ronald giphart vara gids 31 32 30 juli 12 augustus 2016

VARAgids 2016 31 32 Mart Smeets

Dit is je afscheidsinterview, maar JIJ bepaalt waarover we praten. Dit is jouw terugkijk op tweeënveertig jaar bij de NOS. Ik heb zeventien open vragen …

Haha, je weet dat zeventien in Italië een ongeluksgetal is? Met de Romeinse letters van zeventien, XVII, kan het woord vixi worden gespeld. Dat betekent ‘ik heb geleefd’ oftewel ‘ik ben dood’.

Aha. Ik heb áchttien vragen. De eerste: wat doet afscheid nemen met je? Je hebt zo lang bij de omroep gewerkt en nu moetje gedwongen afzwaaien. Leuk is het niet. En het kost tijd voor je je erbij neer hebt gelegd. Altijd als ik weer collega’s zag verdwijnen – Theo Reitsma, Heinze Bakker, Eddy Poelmann, Martijn Lindenberg – dacht ik: daar is niet op een nette manier gedag tegen gezegd. Het is een moeilijk proces: ergens verdwijnen. Inmiddels heb ik het volledig geaccepteerd en zie ik alle voordelen voor de NOS en voor mij. Mijn baas Maarten Nooter heeft bijzonder zijn best gedaan om mij goed te laten vertrekken. Hem ken ik al heel lang en we zijn, zoals de Friezen zeggen, oates en toates met elkaar. Toen hij vroeg of ik langs wilde komen voelde ik dat de NOS met een voorstel zou komen. De avond ervoor schreef ik voor mijn vrouw Karen iets op een briefje. Maarten zei de volgende dag: ‘Wat als jij in Rio de basketbalcompetitie doet en we dat als het sluitstuk zien?’ Ik haalde het briefje dat ik had geschreven tevoorschijn. Er stond: ‘Basketbal in Rio.’ Daarmee gaf ik aan dat ik het begreep en me erbij neerlegde. In 1972 begon ik met de Olympische basketbalfinale, in 2016 eindig ik met de Olympische basketbalfinale. Rond.

Van al die honderden Collega’s die je in de loop der jaren hebt gehad: aan wie denk je met liefde terug? Op het moment dat ik namen noem, zijn de anderen minder en dat wil ik niet. Er waren altijd clans om mij heen, cameramensen en lieden met wie ik monteerde. Eindredacteuren. Redacteuren. Een groep van een man of vijfentwintig. Daar heb ik geweldige herinneringen aan. Zij snapten hoe ik was, met al mijn nukken en goede kanten. Van die mensen’ .heb ik al afscheid genomen. We hebben thuis een fantastisch diner gegeven voor negenentwintig man. Eten, drinken, verhalen, alles. Ook hier in Hilversum zijn er mensen die mij heel, heel lief zien, mensen .die nooit worden genoemd.

Noem toch eens wat mensen bij name. Wie zijn de harde werkers die hun naam nooit in de krant zien staan? Eindredacteuren Frits van Rijn en Jan Stekelenburg. Dat zullen altijd vrienden van me blijven. Cameramannen Peter Bakker en Frits Schrijvers. Daar mag je van mij niet aankomen. Met die twee heb ik alles meegemaakt, van epileptische aanvallen tot overlijden van ouders. Maaike van den Broek, die voor de Avondetappe werkt en de meest meevoelende redactrice is die ik ooit heb gehad. Aris van de Loosdrecht, chef archief, die overal altijd alle beelden wist te vinden. Eric Ansems, de trouwste NOS’er die er is. Zijn functie is coördinator, maar eigenlijk is hij ‘Haarlemmer-olie’. Aan het eind van een Olympische Spelen is hij doorzichtig van vermoeidheid, maar hij blijft zijn best doen. Dat soort mensen ben ik gek op. Ik ben inwisselbaar, Maaike, Aris en Eric niet.

Aan welke sporters die je hebt mogen interviewen bewaar je de beste herinneringen? Tennisser Stefan Edberg, een heel speciaal mens. Steven Rooks, veel meer dan alleen de winnaar van de bolletjestrui. Hij was altijd volstrekt eerlijk tegen me. Ik heb ook warme gevoelens voor Michael Boogerd, die twee jaar geleden zijn excuses aanbood omdat hij mij had voorgelogen. Hij was een van de weinigen die die grootheid had. Ik vergeet nog Eric Heiden, die inmiddels chirurg is. Met hem had ik een warme band. De moeilijkste sporter was John McEnroe, echt een lastig mannetje. In Rotterdam weigerde hij een interview te geven. Dat werd een non-verbaal gesprek. Daar bood hij dan ook wel in het voorbijgaan zijn excuses voor aan.

Welk live sportmoment heeft het meest indruk op je gemaakt? Ellen van Lange, Barcelona. Michael Jordan, die de dunkwedstrijd in 1988 in Chicago won. Hij zette vanaf de vrije-worplijn af en bewees dat hij kon vliegen. Vier keer honderd meter zwemmen van de meiden in Peking, in 2008. Zo’n prestatie blijft voor altijd bij je. Marianne Vos. Leontien van Moorsel, in Athene. Toen had ik moeite om mijn tranen de baas te blijven. Bij Hinault of Zoetemelk had ik dat nooit, maar bij Van Moorsel wel. Natuurlijk was het omdat ik Leontien redelijk kende, maar ook omdat ik haar familie zag staan. Ik stond te praten, Leontien kwam aanrijden, ze stopte en ik keek naar die ouders. Ik kende het verhaal van dat gezin… Daar moest ik een paar keer van slikken. Ik probeer die emotie in zulke gevallen voor de kijkers over te brengen, maar het moet wel binnen de perken blijven. Bob Spaak, mijn leermeester, vond datje als verslaggever niet moest schreeuwen en niet moest huilen. Daarom had hij ook altijd ruzie met Theo Koomen.

Volgende vraag, aan wat… Ik zal je over ‘indruk maken’ vertellen. Gisteren is de vader van Tour-commentator Maarten Ducrot overleden. Ducrot, wielrenner Gerrit Solleveld en ik zijn altijd een drie-eenheid geweest, wij hebben als NOS collega’s meer dan twaalf jaar lief en leed gedeeld. Kinderen die gingen trouwen. Kinderen die ziek werden. Kinderen die gingen scheiden. Maarten werd eergisteren tijdens de etappe gebeld dat het een aflopende zaak was met zijn vader. Gerrit was daarbij en heeft hem na de uitzending negenhonderd kilometer volle bak naar Zeeland gescheurd. Maarten heeft nog nét zijn vader levend meegemaakt. Nu schiet ik vol. Ik heb gisteren met Gerrit gebeld en toen brak ik ook. Wat ik besefte was dit: het is het helemaal waard geweest dat wij altijd bij elkaar zijn geweest. Ik ben destijds naar de begrafenis van Gerrits moeder gegaan en ik ga zeker ook naar die van Maartens vader. Een groot deel van mijn wereld is vals, vol glitter en uiterlijke schijn, maar dit waren en zijn de dingen die ons bij elkaar brachten. Solleveld, Ducrot en ik hebben aan het sterfbed van Jean Nelissen gestaan. Dat heeft ons gesmeed. Daarna zijn we een café binnengegaan en hebben de uitbater glazen laten neerzetten.

Mijn volgende vraag was: ‘Aan wat bewaar je warme herinneringen?’ Ik neem aan dat dit het antwoord is. Dit zijn mijn warmste herinneringen.

Je staat voortdurend in de belangstelling. Er zijn twee biografieën over je verschenen. DWDD bracht een eerbetoon van anderhalf uur. Je staat in Privé… Is die aandacht een vervelende keerzijde? Denk je dat ik daar zelf om vraag? Ik wil niemand tekort doen, die beide boeken over mij zijn vol integriteit geschreven. Maar waarom? Waarom moeten er boeken over mij verschijnen? Ik heb een lange carrière gehad en er is altijd iets te doen geweest, dat zal ik niet ontkennen, maar weinig mensen deden hun best me echt te leren kennen, zoals bijvoorbeeld journalist Jacob Bergsma heeft gedaan. Mensen hebben altijd een mening over mij gehad, die werd gebaseerd op basis van knipselkranten. Ik heb moeten leren om dat van me af te laten glijden. Karen zegt altijd: doe je oliejasje maar aan, dan lopen de druppels er makkelijker af.

Wat ga je missen? Niet veel. Kameraadschap. Ik ben een lone wolf geworden. Ik mis het werken in een groep.

Wat ga je niet missen? Roddel en achterklap. En dat er nooit in je gezicht werd gezegd waar het werkelijk om gaat. Dat is een Hilversumse cultuur.

Wat vond je het zwaarst? Niks eigenlijk. Kijk op het Mediapark om je heen en je ziet gebouwen die doen denken aan Roemenië, 1976. In deze omgeving heb ik tweeënveertig jaar rondgelopen. Ik kwam hier ook op Nieuwjaarsdag vroeg, om het schansspringen in Garmisch-Partenkirchen aan te kondigen. Ik begreep dat de bazen mij daarvoor vroegen. Ik werkte van 1 januari tot 31 december en dat heb ik nooit zwaar gevonden.

Maar er waren toch wel dingen zwaar? Je bent een keer ontslagen geweest… Dat was mijn eigen schuld. Ischa Meijer nam mij een interview af, waarin ik ben leeggelopen. Ik heb mijn hand overspeeld, klaar. Voordeel was dat ik mijn onvrede en frustratie kwijt was. Natuurlijk was het gevoel van onvrede zwaar, maar dat had ik niet naar buiten moeten brengen. Ik mocht niet naar de Olympische Spelen van Los Angeles, mijn naam mocht niet op aftitelingen verschijnen, mijn kop mocht niet in beeld, zelfs mijn stem mocht niet onder items. In 1984 werd er een filmpje uit 1972 uit- . gezonden, waar oorspronkelijk mijn stem onder stond. Het conflict liep zo hoog op dat dit filmpje stom op tv kwam. Ik was daar door geraakt. Maar daarna ben ik gaan knokken om hier te blijven, want het is óók een geweldige baan. Fysiek was het te doen; tot 2010. Toen begon mijn rikketik op hol te slaan. Ik had in al die jaren de opvoeding van mijn beide kinderen aan mijn ex-vrouw overgelaten en dat werd op den duur ook zwaar. Het is allemaal goed gekomen, maar ik besef dat ik mijn werk voor alles heb laten gaan. Mijn werk was een drug geworden.

Je werkte kei- en keihard. Toch kreeg je naast waardering ook heel veel kritiek van kijkers. Je truien. Je vermeende arrogantie. Heb je je daaraan gestoord? Het deed me niet veel. Ik dacht: kennen ze me? Zagen ze dan de grap niet van die truien? In 2006 droeg ik mijn laatste trui, maar dat doet er allemaal niet toe. Ik heb wat doodsbedreigingen gehad, dat was vervelend. En niet alleen ik, ook mijn gezin en kinderen. Er moest zelfs politie aan te pas komen. Mensen hadden een verwrongen beeld van me, Ik ga normaal met mensen om, ik ben heel normaal. We wisten gewoon hoe we mensen op de kast konden jagen. Redacteur Joop Vernooy had een keer bedacht om iedere keer als MVV-speler Huub Smeets scoorde een cactus in beeld te brengen. Vond ik leuk. Op een avond droeg ik eens negentien verschillende stropdassen. Heel moeilijk, al dat strikken. Alleen vrouwen hadden dat door.

Wat beschouw je als je grootste miskleun? Te veel om op te noemen. Verkeerde camera’s, verkeerde teksten, verkeerde namen, verkeerde analyses. Die heb ik allemaal gemaakt. Daar lag ik geen seconde wakker van. Een hersen chirurg ligt wakker van de fouten die hij maakt, een sportpresentator niet. Het is maar sport. Een wielrenner een verkeerde naam geven is echt volstrekt onbelangrijk. Iedereen is weleens vermoeid en noemt Dupont per ongeluk Dumas. Nou ja. Maar vertel dat eens tegen al die zeikerds.

Heb je ergens spijt van? Ik denk niet dat ik iemand ooit geschoffeerd heb, want dat is met opzet iemand tackelen en dat heb ik nooit gedaan. Onbewust heb ik mensen misschien pijn gedaan. Misschien had ik me meer open moeten stellen. Als er iets gebeurde, van welke aard dan ook, waar ik geen invloed op kon hebben, dan werd ik een schelp. Sloot ik mij en ging ik zwijgen. Mijn stilte vonden mensen vaak niet te harden. Maar spijt… Ik had veel beter Italiaans en Spaans willen spreken. Dat nam ik me heel vaak voor. Dan sprak ik met wielrenner Claudio Chiappucci en die ging me dan verbeteren. Deed hij voor wat de uitspraak was en vervolgens zei ik hem na. En ik had mijn sociale tuintje iets groter moeten maken. Altijd heb ik mijn cirkel klein gehouden. Dat is overzichtelijker, omdat ik niet iedereen vertrouwde. Nog steeds niet. Ik zat in een wereld waar de werkelijkheid en de waarheid nooit gelijk waren.

Je vertelde eens over hoe je vader reageerde toen jij zei dat er zeven miljoen mensen naar een uitzending van je hadden gekeken. Je vader merkte op: ‘Dan keken er ook zeven miljoen mensen niet.’ Ik kan me voorstellen dat jij iemand bent die niet trots is op wat hij heeft bereikt. Waarom denk je dat? Ik ben inderdaad niet trots. Ard Schenk zei eens: ‘Er zit bij mij in het dorp een timmerman die prachtige hoekkastjes maakt. Die man mag trots zijn.’ Ik ben niet trots op wat ik heb gedaan en bereikt. Er zitten fabelachtige leuke kanten aan mijn vak en erg vervelende. Ik kan goed praten. Ik lees veel. Ik ben altijd blijven lezen. Maar dat is niets om trots op te zijn. Trots ben ik op de vriendschappen die ik in het vak heb gehad. Dat is het enige dat ik kan bedenken.

Dit is je afscheidsinterview van je carrière bij de NOS. Wat is je laatste woord? Wat wil je je opvolgers meegeven? Dat je altijd het werkwoord relativeren moet kunnen toepassen. Ik kijk er misschien eigenwijs bij, maar zo is het wel. Het gaat maar om sport. ‘Het is maar – voetbal,’ heb ik geroepen op de avond dat we verloren-van Argentinië op het WK. Daar sta ik nog voor honderd procent achter. Het is maar voetbal. Het is maar wielrennen. Het is maar schaatsen. Het is maar de Tour. We maken een wegwerpartikel, meer is het niet en nooit geweest.

Tot slot: hoe ziet je toekomst eruit? Dat weet ik echt niet. Ik heb met.Karen afgesproken dat ik eerst iets aan mijn lijf ga laten doen en dan zien we wel. Ik blijf schrijven. Basketbal blijf ik doen. In september ga ik voor Ziggo honkbalcommentaar geven, met mijn zoon Tjerk als analist naast me. Vader en zoon samen, met misschien dochter erbij als producent. Daar zie ik erg naar uit.