Wie was W.F. Hermans?

Willem Frederik Hermans wordt beschouwd als een van de grootste naoorlogse schrijvers van Nederland. Hij behoort met Gerard Reve en Harry Mulisch tot ‘de Grote Drie’. Naast schrijver is Hermans lange tijd fysisch-geograaf aan de Rijksuniversiteit Groningen. Het leven van Hermans hangt aan elkaar van ruzies en affaires. Collega Ronald Giphart zet het werk en leven van W.F. Hermans op een rij.

Het originele stuk met alle foto’s en alle filmpjes is hier te vinden.

Hermans publiceert verschillende bestsellers, waarvan Nooit meer slapen(1966) het meest succesvol is. Hij publiceert verder talloze novellen, gedichten, toneelstukken, scenario’s, essays, kritieken en polemieken . Om deze laatste wordt hij berucht en gevreesd. Zijn imago is dat van een ongenaakbare, sarcastische en hautaine man.

“U heeft zelf toch ook weleens mensen gepest en getreiterd?”

Hoe is de jeugd van W.F. Hermans?

Willem Frederik Hermans wordt geboren op 1 september 1921 in Amsterdam. Zijn vader, Johannes Hermans, is onderwijzer, zijn moeder heet Hendrika Hillegonda Eggelte. Willem Frederik heeft een oudere zus genaamd Corry. De kinderen groeien op in een koud gezin. Hermans’ ouders zijn erg op zichzelf, sober en zeer streng op kleding en vrijetijdsbesteding. Willem Frederik komt weinig buiten de deur. Hij leest veel: Gullivers reizenKoning Arthur en De ridders van de tafelronde en op latere leeftijd Multatuli’s Woutertje Pieterse’. In dat laatste boek vindt hij veel van zichzelf terug. Willem Frederik is een weinig inschikkelijke jongen en hierdoor botst hij regelmatig met zijn ouders, die hem steeds vergelijken met zijn veel gemakkelijkere zus.

“Wij mochten niets van wat andere kinderen wel mochten.”

Ook op school heeft Willem Frederik weinig goede contacten, hij wordt gepest en heeft als bijnaam ‘stijve Jezus’. In zijn latere leven zal hij moeite houden met menselijk contact: hij noemt zichzelf misantroop . De jonge Hermans wordt geplaagd door grote somberte, een gemoedstoestand die zijn hele leven in meer of meerdere mate aanwezig zal zijn. Hermans, in een interview:

“Het hele levensproces is langzaam aan kapotmaken, tot je op je tachtigste het graf instapt.”

W.F. Hermans

Ondanks alles heeft Hermans vanaf jongs af aan een tomeloze ambitie: “Al zeer, zeer jong, zeker op m’n derde, vierde, vijfde jaar had ik al een kolossale eerzucht […] Een gevoel van superioriteit, van de hele–zaak-in-mijn-zak-te-kunnen-steken.” Deze ambitie kan hij vanaf zijn dertiende kwijt in het schrijven: “Toen had ik het gevoel dat ik dan toch tot iets onalledaags was voorbestemd.” Schrijven werkt bevrijdend. Hermans is actief in de schoolkrant van het Barlaeus Gymnasium. In 1938 — Willem Frederik is dan zeventien jaar — stuurt hij zijn eerste verhaal ‘De Uitvinder’ naar verschillende kranten. Het zal pas in 1940 verschijnen in Het Handelsblad onder de titel ‘En toch… was de machine goed’.

In datzelfde jaar begint in Nederland de Tweede Wereldoorlog. Als de Duitsers Nederland binnenvallen plegen zijn zus en haar minnaar, een oudere neef van hen, zelfmoord.

De zelfmoord van Hermans’ zus kan bepalend zijn geweest voor zijn blik op het leven. 

Een paar maanden later gaat Willem Frederik fysische geografie studeren in Amsterdam. Na drie jaar moet hij zijn studie onderbreken omdat hij weigert een door de Duitsers geëiste loyaliteitsverklaring te tekenen. Hermans heeft nu veel tijd om zich te richten op het schrijven. In 1943 werkt hij aan zijn eerste roman, Conserve, een boek dat zich voor een groot deel afspeelt in Salt Lake City bij de mormonen . Het zal pas in 1947 worden gepubliceerd.

Hoe vergaat het Hermans na de oorlog?

Na de bezetting verschijnen er van Hermans veel bijdragen in verschillende literaire tijdschriften. Hij wordt redacteur (1945-1948) van het blad Criterium. Publicaties in dit blad zorgen voor zijn voornaamste inkomstenbron. Vanaf 1947 verschijnt in Criterium in delen de roman De Tranen der Acacia’s. Het boek doet een ontluisterend verslag van het Nederlandse verzet en valt bij de meeste critici in goede aarde.

In 1948 vertrekt Hermans voor een aantal maanden naar Canada, waar hij werkzaam is als assistent-controleur voor een papierhoutfabriek. Snel na zijn terugkomst in Nederland ontmoet hij Emmy Meurs, de jongste dochter van een welvarende familie uit Paramaribo die zich in 1947 in Nederland heeft gevestigd.

Hermans met zijn vrouw Emmy Meurs (1969). 

Hermans hervat zijn studie en legt in het voorjaar van 1950 cum laude zijn doctoraal examen af. In datzelfde jaar trouwt hij met Emmy, met wie hij zijn hele leven samen zal blijven. Ze krijgen twee zoons, van wie de eerste dood wordt geboren. Hermans: “Ofschoon niet optimistisch van natuur en haast altijd op het ergste voorbereid, is het toch niet zo gemakkelijk te dragen”. In 1955 zal hun zoon Ruprecht geboren worden en hetzelfde jaar promoveert hij, wederom cum laude. Gerard Reve is een van zijn paranimfen.

Hoe laveert Hermans tussen ‘literatuur’ en ‘wetenschap’?

Hermans blijft tijdens zijn studie literair actief. In 1951 verschijnt in het tijdschrift Podium het eerste hoofdstuk van Hermans’ derde roman Ik heb altijd gelijk. Het Openbaar Ministerie gelast een inbeslagname van deze uitgave vanwege mogelijk opzettelijke belediging in passages waarin de hoofdpersoon van de roman, Lodewijk Stegeman, aan het woord is: “Ik spuw op de heelboel, op jullie, op de Koningin, op alles (….) De Katholieken! Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar die naaien er op los! Die planten zich voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen.”

“Er is bij geen enkele geschiedenis een ander einde denkbaar dan de ondergang, de dood.”

Niet veel later verschijnt Ik heb altijd gelijk in boekvorm en wordt er besloten tot een gerechtelijk vooronderzoek tegen Hermans. Hij zal worden vrijgesproken.

In 1952 verschijnt de novelle Het behouden huis, een verhaal dat zich zich wederom afspeelt in de Tweede Wereldoorlog. Volgens critici is het verhaal op verschillende manieren leesbaar “een buitengewoon complexe, maar bewonderenswaardig hecht gestructureerde novelle”.

In hetzelfde jaar krijgt Hermans een aanstelling aan de Rijksuniversiteit Groningen als assistent van hoogleraar H. J. Keuning, om colleges cartografie, meteorologie en klimatologie te verzorgen. Hoe welbespraakt en boeiend Hermans op literair gebied is, hoe droog en saai blijken zijn lessen. Onder zijn studenten is Hermans allesbehalve populair, sommige zijn zelfs bang voor hem.

Ondanks zijn matige doceertalent wordt Hermans in 1958 benoemd tot lector van het vak fysische geografie. Zijn verdere wetenschappelijke carrière gaat niet over rozen: hem zal plichtsverzuim worden verweten en hoewel hij hiervan wordt vrijgesproken, is de sfeer dusdanig verziekt dat hij in 1973 om eervol ontslag vraagt. Dit conflict zal bekend worden als ‘de Groningse kwestie’. Over deze periode schrijft hij later de vileine sleutelroman Onder professoren(1975).

De Groningse kwestie

Het conflict tussen Hermans en professor Tamsma loopt leidt tot een verhitte correspondentie. De hele aflevering zien? Kijk op anderetijden.nl.

Onder Professoren: “Een zwart boek”. De hele aflevering zien? Kijk op anderetijden.nl.

“Begrippen als zondag of tegenwoordig ook zaterdag, en vakantie, die zeggen mij heel weinig.”

Herman schrijft verschillende polemische artikelen die hij in 1964 in eigen beheer zal uitgeven onder de titel Mandarijnen in zwavelzuur. Geen enkele uitgever wil zijn vingers hieraan branden. Hij richt zijn gifpijlen op de literatoren die in jury’s en commissies zitten, zij bedrijven ‘hoernalistiek’ en houden elkaar de hand boven het hoofd.

In 1958 verschijnt de roman De donkere kamer van Damokles. De hoofdpersoon is Henri Osenwoudt, die als verzetsman wordt gerekruteerd maar na de oorlog zijn verzetsdaden niet kan bewijzen en als verrader wordt aangewezen. Het boek kan gelezen worden als een spannend oorlogsavontuur, als een psychologisch verhaal over identiteitsproblematiek en als filosofische roman over de onkenbaarheid van de werkelijkheid en elkaar.

Verschillende betrokkenen over de verfilming van De donkere kamer van Damokles. De hele aflevering zien? Kijk op anderetijden.nl.

Deze onkenbaarheid en ongrijpbaarheid van de werkelijkheid is een van de belangrijkste thema’s in Hermans’ werk: “Alles wat we met zekerheid over de mens kunnen zeggen wordt gezegd in natuurkundige, meetbare zin. De rest, wat daar bij komt – moraal, theologie, filosofie — is onzeker.”

De donkere kamer van Damokles zorgt voor Hermans’ nationale doorbraak. Als Hermans’ beste boek wordt Nooit meer slapen beschouwd, dat hij schrijft in 1966. Ook deze roman, met als hoofdpersoon Alfred Isendorf, een promovendus in de geologie die in Noorwegen op veldonderzoek gaat, is op verschillende niveaus te lezen.

Constructie van de roman

Hermans wordt bekend om zijn uitspraak — gedaan in Het sadistisch universum 1 (1964) — dat er “bij wijze van spreken geen mus van het dak valt, zonder dat het een gevolg heeft en waarin dit alleen geen gevolg mag hebben, wanneer het de bedoeling van de auteur geweest is, te betogen dát het in zijn wereld geen gevolg heeft als er mussen van daken vallen. Maar alleen dan.”

Hoe kostte een tikfout Hermans tienduizend gulden?

In 1971 wordt aan Hermans de P.C. Hooftprijs toegekend. Door een tikfout in de brief van Minister Engels waarin hem deze toekenning wordt meegedeeld en ook het prijzengeld wordt benoemd, meent Hermans dat hij achttienduizend gulden tegemoet mag zien. Dit blijkt echter maar achtduizend gulden zijn. Hermans weigert vervolgens de prijs. Hermans: “Men kan nauwelijks verwachten dat een schrijver zich bijzonder vereerd zal voelen wanneer hij bekroond wordt door een minister wiens handtekening van de ene op de andere dag f 10.000,- in waarde daalt. Ik heb daarom besloten geen prijs te aanvaarden.”

In 1977 zal Hermans wel met graagte uit handen van koning Boudewijn de Prijs der Nederlandse Letteren in ontvangst nemen. Hieraan is een bedrag van achttienduizend gulden verbonden.

Waar zullen we Hermans om herinneren?

Wellicht om zijn vele rellen en ruzies. Zo speelde hij een grote rol in de zich voortslepende Weinreb-affaire in de jaren 70. Hermans ontmaskerde de joodse Friedrich Weinreb (1910-1988) als pathologische leugenaar en collaborateur. Weinreb had Duitse connecties en beschermende lijsten verzonnen, waarmee hij Joodse lotgenoten aanvankelijk benadeelde en later verried. Weinreb wordt door dik en dun gesteund door columniste Renate Rubinstein en criticus Aad Nuis. Zelfs als na uitgebreid onderzoek door het RIOD Hermans gelijk krijgt, blijven Rubinstein en Nuis hun standpunt verdedigen, iets wat Hermans nog jaren nadien doet ontvlammen van woede.

Audiofragment

Waarom toch naar Zuid-Afrika?
NCRV – Hier en Nu, 3 mrt 1983

00.00 / 02.17

Een andere kwestie speelt in 1982, als Hermans — ondanks een culturele boycot vanwege het Apartheidsregime — toch naar Zuid-Afrika afreist voor een lezingenreeks. In 1983 wordt Hermans hierom door het Amsterdamse stadsbestuur tot persona non grata verklaard.

Hermans vindt het belachelijk, uit zijn eerdere publicaties is toch juist op te maken dat hij allesbehalve een racist is en hij is zelfs getrouwd met een donkere vrouw. Hij voelt zich “op een afschuwelijke manier belasterd”. Volgens hem zit in Zuid-Afrika niemand op een culturele boycot te wachten, ook de zwarte minderheid niet: “Ik zie mijn reis als humanitaire hulp op geestelijk terrein. Ik heb de toegang tot de buitengewoon progressieve en verlichte boeken die ik schrijf, vereenvoudigd.”

Naast schrijven houdt Hermans zich ook bezig met fotografie. Een foto van hem in het Stedelijk Museum bij de opening van zijn tentoonstelling (1986). 

Hoe zijn de nadagen van Hermans?

Metterjaren daalt de populariteit van Hermans en zijn werk. Hermans voelt grote rancune jegens het in zijn ogen benepen Nederlandse literaire landschap: “Iedere schrijver, of hij het leuk vindt of niet, is onherroepelijk aan zijn vaderland gebonden… Ik weet niet waardoor het komt dat ik het schrijven als voornaamste levensvervulling heb gekozen, terwijl ik zo de pest heb aan Nederland.”

Hij heeft sterk het gevoel dat hij als schrijver van verschillende kanten wordt tegengewerkt. Hermans vertrekt in 1973, ook het jaar van zijn ontslag aan de universiteit, verbitterd en gedesillusioneerd naar Parijs, waar hij stug blijft doorschrijven Er verschijnen enkele novellen en in 1987 de roman Een heilige van de horlogerie. Voor dit boek wordt hij genomineerd voor de AKO-Literatuurprijs. In 1989 publiceert hij zijn laatste omvangrijke roman Au Pair, die zich in Parijs afspeelt. Het boek wordt lauw ontvangen.

Na in 1988 in hun eigen appartement gewelddadig te zijn aangevallen voelen Hermans en zijn vrouw zich in Parijs steeds minder op hun gemak. In 1991 verhuizen ze naar Brussel, waar op dat moment hun zoon Ruprecht woont. In 1993 schrijft Hermans het boekenweekgeschenk In de mist van het schimmenrijk, maar dat zorgt niet voor een grote opleving van zijn populariteit.

Tijdens de presentatie van het boekenweekgeschenk is Hermans weer welkom in Amsterdam. “Dat is allemaal nu voorbij en ik haal daar de spons overheen.”

Hermans is tot op hoge leeftijd kettingroker. In april 1995 wordt bij hem kanker in een vergevorderd stadium geconstateerd. Hij overlijdt op 73-jarige leeftijd, op 27 april 1995.

In het kort:

  • W.F Hermans wordt geboren op 1 september 1921. Hij wordt als kind al geplaagd door een grote somberte. Later noemt hij zichzelf een misantroop. Vanaf zijn dertiende schrijft hij, dat werkt bevrijdend.
  • Hermans rond zijn studie fysische geografie cum laude af. Als professor aan de Rijksuniversiteit Groningen is hij minder succesvol. Nadat verwijten dat hij te weinig werk verricht tot conflicten leiden, vraagt hij om een eervol ontslag.
  • De donkere kamer van Damokles zorgt voor de nationale doorbraak van Hermans. Nooit meer slapen wordt als zijn beste boek beschouwd. Hermans weigert de P.C. Hooftprijs maar ontvangt wel de Prijs der Nederlandse Letteren in 1977.
  • Hermans staat bekend om zijn vele om zijn vele rellen en ruzies, waaronder het negeren van de culturele boycot van Zuid-Afrika. Metterjaren daalt de populariteit van Hermans en zijn werk. Hij overlijdt aan kanker op 73-jarige leeftijd.