De dag dat ik een verhaal wilde schrijven over het voetvalverleden van mijn vader

FOTO: FAMILIE ARCHIEF R.L. GIPHART. De vader van Ronald Giphart (rechts) met zijn oudere broer John (±1939)

Dit verhaal stond in Hard Gras nummer 2 (jaargang 1) van december 1994.

Ik was van plan een verhaal te schrijven over het voetbalverleden van mijn vader, maar mijn vader zei licht-cynisch dat hij daarover zelf al had geschreven in het manuscript dat ik nog van hem had liggen: ‘Je weet het misschien nog wel, mijn oorlogsherinneringen.”

Mijn vader heeft inderdaad een boek geschreven: OZO of wat de pot verder schaft, de belevenissen van een oorlogskleuter. “Waar niemand ooit ook maar de geringste belangstelling voor heeft getoond,” aldus mijn vader, enkele jaren na de voltooiing ervan.

En dat is waar. Een paar jaar geleden, toen ik mijn vader vertelde dat ik zou gaan debuteren met een roman, heeft hij mij het manuscript over zijn oorlogsjaren gegeven met de opdracht ‘er iets mee te doen’ en het ‘eventueel onder te brengen bij een uitgeverij’. Ik was te druk toen, te veel bezig met mijn eigen dingetjes en tekstjes, en ik heb mijn vaders boek ergens bewaard waar ik het nu niet meer kan vinden. Ook mijn stiefmoeder en stiefzusje Ga, ’t is net een sprookje) schijnen niet bijster in mijn vaders oorlogsbelevenissen geïnteresseerd te zijn geweest, om maar te zwijgen van de oud-collega van mijn vader die al op de eerste bladzijde van OZO een historische fout ontdekte, waarna hij subiet stopte met lezen. Deze reacties lieten mijn vader redelijk ijskoud, want hij had het boek, beweerde hij onaangedaan, toch uitsluitend voor zichzelf geschreven (en om te leren werken met zijn computer).

Een paar maanden nadat ik gedebuteerd was, mocht mijn vader na veertig dienstjaren vervroegd uittreden; iets waarop hij zich volgens mij al veertig jaar had verheugd. Hij werd (en bleef) niet alleen schilder, houtbewerker, puzzelaar, weldenkend anarchist, experimenteel meesterkok, computerprogrammeur en fervent lezer, maar ook schrijver. “Bij de meeste mensen is het ‘Zo vader, zo zoon’, maar bij mij is het ‘Zo zoon, zo vader’,” zei hij, waarop hij een cursus Het Schrijven Van Verhalen bestelde bij de firma Eurodidakt. Er is in Nederland het weerzinwekkende en angstaanjagende aantal van 150.000 mensen die schrijven voor hun hobby, en vanaf toen waren dat er 150.001. De docent van de schrijfcursus was de leraar Nederlands Hans ter Mors, die lang geleden bij De Bezige Bij een verhalenbundel heeft uitgeven met de titel De dealer en de organist (waaruit in de lessen natuurlijk veelvuldig werd geciteerd).

Deze Ter Mors heeft het nog betreurd dat mijn vader zich bij zijn cursus inschreef, want mijn vader (oud-vakbondsbestuurder en erg links in de jaren zeventig) was en is niet iemand die zich dingen laat voorschrijven of cursusonderdelen maakt waar hij geen zin in heeft. Vaak ging hij in discussie met de leraar. Nederlands (mijn vader vond bijvoorbeeld dat het onderscheid literatuur-lectuur zo langzamerhand uitsluitend bedoeld was om leraren Nederlands aan het werk te houden) of weigerde hij strikt om bepaalde onzinopdrachten in te leveren. Zo moest hij, nadat hij volgens Ter Mors twee boeken niet voldoende had ‘samengevat’, de opdracht nog een keer uitvoeren. Dit pikte mijn vader niet.

“Ik ben deze cursus niet begonnen uit de behoefte er later geld mee te verdienen (dat wordt toch gekort op mijn vut-pensioen) of om het volk wat mee te geven, maar om mezelf tot geestelijke activiteit te zetten,” schreef hij aan Ter Mors. “Het moet echter wel leuk blijven. Ik vind het niet leuk als ik me voor de tweede keer moet gaan verdiepen in die troep.”

Opvallend was het dat mijn vader na deze brief uitsluitend nog negens en tienen scoorde, met begeleidende teksten als: ‘U hebt talent! U geeft meesterlijke staaltjes van zelfironie! U hebt de juiste toon gevonden!’

Ik opperde dat het voor mijn verhaal over mijn vaders voetbalherinneringen misschien beter was om samen naar de verbouwde Kuip te gaan en Feyenoord weer eens te zien spelen (waarvan mijn vader vroeger supporter was). Hij vond dil prima, zei hij, maar draaide er in de weken daarop zo vaak omheen dal het duidelijk was dat hij er tegenop zag (en uiteraard was ik te laks om snel iets te regelen). De laatste keer dat mijn vader en ik samen naar een wedstrijd waren geweest, was toen we DS’79 uit zagen spelen tegen F.C. Amersfoort (de uitslag weet ik niet meer). Dit was in 1980 en we waren net van Dordrecht naar Soestdijk verhuisd. Mijn vader kende de Socialistische Internationale uit zijn hoofd en had dus geen rijbewijs, waardoor Amersfoort de enige te bezoeken club in de omgeving was. Onderweg terug naar Soestdijk kreeg ik een lekke band, wat een slecht voorteken was, want het jaar daarna ging F.C. Amersfoort failliet. Hierdoor viel het betaalde voetbal voor mijn vader en mij niet meer te befietsen.

“Waarom kijken we niet gewoon een keer naar een wedstrijd van Feyenoord op de televisie?” stelde mijn vader voor, toen ik een zondagmiddag wilde uitzoeken. “Dat lijkt me makkelijker voor jou.”

Nu was het voor mijn verhaal eigenlijk veel mooier wanneer ik er een raamvertelling van zou maken, met de Kuip als raam en mijn vaders herinneringen als vertellingen (zo heb ik het althans bij mijn Autodidakt-cursus geleerd), maar een avond voetbal voor de buis moest een bijna net zo ‘werkbaar kader’ zijn. Een geschikte Feyenoord-wedstrijd viel echter niet te prikken, en dus kozen we het duel uit de Champions League tussen Casino Salzburg en Ajax (niet echt mijn vaders favoriete club, hoewel ze de afgelopen vijftig jaar heus twee of drie leuke spelcombinaties hadden laten zien).

Toen ik die woensdagavond aankwam, zat mijn vader op zijn vaste plek in de huiskamer. Op de tafel voor hem lag achteloos een stapel papier. Hij zei, wat flauwtjes wijzend op de printuitdraai: “O ja, ik heb mijn voetbalherinneringen alvast opgeschreven. Lees het maar voordat we over voetbal gaan praten, want ik weet niet of je me daarna nog iets hoeft te vragen.”

Ik was verbaasd. Aarzelend pakte ik de vellen van tafel.

“Het zijn ongeveer drieduizend woorden, dus je mag ze wat mij betreft rechtstreeks in je verhaal zetten,” zei hij genereus.

“Zal ik vragen of het honorarium ook rechtstreeks aan je overgemaakt kan worden?” vroeg ik, maar mij vader schudde van nee, omdat dan zijn pensioen in gevaar kwam. Terwijl hij in zijn kookatelier een maaltijd ging concipiëren en mijn stiefmoeder zich er druk over maakte dat er die avond alwéér voetbal werd uitgezonden, las ik mijn vaders voetbalanekdotes.

Kijk, en daardoor zit ik nu in een netelige situatie. Als je gewend bent om altijd alles voortdurend en zonder uitzondering negatief te benaderen, als je een pure misantroop bent die almaar een beetje in z’n cynische humorpotje zit te roeren, als botte onverschilligheid je levenshouding is, als je niets en niemand met een open en blij gemoed kunt beschrijven of behandelen, als je een zwartgallige kankerpit, een filister en een geniepige uitlacher bent kortom, hoe moet je dan in godsnaam over je vader schrijven? Ik bedoel: zonder hem af te zeiken of anderszins voor gek te zetten.

Punt is: ik heb helemaal geen zin om op mijn eigen etterige manier over mijn vader te schrijven, want mijn vader is een lieve, goede man die mij nooit iets heeft misdaan, anders dan dat hij mij (met mijn moeder en al mijn andere fantastische opvoeders) een gelukkige jeugd, een evenwichtige opvoeding en een verdomd gedegen start in deze gemene baggerput genaamd het leven heeft gegeven. Ja, dat soort dingen mogen godverdomme ook wel eens gezegd worden. Die man heeft jarenlang belasting betaald!

Het probleem is echter (ik zal het schrijfproces even ter discussie stellen) dat ik ervoor moet oppassen dat mijn vaders voetbalherinneringen niet al te truttig en te braaf worden. Als ik ergens poep van kots, is het truttige literatuur, zeg maar de boeken van Jan Siebelink. Ik bedoel acute hersendoodverwekkende verhalen over gereformeerde jeugdtrauma’s anno de jaren vijftig in armetierige provincieplaatjes op de Veluwe of in Drenthe, hoe je dat ook spelt.

Punt is tevens dat, toen mijn vader in de keuken lekker begon te kookhouwen en ik las wat hij zich herinnerde aan voetbalverhalen, en vooral hoe hij dat had opgeschreven, mij de moed in de schoenen zonk. Vermakelijk geschreven anekdotes waren het, daar niet van, maar voor een generatiegenoot van de jongere broertjes van Charles Bukowski, J.D. Salinger en William S. Burroughs misschien toch, hoe zeg je dat op z’n Eurodidakts… misschien toch wat gezeglijk.

“Tussen mijn vijfde en twaalfde jaar,” begon mijn vader in zijn eigen verhaal, “was ik vaak te vinden op een groot terrein in de buurt van ons huis, dat de Veemart heette. Bijna dagelijks verzamelden hier zich grote groepen jongens, die urenlang een tot voetbal bewerkte prop papier over het veld trapten, totdat die in Harden was uiteengereten, of totdat ze naar huis moesten om te eten. Af en toe deed ik ook wel eens een schamele poging om me in het strijdgewoel te mengen, maar meestal gaf dit weinig succesvolle resultaten, omdat ik de oudere jongens door mijn aanwezigheid belette het spel te spelen. Joh, rot op,’ kreeg ik dan te horen, je lôôp voor me pôte…!’ “

Oh nee, dacht ik na deze eerste alinea, in godsnaam geen herinneringen aan vriendjes met rare namen, maar ik had deze gedachte nog niet verwoord of ik las: “Wat me ook altijd is bijgebleven, was de rotstreek die mijn oudere broer en zijn vriend Jantje de Boer (die om onduidelijke redenen altijd Oetjie werd genoemd) mij leverden. In de rust van een wedstrijd drukte Oetjie wat geld in mijn handen met de opdracht drie ijsjes te kopen, waarop ik onmiddellijk langs het veld begon te rennen. Toen ik een twintigtal meter was gevorderd, hoorde ik plotseling Oetjie mijn naam roepen, waarna hij mij duidelijk maakte dat ik maar twee ijsjes moest kopen in plaats van drie. Dat kon, misschien had hij geen trek in ijs. Maar toen ik even later terug was met twee ijsjes, gaf hij er één aan mijn broer en de andere vrat hij zelf op. De verontwaardiging die mij toen overviel, voel ik na precies vijftig jaar nog!

Ik was ongeveer 13 jaar toen mijn vriendje Siempie Sluysdam me overhaalde bij Emma te gaan spelen. Dankzij het feit dat de wedstrijd-secretaris een bekende van mijn vader was, werd ik meteen in Emma C opgesteld. Mijn positie was linkshalf. De eerste wedstrijd verloren we met 13-1, maar dat kwam omdat we tegen Sliedrecht B speelden; die club had haast geen jongens van 12 jaar en moest noodgedwongen oudere jongens opstellen. De volgende wedstrijd verloren we slechts met 8-2 tegen de plaatselijke tegenstander ODS. De progressie zat er dus zeker in. Siempie zei tijdens deze wedstrijd tegen me: ‘Robbie, foeballe kejje nie, maar je werk azze paard’. Dat was het enige en daardoor grootste compliment dat ik ooit van hem of iemand anders heb gekregen voor mijn voetbalcapaciteiten.”

“Kun je er wat mee?” vroeg mijn vader, toen ik een paar bladzijden in zijn voetbalverhaal had gelezen. Hij ging op de bank zitten met een bak aardappels op zijn schoot. Een door mij bewonderde schrijver (ik weet bij God niet meer wie) schreef eens dat hij als het decorum dat vereiste, zijn mening over alles zou inslikken of verzwakken, behalve als het ging om literatuur. De literatuur was het enige waarvoor deze man zich niet wenste te encanailleren. Dat was je, wanneer je je schrijverschap serieus nam, aan jezelf verplicht, vond deze schrijver. Ik wou dat ik dat principe er ook op na kon houden, maar mijn gevoel voor decorum heeft een eigen willetje, waartegen ik me niet kan verzetten, en al helemaal niet als het om de geschriften van mijn vader gaat.

“Vind je het wat?” vroeg mijn vader nogmaals, nadat ik weer een bladzijde had omgeslagen. Als ik een vent was had ik toen gezegd: “Pappa, je werk azze paard.”

De memoires vervolgden: “Na een paar maanden hield ik er mee op omdat ik op zaterdagmiddag tekenles moest gaan nemen. Mijn vader had besloten dat ik enig tekentalent had. Ik geloof niet dat ik vreselijk onder deze ruil gebukt ging. Hoewel ik daarna nooit meer regelmatig actief geweest ben, heb ik toch jarenlang een band met Emma gehouden. Dat kwam voornamelijk door het feit dat ik zowel op de mulo als tijdens mijn eerste ambtelijke jaren contact had met Cor, de jongste van de viergeb roeders Van der Gijp, die deel uitmaakten van het roemruchte Eerste elftal van Emma in de jaren rond 1950. Freek en Janus van der Gijp hadden al heel lang een plaats in dit elftal en later kwam broer Wim er bij, de vader van de bekende RTL-komiek René van der Gijp. Cor was, meen ik, nog maar een jaar of zeventien toen hij ook in het Eerste werd opgesteld. Precies weet ik het niet meer, maar ik geloof dat het elftal getraind werd door de destijds legendarische coach Richard Dombey.

Ja, wat herinner ik me nog van de Gijpies? Freek was de oudste en speelde op een van de binnenplaatsen in de voorhoede. Hij had geen bijzondere kenmerken, behalve dat hij een betrouwbare voorhoedespeler was. Janus speelde rechtsbuiten. Als hij de bal naar de hoekvlag dreef, renden de anderen onmiddellijk naar het doel, want er kwam gegarandeerd een hoge voorzet. Janus had nog een andere kwaliteit. Zelf heb ik het niet meegemaakt, maar ik ben er van overtuigd dat het verhaal klopt: op een dag moest hij een pienantie nemen tegen HVV. Voordat hij de bal op de stip legde, zoog hij met veel lawaai een klodder slijm uit zijn neusholte en spoog die op de bal. Vol afgrijzen zag de keeper van HVV deze handeling en liet daarna de bal passeren, zonder er een hand naar uit te steken.”

De vader van Ronald Giphart (±1952 ) FOTO: FAMILIE ARCHIEF R.L. GIPHART

Om dit verhaal moest ik hard lachen. Mijn vader deed net of hij dit niet hoorde. Ook om de volgende geschiedenis moest ik grinniken, ik begon mijn vaders ondermijnende geschrijf zo waar nog leuk te vinden!

“Cor kende ik al van de mulo,” ging het pak van Sjaalman verder. “Heel vaag herinner ik me uit die tijd dat hij samen met een ander voetbaltalent, Dick (zijn achternaam weet ik niet meer), tijdens de jaarlijkse wedstrijd tussen de leraren en de leerlingen de eersten op een vreselijke manier gedold heeft en het leerlingen-elftal een monsterzege heeft bezorgd. Van die Dick stond er in die tijd een foto in de plaatselijke krant waarmee hij nogal geplaagd werd, want door een ongelukkige lichtval, gecombineerd met een king-size voetbalbroek in de wind, leek het alsof Dick daar stond met een levensgrote erectie.

Overigens speelde in het befaamde elftal van Emma nog een vijfde Van der Gijp, Jur, maar dat was een neef. En ik wil vooral de slingerback niet vergeten, Wim van der Starre, hard maar eerlijk, behalve als hem in het veld een fysiek geintje werd geflikt. Dan stak hij een vinger op en zei slechts: ‘Da’s eenmaal, broer’. Als hij dan weer onheus werd bejegend, zei hij: ‘Nou nog maar één keer, broer’. En als hij dan een derde keer werd geraakt, duurde het meestal niet lang of je hoorde een bot gekraak en een felle kreet, waarna een speler van de tegenpartij kreunend op de grond lag terwijl Wim hem onder toevoeging van de woorden ‘ik heb je drie keer gewaarschuwd, broer, maar je wou niet luisteren’ behulpzaam overeind trok. De scheidsrechter had uiteraard niets gezien.

Maar om weer terug te komen op Cor: Wethouder De Munter van Sociale Zaken was in die tijd tevens voorzitter van Emma en heeft ervoor gezorgd dat Cor, in die tijd ongeveer 20 jaar, een baantje kreeg bij de Sociale Dienst. Dan kon hij namelijk zo vaak verlof op nemen als nodig was voor de training van het Nederlands elftal (dat destijds geheel uit amateurs bestond).

Cor is meegeweest naar de Olympische Spelen van 1952 in Helsinki, waar Nederland echter geen rol van betekenis speelde. Toen Cor na een paar weken weer terug was op onze afdeling, Maatschappelijk Hulpbetoon, hebben we nog vele keren de uitreiking van een Olympische medaille nagedaan. Dan stond Cor op een stoel en keken wij ambtenaren vol devotie naar hem op, onder het zingen van het Amerikaanse volkslied, volgens Cor zowat het enige volkslied dat in Helsinki gespeeld werd.

Toen het betaalde voetbal werd ingevoerd, zijn de gebroeders Van der Gijp uitgewaaierd naar andere clubs, waarschijnlijk omdat die in staat waren de spelers meer geld te bieden dan Emma. Als profclub heeft Emma daarna nooit veel betekend, net als DFC en EBOH, die het overigens alle drie slechts een paar financieel wanhopige jaren hebben volgehouden. Alle inspanningen van wethouder De Munter ten spijt weigerden de drie verenigingen om clubchauvinistische redenen te fuseren. Was dat wel gebeurd, dan had Dordrecht zeker een landelijke topclub gehad. Cor heb ik later nog wel eens zien spelen bij Feyenoord.”

Terwijl mijn vader in de keuken onze maaltijd vervolmaakte, bedacht ik dat dit toch wel een behoorlijk vreemde manier was om dingen uit mijn vaders verleden te weten te komen. Echt diepgaande gesprekken over de dingen van zijn leven hebben we eigenlijk nooit gevoerd, en nu kom ik er plotselinge achter dat hij heeft gewerkt bij een afdeling die ‘Maatschappelijk Hulpbetoon’ heette. Wat was dat voor een club? Dat moet ik hem toch eens vragen. En wat ik ook niet wist, was dat mijn vader vroeger schijnbaar ook al over voetbal schreef:

“Totdat ik in 1962 mijn been brak, ben ik nog wel een paar keer linksbinnen geweest in een elftal bestaande uit ambtenaren van de Sociale Dienst. We speelden tegen teams van het Raadhuis en de Politie. Van dat laatste elftal herinner ik me dat ik tegenover een inspecteur stond (hij heette Heger, geloof ik), die als hij aan de bal was, door zijn maten consequent en zeer beleefd met ‘Tikkie… Mijnheer’ werd aangeschreeuwd. Eén keer, toen we samen achter de bal aanrenden, maakte ik een zijdelingse beweging, waardoor hij languit ter aarde stortte. Het enige dat hij zei, was: ‘Dat moet je niet meer doen, vriend’. Toch vond ik het wel een prettige gedachte om ongestraft een inspecteur van politie naar de grond te hebben gewerkt. Als aardige bijverdienste mocht ik voor het Dordrechtsch Nieuwsblad over alle wedstrijden een zogenaamd cursiefje schrijven tegen vier cent per regel. De aanslag op inspecteur Heger heb ik daarin waarschijnlijk uitgebreid vermeld.”

“Heb je de stukjes die je voor de krant schreef nog?” vroeg ik, toen mijn vader de schalen met hap-art binnenbracht. Mijn vader lachte hard, zei dat die niets voorstelden en dat hij alles had weggegooid. Aan tafel probeerde ik hem verder uit te horen over de tijd dat hij geregeld naar Emma (“Het mooiste voetbal van Nederland speelden ze daar, althans dat vonden wij”) en Feyenoord ging, maar op veel vragen antwoordde hij: ‘Ja, dat heb je dan waarschijnlijk nog niet gelezen, maar daar heb ik ook al over geschreven.” En daarbij wilde mijn stiefmoeder liever niet dat we aan tafel over voetbal praatten; “dat kinderachtig gehobbel,” zei ze.

Na het eten verdwenen mijn vader en ik naar het hobbelhok in de kelder, waar mijn vader zich altijd terugtrekt als er gevoetbald wordt op tv. Mijn vader heeft daar zijn computer, donkere kamer, boekenkast, werktafel en beeldbuisje, zodat hij mijn stiefmoeder niet hoeft te vervelen met het zichzelf zijn. Dáár zou iemand eens een roman over moeten schrijven, over die vrouwen die het niet kunnen uitstaan dat hun mannen met liefde anderhalf uur lang kijken naar tweeëntwintig andere mannen. Denk maar niet dat er één vrouw is die met plezier een peloton seksegenoten volgt. Het is pure jaloezie, die voetbalhaat van vrouwen.

Beneden las ik verder in mijn vaders herinneringen. Over de keer in de oorlog dat hij een provisorische wedstrijd van DFC bezocht, waar plotseling een grote groep Italiaanse krijgsgevangenen, bewaakt door zwaar bewapende Duitsers, het veld opkwam om de wedstrijd te volgen. Dit was een verzetje voor die Italianen, dus ik mag wel zeggen dat ook mijn vader, hoe jong hij ook nog was, in de oorlog bij het verzet heeft gezeten.

Ook vertelden de memoires over de keer dat hij Johan Cruijff had zien voetballen in de Kuip: “Gerard van Kerkum hield dat knulletje helemaal in bewang, en ik meen zelfs dat Feyenoord van Ajax won met 9-4, maar dat zou ook een andere keer geweest kunnen zijn.”

Mijn vader had één herinnering die nog door zijn hoofd spookt als hij bij een interlandwedstrijd de volksliederen ziet spelen: “Wanneer het was, weet ik niet meer (het moet halverwege de jaren zestig zijn geweest) en tegen welk land ook niet, maar ik ging met een toenmalige vriend, een orthodox socialist, republikein en principieel Europeaan, naar de Kuip voor een wedstrijd van het Nederlands elftal. Toen de volksliederen gespeeld dreigden te worden, zei mijn vriend, tot mijn stomme verbazing: ‘Ik vind dat we moeten gaan staan’. En toen stond hij daar in zijn dooie eentje in een woud van zittende supporters die het niet konden opbrengen om zich naast hem te verheffen. Zoiets deed je niet! Twee volksliederen lang heeft mijn vriend strak in de houding gestaan, terwijl ik, gekweld door tegenstrijdige gevoelens, naast hem zat. We hebben daarna nooit meer over dat incident gesproken.”

Na nog een paar alinea’s begon mijn vader het in zijn print plotseling over ene ‘jij’ te hebben. Het duurde even eer ik begreep dat hij mij daarmee bedoelde.

“Jij was een jaar of zeven, toen we in het begin van de jaren zeventig in de stadswijk Crabbehof de sportwinkel van Cor van der Gijp bezochten. Jij was inmiddels als pupil aangemeld bij EBOH, en we gingen voetbalattributen voor jou uitzoeken. Een hele wand van die winkel was vrijgemaakt voor een vele vierkante meters grote foto van het eerste elftal van Feyenoord, dat in die tijd nogal succesvol was. Maar daar had jij geen belangstelling voor. Voor jou was er toen alleen EBOH en verder niks.”

Toen ja, maar ik was pas zeven! Ik was zeven jaar, wil ik hier als verdediging aanvoeren! Later ben ik me heus wel voor Plato gaan interesseren en de onzegbaarheid van de waarheid en Sanskriet en dat soort dingen!

“Als jij een thuiswedstrijd had, kwam ik altijd kijken. Je moet toegeven dat ik nooit fanatiek naar je heb geschreeuwd, zoals veel andere vaders (tegen hun zonen, bedoel ik). Ik kan me slechts één voorval herinneren, waarin ik als een bezetene stond te roepen naar een jongetje dat kennelijk een listig plannetje had uitgebroed. Terwijl de andere spelertjes met z’n twintigen tegelijk verbeten trachtten de bal weg te schoppen, hield hij zich in zijn eentje op bij de keeper van de tegenpartij. Ik vermoed dat hij dacht: als ze de bal nou meteen naar mij trappen, dan kan ik hem hem er zó inleggen. Intelligent gevonden, maar ik heb nog nooit iemand zó buitenspel zien staan. Dat riep ik ook naar hem, maar hij hoorde me niet. En ik stond daar te gillen, terwijl hij op z’n dooie gemak naar dat gedoe in de verte stond te kijken en wachtte op zijn kans. Toen ben ik naar hem toegelopen, om hem te vertellen dat hij buitenspel stond. Hij begreep niets van mijn uitleg, maar was ten slotte toch bereid zich weer in de massa te storten, waarschijnlijk alleen omdat ik een grote vent was en hij een klein jongetje. En ik was z’n vader, dat scheelde ook.”

Gaan we afzeiken, ouwe? dacht ik, nadat ik deze passage had gelezen. Mijn vader had inmiddels de televisie aangezet en zat te kijken naar de voorbeschouwing van Casino Salzburg – Ajax.

De laatste alinea van zijn manuscript vertelde over zijn meest recente voetbalherinnering. Onlangs zag hij in zijn kelder het Nederlands elftal met veel geluk gelijkspelen tegen het Noorse. In de jaren vijftig was hij er in de Kuip bij dat Nederland Noorwegen afslachtte met 9-3. Volgens de commentator was die uitslag echter 9-0, en toen wist mijn vader het plotseling niet meer. “In mijn herinnering maakten die Noren toch echt drie tegendoelpunten,” was mijn vaders laatste zin.

Ik legde het verhaal weg, juist op het moment dat in Wenen de aftrap werd genomen. Het stapeltje papier stopte ik zuchtend in mijn koffer.

“Nou pappa, je hebt me een aardig kunstje geflikt,” zei ik.

“Hoezo?” vroeg mijn vader, zogenaamd verrast.

“Het was de bedoeling dat ik over jouw voetbalverleden ging schrijven, niet jij. Ik bedoel: dit is mijn beroep, ik moet ervan leven, jij bent gepensioneerd en kunt doen wat je wilt. Lekker makkelijk, ja. Stel nou dat iedereen die die vrijheid heeft maar een beetje verhalen gaat zitten schrijven, dat zou een mooie boel worden, pappa, dat zou me leuk worden voor al die schrijvers die naggelen voor iedere cent. Literatuur is geen lolletje, laat me je dat vertellen, literatuur is ploeteren, ploeteren, ploeteren, en als jullie emeriti ons nu ook nog eens werk uit handen gaan nemen, is dat werkelijk geen stijl!”

Mijn vader grinnikte, en zweeg. We keken vervolgens naar zo’n beetje de saaiste wedstrijd die we samen ooit hebben gezien.

“Maar wat vond je er nu eigenlijk van?” vroeg mijn vader abrupt, vlak voor rust. We hadden tot dan toe eigenlijk alleen met een half oog naar het scherm gekeken en elkaar verteld over de computerspelletjes die we kenden.

“Van je verhaal, bedoel je?”

Mijn vader knikte.

“Pappa,” zei ik, “laat ik het zo zeggen: je hebt talent! Je geeft meesterlijke staaltjes van zelfironie! Je hebt de juiste toon gevonden!”

Mijn vader accepteerde deze complimenten minzaam.

“Dat vind ik zelf eigenlijk ook wel,” besloot hij.

Hard Gras 2

Hard Gras, Nr 2, April 1994 is een literair voetbaltijdschrift met medewerking van Adriaan Morrien, Hugo Borst, Willem Wilmink, Herman Brusselmans, Mensje Van Keulen, Jos Bloemkolk, A.F.Th. Van Der Heijden, Tim Krabbe, Theun De Winter, Jos De Putter, Ronald Giphart, Anna Enquist, Nick Hornby, Gerrit De Jager

Nummer: 2

Maand/Jaar: December 1994

ISBN: 9025413536

Uitgever: L.J. Veen

Druk: 1ste

Redactie:

  • Matthijs van Nieuwkerk
  • Henk Spaan

Vormgeving: Betty’s Art Work

Afmetingen: 23 x 16,5 x 1 cm

Type: Paperback

Pagina’s: 128

Pagina’s Ronald Giphart: 97- 108

Type: Paperback

Inhoud:

  • Adriaan Morrien – Denkend Aan Jordi Cruijff (Zal Men In De Komende Eeuw Van Cruijff De Oude En Cruijff De Jonge Spreken?)
  • Hugo Borst – Marco’s Kamer (De Jongenskamer Van Marco Van Basten)
  • Willem Wilmink – Poezie: Linksbuiten 1948
  • Herman Brusselmans – Het Team Der Wezen (Hoe Een Carriere Bij Sporting Lokeren Ten Einde Kwam)
  • Mensje Van Keulen – Is Er Nog Plaats Onder De Paraplu? (De Moeders Langs De Lijn: ‘Hee, Was Dat Een Doelpunt?’)
  • Jos Bloemkolk – Onder Den Zegen Van Den Paus (Een Ajax-fan In Crooswijk)
  • A.F.Th. Van Der Heijden – Medusahoofd Van Stofzuigerslangen, Over WK ’74 En ”94, EK ’88 En Het Vaderschap
  • Tim Krabbe – De Voetbaldroom (Wij Hebben Gewonnen, Met 1000-999)
  • Theun De Winter – Poezie: Belofte?
  • Jos De Putter – Het Kwattagevoel Of Hoe Groot Is Johan Cruijff (Het Kwattagevoel, Of Hoe Groot Is Johan Cruijff Eigenlijk?)
  • Ronald Giphart – De dag dat ik een verhaal wilde schrijven over het voetbalverleden van mijn vader (De dag dat ik wilde schrijven over het voetbalverleden van mijn vader)
  • Anna Enquist – Poezie: De Vrije Bal
  • Nick Hornby – Het Dagboek Van Een Vader (De Jongste Supporter Van Arsenal)
  • Gerrit De Jager – Junior, Een Ongewone Voetbalstrip

Het verhaal van Ronald Giphart verscheen ook in Het Feest Der Liefde (1995)

Ronald Giphart, debuteerde als voetbalschrijver in Hard Gras 1. Hij werkt nog steeds aan het epos ‘Herinneringen aan Juul Ellerman bij E.B.O.H.’