Wat zijn de grootste literaire rellen?

In de Nederlandse literatuur gaat het er bij tijd en wijle zeer hardvochtig aan toe en regelmatig zorgen schrijvers voor ophef. De zogenaamde Grote Drie — W.F. Hermans, Harry Mulisch en Gerard Reve — cultiveren decennialang een ‘Mexican stand-off’ en ook vele andere schrijvers beschimpen elkaar dat het een aard heeft, vaak met woorden, soms ook met vuisten. Dit zijn de grootste rellen.

Het originele stuk met alle foto’s en alle filmpjes is hier te vinden.

1. De boze bijdrages van W.F. Hermans

In 1951 verschijnt Hermans’ roman Ik heb altijd gelijk, met daarin een passage over katholieken: “Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar die naaien er op los! Die planten zich voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen.” Het levert Hermans een rechtszaak op over belediging van een volksdeel, die hij wint.

In 1964 publiceert Hermans zijn ‘strijdschrift’ Mandarijnen op zwavelzuur, waarmee hij zijn reputatie als onverschrokken polemist vestigt. Zijn leven lang zullen rellen en ruzies hem achtervolgen. Er is zijn omstreden vertrek uit Groningen (door collega’s werden zijn educatieve capaciteiten in twijfel getrokken) en hij speelt een grote rol in de Weinreb-affaire , waarin hij de joodse Friedrich Weinreb (1910-1988) ontmaskert als collaborateur (een kwestie waarin hij uiteindelijk gelijk krijgt van het RIOD).

Hermans vertelt over hoe hij de boycot jegens hem negeerde. 

Omstreden raakt Hermans vooral als hij naar Zuid-Afrika afreist voor een reeks lezingen, daarmee de culturele boycot van het land vanwege het Apartheidsregime aan zijn laars lappend. Het ongenoegen hierover is zo groot dat Hermans in 1983 door het Amsterdamse stadsbestuur tot persona non gratawordt verklaard. Hermans steekt dit zeer, want in zijn ogen heeft in eerdere publicaties aangetoond allesbehalve een racist te zijn.

2. Reve, God en racisme

In 1966 treedt Gerard Reve toe tot de officiële Kerk en in diezelfde jaren begint hij over zijn seksuele fantasieën te schrijven, waarin religie, erotiek en dood sterk met elkaar verbonden zijn.

De openhartigheid waarmee Reve schrijft over (soms wrede) seks en homoseksualiteit vertelt doet veel stof opwaaien. In zijn brievenroman Nader tot U (1966) beschrijft hij een seksscène met in de hoofdrol de schrijver zelf én God, die is gereïncarneerd als ezel. Reve schrijft: “Als God zich opnieuw in Levende Stof gevangen geeft, zal hij als ezel terugkeren, hoogstens in staat om een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal hem begrijpen en meteen met hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om zijn hoefjes, zodat ik niet te veel schrammetjes krijg, als hij spartelt bij het klaarkomen”. Naar aanleiding van deze passage wordt hij aangeklaagd wegens godslastering. In 1968 spreekt de Hoge Raad hem vrij. Het proces zal de geschiedenis ingaan als het ‘Ezelproces’.

Audiofragment

Gerard Reve en het Ezelsproces
Radio EenVandaag – 8 mei 2017

00.00 / 03.36

In de jaren zeventig en tachtig veroorzaakt Reve een paar rellen over het thema racisme. In 1975 treedt hij op met een hakenkruis en een hamer en sikkel. In een gedicht heeft hij het over ‘onze roomblanke dochters’ en roept hij op ‘het zwarte tuig’ uit Nederland te gooien. In de commotie hierover zegt hij provocerend dat hij uit lucratieve overwegingen deze beweringen heeft gedaan. In 1983 zegt hij in een interview met Boudewijn Büch dat Harry Mulisch en Jan Wolkers naar een communistisch concentratiekamp moeten en dat koningin Beatrix een ‘stomme eigenwijze trut van Troje’ is, die prins Claus zenuwziek heeft gemaakt. Later verklaart Reve dat zijn woorden uit de context zijn gehaald.

3. De Nieuwe Revisor van Jeroen Brouwers

Voor het grote publiek is dit misschien niet zo’n bekende rel, maar in de literatuur is het pamflet van de in Vlaanderen woonachtige Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers een rotsblok in de kalme vijver. Het 250ste nummer van het literaire tijdschrift Tirade (1979) is geheel gevuld met een frontale aanval op wat Brouwers noemt ‘de jongetjesliteratuur’.

In zijn dikke schotschrift genaamd De Nieuwe Revisor probeert hij met een overdaad aan stilistisch geweld om Parool-criticus Guus Luijters en diens kompanen voor eens en altijd de mond te snoeren. Het is Brouwers er vooral om te doen om de kinderachtigheid in de literatuur uit te bannen. “Ik bepleit nieuwe kritiek […] ik bepleit vooral: volwassenheid.” De schrijver ziet ‘een dikke kaarsrechte bloedrode lijn’ van gemakzuchtige literatuurkritiek naar niets minder dan ‘fascisme’ en hij doet een oproep aan vele collega’s om hem bij te staan in zijn strijd. De polemiek van Brouwers valt echter bij velen in slechte aarde.

“Ik bepleit nieuwe kritiek […], ik bepleit vooral: volwassenheid.”

Jeroen Brouwers

4. Hugo Brandt Corstius en de P.C. Hooftpijs

In 1984 benoemt CDA-minister Elco Brinkman van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur de jury van de P.C. Hooftprijs, een literaire oeuvreprijs die is ingesteld door de staat. De jury draagt Hugo Brandt Corstius voor, die vooral bekend is van zijn columns die hij onder verschillende pseudoniemen schrijft. Zijn werk is vaak hard van toon en hij schuwt conflicten niet.

Audiofragment

Hugo Brandt Corstius grijpt naast de P.C. Hooftprijs
NTR academie – 12 feb 2014

00.00 / 01.57

Brandt Corstius laat zich regelmatig negatief uit over het dan regerende Kabinet-Lubbers I, zo vergelijkt hij het beleid van minister Onno Ruding van Financiën met de Endlösung van Adolf Eichmann. Brinkman weigert de prijs uit te reiken aan Brandt Corstius omdat deze ‘het kwetsen tot instrument heeft gemaakt’. De bekendmaking van deze weigering leidt tot vele protesten. Er komt een einde aan de P.C. Hooftprijs als staatsprijs.

Twee jaar later wordt de prijs opnieuw ingesteld, maar dan vanuit een zelfstandige stichting. In 1987 wordt de prijs weer voor het eerst toegekend… aan Hugo Brandt Corstius.Brandt Corstius neemt alsnog de P.C. Hooftprijs in ontvangst.

5. De Nieuwe Wilden versus De Maximalen

In 1989 zijn er twee elkaar beconcurrerende jonge dichtersgroepen: de Maximalen rond Joost Zwagerman en de Nieuwe Wilden, een bende van zestien dichteressen met Elly de Waard als aanvoerster. Waar de Nieuwe Wilden ageren tegen het door mannen gedomineerde poëzieklimaat, trekken de Maximalen ten strijde tegen de gezapige poëzie in het algemeen. In 1989 besluiten zij gezamenlijk in de grote zaal van het Utrechtse Vredenburg op te treden om ‘het landskampioen der Muzen’. Het plan is om schouder aan schouder op te trekken tegen wat ze noemen de wurggreep van ‘de hermetisten’, zoals de gevestigde dichters worden genoemd.

Elly de Waard (midden) leest voor uit eigen werk.

In de aanloop naar de avond lopen de gemoederen hoog op. In de media hakken beide groepen verbaal op elkaar in. De Nieuwe Wilden schamperen over de Maximalen en andersom. De Maximalen willen afzeggen, maar juridische repercussies weerhouden hen van dit voornemen. Ook de Nieuwe Wilden onderling voeren een kort geding over het anoniem laten zingen van gedichten door een Haarlems dameskoor.

Tijdens het optreden zelf verzorgen de vrouwen het gedeelte voor de pauze en de mannen het gedeelte daarna. De Maximalen pakken het, onder leiding van duivelskunstenaar Peter Giele (1954-1999), groots aan met naaktmodellen, freaks en masseuses op het podium. Op een groot scherm is te zien hoe een man en een vrouw zich live aan elkaar vergrijpen.

Onderling zijn er vele pesterijen, zo roept dichteres Andreas Burnier tijdens de voordracht van Maximaal Koos Dalstra: ‘Koos! Thuiskomen! Het eten staat klaar!’

Arie Boomsma draagt een gedicht voor van Pieter Boskma. 

Als dichter Pieter Boskma zich denigrerend over zijn vrouwelijke collega’s uitlaat, krijgt hij van Elly de Waard een halfrotte appel tegen zijn hoofd gegooid, het startschot voor een grootscheepse vechtpartij op het podium. Er worden nog wel witte vredesduiven losgelaten, maar een paar van de vogels vliegen zich te pletter tegen het plafond.

6. “Harry, heb je een vuurtje voor me?”

In 1987 zou in Rotterdam het toneelstuk Het vuil, de stad en de dood in première gaan, de Nederlandse versie van Fassbinders omstreden stuk Der Müll, die Stadt und der Tod. Een van de personage hierin was een man genaamd ‘Rijke Jood A’. De Stichting Bestrijding Antisemitisme maakt bezwaar en de minister van justitie Frits Korthals Altes verklaart dat het ‘niet zo kan zijn dat de wens een toneelstuk op te voeren sterker is dan het welzijn van de hele joodse bevolking’.

Bij een try-out bezetten acteurs het podium, onder aanvoering van Jules Croiset, waarna de voorstelling wordt afgeblazen. In de nasleep krijgen Frits Barend, Freek de Jonge en Jules Croiset schokkende dreigbrieven, waarna Croiset wordt ontvoerd en zijn ontvoerders een hakenkruis op zijn borst kerven. Uiteindelijk blijkt uit onderzoek van de politie dat dit allemaal in scène gezet door Croiset zelf, inclusief de dreigbrieven.

In 2000 publiceert Harry Mulisch zijn Boekenweekgeschenk genaamd Het theater, de brief en de waarheid, waarin hij in het nawoord Croiset bedankt voor zijn steun. Freek de Jonge, getraumatiseerd door Croisets valse bedreigingen, ziet hierin een poging tot rehabilitatie van Croiset, waarna hij aankondigt Mulisch’ boek tijdens de door hem verrichte opening van het Boekenbal in Carré publiekelijk te verbranden. Harry Mulisch reageert hierop met de opmerking dat zoiets hem aan Joseph Goebbels doet denken.

In zijn show — genaamd De Conferencier, Het Boekenweekgeschenk en De Leugen — houdt Freek inderdaad het Boekenweekgeschenk omhoog, waarna hij pesterig aan Mulisch vraagt: ‘Harry, heb je een vuurtje voor me?’ Tot een daadwerkelijke verbranding komt het niet.Freek de Jonge

7. Zit Gerrit Komrij achter Mohammed Rasoel?

In 1990 verschijnt De ondergang van Nederland, een boek van de ‘kritische moslim’ Mohammed Rasoel. Het werk is bedoeld om Nederlanders te waarschuwen voor het oprukkende islamisme. Rasoel blijkt een pseudoniem — het woord betekent profeet of boodschapper — en een tijdje is onduidelijk wie erachter schuilgaat. De schrijver verschijnt een aantal maal in complete vermomming op televisie. Zelfs Koot & Bie besteden aandacht aan de affaire. Hugo Brandt Cortius, Theo van Gogh en vertaler René Kurpershoek worden genoemd als potentiële schrijvers.

De hele aflevering zien? Kijk op NPO Start.

Dan ontdekt de Amsterdamse hoogleraar tekstwetenschap op basis van tekstanalyse dat Mohamed Rasoel vrijwel zeker een pseudoniem is van Gerrit Komrij. Komrij is not amused en dient — na meerdere boze stukken te hebben gepubliceerd — een aanklacht in wegens smaad, maar die wordt geseponeerd.

De hele aflevering zien? Kijk op NPO Start.

Achter de publiekelijke figuur van Mohammed Rasoel blijkt een uit Pakistan afkomstige variété-artiest schuil te gaan, die enige furore maakte als The Son Of Tarzan. Deze Zoka Mansoor van A., die zich ook Zoka Fatah noemt, blijkt een strafblad wegens zedendelicten te hebben. In 1992 wordt hij veroordeeld tot een boete van tweeduizend gulden wegens het aanzetten tot haat op grond van ras of geloofsovertuiging. Serieverkrachter Zoka Mansoor krijgt later vier en vijf jaar cel, opnieuw voor zedendelicten en drugsbezit. In 2007 roept de PVV op om De ondergang van Nederland op scholen te verspreiden.Gerrit Komrij in 1994.

8. Adriaan van Dis beschuldigd van plagiaat

In 1992 verschijnt in Vrij Nederland een artikel van Jan Fred van Wijnen waarin hij Adriaan van Dis beschuldigt van plagiaat in diens reisroman Het Beloofde Land (1990). Van Dis heeft een aantal passages uit het boek Waiting. The Whites of South-Africa van de Amerikaanse antropoloog Vincent Crapanzo vrijwel ongewijzigd overgenomen. Slechts de personages die de teksten uitspreken zijn gewijzigd.

De onthulling van Van Wijnen slaat in als een bom, Van Dis is op dat moment een belangrijke figuur in de media en het Beloofde Land is een van de best verkochte boeken. Van Dis doet in eerste instantie de kwestie af als slordigheid, maar Crapanzo dreigt met een rechtszaak en eist excuses. Uiteindelijk biedt Van Dis die aan. De schrijver kondigt aan dat hij in zijn volgende publicaties beter gebruik zal maken van bronvermelding, al wordt Van Dis in de daaropvolgende jaren nog zeker twee keer van plagiaat beschuldigd.

9. Leon de Winter versus Theo van Gogh (en Propria Cures)

“Alle schrijvers liggen bij Libris en waar lig ik?” luidt de tekst onder een foto van Leon de Winter, gemonteerd op een massagraf van een concentratiekamp. De door Adriaan Jaeggi gemaakte collage staat in 1992 in Propria Cures en is bedoeld als persiflage op een reclamespot waarin Leon de Winter in de schappen van een boekhandel ligt onder de slogan ‘alle schrijvers liggen bij Libris’.

Volgens het Amsterdamse studentenblad exploiteert De Winter zijn Joodse achtergrond voor commerciële doeleinden. De schrijver is not amused en spant een rechtszaak aan, die hij wint. PC moet tienduizend gulden schadevergoeding betalen en een rectificatie plaatsen.

Filmmaker Theo van Gogh neemt dat bedrag voor zijn rekening, want hij en De Winter voeren al een jarenlange vete over Van Goghs beschuldiging dat De Winter zijn identiteit misbruikt. De toon die Van Gogh hierbij aanslaat is zo hardvochtig en kwetsend dat presentatrice Sonja Barend Van Gogh aanklaagt voor het ‘beledigen van een volksdeel’. Aanvankelijk krijgt Van Gogh duizend gulden boete, maar na bijna tien jaar wordt hij definitief vrijgesproken.

De strijd tussen De Winter en Van Gogh (‘de Eeuwige Antisemiet’, in de woorden van De Winter) duurt twintig jaar en vult vele katernen. Als Van Gogh in 2004 door Mohammed B. op straat wordt vermoord, slaat De Winter een dag later in de talkshow van Barend & Van Dorp een grootmoedige toon aan.

De hele aflevering zien? Kijk op NPO Start.

10. Luceberts nazisympathieën

Biograaf Wim Hazeu is medio 2017 bijna klaar met zijn biografie van dichter en kunstenaar Lucebert (pseudoniem van Bertus Swaanswijk, 1924-1994), als hij bericht krijgt van een vrouw die beschikt over een stapeltje brieven die Bertus schreef in 1943 aan een vriendin. Hazeu schrikt van de inhoud: Lucebert ondertekende en doorspekte zijn brieven met nazisympathieën en antisemitische beweringen (‘Eerst wanneer alle Germaansche stammen verenigd zijn zal de Jood geen gelegenheid meer hebben bloed tegen gelijk bloed op te zetten’).

Audiofragment

Biograaf Wim Hazeu over Lucebert
Nooit meer slapen – 15 feb 2018

00.00 / 02.36

Er was al bekend dat de latere Vijftiger tijdens de oorlog in Duitsland had gewerkt, maar Hazeu ontdekt dat Lucebert zich uit volle overtuiging en in de ban van het nationaalsocialisme vrijwillig heeft aangemeld bij de de Duitse Arbeitseinsatz, waarvoor hij in de periode 1943 tot 1944 werkt in springstoffabriek. Tegenover zijn latere vrouw en kinderen heeft Lucebert hierover (naar alle waarschijnlijkheid) altijd gezwegen, waarmee hij niet de enige schrijver is.

Na het vinden van de correspondentie tussen Lucebert en zijn vriendin, staat de literaire wereld op zijn kop. De hele aflevering zien? Kijk op NPO Start

“Lucebert neemt wraak op de oorlog. Wraak op zichzelf.”

Wim Hazeu

De literaire goegemeente en de kunstwereld reageren onthutst. Remco Campert, die het eerste exemplaar van de biografie in ontvangst neemt, noemt de ontdekking ‘verschrikkelijk’ maar twijfelt niet aan de betekenis van Lucebert als dichter. Ook het Stedelijk Museum, dat veel werk van Lucebert in huis heeft, is onaangenaam verrast, maar de waardering voor hem als kunstenaar blijft onverminderd groot. Volgens biograaf Hazeu hebben de vroegere foute sympathieën Lucebert juist gevormd als kunstenaar: “Zijn strijdbare en krachtige schilderijen, en gedichten komen vóórt uit de oorlog. Lucebert neemt wraak op de oorlog. Wraak op zichzelf.”