OOR Nr. 25/26 15 december 2001. De Vliegende Panters zijn erg populair, op het briljante af ad rem en geestig. Maar ze ontzien niemand. Ondervond ook Schrijver Ronald Giphart.

OOR Magazine

By hans, 24 januari 2016

Het blad werd op 1 april 1971 opgericht door student politicologie Barend Toet (geboren 3 januari 1947). Toet had vooral muziektijdschriften als Rolling Stone en het EngelseMelody Maker voor ogen als voorbeelden. Het eerste nummer, dat met artikelen over pop, jazz en klassieke muziek een brede opzet had en in een oplage van 20.000 exemplaren werd verspreid, werd betaald door Berry Visser, een van de oprichters van concertorganisator Mojo Concerts. Het blad werd op 1 januari 1972 verkocht aan Levisson (Graficus, Stripblad) en richtte zich vanaf dat moment meer op popmuziek. Per 1 mei 1973 werd het blad ondergebracht in een eigen vennootschap, Keihard & Swingend, waarna de oplage snel steeg tot 40.000 exemplaren. Midden jaren 70 was Muziekkrant OOR gevestigd in de Lange Leidsedwarsstraat te Amsterdam. Later in Amsterdam-Zuid in de IJsselstraat. OOR stond een aantal keren op Pinkpop met een marktkraam ter promotie van hun blad. Bekende redacteuren uit die tijd Jan Maarten de Winter en Constant Meijers. In januari 1980 ging OOR op tijdschriftformaat verschijnen. Vier jaar later werd het formaat nogmaals verkleind, verdween de aanduiding ‘muziekkrant’ van de omslag en kondigde het blad aan voortaan meer over film, literatuur, cabaret en kunst te gaan berichten. Die verbreding van de formule hield echter niet lang stand. Vanaf oktober 2005, toen muziektijdschrift Aloha (dat zich op de oudere muziekliefhebber richtte) opging in OOR, is het een glossy.

OOR’s Pop-encyclopedie

Op 1 januari 1977 werd OOR ondergebracht bij Jongerenmedia BV, die destijds ook de Hitkrant uitgaf. Najaar 1977 verscheen tevens de eerste editie van OOR’s Pop-encyclopedie, die nadien elke twee jaar zou verschijnen en aanvankelijk grotendeels was geënt op de in 1976 voor het eerst verschenen Illustrated New Musical Express Encyclopedia of Rock. Eind 1978 werd Jongerenmedia voor 900.000 gulden overgenomen door Elsevier-dochter Folio Groep. Najaar 1980 verhuisde OOR naar Hilversum. De jaren van grote groei waren inmiddels voorbij, en pas met de introductie van de compact disc in de jaren tachtig liep de oplage weer op. OOR en Hitkrant bleven tot aan de jaren negentig bij Elsevier, totdat Telegraaf Tijdschriften Groep de publieksbladen van Elsevier overnam.

Veranderingen

In 2002 verkocht TTG OOR aan de Nederlandse Tijdschriften Groep (NTG) van Erik de Vlieger, ook uitgever van het popblad Aloha. Mede door de ingezakte muziekmarkt en problemen bij de uitgeverij, kwam OOR in de problemen. In 2004 voerden freelancers actie tegen NTG vanwege betalingsachterstanden. Vanaf 20 januari 2005 verschijnt OOR niet meer tweewekelijks, maar maandelijks. In de zomer van 2005 heeft de Argo Groep het blad overgenomen van NTG, en in oktober 2005 werden Aloha en OOR samengevoegd.

 

OOR Nr. 25/26 15 december 2001

Ronald-Giphart-OOR-magazine-nr-25-26-15-december-2001-Vliegende-pantersTitel: De Vliegende Panters

Subtitel: De stijgende lijn omhoog

Schrijver: Ronald Giphart

Fotografie: Mark Janssen

De Vliegende Panters zijn erg populair, op het briljante af ad rem en geestig. Maar ze ontzien niemand. Ondervond ook Schrijver Ronald Giphart.

Ronald Giphart spreekt de Vliegende Panters

Pagina’s: 82 t/m 85

Niet de kat uit de boom kijkerig, niet geremd of terughoudend beginnen De Vliegende Panters nog geen vijftien seconden na onze ontmoeting op hun kantoor een salvo van grappen op me af te vuren. Ze doen typetjes en stemmetjes; ze kauwen accenten na; ze  roepen en zingen; ze trekken rare gezichten en lachen onbedaarlijk; ze maken grappen op hun werkplek; ze maken grappen op straat; ze maken grappen in mijn auto onderweg naar wat later zal blijken de meest troosteloze plek van Nederland; ze maken grappen als we verdwaald zijn; ze maken grappen op de parkeerplaats; in de rij van de zelfbediening van het restaurant waar we zitten; ze maken grappen aan tafel; ze maken kortom voortdurend overal grappen en, eerlijk is eerlijk: ze zijn op het briljante af ad rem en geestig.

Mijn mening: De Vliegende Panters (bestaande uit’ Remko Vrijdag, Rutger de Bekker’ en ‘Diederik Ebbinge’) is de beste cabaretgroep die Nederland ooit heeft gehad. Ik durf dit te zeggen omdat ik mezelf tussen mijn zesde en veertiende met mijn meervoudige persoonlijkheidsstoornis ook cabaretgroep noemde en sindsdien het vaderlandse cabaret volg en verzamel (en in alle eerlijkheid diep in mijn hart verstikkend jaloers ben op jongens & meisjes die nota bene jonger zijn dan ikzelf en daadwerkelijk cabaretier zijn geworden). De reden dat ik op mijn veertiende ‘stopte met cabaret’ was dat ik er achter kwam dat je pas een cabaretier kunt zijn als je altijd Heel Erg Grappig bent en altijd je publiek weet te bespelen (en daarom is het vaak zo droevig om de enorme parade van hedendaags cabarettekketet te bezoeken, omdat je van een cabaretier verwacht dat hij of zij in ieder geval grappiger en spitsvondiger is dan jijzelf). Vanmiddag spelen de Panters een drie uur durende geïmproviseerde voorstelling die Interview Met Een Schrijver heet. En ze weten me van begin af aan te bespelen. Voor het gesprek ruilen we boeken en CD’s, maar onder het motto Gentlemen, let’s not start sucking each other’s dicks quite yet (van The Wolf uit Pulp Fiction) wil ik het gesprek openen met een kritische vraag, die luidt: Hoe komen jullie toch aan die perfecte synthese tussen taal en klank? Onmiddellijk volgt er een kleine act. Rutger zegt: ‘Diederik heeft mavo gedaan. Hij weet niet wat synthese is…’ Remko (knikkend naar Diederik): ‘Jij denkt dat synthese iets met wasmiddel te maken heeft.’ Diederik: ‘Synthese is toch dat het geen katoen is?’ We zitten in een door de Panters zelf gekozen locatie: het restaurant van Tuincentrum Osdorp. We zien levensgrote zilveren kerstmannen, naast zakken kunstmest en tuinameublement met Mondriaandesign. Vraag 2: Waarom zitten we in godsnaam in het restaurant van Tuincentrum Osdorp, tussen de moedeloosmakende kerstspullen, de wurgende tuinoverbodigheid en de zelfvoortbewegende menselijke vleeswoeker? ‘Hier…’ zegt Diederik met een weids gebaar, ‘hier zitten alleen maar onschuldige burgers.’

‘En die moesten ze allemaal kapotmaken,’ roept Remko blij. Rutger: ‘Ter leringe ende vermaak!’ ‘We zijn hier om de treurigheid van de wereld nog eens te benadrukken, want dat is onze inspiratiebron,’ gaat Diederik door, echter niet als zichzelf maar als artistiek typetje. Dat blijkt bij het gesprek vaak te gebeuren. Ik stel een min of meer serieuze vraag, die door een van de Panters aanvankelijk min of meer serieus wordt beantwoord, totdat een ander een stemmetje opzet en als typetje verdergaat. Zo vraag ik (gekeken naar de gretige afschuw waarmee ze de bezoekers van Tuincentrum Osdorp gadeslaan, bijvoorbeeld de vrouw in een supersonische rolstoel die door Remko ‘de Mazzarati onder de rollators’ wordt genoemd) of ze misantroop zijn. ‘Neuh, niet echt, alleen wij observeren hoe mensen…’ begint Rutger, waarna Remko hem blaffend onderbreekt: Tis tát? Miezanturroop?’ Diederik direct, als een ander typetje: ‘Je bedoelt zo’n sigarenbandjesverzamelaar?’ Remko, met weer een nieuw stemmetje: ‘Ik heb gisteren bij de Volendammer visboer vijfhonderd gram misantroop gekocht.’ Rutger, huisvrouw inmiddels: ‘Gestoven?’ Remko: ‘Nee, gefileerd.’ ‘O, gefiléérd. En dan gebakken?’ ‘Met een beslagje.’ ‘Kruidenbeslagje?’ Et cetera. Een vraag over misantropie is voor de Panters het startschot voor een pijlsnelle absurdistische scène over de bereiding van vis. Ik zeg dat deze act zo in hun nieuwe programma kan, maar dit is een foute opmerking, want de Panters hebben in hun nieuwe show (die volgend jaar september in première gaat) een sketch over de familieleden en bekenden die hen adviseren wat voor humorvols er in hun nieuwe programma zou moeten. ‘Wij maken wel uit wat grappig is,’ zegt Diederik, juist als op dat moment de gehandicapte vrouw weer in haar Mazzarati voorbij komt gezoemd (Remko, als een sportcommentator: ‘In veertien seconden accelereert ze van 0 tot 35 kilometer per dag!’). Op dit punt begin ik geïmponeerd te raken van hun saamhorigheid. De Panters zijn een perfect draaiend drietal dat het vermogen heeft van alles humor te maken en niets serieus te nemen. En daarbij zijn ze even grappig als meedogenloos. Ze zijn niet aardig over de mensen om ons heen, en ook niet over collega’s, Bekende Nederlanders, popmuzikanten, enzovoort, maar ze zijn op zo’n aanstekelijke manier niet aardig, dat het uitermate prettig is naar ze te luisteren. Ook hun fans moeten het bezuren. Diederik zegt: ‘Onze echte fans zijn altijd zielige meisjes van een jaar of zestien.’ Rutger: ‘Een beetje dikkig zijn ze ook.’ Remko: ‘Lelijke pukkelkoppen die voor de rest niemand kunnen krijgen, die worden dan fan van de Panters.

Heel onappetijtelijk.’ Diederik: ‘Er komen natuurlijk ook wel mooie meisjes naar onze programma’s, maar de meisjes die na afloop met je willen praten, die zijn altijd heel lelijk.’ ‘En waar ik ook niet goed van wordt,’ zegt Rutger, ‘zijn de reacties die ik krijg van mensen die ik zogenaamd heb gekend. Ik kreeg een e-mail van een jongen uit Veldhoven, waar ik vandaan kom. De jongen was de zoon van de plaatselijke middenstander. Hij mailde me dat hij zijn advocaat had ingeschakeld, grapje natuurlijk, omdat wij in een nummer over Freek de Jonge rozijnen zinloos hadden geweld. Maar ik denk dat hij werkelijk dacht dat hij mij hiervoor heeft geïnspireerd. Mijn hele leven heb ik hem geloof ik twee keer gesproken. Ik bedoel: wat denkt zo’n jongen?’

In Amerika bestaat een ziektebeeld genaamd sudden wealth syndrome, uitgevonden voor jonge mensen die te snel teveel succes hebben gekend. Typisch een onderwerp om de Panters voor te leggen, lijkt me. Remko reageert op deze vraag met een Albert Mol-achtig typetje (‘Primaaah hoorrr! Succes? Lekker toch? Heel fijn!’), maar ik zeg: Even serieus nu. Jullie verdienen drie ton de man per jaar. Jullie beide shows sloegen in als een bom. Jullie spelen altijd voor uitverkochte grote zalen. De kritiek rekent jullie en Hans Teeuwen tot de IT-boys van het vaderlandse cabaret. Jullie hebben je eigen tv-serie. Kortom, ik mag toch wel vragen wat dat met jullie heeft gedaan? Jullie zijn de meest populaire cabaretgroep ooit. Alleen Don Quishocking komt misschien in de buurt, Rutger: ‘Dat kun je helemaal niet zeggen.’ Diederik: ‘Tuurlijk kan hij dat wel zeggen. Klonk goed. Zeg het nog een keer!’ Remko (als Brabantse boer): ‘Don Ouishocking? Minder héé. Best oké wel, maor… minder héé.’ ‘Ik denk niet dat succes heel erg veel met ons doet,’ zegt Rutger. ‘En in alle eerlijkheid: wij zijn mensen met haast,’ gaat Remko verder. ‘Voor ons was het toch al een beetje te langzaam in het begin. De tweede helft van het eerste seizoen moesten we terug naar Klein Bellevue en toen dachten we: Haha, kan dat niet de Kleine Komedie zijn? Inmiddels hebben al een paar keer Carré gevuld.’ Rutger: ‘Wij houden van de stijgende lijn omhoog!’ Diederik: ‘Onze manager moest ons in het begin echt afremmen, maar nu hoeft dat niet meer. Ik denk niet dat wij veranderd zijn.’ Geeft succes jullie dan geen kick? Remko, als zichzelf deze keer: ‘Natuurlijk, een enorme kick. Ik ga echt letterlijk fluitend naar mijn werk. Wij hebben de leukste baan die er bestaat. Maar we zitten wel iedere dag braaf op ons kantoor dingetjes te verzinnen. Ik denk dat de buitenwereld er meer van maakt dan het in werkelijkheid is.’ Op dit punt wordt Remko onderbroken door het gegil van een peuter, een paar tafels verder. Diederik draait zich om en zegt: ‘Rotkind.’ Remko: ‘Lelijk wijf.’ Rutger: ‘Een soort aap.’ Diederik: ‘Zo’n meisje dat op haar twaalfde al zwanger is van haar eerste.’ Remko: ‘Die verwekt is door haar neef.’ Rutger: ‘Zo’n meisje wier moeder eigenlijk haar oma is.’ Naar aanleiding van Don Ouishocking nemen we het vaderlandse cabaret door. De Panters zien bijna geen shows meer van collega’s. ‘Vroeger wel natuurlijk,’ zegt Diederik, ‘om ons zelfvertrouwen op te vijzelen. Maar dat is nu niet meer nodig.’ Rutger: ‘Het is ook gewoon niet leuk meer.’ ‘Ik wil geen geld meer besteden aan slecht cabaret,’ zegt Diederik. ‘En vijfennegentig procent is erbarmelijk slecht.’ Ik noem een paar namen. Marcel Verreck. ‘Nooit gezien.’ Dolf Jansen. Remko (als Albert Mol): ‘Jaaaahhh Dolf Jansen… Groot voorbeeld.’

Diederik: ‘Ik ben al zeventien jaar bij de Weight Watchers om dat te bereiken.’ André Manuel. Rutger: ‘Dat is toch die cabaretier bij wie er altijd mensen boos worden? Dat er bij hem standaard toeschouwers de zaal uitlopen, hoeft niet te betekenen dat het goed is.’ Bij de Panters lopen er gemiddeld ook twee personen per voorstelling de zaal uit, maar dat is niet het streven. Remko: ‘Ik vind dat nooit leuk. Ergens vind ik het eventjes wel stoer, maar snel denk ik: Waarom eigenlijk?’ Diederik: ‘Wij willen niet shockeren, wij willen zinnenprikkelen. Mensen moeten op het puntje van hun stoel zitten. Neem onze rap over Anne Frank. Sommige toeschouwers zijn dan beledigd puur om het feit dat wij Anne Frank roepen. Wat we wilden was een Osdorp Posse-achtig bandje dat een politiek nummer bracht met zo’n mavo-mening. En wat is dan een goed onderwerp? Niet de Betuwelijn, maar Anne Frank. Zeg maar: Bevrijdingspop-rap. Volstrekt legitiem. Niks shockerend.’ Remko: ‘Gewoon heel erg Avro.’ Erik van Muiswinkel. ‘Ja, dat is nou een mooi voorbeeld,’ zegt Rutger. ‘Ten eerste: hij is natuurlijk een briljant imitator, daar wil ik niets aan afdoen. Maar wij houden niet zo van letterlijke een-op-een imitaties. Wij imiteren niet een individu, maar een hele soort, een genre.’ Diederik: ‘Bijvoorbeeld ons nederpopnummer. Daar zit loontje Lager in, maar ook Kadanz en Doe maar. Die bandjes zijn onze jeugd. Wij zijn kijkers, en als we in een genre duiken, komen al onze observaties naar boven.’ Remko: ‘Het is prettig om je een genre eigen te maken, zonder dat het serieus wordt. Zo’n parodie op Bohemian Rapsody, dat is een eerbetoon aan Queen, maar we hoeven niet al onze nummers in die stijl te doen.’ Een van de geslaagdste parodieën is hun Romeo-achtige versie van Het Dorp van Wim Sonneveld. Wat de Panters daar doen ontstijgt de parodie. De kunst kent de begrippen ‘imitatio’ (ofwel navolging) en ‘emulatio’ (ofwel wedijver). De Panters’ versie van Het Dorp wedijvert met de versie van Sonneveld (Remko: ‘Emmullazio? Tis tát?’). Diederik: ‘Ik denk dat ons succes mede daar vanaf hangt en ons onderscheidt van veel ander cabaret. Wij doen ook flauwe dingen en parodietjes en imitaties, maar wij proberen een genre bloot te leggen. Onze act is een middel om commentaar te leveren en verbanden te leggen. Cabaret van veel collega’s heeft geen bodem, in hun werk zitten geen lagen. Collega’s imiteren om het imiteren, of shockeren om het shockeren.’ ‘Daarom werken schnabbels van een half uur niet zo goed bij ons,’ zegt Rutger. ‘Dan doen we alleen een paar geinige liedjes, en dat is het dan. In onze shows zijn we heel erg bezig met gelaagdheid, en ik denk dat het publiek ons daarom erg waardeert. Er moet een bodem zijn.’ En Hans Teeuwen? Diederik: ‘Bij leeuwen is zijn persoon zijn bodem, zijn drijfveer. Dat maakt hem groots. Hij heeft veel humor, maar daarnaast is hij ook getergd.’ Theo Maassen. Diederik: ‘Minder. Ken ik ook niet zo goed.’ Remko: ‘Waarom worden Maassen en leeuwen toch altijd met elkaar vergeleken. Ik snap dat echt niet.’ Ik vraag of de Panters dan werkelijk geen grote voorbeelden hebben. ‘Wij zijn op een leeftijd dat we geen voorbeelden meer hebben,’ antwoordt Diederik. ‘Wat betreft Nederlands cabaret wil ik alleen naar Hans leeuwen. Punt. De rest interesseert me werkelijk niet.’ ‘En popmuziek?’ wil ik weten (met het oog op OOR-lezers). ‘Ik vind Radiohead erg goed,’ zegt Remko. Rutger (als typetje): ‘Maar als Radiohead in Nederland zou wonen, dan zouden ze het natuurlijk fantastisch vinden om De Vliegende Panters te zijn.’

Na een conference van twee en een half uur beëindig ik het gesprek. Remko vraagt of ik het een leuk interview vond en of ze niet te dominant waren. Naar waarheid antwoord ik dat ik me erg heb vermaakt, maar dat ik bijzonder moe zou worden als ik een Panter zou zijn. Of permanent in hun aanwezigheid moest verkeren. Almaar die typetjes. Rutger: ‘Maar we gaan om vijf uur gewoon weer naar huis!’ En stoppen jullie dan met imiteren? Diederik: ‘Nee. Mijn vriendin wordt gek van me. Ik heb bijvoorbeeld een Rotterdammer-verbod.’ Remko: ‘En als ik ruzie heb met mijn vriendin, ga ik gewoon bij mijn oudste dochter zitten.’ Rutger: ‘Ja, dat is het mooie van kinderen. Met kinderen kom je thuis ook een beetje aan je trekken. Ik ga gewoon een boek voorlezen als een typetje. Mijn kind vindt dat fantastisch. Maar goed, ze is drie maanden.’