VARAGids, Ronald Giphart, Herman van der Zandt, interview De Avondetappe

VARAgids 2016 27 28 Herman van der Zandt

Herman van der Zandt (41) presenteert, samen met Dione de Graaff, de avondetappe nieuwe stijl. ‘We gaan geen Martje spelen, we gaan het op onze manier doen.’

Je kondigde aan dat je tijdens dit interview liever niet over jezelf wilde praten. Nee, ik krijg vaak verzoeken om eens even te laten zien wie die Herman precies is. Ik voel niet de behoefte dat uit te leggen. Mensen mogen gerust zelf bedenken wie ik ben. Ik ben altijd terughoudend geweest in het laten lichten van mijn doopceel.

Maar dan moeten wij, de fans, dus maar raden wie jij echt bent? Toen er afscheid van je werd genomen bij het NOS-Journaal, werd het clublied van NAC gedraaid. Ja, er ging toen wel even een schokgolfje door-de huiskamer, neem ik aan? Ik wist dat natuurlijk niet, ik hoorde wat geroezemoes op de achtergrond. Eerst dacht ik dat ze applaus aan het instarten waren. Het is niet bepaald een onderscheidend clublied, dus het duurde even voor ik het doorhad.

Ben je een groot NAC-fan? Dat speelt zich vooral af in mijn jeugd. Ik woonde vlakbij het stadion, toen stadions nog in de stad lagen. Daar ging ik al heel snel op de tribune staan met vrienden, als jochie van twaalf, dertien. Destijds speelde NAC ook Eerste Divisie en werd er altijd omgeroepen: ‘Er zijn 1.321 bezoekers in het stadion.’ Dat was toen erg veel. Nu zitten er tien keer zoveel mensen.

En speelt NAC nog steeds Eerste Divisie. Ja, en nog steeds kom ik er. Mijn
liefde is gebleven, maar het wordt wel minder. NAC speelt nu niet meer in de stad, maar op een industrieterrein, wat toch wat van de charme afhaalt. Ik ga nog steeds naar belangrijke wedstrijden, maar ben er niet meer iedere week.

Je bent geboren Bredanaar. Ja, dat ook nog.

Maar je spreekt accentloos. Ik ken weinig Brabanders die al het Brabantse in hun tongval zijn kwijtgeraakt. Vroeger maakte ik cassettebandjes met mijn broer, radioprogramma’s met plaatjes, en daarop spreek ik toch wel degelijk Bredaas, maar in mijn studententijd ben ik mijn accent kwijtgeraakt. Al zie ik mezelf echt als Brabander.

Je kwam naar Utrecht om geschiedenis te studeren; Lag daar je passie? Aanvankelijk deed ik fysische geografie, maar dat was niks. Ik was 17 en net weg bij mijn ouders. In Utrecht zat al een vriend van mij en ik heb een studie uitgezocht om maar in Utrecht te kunnen wonen. Toen het met geografie niets werd koos ik geschiedenis, eigenlijk omdat ik dat het leukste vak op school vond.

Waar ben je op afgestudeerd? Op Dries van Agt! Die was hoogleraar in Nijmegen en werd gezien als heel progressief. In de beeldvorming was hij een heel reactionaire premier. Ik ben gaan vorsen waar het omslagpunt zat. Hoe kan het dat een rechtse premier een linkse hoogleraar wordt. De titel van mijn scriptie was: ‘Recht tussen links en rechts’.

Heb je met volle teugen genoten van het studentenleven? Ging je naar de kroeg? Ik heb het allemaal meegemaakt. Ik woonde met kerels in huis en had een erg leuk en erg brak leven. Maar op een gegeven moment begon toch het serieuzere bestaan. Ik had stage gelopen bij de NOS, waar het tempo een keer of tien sneller lag dan in de collegebanken. Toen er een vacature kwam, heb ik gesolliciteerd, en moest ik ineens naar mijn werk op een tijdstip waarop ik normaal naar bed ging. Ooit heb ik gezworen dat ik nooit een baan zou hebben waarvoor ik voor negen uur ’s morgens mijn bed uit moest komen. En toen fietste ik door de Nobelstraat naar de trein, de zatte torren ontwijkend waar ik een paar maanden daarvoor nog deel van uitmaakte.

Wat was er zo aantrekkelijk aan de NOS? Met mijn broer had ik een radioprogrammaatje bij Studio Audio, de ziekenomroep in Breda. Ons programma heette ‘Zwamneus en Co’. Ik was die Co, denk ik. Ik heb dus altijd die ambitie gehad. Als redacteur bij de NOS mocht ik nieuwsberichtjes tikken die anderen voorlazen. Ik dacht: als ik niet binnen een halfjaar zelf op de zender mag, moet ik misschien maar iets anders gaan zoeken. Dat was voor mij wel a-typisch, want eigenlijk ben ik niet zo’n mannetje. Ik mocht uitproberen of ik het kon, en begon in de nachtelijke uren met bulletins. En zo ben ik erin gerold. Na verloop van tijd werd radionieuws en tv-nieuws samengevoegd. Ze zochten presentatoren bij wie mensen niet meteen de tv zouden uitzetten, en blijkbaar voldeed ik daaraan.

Je kreeg grote landelijke bekendheid als ‘Herman de Schermman’, omdat je bij verkiezingsavonden uitslagen begon te swipen. Was dat een gimmick? Wie bedacht dat? Zoals met de meeste dingen die viral gaan, was dit totaal niet gescript of bedacht. Martin de Groot, regisseur van de NOS, ook al weer overleden, bedacht het om een gigantische iPad te gebruiken. Ik vond het leuk om daarmee te werken en swipete de uitslagen. Martin zette daar een swoesh-geluidje onder. Ik bedacht wat varianten, bijvoorbeeld de ‘no look-swipe’, Het sloeg inderdaad in. Felix Meurders noemde me bij het radioprogramma De Nieuws BV ‘Herman de Schermman’, een omschrijving die gretig werd overgenomen. Na een paar verkiezingen heb ik gezegd: nu is het klaar, het moet geen gimmick worden.

Het heeft je geen windeieren gelegd. Nee, en ik moest er zelf ook wel om lachen. Ik presenteerde vaak in de ochtend en de middag, waarin je wat meer ruimte hebt dan in het Achtuurjournaal. Er start overdag weleens een bandje niet, er gaat weleens iets mis, dat soort dingen kun je in die uren snel oplossen met een grap of kwinkslag. Op een dag was het weerbericht er niet. ‘Kijkt u zelf maar even naar buiten,’ zei ik. Die ruimte heb ik altijd genomen, misschien meer dan anderen. Dat werd wel gewaardeerd, tot mijn grappen bij DWDD in een compilatie achter elkaar werden gezet. Mensen van andere programma’s begonnen mij ook uit te nodigen om als ‘grappige nieuwslezer’ op te draven. Daar had ik geen zin meer in.

En toen verbaasde je iedereen door de overstap te maken naar Studio Sport. De aanstormende nieuws-anchorman naar de sport! Ik had een heleboel afslagen kunnen nemen in Hilversum, maar ben altijd bij de NOS gebleven. Uiteindelijk zat ik 15 jaar op de nieuwsredactie. Mijn heilige ambitie was niet om vast het Achtuurjournaal te presenteren en dat vervolgens twintig jaar te doen. Ik weet vaak welke kant ik niet op wil, maar niet wat ik wél wil doen. Het was mijn verlangen ooit nog eens iets met sport te doen, met wielrennen vooral: zo’n programma als wat Mart Smeets deed. Ik dacht: als ze mij daar nou eens twee maanden per jaar voor zouden vragen. En als ik dan ook Met het mes op tafel erbij mag doen. Zo hoopte ik mijn eigen pakket bij elkaar te puzzelen.

Een pretpakket? Met inderdaad allemaal leuke dingen. Maar sommige dingen waren moeilijk te combineren met mijn geloofwaardigheid als nieuwslezer. Toen ik Met het mes op tafel ging doen, waren er mensen die dachten: hij zit met geld te rommelen en hij zingt… Kan dat wel? Ik heb daar nooit een probleem in gezien. Als ik mijn blote reet ergens op straat zou rennen was het wat anders, maar het bleef binnen de kaders.

Wanneer begon het idee te knagen dat je ook de keuze voor sport kon maken? In 2012 in Londen, toen er voor het eerst een Sportzomer op Radio 1 was. Ik zag hoe organisch nieuws en sport samengingen. Daarna werd ik gevraagd om Met het oog op morgen te presenteren. Ik mocht overal van proeven en kwam erachter dat er meer smaken waren. Die sportevenementen vond ik geweldig. Bij het Journaal was er wat minder variatie voor de presentator. Bij sport kom je nogal eens buiten de deur. Mijn collega’s zijn overigens voor 80% dezelfde mensen. Wat dat betreft veranderde er niet zoveel.

Nieuw was dat het puur om sport ging. Ik associeerde jou niet zo met sport. Je mocht weleens filmpjes maken over de Tour en je kan goed presenteren, maar ik dacht ook: hoe oprecht is zijn sportliefde? Heb je die vraag vaker gehoord? Ja, er waren mensen die niet wisten dat ik van fietsen hield. Bij mij was sport een soort slapende reus, die groter en groter werd. Ik had vroeger natuurlijk ook mijn stickeralbums, maar liep daar niet mee te koop. Iemand als Humberto Tan is bij sport begonnen en later naar nieuws gegaan. Bij mij ging het andersom. Ik zit er nu sinds december en het bevalt me heel heel erg.

Legt het druk op jou dat je moet praten met topsporters? Kun je op dat niveau mee? Fietsers zijn natuurlijk niet per se geoefende sprekers: hun corebusiness is hard fietsen. Je moet als presentator ook een beetje geluk hebben dat iemand iets leuks zegt of jou iets gunt. Ik merk dat sporters vanzelf op je afkomen. Bij het nieuws is het soms moeilijk om iemand te spreken te krijgen, maar sporters vinden het vaak ook leuk om jou te zien. Het zijn regelmatig bijzondere mensen, die we bewonderen en verafgoden. We zagen Dafne Schippers die in Oslo het hele veld achter zich liet. Dan vallen bij ons op de redactie onze bekken open. Pas daarna gaan we bedenken: hoe gaan we hier een zo goed mogelijk item van maken?

Ben je altijd een Tour-freak geweest? Ja, ik geloof het wel. Ik herinner me lange zomers waar geen einde aan kwam, ik lag de koers te kijken terwijl mijn moeder het huis deed. Later ben ik grote renners blijven volgen. Steven Rooks, Gert-Jan Theunissen, Jeroen Blijlevens, Erik Dekker, Erik Breukink. Ik was fan ná de piekperiode van de Raleigh-ploeg, maar er waren nog genoeg helden. Ik hield erg van Greg LeMond, omdat hij ook die Fransen een lesje leerde. Met Pedro Delgado had ik niets, met Miguel Indurain ook niet, want die stak zo boven de rest uit dat het niet meer leuk was. Net als Lance Armstrong, hij maakte de koers echt dood. Ik was altijd gefascineerd door de landschappen. Dan gingen ze de Tounnalet over, alleen die naam al, en dan zat ik in onze Bredase huiskamer te stuiteren. En de radio volgde ik natuurlijk ook. Radio Tour de France, met Theo Koomen, Jacques Chapel, die er ook niet meer is, en de Tourflits. Het is wat andere mensen wellicht met religie hebben. De Tour is mijn jeugd, de sfeer van lange schoolvakantie.

Ben je weleens mee op Tour geweest? Nee, dit wordt mijn eerste keer. Ik ben ooit de Ventoux op geweest, toen Juan Manuel Gárate won, maar zo langdurig de Tour volgen heb ik nog niet gedaan. Een van de belangrijkste dingen die we dit jaar gaan proberen is om de sfeer van de Franse zomer in de huiskamer te projecteren. Dione en ik gaan op iets andere plekken uitzenden dan waar Mart zat, maar weer met kenners en liefhebbers.

Ben je niet bang dat iedereen jullie toch met de Mart gaat vergelijken? Dat zal zeker gebeuren, maar het wordt echt anders. Wij zijn anders dan Mart en we dragen het programma met z’n tweeën. Ik hoop dat de conclusie van kijkers wordt dat Mart het geweldig deed, maar dat wij er ook mogen zijn. We gaan geen Martje spelen, we gaan het op onze manier doen.

Hoe bereid je je voor op zo’n Tour? Lees je alles wat los en vast zit? Nee, dat heeft niet zoveel zin, er kan nog van alles veranderen. Ik volg het hele jaar alle koersen, straks de Ronde van Zwitserland. Wij zijn in voorbereiding voor het programma, de locatie, de gasten.

Heb je een voorspelling over wie er gaat winnen? Alberto Contador denk ik nu, maar een week geleden dacht ik Chris Froome. Morgen kan daar Nairo Quintana bijkomen. Ik hoop dat Bauke Mollema echt eens een keer podium kan rijden. Thom Dumoulin hebben we dit seizoen al zien juichen, er zitten nu te weinig tijdritten in en ik weet ook niet of hij de Tour uit gaat rijden. Stiekem denk ik wel, je moet het niet willen hoor, maar stel nou dat Froome niet helemaal in orde is… En dat Wout Poels zijn kopmanschap overneemt. Robert Geesink gun ik ook nog wel een etappeoverwinning.

Nu heeft Mart Smeets zich honderdvijftigjaar met wielrennen beziggehouden. Is er een garantie dat jij dit ook heel lang gaat doen? Of slaat de verveling over vijf jaar misschien weer toe? Nee, ik ga niet al na een paar jaar weer doorfladderen. Het is een long term huwelijk. De komende tien jaar zit ik hier zeker. Sport vertelt een verhaal, dat is de essentie. Los van het feit dat het om prestaties gaat die ongelooflijk knap zijn en die gewone stervelingen niet kunnen leveren, zeker bij de Tour de France niet, gaat het er ook om dat de mensen om sport heen de tragedies en andere verhalen zo goed mogelijk vertellen. Als het goed is, kan een presentator zijn kijkers meenemen in het verhaal, in de sfeer, het plot, in the good guys en the bad guys en the good guys die toch ook weer bad guys zijn en andersom. Mijn missie is het om deze verhalen zo goed mogelijk te vertellen. Of te laten vertellen. En daar, als het kan, ook mijn eigen verhaal bij kwijt te kunnen.

Mooi gezegd. Tot slot: wie wint de Tour? Eh, ik zeg Thibaut Pinot. Of toch Froome. Nee, Contador. Eh nee, Froome.