zich ervan te vergewissen dat ze werkelijk onbespied waren, en daarna gaf hij haar een snelle, maar stevige beurt. Niets aan de hand: dit is wat mensen doen op vakantie. Armzalig de liefde die niet af en toe de straat op gaat. Ons voorgeslacht heeft eeuwenlang in de buitenlucht gestaan.

Helaas voor het paar stond er drie torens verderop wel degelijk een groep toeschouwers. Geen volwassenen, maar uitgelaten pubers. Verscholen in een hoek van de burcht pakte een van hen zijn mobiele telefoon. De cameravoering was schokkerig, het buitenlandstalige commentaar giechelig en vol ongeloof. Je hoeft de taal niet te spreken om te begrijpen wat er werd gezegd. Daar staan er twee elkaar te naaien! Neem het de jongeren eens kwalijk. Aandoenlijk dat ze niet beseften dat ze over een paar jaar op hun eigen torens zullen staan, met hun broek op hun knieën, overmand door lust.

En toen besloot de maker van het filmpje zijn materiaal op het internet te gooien. Er is veel van dit soort smut te vinden. Mensen verlustigen zich graag aan voyeuristisch beelden van minnelieden in flagranto delicto. Ook dat valt hen niet kwalijk te nemen; zo lang als mensen zich in het bos aan elkaar vergrijpen hebben anderen stiekem toegekeken.
Vier jaar lang stonden de beelden van het stel op de toren in een digitale uithoek, slechts af en toe bekeken door een eenzame masturbant. Totdat een van de rukkers herkende wie de vrouw was: iemand ‘die een naam had hoog te houden’, iemand ‘met een positie’. Internet explodeerde.

Over de volle digitale bandbreedte waaide het bericht: compromitterende beelden van een vrouwelijke burgemeester! Direct stond iedereen klaar met een mening. ‘Torenpoepster.’ ‘Vies wijf.’ ‘Dit is haar ambt onwaardig.’ ‘Ze riskeert gevangenisstraf.’ ‘Kwade opzet.’ ‘Heeft zij geen recht op privacy?’ ‘Laat haar met rust.’

Ik heb ook gekeken, ik kan het niet ontkennen. Waar ik mee begon: best een ontroerend filmpje. Sterker nog, je zou bijna hopen dat het een trend gaat worden: burgemeesters op een toren met hun partner. Waarom niet in hun eigen gemeente? Aleid Wolfsen die op de Dom gadegeslagen door zijn burgers zijn vrouw een hartstochtelijke veeg geeft en daarna vriendelijk naar beneden zwaait. Goed voor het imago van zijn slappe burgemeesterschap. Jozias van Aartsen op een spits van de Ridderzaal. Rehwinkel op de Martinitoren. Aboutaleb op de hoogste minaret. Gezegend de liefde die zich niet hoeft te schamen.

 

De Volkskrant; 24 augustus 2011: column Giphart, Gasthaat

Een therapeutisch stukje. Het was een ouderwetsche zonnige middag (een van de weinige), we waren ouderwetsch aan het toeren en we kregen onderweg ouderwetsche trek. Hoopvol stapten we het terras op van een voormalig chic wegrestaurant in Zeist. Een stuk of tien tafels waren bezet, drie obers en één oberes stonden ons bij de ingang op te wachten. We hadden er zin in.

Zij niet. Het was kwart over twee, het bedienend personeel had net berekend dat de lunchgasten snel zouden oprotten. Toen ik vragend gebaarde of we aan een tafel konden plaatsnemen, deed het viertal de Zeister Kampioenschappen Zuchten, Hoofdschudden en Minachten. Vele droevige ervaringen met de Nederlandse horeca leren dat we op dat moment rechtsomkeert hadden moeten maken, maar onze magen rommelden, de zon lonkte, de jongste moest naar de wc en ik kreeg een aanval van onverzettelijkheid. Hoezo waren we niet welkom?

Uiteindelijk zochten we zelf maar een tafel uit, met aanvankelijk de hoop dat de ronduit walgende blikken die ons waren toegeworpen op een misverstand berustten. Misschien hadden de obers tegen de zon in gekeken, dachten we vergoelijkend. Misschien hadden ze net de toestand in Syrië of Libië doorgenomen. Misschien was er net een hond aangereden.

Na een kwartier zaten we nog steeds eenzaam te wachten op bediening. Wij waren de strijd aangegaan door zelf aan een tafeltje te gaan zitten, de bediening had de handschoen opgepakt door ons compleet te negeren. En toen lukte het mijn vrouw om in het blikveld van een van de obers te komen. Ze stak haar hand op. De man, die tussen vier collega’s stond te lummelen bij de ingang, stak ook zijn hand op, Hij zwaaide pesterig en wendde zich weer tot zijn maten, Horecahumor, gasthaat.

Opdat moment hadden we moeten weggaan, maar onverzettelijkheid is een slechte raadgever. Web leven zitten. Er druppelden meer nieuwe bezoekers binnen op het terras, zoveel dar het personeel wel aan het werk moest. Verveeld kregen we menukaarten op onze tafel gegooid, zuchtend werden onze drankjes opgenomen.

Het Grote Wachten kon beginnen. We hadden het personeel getergd met onze aanwezigheid, en nu ging men ons tergen met afwezigheid. Ondertussen deden mijn vrouw en dochter wat ze het allerliefst doen in een restaurant: de verhoudingen van de gasten om ons heen raden. Daar zaten twee zussen met aanhang. In die hoek fêteerde een man zijn minnares. Het echtpaar aan dat tafeltje hield al jaren niet meer van elkaar. De mensen achter ons waren voor het eerst uit eten met hun schoonzoon.

‘Eigenlijk zou het in restaurants mogelijk moeten zijn dat je gewoon even kunt gaan vragen of het ook echt zo is wat je hebt bedacht,’ zei mijn dochter.

We hadden alle tijd om om ons heen te kijken, want alles in het wegrestaurant liet op zich wachten: het inspiratieloze op borden gekwakte vreten, de extra drankjes en uiteindelijk de torenhoge rekening.

In de horeca is het een bekend gezegde: ‘Hoeren hebben klanten, restaurants hebben gasten,’ Dat zal voor veel restaurants opgaan, maar mag ik daar therapeutisch aan toevoegen dat bij nog veel meer Nederlandse zaken de gasten er nog gewoon ouderwets worden genaaid?

 

De Volkskrant; 18 augustus 2011: column Giphart, Vegetariër

Sommige vegetariërs hebben een Volken van der G.-achtige bekeringsdrift. Een tijd terug schreef ik voor de Volkskrant een onschuldig stukje over de ideale gehaktbal, waarop ik een haatmail kreeg van een mevrouw die me toebeet dat voor iedere dag dat ik vlees at, er een kind in Afrika stierf van de honger. ‘Zij gaan dood omdat jij zo nodig lijken wil vreten.’

Ik sloeg aan het rekenen. Wanneer alle 8 miljoen dagelijkse vleeseters In Nederland – mager geschat – zich 365 dagen lang onthouden van vlees zullen er ruim 2.9 miljard Afrikaanse kinderen worden gered van een hongerdood! Wat een CO² -uitstoot dàt weer voor gevolg heeft!

Even lachwekkend als deze berekeningsdrift is de omgekeerde bekeringswoede van niet-vegetariërs. De vegetariërs in mijn omgeving moeten zich er regelmatig voor verantwoorden dat zij bepaalde dingen niet in hun mond wensen te steken. Ze zouden vitaminen tekort komen. Hun kinderen zouden niet volgroeien. Ze zouden zich moreel superieur voelen, terwijl hun armzalige voedselkeuze in feite helemaal niets bijdraagt aan een betere wereld.

Regelmatig valt bij dal soort discussies al na anderhalve minuut de naam Adolf Hitler, een man die – voor de jeugdigen onder ons – een van de grootste pleitbezorgers van een vleesloze levenswijze was die de geschiedenis ooit heeft gekend. Vaak worden vegetariërs erg kwaad als dit historische feit wordt aangehaald. Je kunt vegetariërs niet met Hitler vergelijken, is het verweer, vaak geuit door mensen die met hetzelfde gemak wel Geert Wilders in een adem noemen met de Beierse politicus.

Hitler noemde vleesbouillon ‘lijkenthee’, zoals valt te lezen in zijn Tafelgesprekken. Hij wist zeker dat Romeinse soldaten en Noormannen vegetarisch aten, en alleen in uiterste nood een stukje vlees meepikten. Zelf liet Hitler zijn koks van groente nepbiefstukken bereiden, die hij verorberde terwijl hij zijn vleesetende gasten vermaakte met lugubere verhalen over slachthuizen.

Een half jaar geleden liet ik mij tijdens een publiekelijk interview voor foody’s ontvallen dat ik sinds een jaar zogenaamde doordeweekse vegetariërs ben. Dit besloot ik na het lezen van het boek Food Inc., een bundel essays over de voedselindustrie (behorend bij de gelijknamige film uit 2008). Uit de zaal steeg zowel applaus als walging op.

Schrikbarend en tegelijkertijd hilarisch hoeveel discussie een eenvoudige persoonlijke beslissing opriep. Een kok uit Utrecht vond me een pathetische aanstellen en een bevriende vegetariër was ontroerd dat ik eindelijk het licht zag, althans tussen maandag en vrijdag.

Inmiddels heb ik anderhalve maand geleden de beslissing genomen om te proberen een jaar lang helemaal geen vlees te eten en slechts zeer sporadisch vis. Ik besloot in stijl afscheid te nemen van mijn vleselijke leven, met een maaltijd bij driesterrenrestaurant De Librije in Zwolle. Ik vertelde chef Jonnie Boer dat ik, na zijn menu, een jaar vegetarisch ging proberen te eten.

Ik verwachtte hoon en onbegrip, maar Boer begreep het, al vermoedde hij dat ik mij niet aan mijn voornemen zou kunnen houden. ‘Het is zoiets als stoppen met roken,’ zei hij. ‘De drang vlees is te groot. Misschien moet je aan je arts om vleespleisters vragen, die je op je arm kunt plakken om je behoefte aan vlees te remmen.

Kijk dat zijn tips waar ik als beginnend herbivoor iets aan heb. Wordt vervolgd.

 

 

kn half par gCICcJl’lllJe!ik miJ ûld~[J~ een pubUd(eillk mterviewvoor foutty’s ontvallen dat Ikstnds een Jaar een zogenaamde doordeweekse vegetariër ben, Dit besloot ik na het lezen van bet bock fuod Inc, een bundel e’i>ay~over de voed seltndustrie (behorend bi) de gelijknarnigefilm UH 200′:(. Uil de zaal steeg zowel dPP1.-.USals walging op. Xhnkbarcnd ~II tegelllkcrujd hüarisch hocveel dJ,~ill”e een eenvoudrg persoonhjke lX’sh55mg opnep. ben kok UILU\.rrcht \ nd me .en pathdbd)t! :a{u~ldtCf ‘ft een bcvr hmdl.’ \1.°gct.lr1èr wa ontrccrd dJtlk elndclnk ht! ltdlll,iy’. ailh,lIl\ iuvsen maan dJ en ~rfltlJg. Inmiddels heb ik.ndcm IV<‘maand gl’lcdcll Jebt.,!i;;mggcnomen om te proberen een jaar tang helemaal geen vl~{‘,tc eten en ,”ec!:~zeer sporadisch vi>,!k besloot in stijl a(sd,cid te “enen van mijn vleselijke leven, met een maailijd bij nesterrenrestaurant De librije in Zwolle, Ikvertelde chef [onnie Boer dat Ik. na LIJnmenu, ten jaar vegetansch ging proberen l~ eten. I verwachtte hoolt en onoegrtp. maar Boer begreep het, ,I) ‘-CIm :uclt hij d.H ik l1lijnî?\ .UIl nu]n vocrncmen zuu ·unr.cn houdl:n. ‘/leL i> wict~ dhslopp.:n met reken,’ ,,1:) hll_1X: dr.lng I••••• r ” ‘C~ISICgl,IOl. Mi.,dufl\ I!IQ’;! J'” aan [e ari ~QIl1 ‘!e,., plersters vragen, die Jeop je arm kunt plakken om je behoefte aan vlees te remmen: Klik. dat zijn ups ‘Nd3I ikah begrunend herbivoor le~ aan heb. Wordt vervolgd.

 

De Volkskrant; 18 augustus 2011: column Giphart, Daarwee

Het dagelijks leven begint vandaag.Althans in hel deel van het land waar ik woon. En daarom worden we deze dag geplaagd door vukkunnuvuddu, verdriet om de vakantie die godsamme alweer voorbij is. Een ander woord is ‘daarwee’: het bijna fysieke gemis van niet meer dáár te zijn waar we de afgelopen weken in een zoete roes van lome vrijheid leefden, verlost van school, werk, praatprogramma’s, polariserende politici en de dagelijkse stroom internetleut. De overheersende vraag bij terugkomst: waarom zijn we in godsnaam niet dáár gebleven? (Het moge duidelijk zijn: ik zit vandaag in een vakanteiterugkeerzelfmedelijdengevoelsmodule.)

Het blijf een vreemde ervaring dat een paar willekeurige weken in Nederland zich in twee sluitspierbewegingen lijken te voltrekken, terwijl evenlange vakantieweken aanvoelen als een minstens drie maanden. En dit jaar lijkt het erger dan in andere seizoenen, is het alleen mijn indruk of gebeurde er afgelopen zomer in de wereld meer dan in voorgaande jaren?

Ben ik drie weken elders, blijkt bij terugkeer de honger in Afrika plotseling echt te schrijnen, heeft een zangeres zich doodgezopen, zijn de beurzen ingestort, staan er landen op omvallen, is Amerika gedegradeerd, Engeland leeg geplunderd, Noorwegen lamgeslagen door ontreddering, heeft Wesley Sneijder een tatoeage van een lachende cockerspaniël op zijn buik en lijkt de zon definitief uitgeweken naar en ander zonnestelsel.

Een onverwachte bijkomstigheid van de mogelijkheid om in het buitenland de Volkskrant op iPad binnen te halen, is dat de traditionele worstelwedstrijd met de enorme stapel kranten bij thuiskomst inboet aan plezier. Het is het jaarlijkse overgangsritueel tussen vakantie en het naderende normale bestaan: het bijlezen van het nieuws en de nieuwtjes.

Rutte’s creatieve rekenmethodes, Mariko’s hormonaal bepaalde beoordelingsvermogen, luchtpistoolschoten op de A13, prehistorische voetstappen in Nijmegen, kleuterpierwaaien in IJmuiden, aanspoelende bruinvissen, de opleving van Feyenoord: louter wetenswaardigheden die ik niet had willen missen, al zullen ze me over een jaar helemaal niets meer zeggen.

Het mafste berichtje van de afgelopen week was het vermoeden dat de Noorse moordenaar Anders Breivik – de man islamkritiek in zo’n vervelend daglicht plaatste – coördinaten in zijn internetmanifest zou hebben verborgen die verwijzen naar plekken in Europa. Een van die ‘gps-getallen’ zouden volgens de onderzoekers leiden naar theatercafé de Bastaard in Utrecht. De Bastáárd?

Zo komt het wereldnieuws wel erg dichtbij, want de Bastaard is al een jaar of twintig mijn stamcafé (zoals je kinderen altijd je kinderen blijven en je club je club, zo zal je stamcafé tot de laatste druppel je stamcafé zijn, zelfs al kom je er nog maar zes keer per jaar, waar dat vroeger zes uur per dag was).

Wat heeft Anders Breivik met mijn Bastaard? Het café aan het Jansveld is van oudsher een broedplaats van volstrekt ongevaarlijke en lievige muzikanten, dichters (Ingmar – o God, is dat een Scandinavische naam? – Heytze), schrijvers, theatermakers en andere bleekneuzige kunstsubsidie-types. Zou de Noorse lafaard er aan de toog hebben gezeten? Hebben we er ooit gediscussieerd over Middeleeuwse ridderordes? Is de Bastaard een of ander doelwit? Of gaat het om ‘ongelooflijk opgeblazen onzin’, zoals kroegbaas Arnold de kwestie typeert.

Misschien moet ik daar deze week maar aan mijn vaste toog eens een glas op nemen, al was het allen mar om tegelijkertijd ook mijn vukkunnuvuddu en daarwee te verdrinken.

 

 

De Volkskrant; 12 juli 2011: column Giphart, Avondetappe

Hoe het er achter de schermen aan toegaat. Dat is een vraag die mij door iedereen in mijn omgeving werd gesteld toen ze hoorden dat ik afgelopen zondagavond te gast zou zijn bij De Avondetappe, het dagelijkse zomerprogramma over de Tour de France (over die enerverende zondag een andere keer). Zaterdagmiddag kwam ik aan in her bergstadje Le Mont-Dore in de Auvergne, waar het reizende NOS-circus uitzond vanuit een 19de-eeuws badhuis. Rij elkaar opgeteld heb ik die eerste dag 38.942 indrukken opgedaan, waarvan ik er 4 zal uitlichten.

Indruk 1.Hoe compleet ontspannen de gehele veertigkoppige televlsteploeg was en tegelijkertijd hoe meedogenloos hard er werd gewerkt, Logistiek is zo’n live-programma als De Avondetappe een topprestatie. Er zijn reportages, filmpjes en schakelingen, dagelijks zijn er vers ingevlogen gasten en iederre locatie moet zorgvuldig worden uitgelicht. De uitzending van zaterdag volgde ik in de regiewagen. Mijn voorstel: iedere kijker zou eens de mogelijkheid moeten worden geboden het programma te zien vanuit zo’n regiewagen, waar wordt geschakeld, geroepen en gestuurd.

Indruk 2. De ad-interim-tv-recensent van de Volkskrant deed vorige week smalend over de wijze waarop Mart Smeets het beeldverslag van de etappe dagelijks verbaal begeleid. Hoe onterecht. Wat Smeets tijdens het wedstrijdverslag doet is ongeëvenaard: zonder autocue of aantekeningen spreekt hij zijn commentaar tijdens de uitzending live aus einem Guss uit. Dat is van een gevoel voor eloquentie waarvoor Cicero zich niet zou hebben geschaamd. als hij van wielrennen had gehouden.

Indruk 3. En dan, direct na afloop van het programma, lijkt voor de medewerkers het echte werk pas te beginnen. Als kijker had ik kunnen bedenken dat het opbouwen van zo’n set op een locatie gebeurt met vier grote vrachtwagens aan spullen. Spullen die ook weer moeten worden ingeladen om te worden vervoerd naar de locatie van de volgende dag. En het is dus niet zo dat Mart Srneets, die de hele dag geconcentreerd de Tour heeft gevolgd om ’s avonds in hoogspanning te presenteren, na de klanken van het slotlied Buenas noches mi amor van Dalida aan een glas rode wijn mag.

Dit is zoals het in werkelijkheid gaat: vijf minuten na de uitzending storten alle medewerkers zich gezamenlijk op de honderden lampen. flight cases, kabels en camera’s, Ook Mart Smeets en eindredacteur Jan Stekelenburg tillen mee, met het zweet op hun voorhoofd. Mooi om daar de volgende keer eens aan te denken als u Srneets het glas ziet heffen aan het slot van her programma: zodra de straalverbinding is verbroken en Nederland de tanden staat te poetsen, helpt Srneets de tafel waaraan hij zat te interviewen zelf naar de vrachtwagen te tillen.

Indruk 4. Een uur na de opname is dan alles ingepakt en mag de ploeg rusten. En mag er iets worden gedronken. Omdat het hotel al dicht was, kwamen we zaterdagnacht terecht in een illustere Mont-Dorese kroeg genaamd Taverna, Er speelde een al even illuster bluesgezelschap, dat volgens de posters The Candy Lickers bleek te heten, toegezongen door een verzameling Franse hele en halve alcoholisten. In die enigmatische omgeving werd eindelijk eindelijk eindelijk een verdiend glas gedronken door de cameramannen, redacteuren, lichtbouwers, presentator en andere medewerkers van het illustere wielerprogramma De Avondetappe. Nog dertien dagen te gaan.

 

De Volkskrant; 9 juli 2011: column Giphart, Eerste vakantiedag

Nadeel van ouder worden is dat de magie van de eerste dag van de vakantie verdwijnt. Vroeger voelde zo’n eerste dag als het begin van een nieuw leven, een geboorte bijna. Als kind duurde de vakantie voor mijn gevoel een jaar of veertig. Vroeger was het normale sleur en regelmaat, het echte leven was de vrijheid en een zon die nooit onderging.

Tegenwoordig is alles anders. Op de eerste vakantiedag hoest ik een paar keer, ik stamp wat in het zand. ik knipper met mijn ogen, en het doordeweekse Ieven is alweer begonnen zonder dat we er erg in hadden. Een waar de zon in vervlogen tijden een halfjaar onafgebroken achter elkaar pas tegen middernacht achter de horizon verdween, doet-ie dat tegenwoordig maar hooguit twee keer per zomer; op dagen dat het regent of ik ziek in bed lig.

Vaak word ik namelijk ziek, stipt op de eerste dag van de vakantie, de zogenaamde eerstevakantiedaggrlep. De eerste dagen lig ik snotterig in een vreemd bed, de tweede week nemen de watten in mijn hoofd een beetje af en tegen de tijd dat ik eindelijk definitief begin te herstellen, moet ik helaas terug naar huis, om het verdere jaar krom te liggen voor mijn hongerige kinderen. Goddank dat ik als schrijver op mijn 65ste niet met pensioen hoef, want opvallend veel mannen schijnen in de maand na hun pensionering te overlijden (eerstevakantiedaggriep in het kwadraat).

In de dagen voor ons vertrek naar elders hebben mijn kinderen slechts twee gespreksthema’s: het neerstorten van vliegtuigen en de meteorologische mogelijkheid van drie weken regen. Wie mag het konijn hebben als wij zijn neergestort? Kun je ook noodlanden op zee, of heet het dan noodzeeën? Is het niet zonde van het geld als we alleen maar regen krijgen?

De voorbereidingen op de vakantie hebben trouwens weinig met vakantie te maken. Ik ken eigenlijk geen inspanning die zenuwslopender is dan de voorbereiding op een langdurig verblijf in den vreemde. Iedereen is vol verwachting van de naderende weken. Als voorschot op al het vakantieplezier maken mijn kinderen constant ruzie (over wie waar mag zitten, wie wat bij wie in de koffer doet, wie er als eerste in zee zal liggen), scheld ik op mijn oudste, keelt mijn vrouw onze dochter, onderhandelen onze advocaten ondertussen over toekomstige bezoekregelingen en wachten we allen tot op het bot bewapend op een interventie van vredestroepen van de Verenigde Naties.

Ik hoorde een tijdje terug een grap van de Amerikaanse stand-upcomedian Louis C.K., over een man die met zijn gezin op vakantie ging. Alle reisspullen wist hij met een moeizame logistieke operatie eerst in koffers en tassen te persen, en daarna inde kofferbak van zijn auto. Ieder mogelijk gaatje van de auto werd gevuld met noodzakelijke spullen. Toen alles eindelijk was gestald, namen kinderen plaats op de achterbank, vergezeld van een berg speelgoed en boeken. Vervolgens wrong zijn echtgenote zich op de bijrijdersstoel, waar ze zich installeerde met kilo’s proviand, reisboeken en wegenkaarten. De man gooide het portier van zijn vrouw dicht en liep naar zijn eigen deur. ‘En die tocht.van de bijrijdersplek, om de auto heen, naar mijn kant van de wagen’, zei de man, ‘dat is mijn vakantie.’

 

De Volkskrant; 5 juli 2011: column Giphart, Ducrots

Gewapend met krantenbijlages, mijn laptop en drie iPad-apps volg ik, met velen, de Tour de France. Er is een discipline in het wielrennen genaamd ‘praten over wielrennen’. In deze subtak van de sport is Mart Smeets de Olympische Grootvorst en hebben Maarten Ducrot, Herbert Dijkstra en Michael Boogerd zich aangediend als kroonprinsen. De laatsten doen dit jaar het liveverslag van de koers, wat wil zeggen dat ze vele uren naar de etappes kijken en bun lippen meren laten maken.

Dit is waarom deze vorm van verslaggeving zo aanslaat: de mannen zitten in hun commentatorshokje bij de finish van de etappe naar exact dezelfde beelden te kijken als wij thuis, en ze ouwehoeren er met ons over alsof ze in onze huiskamer zitten, Hun stream of bicycle conscousness wordt ondersteund door de bedwelmende geluiden van de aankomstplek op de achtergrond, de immer schreeuwende speaker, Iuide jingles en toeterende motoren.

Als kijkers worden we gezogen in een wezenloos moeras van feitjes, constateringen, meninkjes, Weltanschauungen, anekdotes en roddels. Het verbale wielernirwana, Drie weken lang praten deze mannen onafgebroken over bijna niets, een prestatie die welhaast net zo glorieus is als die van de wielrenners.

Afgelopen zondag ben ik, voor mijn eigen plezier, aantekeningen gaan maken van typische wielerverslaggeverspoëzie, uitspraken en stijlfiguren. De wereld van de dubbele waaiers. Het openwielrijden. In een molentje zitten. Snorken. Dwarrelwinden. Lintvorming. Naar een gat toe poefen. Treintjes. De bietenbrug. Hangen aan bet elastiek.

Vooral Maarten Ducrot heeft een idiolect waar generaties neerlandici op zouden kunnen afstuderen. Ducrot, een psycholoog die na zijn studie profrenner werd, heeft zich bij het publiek de laatste jaren ontpopt als the man we love to hate, Zijn uitspraken ontlokken op internet steevast een golf van neerbuigende of zelfs verbolgen reacties. De oud-wielrenner is zich hiervan bewust, want hij zegt regelmatig dingen als ‘op twitter zal ik wel weer commentaar krijgen’ of ‘uit de vele twitterberichten lees ik dat men het er niet mee eens is’.

Hij zou zich er niets van moeten aantrekken, want hoe ergerlijk zijn citaten soms ook mogen zijn, ze laten niemand onberoerd. Een paar hoogtepunten van afgelopen zondag:

‘De Schlecks hebben er als natte washandjes bij gehangen.’

‘Met alle respect: als ze allemaal op de pijnbank liggen, moet er wel een van afvallen.’

‘Ik daag iedereen thuis uit om met 60 kilometer per uur over een witte lijn te rijden. Dan ben je in balans.’

‘Dat is een bocht en daar zitten kaboutertjes achter en die springen je meteen op je rug.’

‘Een goede baanrenner kan kusjes geven.aan her achterwiel voor hem.’

Terwijl ik zondag bezig was met het noteren van Ducrots, kwam ik erachter dat ik niet de enige was. Aan mij is het voorbijgegaan, maar het bijhouden van maffe bon mots van Ducrot en Dijkstra blijkt inmiddels een heuse volwassen subtak van de eerder genoemde subtak van de wielersporttak geworden. Op Wikipedia en Wikiquote worden Ducrots citaten bijna live aangevuld. Direct als hij een zin heeft uitgesproken heeft Wikipedia de woorden al gerubriceerd, Handig, want dan kunnen we over drie weken een winnende Ducrot kiezen. Voorlopige gele quotedrager; ‘Heb je zo’n enorme helm op om de luchtweerstand te verminderen, hou je je mond wagenwijd open.’

 

De Volkskrant; 30 juni 2011: column Giphart, In de Kerk

De exegeten van God zouden het een oudtestamentische hitte noemen. Zwolle dampte uit haar voegen, stegen en gaten. Ik liep door het centrum, hinderlijk gevolgd door de tijd. Het lukte me nauwelijks om deze te doden. Op terrassen zaten Zwollenaren, die weken op de zon hadden gewacht, maar deze nu vervloekten. De verzengende warmte was niet aangenaam meer. Er werd lusteloos gedronken en gewacht op de onweersbui die alles weg zou spoelen.Mijn slentertocht door de oude binnenstad bracht me langs de St. Michaëlskerk. Een compliment aan de Schepper voor zijn bouwkunst, want de airconditioning in deze hallenkerk werkte uitstekend. Laat dat maar aan God over. Zwolle zuchtte onder de hitte, maar in de Grote Kerk was het aangenaam koel.

Niet bepaald gastvrij waren de grote borden direct bij de ingang van de kathedraal. ‘Is één euro per bezoeker te veel voor het instandhouden van deze kerk?’ blafte het uit drie hoeken. Dat is zeker niet teveel gevraagd, maar klinkt toch wat verongelijkt. Op een van deze borden stond onder de boodschap ook nog een camera afgebeeld, vergezeld van het woord ‘Cameratoezicht’. In vroeger tijden hield God de mensen zelf in gaten, tegenwoordig gebruikt hij daar blijkbaar camera’s voor. Gelukkig had ik al een euro in de gleuf gedaan, want de Almachtige mag best weten dat ik geen knieperd ben.

Rustig wandelde ik langs de mededeling ‘Het Stiltecentrum is geopend’, met daaronder een pijl richting een tafel met een koffiezetapparaat en wachtende bejaarde meneer. Jammer voor de stilte was dat aan de andere kant van de kerk de orgelmeester aan het repeteren was. Hoewel, repeteren? Hij leek wel gek geworden. Het had iets weg van een piloot die een nieuwe MIG of JSF uittest en die de grenzen van zijn kist probeert te bereiken. Deze Zwolse organist probeerde tot in alle uithoeken klanken uit zijn lullepijpen te persen. Bij binnenkomst leek hij een mopje jazz door de kerk te beuken, wat organisch overging in tango en nog later in ondefinieerbaar esoterisch lawaai.

Zoals buiten stond aangekondigd was de tweedehandsboekenmarkt in de kerk gewoon geopend. Ik dacht dat handel drijven in de tempel door Christus was verboden, maar wat weet ik ervan? De aanwezigheid van de boeken stemde vreugdevol, want ze gaven me een excuus om nog langer in de koele ruimte te blijven.

Ik was niet de enige die de ruggen van de boeken langs ging: er drentelde ook een aandoenlijk uniseks gekleed echtpaar, van wie de vrouw alle boeken pakte die door haar man waren bekeken, en andersom. Het zou onbetamelijk zijn om hun gang langs de schappen al te veel in de gaten te houden, maar toch kon ik mijn ogen niet van hen afhouden. Ze leken in alles één, deze mensen, geestelijk een Siamese tweeling.

Na verloop van tijd schafte ik wat boeken aan, wederom om God te laten zien dat ik geen zuinigerd ben, exemplaren die door een mevrouw netjes werden ingepakt in een plastic tasje van ‘De Zending in Nederland’.

En zo stapte ik opgemonterd weer de drukkende Zwolse hitte in. Misschien kwam het door de boodschap op mijn tas. Tegen twee argeloze verhitte omstanders zei ik: ‘Het is heerlijk koel in de kerk.’ En God zag dat ik mijn best voor hem deed.

 

De Volkskrant; 25 juni 2011: column Giphart, Titel onbekend

Kinderleed is hartverscheurend. Tenminste voor hen die zelf geen kinderen hebben. Iedere ouder weet dat er gradaties in kinderverdriet zijn. Als mijn zoon van 13 huilt, weet ik dat er echt iets aan de hand is. Mijn dochter van 11 is geen effecthuiler, maar ze knijpt tranen ook niet weg. En mijn 4 jarige ziet wenen als een nuttige variant op praten. Als hij zijn zin ergens niet over krijgt, kan hij boos worden, smeken of jengelen, of hij kan even bevrijdend een keel opzetten en jankend proberen zijn gelijk te halen. Wat vaak ook lukt.

Iedere ouder zal zich onbewust hebben ontwikkeld tot tranenfluisteraar. Ik hoor bij mijn jongste precies of hij een halve hersenschudding heeft omdat hij met een ijspriem in zijn hand van een kast is gevallen, of dat zijn oudere zus een sesamzaadje tegen zijn wang heeft gegooid. De ene jammer is de andere niet.

Jaren geleden had Oprah Winfrey in haar praatprogramma  kindertjes die vanaf de geboorte waren besmet met hiv, een infectie die toen nog uitzichtloos was. Het grut had niet lang meer te leven. Plotseling begon een van de kinderen, een moot zwart meisje van een jaar of 7 met guitige krullen, hartstochtelijk te schreien. Niemand van die gezonde leeftijdgenootjes mocht met de hiv-kinderen spelen, griende ze. ‘Wij weten dat we doodgaan, en toch moeten we altijd alleen spelen omdat de ouders bang zijn dat hun kinderen ook besmet raken. Het is niet eerlijk.’

Haar tranen zie ik nog voor me. Mijn voltallige studentenhuis zat te snotteren op de bank, en we hadden er niet eens bij gedronken. Dat was pas huilen wat dat meisje deed, daar vielen onze muizenissen bij in het niet.

ik kom hierop omdat de Utrechtse ijsmaker Roberto (volgens Volkskrant-culinairoloog Mac van Dinther ‘de beste en meest innovatieve ijskunstenaar van Nederland’) gisteren in zijn winkel in de Poortstraat een bijzondere actie is begonnen. Omdat Roberto ook niet tegen kindertranen kan, heeft hij de zogenoemde ‘tranenvanger’ bedacht. Dit is een klein plastic opvangbakje dat jonge kinderen mee naar huls krijgen om te bewaren op hun nachtkastje.

Op het medicinaal ogende bekertje zit een stickertje met de tekst: ‘Bewaar je tranen donker en koel. Het bakje hoeft niet helemaal vol te zijn als je het inlevert,’

Wanneer een kind huilt, is dat altijd verschrikkelijk. legt Roberto desgevraagd uit. Vandaar dat hij besloot tot een ‘traneninleveractie’. Mocht een kindje moeten huilen dan kan hij of zij hel bakje onder de ogen houden en zo de tranen opvangen, `Ik wil zoveel mogelijk verdriet omzetten in blijdschap. Hopelijk moeten de kinderen door die handeling alleen alweer een beetje glimlachen, En als dat toch niet werkt, helpt misschien het bolletje ijs dat de kinderen krijgen wanneer ze het bakje met hun tranen bij ons inleveren.’

In dat geval zal Roberto de bakjes bewaren. En dan gaat hij in het najaar, aan het eind van het seizoen, alle tranen van alle kinderen bij elkaar doen, om er een speciaal tranenijs van te bereiden. IJs dat de kinderen zelf bij elkaar hebben gehuild. Bevroren verdriet. Tranen om op te likken.

Ik moet bekennen dat van zo’n creatief initiatief het vocht mij in mijn ogen springt.
De Volkskrant; 21 juni 2011: column Giphart, Live-Column

Nico Dijkshoorn schrijft bij DWDD ter plekke zijn gedichten, en dat lijkt me zenuwslopend. Theodor Holman schreef en plein public een roman in de etalage van de Bijenkorf. En ik zit in mediazaal 11B-10 van de Vrije Universiteit om – bekeken door dertien studenten en docenten – deze column te maken, as we write.

Het is 10.05 uur, maandagochtend, mijn doodlijn is om 14.00 uur. Ik zit in mijn eigen Laatste Avondmaal van Da Vinci. Op een groot scherm is te zien wat ik typ. Action writing. Spannend, want waar moet deze column in godsnaam naartoe?

De studentes hebben zich de afgelopen maanden beziggehouden met het bachelorvak ‘Stijl en genre van columns’. Er wordt wereldwijd nauwelijks analytisch onderzoek gedaan naar het schrijven van columns. Mede daarom heeft deze werkgroep wekenlang cursiefjes doorgevlooid op stijlfiguren, aanspreekvormen, neologismen en zinsbouw. Zo blijkt uit een kwantitatieve analyse dat Sylvia Witteman – goed dat dit eens wetenschappelijk wordt aangetoond – betere stukken schrijft dan Grazia-columniste Sylvie van der Vaart.

10.22 uur. De tijd begint te dringen. Ik moet een onderwerp hebben. Joyce stelt ‘het schrijfproces’ voor. Melanie wil het hebben over Griekenland. Madelin oppert onverdoofd slachten. Iemand roept Ikea. Iemand anders het broekverbod bij badminton. 10.46 uur. Ingrid oppert het gebruik van neologismen, oftewel nieuwwoorderigheden. Nergens meer dan in columns wordt er geëxperimenteerd met nieuwe taal. Studente Anne heeft hier onderzoek naar gedaan. Aaf gebruikte ooit ‘becollega’d’ (bevriend zijn met een collega), Dijkshoorn ‘levende baarkruk’ (een omschrijving voor een vrouw), Jan Mulder ‘wasdaggerigs’ en Youp van ’t Hek ‘aarsbisschop’.

11.31 uur. Er melden zich meer bezoekers. Het gerucht dat eenVolkskrant-columnist live zit te columneren is door de gangen van de Letterenfaculteit gegaan. Melanie heeft het getwitterd (hashtag #livecolumn). Rachid klopt aan. En Eric, van het Taalcentrum-VU.

11.59 uur. Waarover schrijven we? Mayke oppert het gebruik van overdrijvingen in columns. Wetenschappelijk een problematisch gegeven, want wanneer is een hyperbool een hyperbool? Hoe ver mag een overdrijving gaan? Wat is waar en wat is niet waar? Er zijn subtiele overdrijvers als Bril en seriële, bijna pathologische overdrijvers als Dijkshoorn en Witteman.

12.49 uur. Onderhand is het stampvol in lokaal 11B-10. De menigte discussieert bijna verbeten mee. Totaal onbekende jongens staan te roepen. En onder deze druk moet ik dus blijven schrijven. Nóg meer onderwerpen. Exotische dierenseks. De liefdesbaby van Joran.

13.07 uur. Rachid vindt dat we het moeten hebben over de multiculturele samenleving. Er hebben zich nu ook medewerkers buiten opgesteld. Ik hoor mezelf niet meer denken. Kim, een meisje met een doodshoofdshawltje, heeft de laptop van me overgenomen. Ze krijst dat deze column over hyperboliseren moet gaan. Joyce schuimbekt dat #Livecolumn trending topic is in Amstelveen.

13.37 uur. Ik weet mijn laptop terug te grijpen van Iris, die met Rachid samenspant. Ze willen op Facebook een columnmanifestatie organiseren. Er wordt inmiddels ook gevochten. Het kamp ‘onverdoofd slachten’ hakt in op de groep ‘broekloos badminton’.

13.58 uur. En zo kom ik, in deadlinenood, zenuwslopend actieschrijvend eindelijk bij mijn onderwerp. Gadegeslagen door een groep columnwetenschappers werp ik mijn lasso om zijn hals en steek een speer in zijn buik: een columnist op zoek naar een onderwerp is als een hongerig roofdier op zoek naar een prooi.

 

De Volkskrant; 16 juni 2011: column Giphart, Groeten

En zo ben ik plotseling in een fase van mijn leven dat ik meerdere keren per dag de lift neem. Alles voor de wetenschap. Decennialang stond ik hooguit een paar keer per jaar in een lift, maar sinds een tijdelijke aanstelling als huisschrijver van de Vrije Universiteit in Amsterdam maakt verticaal reizen wezenlijk onderdeel van mijn leven uit.
Dit jaar mag ik mij als ‘schrijver op locatie’ onderdompelen in de cour d’intelligence die VU heet. Voor iemand die altijd in eenzaamheid werkt een bijzondere ervaring. Collega’s. Vaste tijden. Vergaderingen. Een kantine. Kroketten. Kaassoufflés. Dagspecials.
En liften dus. De schrijvers op locatie hebben een eigen bureautje op de 11e etage van het hoofdgebouw, uitkijkend op de campus, basketballende studenten en het helicopterplatform van de medische faculteit. Er zijn twaalf liften die mij naar mijn hemelse hokje kunnen brengen.
Ai, there ’s the rub. Want er is iets vreemds met die liften. Niemand die kan verklaren wat er aan de hand is, maar de wachttijden zijn vaak onmetelijk en als een lift eindelijk is gearriveerd, stopt deze vervolgens op iedere verdieping om immense groepen studenten op te pikken. Iedereen laat dit overigens gelaten over zich heen komen.
Voor een schrijver zijn die liften een mer á boire. Een paar weken geleden ben ik als een zelf beëdigd ‘VU-liftboy op locatie’ een halve dag lang op en neer gegaan, om te luisteren naar fascinerende gespreksflarden van de liftreizigers (‘Simon heeft zijn moeder voor Moederdag € 22,50 gegeven’).
Gedurende deze bezigheid viel me iets op, waarvan ik aanvankelijk dacht dat het te maken had met het veranderende Nederland: vrijwel niemand lijkt elkaar nog te groeten in de lift. Mensen komen en vertrekken zwijgend. Ik ben geen socioloog of historicus, maar er staat me bij dat dit vroeger anders was.
En dus bedacht ik een klein onderzoek, niet-significant en met mezelf als proefpersoon (n=1). Ik besloot 40 keer van de begane grond naar de 15e etage te gaan en weer terug. 80 ritten in totaal. Ik verdeelde deze tochtjes onder in 2 groepen: Passief (P) en Actief (A).Bij ritten van het type P keek ik emotieloos voor me uit en groette ik uitsluitend als een binnenkomer dat eerst deed.
Bij type A begroette ik iedereen die de het lifthokje binnenkwam, ongeacht of de studenten of medewerkers mij vriendelijk aankeken of niet. Dat kwam natuurlijk soms een beetje psychopathisch over, maar dat risico nam ik ten behoeve van de wetenschap.
In beide handen hield ik een mechanische teller: links om het aantal passagiers bij te houden en rechts om te turven wie mij groette. De resultaten waren spectaculair, al zeg ik het zelf.
Bij groep P telde ik in totaal 192 personen, van wie er 14 mij uit zichzelf groetten. 7,29 procent. Een verrassend lage uitkomst.
Bij groep A stonden er opgeteld 183 mensen met mij in de lift, van wie mij 179 teruggroetten. Dat is 97,81 procent. Een onwaarschijnlijk groot verschil.
Nu noemt de van oorsprong gereformeerde VU zichzelf ‘een maatschappelijk betrokken onderzoeksuniversiteit’ , vandaar dat ik er niet voor schroom om een stichtelijke conclusie uit mijn onderzoek te trekken en deze ten behoeve van het algemeen nut te delen: wie groet wordt teruggegroet. Verbeter de wereld, begin met groeten.

 

De Volkskrant; 11 juni 2011: column Giphart, De perfecte vagina

Een jaar of tien geleden kreeg ik van een vriend een maf zwart-witfotoboek: 100 Nakewd Girls On A Chair van de Letse fotograaf Ralf Vulis. Het concept was simpel. Voor een effen wand stond een caféstoel, waarop honderd verschillende naakte vrouwen zaten. Allen hielden zij hun benen op een natuurlijke, niet-erotische manier gespreid en allen lachten ze ongedwongen. Zelfbewuste vrouwen, die zich letterlijk bloot gaven voor de fotograaf en de kijkers.

Een van die kijkers was mijn vierjarige zoon, die van de week het boek eigenhandig uit onze boekenkast had gepeutert. Rustig zat hij er aan de keukentafel in te bladeren. Ik schrok daar niet van, want ik kom uit een gezin waar over bloot nimmer moeilijk werd gedaan. Mijn ouders hadden in de kast hun eigen fotoboeken (grofkorrelige Zweedse natuurseries, van ver voor de kap van het oerbos) en aan de muur hingen kunstwerken van naakten, onder andere de in plexiglas gegoten borsten van de vrouw van een bevriende kunstenaar. De opvoedkundige boodschap: niets zo vanzelfsprekend als naaktheid.

‘Wat vind je ervan?’ vroeg ik mijn zoon.

‘Het zijn vrouwen,’ zei hij, met een opmerkingsgave die je aan kleuters kan overlaten.

Toen hij na een minuut of wat op de foto’s was uitgekeken, nam ik het boek van hem over. Al in 1850 lieten vrouwen zich voor een daguerreotypie-camera bloot en wijdbeens gezeten op een stoel fotograferen. Ralf Vulis heeft eind vorige eeuw geprobeerd met moderne middelen deze traditie nieuw leven in te blazen. Maar waar de vrouwen bij daguerreotypen langdurig doodstil moesten zitten en daardoor een gespannen en stramme indruk maakten, komen zij bij Vulis juist ontspannen en vaak zelfs uitbundiger over.

De ongephotoshopte vrouwen van Vulis zijn volstrekt naturel: ze hebben geen implantaten, correcties en zijn niet geliposuct (als dat al een woord is). Uiteraard is er een overvloed aan maten, vormen en uiterlijkheden. De foto’s werden genomen rond de eeuwwisseling, ten tijden van de grote mondiale ontbossing: sommige vrouwen zijn al onbehaard, anderen dragen nog een trotse wintervacht. Opvallend is de grote variatie in het tussenbeense heuvelgebied, met plooien, vouwen, kloven en lagunes. Niet twee damestuinen zijn hetzelfde  (Naar de liefdevolle Engelse omschrijving ladygarden).

Dat deed me denken aan een Britse documentaire van een paar jaar geleden, die dankzij de magie van het internet binnen 10 seconden op mijn scherm verscheen: The Perfect Vagina van Heather Leach en Lisa Rogers. De vraag die zij stellen: waarom laten vrouwen zich opereren aan hun genitaliën? De afgelopen jaren is het aantal cosmetische gynaecologische ingrepen met honderd procenten gestegen, terwijl er medisch gezien niets mis is met de vrouwen die deze pijnlijke operatie ondergaan.

Er zitten gruwelijke scenes In The Perfect Vagina. Zo volgt de documentaire de 20-jarige Rosie die op de behandeltafel belandt van een schimmige chirurg, terwijl iedereen kan zien dat ze volstrekt normale spleet heeft. We ervaren de pijn die zij voelt bij het zetten van de verdoving, we horen haar gegil, we zien het mes dat twee stukjes rauwe gyros wegsnijdt. En waarom in liefdesnaam? Ik ben er voor dat ieder kind in zijn jeugd veelvuldig het idiote fotoboek 100 Nakewd Girls On A Chair mag doorbladeren, gewoon om te zien hoe echte vrouwen er echt uitzien.

 

De Volkskrant; 9 juni 2011: column Giphart, Vrooaaahhhhh

Dit ganse V-katern lijkt inmiddels te zijn Ingenomen door vroowen, rnetsjes, meiden, dames, artikelen over mode, dans, liflafjes, post-zwangerschapsbuiken, leuke kleurtjes en gekke lettertjes. Heel de V?

Nee, één kIein hoekje blijft moedig weerstand bieden aan de over-weldigers. Ik wil het vandaag, bij wijze van male bonding, eens hebben over auto’s, pk’s, de geur van een warme remklauw (tot ziens aan iedereen die nu afhaakt).

Er zijn weinig mensen met wie je een beetje normaal over de heilige koe kunt praten, zonder dat het gesprek uitmondt in anaalretentieve bijdragen over modeltypen, kilowattvermogens of optreksnelheden. Sinds het onvolprezen Britse tv-programma Top Gear het alweer bijna tien jaar geleden aandurfde om typisch auroiaans te mijden en de paardloze koets vooral humorvol te benaderen, lijkt er zo langzamerhand sprake van een omslag.

Zo mag ik vooral ’s avonds en ’s nachrs, terugrijdend van een voorleesbeurt, graag luisteren naar herhalingen van het al even onvolprezen BNR-radioprogramma De Nationale Autoshow, waar de petrol heads Bas van Werven en Carlo Brandsen – de Renê van der Gijp en Johan Derksen van de autowereld – een uur lang, bijna als wijven, onbekommerd maar daarom niet minder geestig ouwehoeren over ontwikkelingen, nieuws en met name hun peristaltisch afkeer van elektrische wagens.

Twee van de vragen die Van Werven en Brandsen altijd aan hun gasten stellen luiden: wat rijd je nu en wat zou je willen rijden als je een onbeperkt budget zou hebben? De laatste tijd dacht ik vaak aan dit item, omdat het onlangs tot me doordrong dat de Franse auto waarin ik alweer lange tijd rij, reparaties begon te eisen ter waarde van een binnenkort niet meer belastingvrije 2-cilinder (die koddige speelgoed-Visias, Alto’s, Aygo’s, Priussen of Civics waaraan zowel de presentatoren van Top Gear als die van DNA zo’n gruwelijke hekel hebben).

De familieomstandigheden dwongen me een nieuwe auto aan te schaffen met een achterbank, kofferruimte, kreukelzones, zijairbags, puberproef ornamenten en Zweedse degelijkheid. hoewel ik- om de tweede vraag van Van Werven en Brandsen maar meteen te beantwoorden – liever had gekozen voor een Aston Martin Vantage Roadster V8, gesteld dat ik daarvoor de instapprijs van 182.092,00 euro bij elkaar had kunnen pennen (nog 1.212 columns te gaan).

Een paar geleden heb ik op uitnodiging van de Nederlandse editie van het tijdschrift Top Gear een proefrit in een Aston Martin Vantage mogen maken. Een zilverkleurige cabrio, met roodlederen bekleding. 385 PK. Topsnelheid 288 kilometer per uur. Voor de zekerheid had de hoofdredacteur ook een gloednieuwe helzwarte Porsche 997 opgetrommeld, om de verschillen russen beide bolides te ervaren.

‘Hoe gaan we om met bekeuringen?’, vroeg ik, voordat we de snelweg opdraaiden.

‘Die zijn voor ons,’ zei de hoofdredacteur; die het voor mij onmenselijk vond om eindelijk eens in een Vantage te mogen rijden en dan in de tweede versnelling te moeten blijven hangen. Vijf minuten later waren we in Oost-Nederland, live in mijn eigen aflevering van Michel Vaillant. Met de V van VROOAAHHHHH!

Het lezen van poëzie geeft mij veel voldoening, ik luister graag naar klassieke muziek en ook schuw ik arthouse-films heus niet, maar toch was de bevrediging van zo’n rit in een brullende penisverlenger op wielen groter dan ik met mijn sensitieve, bijna vrouwelijke inborst in dit katern zou durven toegeven.

 

De Volkskrant; 7 juni 2011: column Giphart, Grafschrift

Afgelopen weekend werd ik door een Groningse fotograaf – Gerhard Taatgen voor wie het per se weten wil – meegenomen naar het mooie Noord-Groningse dorpje Leermens, voor een portret bij een eeuwenoude kerkje aldaar. Wandelend over het kerkhofje wees Taatgen me op de rustplaats van een vrouw genaamd Anje O. Groot (1817-1889). In grote letters stond op de zerk een bijzonder staaltje grafpoëzie: ‘Afgemat door hooge jaren  / uitgeteerd door ziekte en pijn / Moest zij in een grafkuil dalen / en een prooi der wormen zijn.’

Was dit humor of een zwaar gereformeerde waarschuwing? Elders op het kerkhofje een steen met de zin: ‘Sta wandelaar en lees / wiens overschot hier zij / en denk er aan / dit lot / treft vroeg of laat ook mij.’ Misschien een waarschuwing en grap tegelijk?

Weer thuisgekomen verdiepte ik me in grafschriften en humor. Het bekendste grafschrift uit de Nederlandse literatuur is natuurlijk geschreven door De Schoolmeester (pseudoniem van Gerrit van de Linde, 1808-1858), een van de grootste taalvirtuozen die de Nederlandse literatuur ooit heeft gekend: ‘Hier ligt Poot: / Hij is dood.’

Mijn eigen schoolmeester, dhr. Van Bueren van het vak Nederlands, liet ons vroeger zelf grafschriften schrijven, om ons te laten ervaren hoe moeilijk deze literaire vorm is. Mijn bijdrage destijds: ‘Hier ligt Van Bueren / Het mocht niet langer dueren.’

Karel van het Reve bestempelde in zijn Huizinga-lezing literatuurwetenschap als zinloos, omdat deze niet in staat zou zijn te verklaren waarom het grafschrift van De Schoolmeester over Poot wel literatuur is, en dit nauwelijks: ‘Hier ligt Reve/ hij kon niet langer leven.’

Ik weet niet of literatuur zo makkelijk te vangen is in een verklaring of definitie, maar het grafschrift over Poot op z’n minst een grotere lach dan het epitaaf over Reve. Gerrit Komrij heeft uit bewondering voor De Schoolmeester ook alvast een grafschrift voor zichzelf geschreven: Hier ligt Komrij: / ik denk dat ik omrij.”

 

De Volkskrant; 28 mei 2011: column Giphart, Slager

Gisterochtend, de landelijke dagbladen. ‘Massamoordenaar Mladic eindelijk gegrepen’, opende de Telegraaf en daaronder over de hele breedte van de voorpagina louter het mooie woord ‘GERECHTIGHEID’. Goeie kop. Precies waar het om gaat.

Het AD bracht het nieuws over de arrestatie van Mladic met het literairige zinnetje’ en nu is de beul gepakt’. Daar zullen de koppenmakers lang over hebben vergadert, Trouw opende als vanouds ingetogen, maar niet bepaald wervelend ‘Mladic vast. Servië nadert EU’. Dit dekte de lading, maar verried geen opwinding over de arrestatie en de mogelijke rechtsgang, NRC-Next kwam op de voorpagina met het rijmeltje: ‘Servië doet wat moet’, Al opende de krant vervolgens niet met nieuwsberichten over de Servische generaal maar met twee waanzinnig oninteressante pagina’s over ooglaseren (‘Scherpe visie’),

En de Volkskrant gebruikte gisteren een hele cover voor een afschrikwekkende foto van Mladic met de enorme kop ‘Slager van Srebrenica’. Gevoel voor drama en sensatie kan de redacteuren niet worden ontzegt, maar werd Mladic echt zo genoemd of allitereerden die twee S’en prettig? De gangbare bijnaam van de generaal is ‘de Servische Napoleon’.

De omschrijving ‘butcher van Srebrenica’ wordt volgens Google in het Engels inderdaad wel eens gebruikt, maar ‘slager van Srebrenica’ scoort slecht 264 hits, die voor een deel niet verwijzen naar Mladic, maar naar diens bloedbroeder Karadic. Cynisch is dat de bovenste verwijzing bij Google een advertentie is voor een Keurslager (‘maak kans op een barbecue inclusief vleespakket!’).

Slager Mladic is een verwijzing naar de oorlogsmisdadiger Klaus Barbie, die ‘de slager van Lyon’ werd genoemd omdat hij in die stad duizenden joden liet vermoorden of op transport zette, en er daarnaast om bekend stond persoonlijk mensen te martelen en te doden. Of Mladic dat laatste ook heeft gedaan, is mij niet bekend, maar de trots die de hardvochtige veldheer voelde over de val van de enclave in Srebrenica en de dood van ruim zevenduizend moslims, doet vermoeden van wel.

Mij deed de omschrijving slager denken aan beelden die ik zag toen ik tien jaar geleden met twee collegas in Potocari de herdenking van de doden van 11 juli 1995 bijwoonde. Die plechtigheid vond plaats bij de voormalige Nederlandse enclave, die na de oorlog In Bosnisch-Servisch gebied kwam te liggen. Met honderden gammele bussen vertrok een karavaan bedroefde nabestaanden vanuit Bosnië richting de VN-compound, waar een deel van de doden was begraven (het overgrote deel lag toen nog in de grond of in een gekoelde hal te wachten op identificatie). Beschermd door helikopters, militairen en agenten reden de Bosniërs tweeënhalf uur door de dorpen en steden die ze een paar jaar daarvoor nog broederlijk hadden gedeeld mer hun Servische landgenoten. De onderlinge haat was in alles voelbaar, de rouwende nabestaanden werden bespuugd en uitgejouwd door hun voormalige buren.

Ik zat in een bus met angstige weduwen en kinderen die hun mannen, vaders, zoons en broers waren kwijtgeraakt. Eerder heb ik in de Volkskrant over dit beeld geschreven, maar ik noem het nog eens, omdat het de wezenloze kwaadaardigheid van de mens tekent. Om de rouwende Bosnische moslims te provoceren toonden hun Servische buren hen onschuldige biggetjes. De varkentjes werden trots omhoog gehouden. Dat is wat haat tussen bevolkingsgroepen teweegbrengt. Eerst de biggetjes, en dan komen de slagers.

 

De Volkskrant; 26 mei 2011: column Giphart, Zelfseks

De Volkskrant; 24 mei 2011: column Giphart, Ome Sint

De Volkskrant; 21 mei 2011: column Giphart, Vandaag vergaat de wereld!

Althans dat beweert mijn dochter. Ze heeft het zelf op school van vriendinnen gehoord, en het stond ook in de krant: op 21 mei 2011 vergaat de wereld.

‘Zeiden ze er ook bij hoe Iaat?’, vroeg ik, ‘Want dan kan ik het gras nog even maaien.’

Nee, dat wist ze niet. In haar klas had een meisje gezegd dat Jezus Christus vandaag terugkomt op aarde. Iedereen die in God gelooft mag mee naar de hemel, iedereen die dat niet doet zal verbranden.

‘Dat heet de Dag des Oordeels’, legde ik uit. ‘En ja, zo is God. Eerst schept hij het heelal, de aarde, alle mensen en alles wat er is, en stuurt hij zijn zoon op ons af om te controleren wie er in hem gelooft en wie niet, de lul.’

‘Ohh, dat mag je niet zeggen” riep mijn dochter.

‘Van wie niet? Iemand die niet bestaat kun je gerust voor lul uitmaken. God is lul! God is lul! God Is een lul!’

Pappa! Hou op!’

Mijn dochter keek mij boos, maar ook geschrokken aan.

‘Straks bestaat hij wel!!, zei ze met de logica van een 11-jarige. ‘Dan heb je een probleem.’

Dat kon ik niet ontkennen. Als het waar is wat de 89-jarige Amerikaanse Harol Camping afgelopen weken beweerde – dat vandaag de Dag Des Oordeels aanvangt –  ga ik vervelende maanden tegemoet. Volgens de predikant zal slechts 2 procent van de wereldbevolking door God worden gered, de rest wacht een ellende waaraan geen horrorfilm kan tilppen. Hij zei het bijna hoopvol.

De evangelist  – die overigens ook al voorspelde dat de wereld in 1994 zou vergaan, wat bij mijn weten toen niet is bebeurd – heeft berekend dat de wereld na een periode van chaos, dood en ontredderlng definitief zal vergaan op 21 oktober aanstaande.

En dit is wat ik niet begrijp: de Here had zes werkdagen nodig om zijn speelgoeduniversum te scheppen, maar het kost hem vijf hele maanden om de boel weer af te breken? Dat begint naar verhouding zowaar op de Noord-Zuidlijn of de invoering van de ov-chipkaart te lijken.

 

De Volkskrant; 19 mei 2011: column Giphart, Chinees

Eergisteren bracht de Volkskrant het bericht dat het boek Komt een vroiuw bij de dokter van schrijver Kluun  – misschien we de meest succesvolle Nederlandse roman aller tijden – in de Chinese vertaling stevig is gecensureerd. Niet de gezagsondermijnende boodschappen van de politiek intrigant Kluun werden geschrapt, noch de vele huistuinkeuken-recepten voor molotovcocktails en de partydrug ghb die KEVBDD zo ontsieren, maar het gebruik van seksueel expliciete woorden.

De Chinese overheid wil de onschuldige zielen van haar burgers behoeden voor straattaal en vulgairiteiten. Een ‘lekker wijf’ werd daarom een ‘leuk meisje’, en ‘al masturberend porno kijken’ blijkt in het Chinees ‘mezelf troosten’ te zijn, wat onbedoeld een erg liefdevolle omschrijving is die zich met zijn broek op z’n knieen voor een computerscherm zit af te rukken.

Getriggerd door dit bericht ben ik mij direct gaan verlustigen aan vulgaire Chinese taal. Zo onschuldig zijn die Chinezen helemaal niet! We beginnen de cursus met het simpele karakter (cào), dat volgens het woordenboek ‘uitoefening’ betekent, maar beter bekend staat als het woord voor prorecreatieve fysieke handelingen (neuken). Varianten zijn [Giphart geeft nu een aantal Chinese tekens weer die ik niet kan reproduceren] worden in zekere context, gezien als schokkende woorden.

Nog schokkender is [Chinese karakters] (cåonïmä), dat staat voor ‘neuk je moeder’, een bezigheid die in China ook als aanstootgevend wordt ervaren.

De overtreffende trap hiervan is [Chinese karakters] (uitgesproken als càonïmädebi), dat zoiets betekend als ‘neuk de kut van je moeder’, opdat men zich niet vergist in het gaatje.

Een grappige uitdrukking is [Chinese karakters], uitgesproken als dàn téng, dat in het Nederlands staat voor ‘pijn aan de ballen’. Meestal verwijst dit woord naar de bespottelijke dingen die mensen doen uit verveling, zoals het opzoeken van Chinese bad language.

Terug naar het boek van Kluun. Deze zin [Chinese karakters] (uitgesproken als ‘Tä de yïnjïng zài yindâo chãrû de qí zï yí dà de guïlû xïng’ en volgens Google de vertaling van ‘zijn pik met grote regelmaat in de kut van andere wijven steekt’, KEVBDD. p.15) wordt vertaald met  [Chinese karakters], wat in het Nederlands ‘plezier heeft’ betekent. het boek wordt er zo in ieder geval een stuk compacter op.

Het ontbreken van expliciete termen heeft de verkoop van het boek in China overigens niet tegengewerkt: al 70 duizend exemplaren zijn verkocht, waarmee Kluun er waarschijnlijk de best verkochte Nederlandse schrijver is.

Desalniettemin mag de schrijver in augustus niet mee met een Nederlandse delegatie naar China. Het Letterfonds, dat Nederlandse literatuur in het buitenland probeert te promoten, heeft laten weten dat het werk van Kluun niet literair genoeg is om belastinggeld aan te verspillen. Schrijvers als Margriet de Moor, Bernlef en Geert Mak mogen wel op reis, maar die verkopen dan weer niet.

Kluun liet in een reactie weten dat hij het Letterfonds ‘beduidend bedroevender’ vindt dan creatieve vertalingen van woorden als kut, lul en neuken. Ik begrijp zijn frustratie. Een gepaste Chinese reactie zou zijn ‘[Chinese karakters]’ (dãn bä tä zäï nï de pïgu), een uitdrukking met het woord reet erin.

 

De Volkskrant; 14 mei 2011: column Giphart, Ajax – Twente

De Volkskrant; 12 mei 2011: column Giphart, Frans Afman

De Volkskrant; 5 mei 2011: column Giphart, Resort

Net als de voorgaande dagen zijn de jongens van het hotel bezig ligkussens op de strandstoelen te leggen. Verderop vult een serveerster wederom de voorraad van de zwembadbar aan. Een lauwe ochtendbries waait nog almaar door de pluimen en takken van de tamarisken. Het Doryssa Seaside Resort op het Griekse eiland Samos maakt zich op voor wee een stralende dag.

Ik ben op een leeftijd dat ik mijn vooroordelen per definitie wantrouw. Te vaak in mijn leven blijkt de werkelijkheid niet overeen te komen met hoe ik dacht dat de wereld in elkaar steekt. Een vakantieresort, ik was er nog nooit geweest en had niet gedacht dat ik er ooit vrijwillig zou verkeren.

Bij een resort stelde ik me een Bijlmerbajes voor, waar dronken en ontblote Oost-Europeanen eetzalen, barren en zwembaden terroriseren met geschreeuw en gezang, Drie seizoenen Oh Oh Cherso geconcentreerd op één plek. Bij iedere maaltijd vallen gasten als hongerige piranha’s aan op troggen inspiratieloze vleesblubber uit gaarkeukens.

De rustige (”Russian free’) plek waar wij met vier Nederlandse gezinnen zijn neergestreken is het tegendeel van dit angstbeeld. Wij kwamen afgelopen vrijdag aan, de eerste dag van het zomerseizoen. De hele winter had het complex er verlaten bijgelegen.

Het was alsof we rondliepen in een documentaire van Michiel van Erp over een opstartend hotel. Kamermeisjes legden gewassen dekbedden en nieuwe kussen op de bedden, tuinmannen sloten sproeiers aan, drie monteurs stortten zich op een biertap. Alles in het gebouw ademde en ademt verwachtingsvol naar de naderende maanden van zon en vertier.

Er zijn nog niet veel gasten in het enorme complex en de vakantiegangers die er aan het strand zitten, zijn vrijwel allemaal Nederlanders. Ik en mensen die het verschrikkelijk vinden om in het buitenland landgenoten tegen te komen, en ook dit is een oordeel dat ik vroeger tijden koesterde. Waarom zou het vervelend zijn om in verre oorden Nederlanders tegen het lijf te lopen? Zouden Engelsen of Fransen ook lijden aan deze vorm van zelfhaat? (Hoe vond je de Taj Mahal? Mwah, om ons heen werd Nederlands gesproken. Hoe was de Chinese muur? Bovenop stond een gezin uit Meppel, dan hoeft het van mij niet meer). Ik ben tot de conclusie gekomen dat ik niets heb tegen Nederlanders, zo lang ze maar niet schreeuwen.

Inmiddels liggen mijn reisgenoten aan het strand, terwijl onze kinderen door een waterscooter met een rubber band erachter over het zeeoppervlak worden getrokken. Ik zit op het terras van de strandbar achter mijn computer.

Er is een Japanse film genaamd After Life (Wunadâfuru Raifu) waarin mensen na hun dood drie dagen de tijd krijgen om een moment uit hun leven te kiezen waaraan ze het meest waarde hechten . De door hen gekozen herinnering wordt dan hun eeuwigheid. Eén meisje koos in de film een bezoek aan Disneyland, een oudere heer een dag uit zijn jeugd, een bejaarde vrouw de keer dat ze heeft gedanst voor een groep jongens.

Een tot de verbeelding sprekende gedachte. Ik heb een hardnekkig vooroordeel over ‘het leven hierna’, maar deze zon, de kinderen scherend over het water, de vrienden onbezorgd aan zee: een herinnering die nog geen herinnering is. Dit moment de eeuwigheid.

 

De Volkskrant; 28 april 2011: column Giphart, Dixi

In een van hun Bescheurkalenders schreef Wim de Bie dat hij en Kees van Kooten erg van poep- en piesgrappen hielden. Hij legde uit dat mensen die daarom moeten lachen volgens amateurpsychologen moeite zouden hebben gehad bij het zindelijk worden. De papieren weggooiluier beeft hierin verandering gebracht. ‘Mensen, geboren in 1965 en later, vinden poep- en piesgrappen nier meer leuk’, beweerde Wim de Bie.

Mijn kinderen zijn van ver na 1965, ze hadden inderdaad geen moeite met zindelijkheid en toch smullen ze van een goede scatologische anekdote. Zo genoten ze van wal mij afgelopen weekend overkwam op een popfestival in Brabant, Vlak voor mijn voorleesbeurt moest lk naar her toilet, Nu had ik natuurlijk rustig even kunnen wateren achter de productievrachtwagens van Golden Earring of Bløf maar ik ben een beschaafde festivalgast en dus vroeg ik een backstage-medewerkster waar ik mijn gevoeg kon doen.

Ze wees me op een Dixi een stukje verderop: een manshoge wc-cel van bruin kunststof. Aan de ligging te zien stond het mobiele toilet al urenlang pal in de felle zon. Nogmaals, niets verplichtte me om dit kabouterschijthuisje te gebruiken, behalve de schande als ik zou worden betrapt met mijn geslachtsdeel uit mijn broek achter de tent waar Roel van Velzen speelde.

Voor ik het deurtje van de dlxi opende nam ik een enorme teug zuurstof zodat ik nier hoefde te ademen tijdens mijn bliksembezoek. Bij binnenkomst voelde ik het meteen: het was drukkend warm in her poepoventje. Omdat ik mijn adem inhield rook ik niets, maar ik stelde me voor dat het er walmde en dat mijn kleren miljarden stankmoleculen absorbeerden. Gierdruppels op mijn voorhoofd, klam poepzweet op mijn rug.

Er was een minuscuul pvc-urinoirtje in een hoek en een diepe brilloze ton met een gat in het midden. lk koos voor de laatste en terwijl ik mij ontspande keek ik naar de bruin-blauwe oersoep op de bodem van de ton, Dobberende drollen, eilandjes verweekt toiletpapier en tampons in een bruine brei; toen ik er te lang naar keek kreeg ik wat medici een omgekeerd peristaltische schokreflex noemen: ik kokhalsde.

Vervelend bijeffect was dat ik mijn adem niet kon inhouden en een hap dixidamp in mijn longen zoog. Dodelijke bacteriën zouden zich nestelen in mijn bronchiën. Het vreemde was: ik rook helemaal niets. lk voelde me een buitenaards wezen dat op een planeet terecht is gekomen waar hij een giftige atmosfeer verwacht, die helemaal niet giftig blijkt. Verbaasd snuffelde ik nogmaals.

Niets. Geurloos. Op een meter afstand dreven de keutels vrolijk in een plas blauwe chemicaliën, zonder enige onwelriekendheid af te scheiden. Hel zal een misplaatste academische nieuwsgierigheid zijn geweest dat ik me onderzoekend naar het gat bewoog. Hoe kon het dat ik niets rook? En toen boog ik me blijkbaar iets te ver voorover, waarop mijn vulpen uit mijn borstzak gleed, om met een doffe plons in de excrementensoep te vallen. Mijn oude vulpen.

Even staarde ik wezenloos naar de bodem, Live in mijn eigen poep- en pies-slapstick. Niet eens een fractie van een seconde heb ik overwogen om mijn arm in her gat te steken en liet kleinood uit de drab op te vissen. Zelfs niet in de wetenschap dat mijn kinderen dit pas echt hilarisch zouden hebben gevonden.

 

De Volkskrant; 14 april 2011: column Giphart, Pistolen

Zaterdagmorgen, een uur of elf. Ik zat met het Volkskrant Magazine op de bank, toen er plotseling een jongen voor me stond met een pistool op mij gericht. Verbeten hield hij zijn wapen vast en dreigend keek hij me aan. Van schrik stak ik mijn handen omhoog.

‘Niet schieten! Niet schieten’, riep ik.

‘Piew! Piew!’ riep het jongetje, waarop ik achterover op de bank viel, dodelijk geraakt, mijn handen bij de wond. Ik kermde, het jongetje schaterde. Lachen, papa was geraakt. Voor de zekerheid haalde hij het trekkertje nog een paar keer over.

Vijf minuten later was mijn zoon het pistool van zijn oudere broer alweer vergeten. Ik pakte het zilverkleurige ding en liet het cirkelen om mijn wijsvinger. Een machtig gevoel uit mijn kindertijd stroomde door mijn arm. In een vloeiende beweging greep ik de kolf vast en richtte ik mijn blaffer op de stranger die net de saloondeuren had opgegooid. Looking for trouble, gringo? Als ik in mijn leven ooit aan voorwerpen gehecht ben geweest dan waren het mijn pistolen. Ik was een jaar of 10 en met vriendjes speelde ik cowboytje in onze buurt. Mijn wapens waren een verlengstuk van mezelf, ik bewaarde ze naast mijn bed en nam ze mee naar school.

Wij, brotherhood of boys, hadden twee type guns: de pistolen waar het kruit in een rode dunne reep papier zat en de revolvers waar de knallen kwamen uit rode plastic ringen met kleine patronen. Van de laatste soort had ik meerdere exemplaren. Altijd controleerde we na een shootout de ringen op ongeknalde kruitkuipjes, want het was zonde om kostbare munitie weg te gooien.

Meerdere keren per week gingen we naar het winkelcentrum in onze nieuwbouwwijk om verse ringen te halen. Sommige jongens waren onbezonnen en verknalde in snel tempo als Libische opstandelingen hun hele voorraad, andere jongens deden voorzichtig en legde op hun kamer reserves aan voor als het ooit oorlog zou worden.

Mijn oudste zoon heeft zich nooit zo voor revolvers geïnteresseerd en dat heb ik hem ook niet opgedrongen. Mijn dochter heeft het schaarse wapentuig van mijn oudste nooit een blik gegund, maar in mijn jongste van 4 herken ik de pistoolverliefdheid van mezelf. regelmatig loopt hij met zijn zilverkleurige nietknaller parmantig door het huis.

Afgelopen zaterdagochtend stond in het magazine een vertederende fotoreportage van Ivo van der Bent over jongens en meisjes met pistolen, uzi’s en kalasjnikovs. Geen kindsoldaten uit verre streken, maar Hollandse welvaartssoldaatjes. Omdat deze reportage een spervuur aan herinneringen triggerde aan mijn eigen wapentuig, besloot ik naar mijn werkkamer te gaan om een column te schrijven over deze onschuldige foto’s en het hoofdartikel van het wetenschappelijke blad KIJK van deze maand, over de wapenverslaving in Amerika. Terwijl ik hiermee bezig was, kwam mijn jongste mijn kamer weer binnen. ‘Handen omhoog!’ riep hij. Direct haalde ik mijn vingers van het toetsenbord.

‘Waarom?’ vroeg ik geschrokken.

‘Ik schiet jou dood’, piepte hij vervaarlijk.

‘Nee, niet doen!’ riep ik.

Hij deed het toch. Kermend gleed ik van mijn bureaustoel op de grond om voor zijn voeten te storten. Wederom schaterde hij het uit.

‘Mama, ik heb papa doodgeschoten’ riep hij naar mijn vrouw, die bewonderend terugriep: ‘Goed zo!’

Afgelopen zaterdagmiddag, een uur of een.

 

 

De Volkskrant; 12 april 2011: column Giphart, Pispaal

Afgelopen zondag werd Louis van Gaal met pek, veren en een stortemmer verbale drek München uitgejaagd. De deadline van dit stukje ligt helaas voor de uitzending van het praatprogramma Voetbal International, maar ik ga ervan uit dat gisteravond Johan Derksen en René van der Gijp uitvoerig over de Tulpen-GeneraI hebben gemeesmuild, om zich vervolgens te beschijten van de lach dat FC Bayern de rest van dit seizoen Andries Jonker heeft aangesteld als vervanger.

Wie? Andries Jonker (48), Voormalig trainer van Willem II, Is Van Gaals favoriete Fäkalienspur. Ooit werkten ze samen bij de KNVB, waarna Jonker hem als assistent volgde naar Barcelona en later naar Bayern. Ondanks – of misschien juist door – deze benoemingen beschouwt de Nederlandse voetbalmedia Andries Jonker als favoriete pispaal. Geen trainer die zo vaak heeft mogen dobberen in een zwembad vloeibaar nierafval als hij. In de Volkskrant publiceerde Dijkshoorn ooit een hilarische, maar dodelijke satire over Jonkers vriendschap met Van Gaal, Johan Derksen laat geen mogelijkheid onbenut in te hakken op ‘deze demagoog en betweter’ en René van der Gijp maakt hem voortdurend belachelijk om zijn ‘papagaaigedrag’.

Op het schoolplein zie je vaak dat als de stoere jongetjes een slachtoffertje naar de grond hebben gemept, de bangige meelopertjes ook nog even snel wat trappen komen geven. Het schoolplein van vroeger is het Twitter van nu, Het nieuws van Jonkers benoeming zorgde zondagmiddag voor een wedstrijdje vrij stampen. Vanuit alle kanten werd de hulptrainer bespot, uitgelachen en uitgescholden.

Ik heb geen verstand van voetbal. Nog minder verstand heb ik van trainers. Ik ken ook geen trainers. Ik ken eigenlijk alleen… Andries Jonker. Tien laar geleden mocht ik voor Hard Gras een week mee met het Nederlandse vrouwenelftal, dat in Praag een oefeninterland speelde tegen het Tsjechische damesteam. Andries Jonker was plaatsvervangend bondscoach, en hoewel ik een Van Gaal-achtige Raubauz had verwacht, bleek hij een warme man met een opmerkelijk groot gevoel voor humor, die mij zonder enige terughoudendheid opnam in zijn groep. We verbleven in een verlept oud-communistisch sportcomplex. Ik heb geen verstand van trainers, maar het leek me dat hij zijn ploeg enorm wist op te peppen. Slechts één keer deed hij me denken aan de Tulpengeneraal. Dat was toen een paar Oranje speelsters klaagden dat ze de avond ervoor op hun kamers waren lastig gevallen door hitsige Tunesische basketballers die ook in het sport hotel verbleven.

Jonker, niet al te groot van stuk, zocht daarop direct de coach van de basketballers, een boomlange vent met het uiterlijk van een nachtclubportier. Dreigend keek Jonker omhoog. Om de man  in het bijzijn van zowel de voetbalsters als de basketballers een ongelooflijke uitbrander te geven en mee te delen dat hij een groot probleem had als een van de jongens ooit nog naar een van zijn meisjes keek. Na zijn tirade stak Jonker, ondanks zijn lengte, een kop boven de basketbalcoach uit.

Ik heb geen verstand van voetbal, maar dat Andries Jonker niet onderschat moet worden, is me sindsdien duidelijk. Ik hoop dat hij dit aanstaande weekend tegen Leverkussen als hoofdcoach van Bayern zal bewijzen. Al was het alleen maar om die stroom laffe meeblaffers hartelijk uit te kunnen lachen.

 

 

De Volkskrant; 9 april 2011: column Giphart, Bolussen

Wellicht zal het de meeste Nederlanders zijn ontgaan, maar vandaag is het de laatste dag van de traditionele ‘Week Van De Bolus’. De bolus is een beladen onderwerp, dat met grote voorzichtigheid benaderd moet worden en waaraan ik mijn vingers niet hoop te branden. Bolussen maken de tongen namelijk nogal los. Het gezonde Zeeuwse volksgevoel is van mening dat de bolus oorspronkelijk iets typisch uit Zeeland is. Echte Zeeuwen zijn op hun bolussen net zo trots als op hun Deltawerken, mosselen, ringrijden, topkoks, klederdracht en zuinigheid.

Vlak voor de Provinciale Verkiezingen in maart kwam de CDA-afdeling in Zeeland zelfs met een voorstel om er bij de Europese Unie voor te pleiten dat ‘de Zeeuwse bolus’ voortaan de status van Beschermde Europese Oorsprongsbenaming zou krijgen. Dit om te voorkomen dat andere provincies als Gelderland en Friesland niet ordinair gaan meeliften op het succes van de Zeeuwse bolus. Voor je het weet heeft ieder wingewest zijn eigen bolus of wordt onze markt – nog erger – overspoeld door inferieure bolussen uit lageloonlanden. De Kazachstaanse bolus, de Turkse bolus… je moet er niet aan denken.
Het CDA-voorstel werd niet alom positief ontvangen. Critici beweerden dat de bolus oorspronkelijk helemaal niet uit Zeeland komt, maar lang geleden zou zijn ontstaan in Midden-Europa, waarna de bolus terecht kwam bij Sefardische joden uit Portugal en Spanje, die hem na hun gedwongen vertrek uit die contreien halverwege de zeventiende eeuw meenamen naar onder andere Middelburg. Eenmaal aangekomen in de Zeeuwse klei zou de bolus zijn toegeëigend door de inlanders, die in de eeuwen daarna net deden alsof zij de geestelijk vader waren.

Niks niet Zeeuws, de bolus is joods – beweerden de criticasters – en hij komt overal op aarde voor. In New Vork hebben bolussen een supersize-formaat, in Jeruzalem zijn bolussen alomtegenwoordig, en ook in Parijs en Moskou zijn ze zeker niet zeldzaam.

Velen hebben zich de afgelopen jaren in het bolusdebat gemengd. Op internet woedde een verbeten discussie over de herkomst, de naamgeving en de inhoud van de bolus. Ik ben geen bolusontkenner, en ik wil ook de Zeeuwen hun aanspraak op hun geliefde bolus zeker niet ontzeggen. Onweerlegbaar zijn de Zeeuwen in ons land de warmste bolus-pleitbezorgers.

Afgelopen dinsdag werd in Middelburg ‘de Beste Zeeuwse Bolus van 2011’ gekozen. Het Zeeuwse Boluskampioenschap bestaat al sinds 1998. In het verleden werd de felbegeerde Bolustrofee meegenomen naar plaatsen als Koudekerke, Middelburg, Zaamslag, Zierikzee, Goes en Kloetinge, maar dit jaar is dan eindelijk Vlissingen aan de beurt (zou Michiel de Ruyter de geneugten van een goede bolus hebben gekend?).

Peter Daane, ondernemer in Vlissingen, mag zich een jaar lang eigenaar van ‘de beste bolus ter wereld’ noemen. ‘Ik ben hier heel erg blij mee,’ liet de opgeluchte winnaar deze week optekenen in de Provinciaal Zeeuwse Courant, ‘want ik heb veel liefde in mijn bolussen gestopt.’

Een zin die zo tot de verbeelding spreekt dat ik direct op internet op zoek ben gegaan naar de ideale bolus, met als gevolg dat ik dit weekend mijn gezin ga verrassen op mijn eigen bolusvariant, waarin ik ook heel veel liefde en genegenheid zal stoppen. Zelfgedraaide kleffe natte malse zachte plakkerige smakelijke geurige bolussen: een groter genot is nauwelijks voorstelbaar.

 

 

De Volkskrant; 29 maart 2011: column Giphart, Beliebers

Een paar maanden geleden hing de kamer van mijn 11-jarige dochter plotseling vol posters van een jongetje met een opvallend bleek snuitje en een langharige marmot op zijn hoofd. ‘Wie is die koleirelijer?’ vroeg ik, als een echo van de guitige vraag die mijn vader ooit stelde toen hij op mijn jongenskamer posters zag hangen van KISS, Queen en ELO.

‘Pappa! Dat is Justin Bieber,’ zei mijn dochter verontwaardigd, geschokt door mijn wereldvreerndheid. Mijn vrouw vulde aan: ‘De zanger aan wie ze vorig jaar nog een hekel had, maar op wie ze inmiddels verliefd is.’

‘Helemaal niet verliefd,’ riep mij dochter , ‘maar ik vind hem wel heel schattig. Al mijn vriendinnen vinden hem ook schattig.’

Mijn dochter is een zogenaamde belieber, ze heeft Justin op haar Hyves, volgt Justin op internet, spaart Justins foto’s, volgt Justins privéleven, en – o ja – Iuistert naar Justins muziek.

Ik keek naar het teerhartige zangertje, zijn bambi-huidje en kontjongerige oogopslag. Gods eigen knaapje. Om de gevoelens van mijn dochter te sparen slikte ik al mijn grappen over de fysieke manifestatie van het homogen maar in. Justin Bieber lijkt me verre van het type dat jonge meisjes in het verderf stuurt.

Iedere tijd zijn eigen meisjesidolen. Ik herinner me een concert dat het jongensbandje Take That (vijf Justin Biebers on coke) halverwege de jaren negentig in Nederland gaf. De Volkskrant plaatste een destijds schokkende foto van de uitzinnige meisjesmenigte die hun idolen kwamen toegillen ‘Robbie, l wanna suck your dick’ stond er op een bord dat een van de tienermeisjes omhoog hield. Nou ja, met har Engels was in ieder geval niets mis..

In Bieber land worden geen dicks gesuckt, het is er lieflijk en schattig. Afgelopen vrijdag ging mijn dochter met haar vriendinnen naar Never Say Never, een 3D-film over het leven van de puistloze 17-jarige. Bijna astmatisch kwam ze terug uit de stad. Er waren alleen maar meisjes in de bioscoop (‘als een jongen Justin goed vindt moet het wel een homo zijn,’ had een van haar vriendinnen wereldwijs gezegd) en ze hadden als verrassing allemaal een doggybag gekregen met bieberiosa, hebbefoto’s en voordeelbonnen, een kleinood dat mijn dochter met haar leven zou verdedigen.

Tot haar grote verdriet kon ze niet mee naar het concert dat Bieber zondag gaf in Ahoy, omdat we dit weekend een familiefeest hadden in Groningen. Al haar vriendinnen gingen wel, waarover ze met Biebersiaanse vroomheid zei: ‘Ik ben echt heel erg blij voor hen.’

Gisterochtend liet mijn vrouw aan de ontbijttafel de recensie van het concert in de Volkskrant zien. Opgewekt begon mijn dochter aan het artikel, tot ze doorhad hoe negatief het was. Menno Pot schreef dat Bieber geen blijvertje is en hij gaf het optreden maar twee sterren.

‘Wat een ongelooflijke kutkrant!’ riep ze, waarna ze het V-katern boos van zich vandaan wierp.

‘Denk je dat Justin Bieber dat soort taal zou waarderen?’ deed ik een zwakke poging de zanger te transformeren tot educatieve boeman. Minachtend keek mijn dochter mij aan, en met een pittigheid die mij als vader het vertrouwen geeft dat ze die schattige christelijke cavia ooit heus zal ontgroeien, zei ze: ‘Ik denk dat Justin dat geen reet interesseert.’

 

De Volkskrant; 24 maart 2011: column Giphart, Taxi Piet

Door die verheffende discussie de afgelopen dagen over joden, Ajax, Lex Immers en ADO,dacht ik terug aan een man genaamd Taxi Piet, een kale beer van een vent, die jarenlang een van de woordvoerders van de F-side en van de Onafhankelijke fanclub Ajax was. Dit wist ik allemaal niet toen Ik hem ontmoette op een namiddag in 2004. Piet had een taxibedrijf dat gasten reed voor tv-programma’s, en zodoende pikte hij me op om me van Utrecht naar een studio in Amsterdam te rijden.

We kwamen te praten over zijn grote liefde Ajax, waar Ik natuurlijk mijn clubliefde voor Feyenoord tegenover moest zetten, al bleek Piet veel meer over mijn dub te weren dan ik over die van hem. Bijna liefdevol sprak hij over beruchte Feyenoorders en successen van de Rotterdammers. Ondertussen stonden we in een enorme file op de A1 (toen al).

Omdat ik nog niet gegeten bad stelde Piet voor om even ergens te stoppen. We kregen het over een van zijn andere passies: eten. Zijn liefde voor kroketten. Satékroketten. Kalfsvleeskroketten. FEBO-kroketten. Maar ook: stamppot, De geneugten van een ouderwetse rijsttafel. Zaken waarover je eigenlijk niet moer spreken als je met honger in de file staat. De file was dusdanig hardnekkig dat het ons niet meer lukte om een stop te maken. Piet zette me af bij bet Leidseplein, waar het programma werd opgenomen. Anderhalf uur later stond hij er weer om me op te halen. ‘Er ligt wat voor je, Feyenoorder’, zei hij gebarend naar zijn achterbank. Daar lag een zak van de FEBO, gevuld met zes kroketten, voor ons allebei drie stuks. Een klein gebaar, dat me altijd zal bijblijven.

Na deze rit heb ik Piet nog regelmatig gezien en ingehuurd als ik voor werk naar Amsterdam moest. Zonder uitzondering gingen de gesprekken over Ajax en Feyenoord. Piet begon me – een gewoonte van veel Ajacieden in mijn omgeving – pesterige sms’jes te sturen bij misfortuin van Feyenoord.zoals ik het niet kon nalaten hem fijnzinnig te wijzen op de slechte resultaten van zijn club.

En toen werd die bolle ziek, plotseling. Kanker. Een tumor in zijn heiligbeen. In geval van Piet was het onvoorstelbaar dat zo’n grote vent zich ging laten slopen door een stukje onwelgevallig vlees, Het gevecht van Piet begon. Zijn familie en vrienden hielpen Piet en zijn Marianne op het verbetene af. Er werden liefdevolle acties georganiseerd als hij op de tribune van Ajax zat en hij een sms-bombardement kreeg van honderden mensen die hem de tekst ‘You’ll never walk alone’ stuurden, Namens Feyenoord schreef ik ‘Ook Rotterdammers lopen naast Je’.

Toen zijn nieuwe woning moest worden aangepast aan zijn ziekte, hebben zijn vrienden een Wall of Fame gemaakt, met foto’s, Ajax-hoogtepunten en memorabllia (waarvoor ik me nog heb laren fotograferen met het logo van een niet nader re noemen schoonmaakmiddel), Na een enorme strijd overleed Taxi Piet op 22 april 2009, toevallig op dezelfde dag als Martin Bril, die hem erg zou hebben gemogen als hij hem had gekend. Kerels wals zij geven het leven chein, om het maar eens in hel Jiddisch te zeggen.

 

De Volkskrant; 15 maart 2011: column Giphart, Boekenporno

Vanavond houdt het CPNB het Boekenbal, het jaarlijkse feestje voor 63 cameraploegen, 243 journalisten, 129 actrices, 78 politici, 58 cabaretiers, 5 schrijvers, 4 dichters en 926 dolgelukkige zaalvullers, Men heeft de hemelvaart van Harry Mulisch niet aangegrepen om een einde te maken aan de traditie, sterker nog, de editie van dit jaar zal die van de voorgaande jaren ongetwijfeld naar de kroon steken wat betreft alcoholische degeneratie en wangedrag van carnavaleske provincialen (met name uit Groningen).

Het meest valt te vrezen van de dichters: alles wijst erop dat her vanavond In de Amsterdamse Stadsschouwburg mis zal gaan. De voortekenen zijn dreigend, want de afgelopen weken was het weer eens ouderwetsch hommelesch In poëzieland, schermutselingen die onterecht werden ondergesneeuwd door de gebeurtenissen in Libië en Japan.

Poëzie is balsem voor het leed van het leven, maar wie denkt dat liefhebbers van gedichten ingetogen beschaafde mensen zijn, kan zich niet ergerlijker vergissen. Zelf bezoek ik na het lezen van een prachtige contemplatieve dichtbundel vaak ter compensatie een poëziesite als www.contrabas.nl, om de overdonderende schoonheid van de regels in balans te brengen met kleinzielig gevit en afgunstige haarkloverij. Geen hartvochtiger en haatdragender lieden dan die uit de Nederlandstalige poëzie.

Vorige week werd dichtland opgeschrikt door een onbekende rijzende poëziester die in een column op Contrabas onderzocht of het uiterlijk van een nog onbekendere dichteres wel overeenkwam met haar poëtica. In haar bundel allitereert deze vrouw blijkbaar behoorlijk, waarop de onbekende rijzer op de auteursfoto van de dichteres twee ‘ietwat theatrale tepeltjes’ ontwaarde en vaststelde: ‘[Ze] heeft allitererende tietjes!’ Deze constatering riep 77 woedende reacties op, variërend van ‘ziek en misplaatst’ tot ‘als iemand zich zo tegen of over mijn vriendin of dochters uitlaat, gaat hij gestrekt’.

Frisse lieden, die versjesliefhebbers onder mekaar. Later vorige week liepen de schermutselingen helemaal uit de hand toen dichter en poëziebundelaar Gerrit Komrij over de hem onwelgevallige Vlaamse postmoderne dichter en poëziebundelaar Dirk van Bastelaere onthulde dat deze een paar jaar geleden zou hebben meegespeeld in een amateur-pornofilm.

Op zijn weblog publiceerde Komrij een link naar de vermeende opname, en ik moet zeggen: nooit meer zal ik naar porno kunnen kijken zonder aan Vlaamse dichters te denken. Op de beelden zien we twee mannen die een mevrouw in lingerie middels hun geslachtsdelen uitleggen dat poëzie ook een daad van bevestiging kan zijn.

Het was te voorspellen: de poëziewereld ontplofte. De Bastelaere werd uitgelachen, Komrij beschimpt en iedereen maakte ruzie met iedereen. Het kan niet anders dan dat Het Boekenbal hierdoor compleet uit de klauwen loopt. Dit zou her ideale scenario zijn: de kampen Komrij en De Bastelaere komen vanavond dreigend tegenover elkaar te staan om de knokkels van hun knuisten her akkefietje te laten beslechten, totdat duizend opgewonden nameloze provincialen als vredesduiven tussen hen door beginnen te cirkelen, waarna alle vechtersbazen en boekliefhebbers zich – wellustig door alcohol – aan elkaar beginnen te vergrijpen (‘make books, not war’) en al die cameraploegen de enorme gangbang van de Nederlandse literatuur en de weemoed die des avonds komt voor altijd vastleggen.

 

De Volkskrant; 8 maart 2011: column Giphart, Decamerone

Wat liefde vermag. Vorige week, op een koude donderdagavond, verzamelen tachtig mensen zich in een zaal in Amsterdam , om elkaar te vermeien met aanstekelijke verhalen over lust en het leven. We bespraken de Decamerone van Giovanni Boccaccio, misschien het mooiste en humorvolste boek uit de wereldliteratuur (in Nederland verkrijgbaar in de Perpetua-reeks).

Boccaccio schreef het boek omstreeks 1351, maar pas in 1487 verscheen het in druk, 112 jaar na de dood van de schrijver. Het is altijd omstreden geweest. In de Decamerone vluchten tien jonge mensen voor de pest die heerst in Florence. Tien dagen lang vertellen zeven meisjes en drie jongens elkaar bijzondere geschiedenissen over verlangen, verraad en bedrog, die zich ook heden ten dagen nog probleemloos laten lezen en voorlezen.

Afgelopen donderdag las ik een verhaal over de twee gezworen vrienden Spinelloccio en Zeppa, die beiden getrouwd zijn met een mooie vrouw. Alles gaat goed, tot Spinelloccio verdacht veel tijd begint door te brengen met de vrouw van Zeppa.

Op een dag komt Zeppa onverwachts bij zijn huis, waar hij zijn vrouw en de beste vriend de liefde ziet bedrijven. Natuurlijk maakt hij de afweging hen beiden een afranseling te geven, maar toch besluit hij tot een intelligentere wraak. Als Spinelloccio is verdwenen, confronteert Zeppa zijn vrouw met haar overspel en hij draagt haar op dat ze precies moet doen wat hij beveelt. De volgende middag moet ze Spinelloccio uitnodigen om bij haar langs te komen tijdens het middageten voor een ontspannen herdersuur. Zeppa zal dan zogenaamd onverwachts opduiken, waarop zijn vrouw Spinelloccio moet verstoppen in een lege kist in de slaapkamer.

Zodoende geschiedt. De volgende ochtend gaat Zeppa op pad met zijn beste vriend, die hem meldt dat hij er weer vandoor moet om te lunchen met een oude kennis. Zeppa wacht een kort moment en reist zijn vriend dan achterna. Bovenin de slaapkamer speelt zijn vrouw dat ze schrikt van zijn onverwachte thuiskomst, waarna ze haar minnaar in de kist stopt. Benden vraagt Zeppa aan zijn vrouw of het geen goed idee is om de echtgenote van Spinelloccio te vragen hen bij het middagmaal te vergezellen. Even later arriveert deze vrouw, die door Zeppa wordt getroond naar de slaapkamer. Daar vertelt hij dat Spinelloccio en zijn vrouw regelmatig ‘het doofstomme steekspel beoefenen’.

De bedrogen echtgenote is verbolgen, waarop Zeppa voorstelt om samen wraak te nemen.Leunend tegen de kist waarin Spinelloccio zit te wachten vergrijpen ze zich passievol aan elkaar. Dan haalt Zeppa zijn vrouw erbij en opent hij de kist. Iedereen is vol berouw. Spinelloccio zegt dat ze allen quitte staan en stelt voor om vrienden te blijven. Ze besluiten voortaan alles broederlijk te delen, waarop Boccaccio eraan toevoegt: ‘En van die dag af had elk van de vrouwen twee mannen, en elk van de mannen twee vrouwen, zonder dat daar ooit gekibbel of herrie om ontstond.’

Liefde in 1351. Dit zijn de verhalen waarmee we elkaar willen vermeien op koude avonden aan het einde van de winter, met de lente in aankomst.

 

De Volkskrant; 2 maart 2011: column Giphart, Provincietaal

Zeg eens even eerlijk.. Hoeveel provinciale statenleden heeft uw provincie? Wie vormen er in uw provincie de gedeputeerde staten? weet u het verschil tussen de proviciale en de gedeputeerde staten? Kent u provinciale politici? Kent u de lijsttrekker van de partij waarop u wil gaan stemmen? Hoeveel ambtenaren heeft uw provincie in dienst?

Ik zal maar bekennen dat ik tot voor vanmorgen op vier van de vijf vragen het antwoord niet wist. Tijd voor een vlammend oratio ten faveure van de provincie! In het hier onderstaande pleidooi heb ik louter gebruikgemaakt van termen die afkomstig zijn uit de ‘Notulen van het verhandelde in de vergadering van Provinciale Staren van Utrecht, gehouden op 13 december 2010’. Uit bewondering, maar ook om te laten zien hoe wervelend de provinciale politiek kan zijn. Leest u even mee?

‘Stelling: gegeven de invulling van de transformatie en de gespannen verhouding tussen rijk en provincie, is het wellicht aan te bevelen om – in lijn met de gestelde ontwikkelingsvisie – een driedimensionale uitvoering van de structuurvisie te bepalen die een langere looptijd heeft dan 2018 en die uitgaat van een nulplusvariant zoals de Provinciale Staten die in het convenant met de rijksoverheid en de VNG hebben afgesproken, wat hopelijk zal leiden tot een overkoepelend plan waarover de Staten straks middels een sterstuk besluiten zullen nemen, een moratoriurn dat nodig is om – bij bestendiging van een fatsoenlijk voorzieningenniveau en in het kader van verevening of stimulering – schuifruimte te hebben, want per saldo zouden de complexe inpassingsproblemen van het door de gedeputeerde geleverde maatwerk qua flexibiliteit aan provinciezijde, kunnen betekenen dat de continuïteit van het eigenlijke beleid – wanneer je het dictaat van de diversiteitsopgave serieus neemt – niet gewaarborgd kan worden, en derhalve op gespannen voet zal staan met de discussies in hel kader van de rechtszekerheid, waardoor het voorgestelde streekplan beleidsneutraal omgezet kan worden naar de eerder genoemde structuurvisie, zodat gemeenten – om te komen tot een slagvaardiger en efficiënter bestuur – langjarig op een hoog strategisch niveau in het beleid actuele verordeningen en de bijbehorende partiële herziening van de provinciale ruimtelijke verordening in – formeel gesproken – een objectgebonden startnotitie kunnen bepalen naar ratio van aanvaardbare verhoudingen, waarbij we naar rijkszijde de regionale diversificatie als uitgangspunt mogen nemen, temeer omdat in het memo van de gedeputeerde terecht wordt geconstateerd dat de provincie voornemens is – ondanks de sterke afhankelijkheid van de financiële navelstreng die wij het Provinciefonds noemen – de verantwoordelijkheid bij wijze valt lagenbenadering te nemen overeen fundamentele herijking van taken en bevoegdheden van de overheden, geheel in lijn met de ambities om te komen tot een opschaling die primair uitgaat van minder bestuurlijke drukte en een vorm van burgerparticipatie die gemeenten met een actief kernenbeleid in allerlei constructies die niet democratisch gelegitimeerd zijn zullen uitdagen te komen tot een aangepast Provinciaal Profiel dat – voor alle duidelijkheid – meer dan vroeger zal uitgaan van een logische interne samenhang en een ordentelijke verbouwing van het Huis van Thorbecke, zodat we in deze beleidsoriënterende notitie niet anders kunnen dan te concluderen dat her uitermate belangrijk is dat we de burgers meer dan voorheen zullen moeten betrekken bij het proces van provinciale besluitvorming. Godallemachtig, zo moeilijk is dat toch niet?’

 

De Volkskrant; 23 februari 2011: column Giphart, Amusement

De Volkskrant; 21 februari 2011: column Giphart, Majesteit

De Volkskrant; 16 februari 2011: column Giphart, Mubarak is dood

19 59 uur, gisteravond. GPD-correspondent Harald Doornbos meldt op Twitter het volgende bericht: ‘BREKEND: Volgens nog onbevestigde berichten maar uit betrouwbare bron is zojuist ex-president van Egypte HOSNI MUBARAK OVERLEDEN.’

Het bericht wordt hier en daar overgenomen. Velen nemen het voor waar aan. Mensen reageren geschokt. Opvallend is dat alle grote internationale nieuwszenders zwijgen.

20.05 uur. Doornbos meldt: ‘Egyptische leger zou op het punt staan om reguliere tv uitzendingen te onderbreken om Mubaraks dood aan te kondigen…’

De koningin van Twitterland, Petra de Boevere (beter bekend als @slijterijmeisje) maakt als een van de eersten een grap: ‘Werk je je hele leven kapot, mag je eindelijk met pensioen en ga je gewoon dood…’

20.35 uur. In Nederland is Mubarak – althans op Twitter – al doodverklaard, in de rest van de wereld leeft hij nog, Persbureau Reuter, heeft hem zelfs nog aan de telefoon gehad. De site NYDailynews meldt dat de voormalige Egyptische dictator ‘nearly dead’ is.

Twitteraar BGM74 plaatst het volgende bericht: ‘Mubarak dood? lijkt me wishful thinking van Egyptische journalisten van Man bijt kameel-niveau.’

Engelstalige twitteraars nemen het nieuws over Mubaraks mogelijke dood over, according to Dutch journalists. Zou Harald Doornbos dan beter zijn ingevoerd dan alle andere journalisten in Egypte?

20.50 uur. Ik bel met Jan ’t Hart, ‘chef uit’ van de Volkskrant, die verantwoordelijk is voor de Inhoud van de krant. Ik zeg dat op Twitter het gerucht waait dat Mubarak zou zijn overleden. ‘We zitten er bovenop, maar we krijgen het verhaal op geen enkele manier bevestigd’, zegt ’t Hart, die belooft me op de hoogte te houden als hij meer weet, Mijn deadline is om 23.00 uur.

Doornbos (@gpdcairo) lijkt ondertussen steeds zekerder van de zaak, In korte tijd bericht hij: ‘Inzake mogelijke dood van Mubarak zou leger zo meteen Army declaration Nr. 6 gaan voorlezen op tv. Tekst luidt als volgt: The higher council of the armed forces declares the painful news to the ummah of the death of former president of the Arab republic of EGypt, Muhamad Hosni Mubarak, age 84. We grieve for the nation the death of the great deceased who spent his life serving his country ans his people. There is no power, no might – only from God.’

Zou hij zijn voorgelogen? Zou iemand zoiets kunnen verzinnen ter eer en meerdere glorie? Is het een ultrahoax?

21.05 uur. Op Wikipedia wordt Mubarak doodverklaard, maar een paar minuten later herroept men dit. Mustapha Oukbih, Midden-Oostendeskundige van de NOS twittert: ‘Mubarak is voor alle duidelijkheid nog springlevend, meldt de Arabische zender Al Arabiya, die over het algemeen goede contacten heeft binnen het vorige regime van Mubarak.’

Twintig minuten later, om 21.16 uur, voegt hij hieraan toe: ‘Springlevend is misschien wat overdreven, maar je begrijpt wat ik bedoel.’

Blogger Huub Bellemakers is teleurgesteld: ‘De geruchten over Mubarak bevestigen weer dat Twitter nergens goed voor is. Ik wacht gewoon op de avondcourant van morgen.’

21.27 uur. Justin Bieber en Arie Boomsma zijn in Nederland ‘trending topic’, de mogelijke dood van Mubarak lijkt alweer verdwenen uit de aandacht. Zal 15 februari de geschiedenis ingaan als ‘de dag dat Mubarak alleen in Nederland overleed’?

 

De Volkskrant; 14 februari 2011: column Giphart, Gaskamers

Begin jaren negentig was ik nachtportier in een Utrechts ziekenhuis. Op een nacht scheurden er drie Mercedessen het talud van de Spoedeisende Hulp op. Leden van een beruchte zigeunerfamilie vergezelden een 16-jarige jongen die gewond was geraakt (bij een inbraak, bleek later). De kneuzing gaf de jongen geen voorrang op de andere wachtenden  bij de EHBO.

Omdat de drie wagens de afrit blokkeerden moesten ze worden verplaatst. Er kwamen vier boze mannen uit de wachtruimte naar mijn balie. Een van hen vroeg waarom hun familielid niet meteen aan de beurt was. ‘Zeker omdat we zigeuners zijn?’ riep een ander.

‘Als hij doodgaat, ga jij dood,’ zei een derde, waarna hij zijn jas opzij schoof om me de kolf van een pistool te laten zien. Het was niet voor het eerst dat een bezoeker mij een wapen toonde. Een keer daarvoor had ik zelfs een verborgen noodknop ingedrukt die in contact stond met de politie, waarna anderhalf uur later een arrestatieteam het inmiddels weer lege ziekenhuis binnenviel. Mede hierom besloot Ik in het geval van de zigeuners de politie maar niet te verwittigen. Ik vroeg nogmaals of de mannen hun auto’s konden verplaatsen. Vloekend liepen ze naar de uitgang. Een van hen draaide zich om.

‘Jullie zijn nazi’s’, zegt hij. ‘Jij bent erger dan Adolf Hitler.’

Ik moet toegeven: het was een pijnlijke zenuw die hij raakte. Een ‘confronterende spiegel’. Zo had ik nog niet naar mezelf gekeken. De wandaden van Hitler vielen – hoe erg ook – toch in het niet bij hoe wij destijds in Ziekenhuis Overvecht met patiënten omgingen.

Enfin, Ik herinnerde me dit voorval toen ik las over de commotie die dit weekend ontstond over een cartoon van Adriaan Soeterbroek op de VARA-site Joop.nl. Een man wiens achterkant lijkt op een in uniform geklede Geert Wilders stuurt een groep met de letter T gelabelde allochtonen richting de doucheruimte van een omheinde binnenplaats, De suggestie word! gewekt dat Wilders islamieten gaat vergassen.

Voor een goede cartoon gelden twee criteria: kan erom worden gelachen en wordt er iets blootgelegd? Ik ben niet principieel tegen een goeie gaskamergrap, maar deze kietelde mijn lachspieren niet. Kan gebeuren, de cartoon van Mohammed met een bom in zijn tulband ontlokte ook geen schater.

Dan de vraag wat de tekening van Soeterbroek probeert bloot te leggen. Dat resocialisatie-wijken (‘tuigdorpen’) voorboden van concentratiekampen zijn? Dat Wilders een potentiële nazi is? Dat met de PVV aan de macht moslims hun leven in Nederland niet meer zeker zijn? Of dat PVV zo langzamerhand toch echt een eng clubje moslimhaters begint te worden?

Wie Wilders’ idiote beledigingen over het Arabische erfgoed en de al even idiote voorstellen van de PVV over het verbieden van hoofddoekjes in streekbussen en provinciehuizen wil bekritiseren, moet met betere argumenten komen dan met idiote historische vergelijkingen.

Geert Wilders reageerde op de cartoon met een geruststellende voorspelbaarheid. ‘Woedend’ kreeg hij ‘rillingen over zijn rug’ toen hij ‘de walgelijke tekening’ van de ‘zieke VARA-geesten’ zag die hem in een ‘nazihoek wilden drukken’. Met dat laatste had hij natuurlijk gelijk, al had hij ook – eindelijk eens – de verstandigste kunnen zijn en  – eindelijk eens – de discussie kunnen aangaan. En dit zeg ik als iemand die zelf ook erger is dan Adolf Hitler.

 

De Volkskrant; ? ? 2010: column Giphart, Ring (over Carmiggelt)

Door een kronkel in mijn hoofd hoor ik plotseling Duke Ellingtons ‘In a sentimental mood’, een liedje dat bij iedereen ouder dan veertig onmiddellijk het beeld zal oproepen van een rimpelige man met weemoedige ogen en een rossige kuif. Met een karakteristieke trage stem begint hij te vertellen over een ouder, maar nog vief echtpaar dat hij die dag heeft gesproken. Het paar had de kerstdagen doorgebracht in een vakantiehuisje in Normandië met hun dochter, schoonzoon en drie kleinkinderen.

‘Het is altijd leuk om dat grut te zien,’ had de man van het echtpaar gezegd.
De kerst was voorspoedig verlopen. De grootvader, de grootmoeder en hun dochter hadden allen voor de traditionele maaltijd feestelijke gangen bereid, met ingrediënten die ze daags ervoor hadden gekocht bij zo’n enorme Franse supermarkt.

Alleen de schoonzoon had zich voor het koken gedrukt, maar hij had ter compensatie de wijnen aangeschaft. En daarbij was hij niet zuinig geweest, want volgens de regelen der gastronomie moest er bij iedere gang een nieuwe fles worden geschonken.

En zo zat zat het gezelschap volwassenen na de kerstmaaltijd prettig rozig van de alcohol aan de koffie, totdat een van de kinderen bovenin de oude boerderij opgewonden begon te roepen. De jongste, die van vier, had iets in zijn mond gestopt en wilde het niet afgeven aan zijn oudere broer en zus. Hierop was de moeder van het joch de trap opgerend om hem het voorwerp te laten uitspuwen.

‘Ronald,’ riep ze vervolgens van bovenaan de trap, ‘wat doet jouw trouwring in zijn mond?’

Haar echtgenoot stamelde dat hij die ’s ochtends even had afgedaan voor een of ander klusje en blijkbaar was vergeten.

‘Nou ja, en toen begon het,’ zei de grootvader.

‘In plaats van de ring gewoon terug te geven, gooide mijn dochter het ding van bovenaf naar onze schoonzoon terug,’ zei zijn echtgenote.

‘Aardige jongen, hoor,’ ging de man verder. ‘Maar echt goed vangen kandie niet.’

Nu had natuurlijk niemand van te voren kunnen voorspellen dat de trouwring met een boog, via de graaiende handen van hun schoonzoon, zo in de openhaard terecht zou komen. Er lagen toevallig net twee nieuwe houtblokken op en de vlammen waren hoog opgepookt.

Geparalyseerd keek het hele gezelschap naar de wildvlammende haard, met de trouwring daarin. Het was de grootvader die riep dat het vuur onmiddellijk uitmoest, want door de hitte zou de ring kunnen smelten.

‘Zit je met een trouwklompje in plaats van een trouwring.’

‘Kan pappa’s ring smelten?’ vroegen de twee oudste kinderen, half in paniek, waarbij de symbolische betekenis hen niet ontging. Het moment daarop begon iedereen met emmers water te slepen, maar probeer een fel brandend haardvuur eens snel te doven. Wolken van waterdamp en as walmden luid sissend door de ruimte, en na vier emmers stroomde een grijsbruine modder over de vloer de kamer in.

Uiteindelijk haalde de schoonzoon met een tang zijn gloeiendhete ring uit het vuur.

‘Hij heeft beloofd dattie hem nooit meer af zal doen,’ zei de grootmoeder.

‘Klinkt toch een beetje als een kerstverhaal, vinnunie?’ vroeg de grootvader glimlachend aan de man met de rossige kuif genaamd Carmiggelt, waarna Duke Ellingtons ‘In a sentimental mood’ weer slepend begon te spelen

 

  • De Volkskrant; 20 december 2010: column Giphart, Bierkeller
  • De Volkskrant; 24 november 2010: column Giphart, Vroeg soms

De Volkskrant; 3 mei 2010: column Giphart, Gegijzeld

Als kind avonddroomde ik regelmatig over door Molukkers gekaapte treinen. in bed, voor het slapengaan. stelde lk me het verloop van zo’n gijzeling voor; de sfeer in een treinstel. de schrik van mijn medegijzelaars. Ik denk dat de strijders van de Republik Maluku Selatan niet zullen hebben beseft hoeveel angsten en trauma’s ze veroorzaakten bij de kinderen van mijn generatie. Maar goed, als je bereid bent uit naam van je goede zaak onschuldige reizigers in de rug te schieten, zullen kinderzieltjes niet je eerste belang zijn. 

De gekaapte treinen zijn al lang uit mijn voorslaapse dromen verdwenen, maar de laatste tijd denk ik steeds vaker aan Geert Wilders en het gegijzelde leven dat hij moet leiden. Nu ik een maand het politieke circus volg heb ik regelmatig kennis gemaakt met poortjes, ik heb riemen moeten afdoen en schoenen moeten uittrekken, en ook ben ik een paar keer zalig doch zedelijk betast door bewakingspersoneel. 

Dit stelt natuurlijk niets voor vergeleken met het onmenselijke beveiligingsregime en de wezenloze opofferingen van Wilders. Vanavond presenteert zijn beweging in een zaal in Rotterdam de kieslijst aan haar achterban. Dit zal weer onder de strengste veiligheidsmaatregelen plaatsvinden, zoals de perspresentatie van het verkiezingsprogramma afgelopen vrijdag ook een bijna onneembare vesting was. 

Pauw & Witteman verslaggever Bart Chabot moest bijvoorbeeld bij binnenkomst laten zien dat zijn mondspray geen flesje zoutzuur was en mijn vulpen werd opengeschroefd om te bekijken of ik er geen mes In had verstopt. 

We konden erom lachen. Gezeten op de eerste rij wachtten Chabot en ik de komst van de Geblondeerde Leider vrolijk af. Er hingen een paar verkiezingsposters met Wilders’ beeltenis (voor de complotdenkers: hij draagt een paarse stropdas) en verder was de zaal in het perscentrum Nieuwspoort met een aandoenlijke lulligheid ingericht. 

‘Wat doen die PVV-surfplanken daar? vroeg ik. 

‘Dat zijn banieren’, wist Chabot. 

Opvallend waren ook de vele vrolijke PVV-ballonnen, alsof we op een kinderfeestje waren. Er hingen nog net geen slingers. We zagen voor ons hoe aspirant Kamerlid Willie Dille vlak voor de persconferentie eigenhandig alle ballonnen had opgeblazen. 

‘En dat ze er dan bij ééntje teveel lucht in had geperst’, stelde Chabot zich voor, ’zodat het ding in haar gezicht kapot knalde. Je wil niet weten wat voor een stress dit bij de bewakers veroorzaakte.’ 

Ondertussen werd het verkiezingsprogramma rondgedeeld, dat de hilarische titel droeg van een gesubsidieerde hermetische dichtbundel: De agenda van hoop en optimisme. Hierin bladerend hoorden we op de rij achten ons twee journalisten praten over het huwelijk van Geert Wilders, dat op de klippen zou zijn gelopen. ‘Ik denk dat zijn vrouw de druk niet meer aankon’, zei een van de mannen. ‘Vandaar Wilders’ vermagering’, zei de ander. 

Chabot en ik keken elkaar aan. Hoe zou Wilders ooit nog aan de vrouw moeten komen, als hij louter door het land beweegt in geblindeerde auto’s, nooit een café bezoekt en iedereen die hij ontmoet vooraf zijn of haar BSN-nummer moet doorgeven? Weggekaapt van het echte leven. De prijs die Geert Wilders betaalt voor zijn grondwettelijke recht onwelgevallige meningen te ventileren over een godsdienst en een bevolkingsgroep, daar zit geen hoop en optimisme bij.

De Volkskrant; 30 maart 2010: column Giphart, Almere

Streamer: De stad kan weer trots zijn
Ooit sprak ik een oude Feijenoord-supporter die in de jaren zestig met een bus Rotterdammers verdwaald raakte in de buurt achter het Amsterdamse Olympisch Stadion. De Feijenoorders keken naar de huizenblokken van de Ajacieden, die exact leken op de huizenblokken van henzelf. Een van de Rotterdammers stelde vast: ‘Hier wonen ze dus.’

Een zelfde gevoel had ik afgelopen weekend, toen mijn werk me naar de binnenstad van Almere bracht. Hier wonen ze dus, de PVV-stemmers. Ik weet niet wat ik had verwacht. Een desolate stemming. Laagschedelige stadscommando ’s die islamtuig terugknuppelen naar de gemeentegrenzen. West Side Story-achtige aanvaringen tussen allochtone en autochtone import. Wanorde. Ingegooide ruiten. Een schandpaal voor iedereen die er ooit linkse gedachten op heeft nagehouden.

Niets van dat al. De stad was levendig en puilde uit van drommen koopgrage zaterdagmensen. Lachende verliefden. Geurende Vietnamese loempia’s. En in het straatbeeld juist opvallend weinig vermaledijde hoofddoekjes, veel minder althans dan in het centrum van Utrecht.

Zaterdag werd in Almere de Nieuwe Bibliotheek geopend, geheel naar Nederlandse gewoonte vier jaar te laat en met gigantische overschrijding van het budget (miljoenen die bij elkaar zijn gezweet door de trouwe Almeerse belastingbetaler). Nu proberen veel vaderlandse bibliotheken de troosteloze sfeer van Zweedse staatsdrankenwinkels te imiteren, maar het gebouw in Almere is van een andere orde (zie de krant van gisteren). De architecten hebben ‘ambitie’ proberen vorm te geven. Dat doe je dus door de gevel van het pand typerende steenlaagjes te geven die ‘het zakkende waterpeil in de polder symboliseren.

De opening werd opgevrolijkt met lezingen en workshops. Ik kom vaker in bibliotheken, waar de opkomst van evenementen meestal varieert van aangenaam kalm tot weldadig rustig. Hoe anders in Almere. De mensen stonden buiten in dikke rijen te wachten tot ze zich bij de Nieuwe Bibliotheek naar binnen mochten wringen, alsof het een schuilkelder betrof. Ik denk niet dat ik mezelf zo zou laten folteren voor een workshop bloemschikken, koken of romanschrijven. Er stonden dranghekken, dranghekken voor een bibliotheek! Een vaderlandse politicus zou zeggen: ‘Het moet niet knettergekker worden’.

Tussen de bezigheden door troffen schrijvers, acteurs, muzikanten en bloemschikkers elkaar in de kantine van het gebouw. Weinigen hadden ooit zo’n drukte ervaren. De bibliotheekdirecteur vertelde dat er die zaterdag op de open dag zeker tienduizend mensen zouden verschijnen en de zondag nog eens zo’n menigte.

‘En dat is meer dan we hadden verwacht,’ zei hij, alsof hij er zelf ook verbaasd over was. Het kan natuurlijk niet anders, zei ik, dan dat de enorme belangstelling van de bevolking te maken had met de winst van de PVV en de dreigende afschaffing van alle cultuursubsidies en andere linkse hobby’s.

‘Veel bewoners hier hebben de afgelopen maanden achter hun hand gemompeld dat ze uit Almere kwamen,’ zei de directeur. ‘Wat ik vandaag gezien heb is trots. Mensen hier hebben eindelijk weer een reden om trots te zijn op hun stad.’

Hierna vertrok ik naar de plek waar ik mijn tweede workshop bloemsch… romanschrijven zou geven. Ik keek nu anders naar mijn toehoorders. Dit zijn ze dus, dacht ik de mensen die nog trots zijn op hun bibliotheek.

  • De Volkskrant; 30 december 2008: column Giphart, Onverantwoord Vuurwerk
  • De Volkskrant; 23 december 2008: column Giphart, Het Evangelie Van Simon
  • De Volkskrant; 18 december 2008: column Giphart, Ononderbroken Dronken
  • De Volkskrant; 16 december 2008: column Giphart, Kerstborrel
  • De Volkskrant; 11 december 2008: column Giphart, Jezus: ‘Mohammed Is Ongeloofwaardig’
  • De Volkskrant; 9 december 2008: column Giphart, Familiecomdy
  • De Volkskrant; 4 december 2008: column Giphart, Ik Weet Het Niet
  • De Volkskrant; 2 december 2008: column Giphart, Schuldige Gebouwen
  • De Volkskrant; 27 november 2008: column Giphart, De Dood Van Een Elfjarige
  • De Volkskrant; 25 november 2008: column Giphart, Waterkandidaten
  • De Volkskrant; 20 november 2008: column Giphart, Victorie
  • De Volkskrant; 18 november 2008: column Giphart, Nepnegers
  • De Volkskrant; 13 november 2008: column Giphart, Jij Bent Bijzonder
  • De Volkskrant; 11 november 2008: column Giphart, Dissen
  • De Volkskrant; 6 november 2008: column Giphart, Obama-Moeheid
  • De Volkskrant; 4 november 2008: column Giphart, De Baas Van Amerika
  • De Volkskrant; 30 oktober 2008: column Giphart, Goede Manieren
  • De Volkskrant; 28 oktober 2008: column Giphart, Joseph
  • De Volkskrant; 23 oktober 2008: column Giphart, Monniken
  • De Volkskrant; 21 oktober 2008: column Giphart, Links
  • De Volkskrant; 16 oktober 2008: column Giphart, Gozo
  • De Volkskrant; 14 oktober 2008: column Giphart, Neerstorten
  • De Volkskrant; 7 oktober 2008: column Giphart, Trekkerangst
  • De Volkskrant; 2 oktober 2008: column Giphart, Hoofdkantoor
  • De Volkskrant; 30 september 2008: column Giphart, Teen Spirit
  • De Volkskrant; 26 september 2008: column Giphart, Jurk
  • De Volkskrant; 25 september 2008: column Giphart, Heilig Vuur
  • De Volkskrant; 24 september 2008: column Giphart, Krakend Water
  • De Volkskrant; 22 september 2008: column Giphart, Nazomer
  • De Volkskrant; 19 september 2008: column Giphart, Zuchtmeisje
  • De Volkskrant; 18 september 2008: column Giphart, Aarhgrghehh
  • De Volkskrant; 17 september 2008: column Giphart, Fokking Mieters
  • De Volkskrant; 16 september 2008: column Giphart, Vriend Van Peter
  • De Volkskrant; 15 september 2008: column Giphart, Voetbal Is Liefde
  • De Volkskrant; 12 september 2008: column Giphart, Kicks Voor Niks
  • De Volkskrant; 11 september 2008: column Giphart, Tot Op Het Bot Verraden
  • De Volkskrant; 10 september 2008: column Giphart, Bootsjunge
  • De Volkskrant; 9 september 2008: column Giphart, De Tolk In Mijn Hoofd
  • De Volkskrant; 8 september 2008: column Giphart, Zen En De Onmacht
  • De Volkskrant; 5 september 2008: column Giphart, Kinderkrabbels
  • De Volkskrant; 4 september 2008: column Giphart, Poepewitte Zuurkool
  • De Volkskrant; 2 september 2008: column Giphart, Seizoensgids
  • De Volkskrant; 1 september 2008: column Giphart, De Grote Brand
  • De Volkskrant; 29 augustus 2008: column Giphart, Furor Brittannorum
  • De Volkskrant; 28 augustus 2008: column Giphart, Telegraaf
  • De Volkskrant; 27 augustus 2008: column Giphart, Ontboezeming
  • De Volkskrant; 26 augustus 2008: column Giphart, Chattes Panoramique
  • De Volkskrant; 25 augustus 2008: column Giphart, Geritsel In De Nacht
  • De Volkskrant; 22 augustus 2008: column Giphart, Champagne
  • De Volkskrant; 21 augustus 2008: column Giphart, Proosten Naar De Sterren
  • De Volkskrant; 20 augustus 2008: column Giphart, Shakespeare
  • De Volkskrant; 19 augustus 2008: column Giphart, Marie En Haar Marie
  • De Volkskrant; 15 augustus 2008: column Giphart, Mijn Vrouw
  • De Volkskrant; 14 augustus 2008: column Giphart, Breaking News
  • De Volkskrant; 12 augustus 2008: column Giphart, Eerbiedige Stilte
  • De Volkskrant; 11 augustus 2008: column Giphart, Euthanasie Light
  • De Volkskrant; 8 augustus 2008: column Giphart, Le Bonheur De Chine
  • De Volkskrant; 7 augustus 2008: column Giphart, Misantroop
  • De Volkskrant; 6 augustus 2008: column Giphart, Geweld Op TV
  • De Volkskrant; 5 augustus 2008: column Giphart, Trampoline
  • De Volkskrant; 29 juli 2008: column Giphart, Gaming
  • De Volkskrant; 25 juli 2008: column Giphart, God Verdoeme Mij
  • De Volkskrant; 23 juli 2008: column Giphart, Het Gezicht Van Haat
  • De Volkskrant; 18 juli 2008: column Giphart, De Erotische Leefgemeenschap
  • De Volkskrant; 17 juli 2008: column Giphart, Bootsop
  • De Volkskrant; 16 juli 2008: column Giphart, Doe Maar 2008
  • De Volkskrant; 15 juli 2008: column Giphart, Doe Maar 1982
  • De Volkskrant; 9 juli 2008: column Giphart, Hersenschudding
  • De Volkskrant; 8 juli 2008: column Giphart, Brandgang
  • De Volkskrant; 26 juni 2008: column Giphart, In Het Donker Zonder Matras
  • De Volkskrant; 25 juni 2008: column Giphart, Toch [is bovendien gedeeltelijk opgenomen in Keukenprins (2008)]
  • De Volkskrant; 24 juni 2008: column Giphart, African Handshake
  • De Volkskrant; 23 juni 2008: column Giphart, Feest!
  • De Volkskrant; 20 juni 2008: column Giphart, Verslagenheid
  • De Volkskrant; 19 juni 2008: column Giphart, Verlangen Naar Herhaling
  • De Volkskrant; 18 juni 2008: column Giphart, Bier En Tieten
  • De Volkskrant; 17 juni 2008: column Giphart, De Glimlach Van Mijn Zoon
  • De Volkskrant; 16 juni 2008: column Giphart, Jonge-Jongensbelofte
  • De Volkskrant; 13 juni 2008: column Giphart, Het Oranjeorganisme
  • De Volkskrant; 12 juni 2008: column Giphart, Maurice
  • De Volkskrant; 11 juni 2008: column Giphart, Stoïcijn
  • De Volkskrant; 10 juni 2008: column Giphart, Zelfmedelijden
  • De Volkskrant; 9 juni 2008: column Giphart, Van Ontzag Naar Respect
  • De Volkskrant; 6 juni 2008: column Giphart, Het Zina Met De Ogen
  • De Volkskrant; 5 juni 2008: column Giphart, Retteketet!
  • De Volkskrant; 4 juni 2008: column Giphart, Pijnstilte
  • De Volkskrant; 3 juni 2008: column Giphart, Bril