Vrij Nederland

By hans, 26 augustus 2019

1993, 27 november

Foto: Bert Niehuis

Een eigen treitertrend

Een commune, da’s niks. Vond een van de ikjes uit een van de eigentijdse stukjes die Kees van Kooten begin jaren zeventig verzamelde onder de naam Treitertrends. ‘Nee, in een commune zie ikmezelf nog niet zo gauw volledig manifesteren.’ In een scholengemeenschap, ontdekte Ronaid Giphart een jaar of tien later, valt het ook niet mee je in alle vrijheid te manifesteren. En daar had zijn ikje juist zo’n behoefte aan, vooral in literaire zin.

Giphart was idolaat van Kees van Kootens Treitertrends toen hij op de havo van het Baarns Lyceum zat. Mevrouw Van Vessem, lerares Nederlands op jaren, had het wat minder op Van Kooten begrepen. ‘In navolging van zijn Treitertrends ging ik op een gegeven moment mijn eigen Treitertrends schrijven,’ herinnert Giphart zich. ‘Ik ging ze ook als opstellen inleveren. Daar kon mevrouw Van Vessem niet om lachen, want wat ik schreef vond zij geen prozadialogen. Leuk, maar nu even uitwerken tot een opstel, stond er herhaaldelijk onder al het fabelachtigs dat ik haar voorschotelde. Nee, mevrouw Van Vessem had onontkoombare klassieke opvattingen over wat goede zinnen waren.’

Later, op het vwo van datzelfde Baarnse lyceum, besloot Giphart dat er op heel dat lyceum maar één iemand rondliep die iets van literatuur begreep. En dat was hijzelf. Goed, zijn bondgenoten, met wie hij de alternatieve maar uiterst rendabele (extra zakgeld opleverende) schoolkrant De uitlaat vol pende, die begrepen er ook wel iets van. Maar die zaten een of twee klassen lager, dus mocht hij zich met recht de Grote Literaire Roerganger noemen. Deze zelfbenoemde voortreffelijkheid moest tot uitdrukking komen in een waarlijk extravagante literatuurlijst. ‘Ik vond dat ik niet met een doorsneelijst van vijfentwintig boeken kon komen aanzetten. Daarom stelde ik er een samen van zo’n vijfentachtig titels. Dichtbundels, complexe romans – uit ieder tijdvak een representatief corpus werken. Omdat ik wel goed was maar niet gek, stonden er ook boeken op die iedereen erop had staan: De val van Marga Minco, De aanslag van Harry Mulisch en Cirkel in het gras van Oek de Jong. Die had ik ook gelezen, maar ik ging ervan uit dat daar geen vragen over zouden worden gesteld, dus bereidde ik me daar niet op voor. Krijgt zo’n leraar eens de kans iemand door te zagen over Van het balkon van Robert Anker of Essays in duodecimo van Simon Vestdijk, dan zal hij het niet laten ook. Maar van alle vijfentachtig boeken kreeg ik uitsluitend vragen te beantwoorden over De aanslag, De val en Cirkel in het gras. Voortaan wist ik dat ook leraren alleen maar uit het geijkte repertoire putten.’

Zelfs vele jaren later uitten de leraren van het Baarns Lyceum zich nog wat terughoudend over de volledige literaire manifestatie van voormalig leerling Ronald Giphart. ‘Niet lang nadat ik met Ik ook van jou gedebuteerd was, moest ik iemand in Baarn interviewen en liep ik langs mijn oude school. Kom, dacht ik, laat ik er nog eens binnengaan.’ Dat liep op een zachte teleurstelling uit. ‘Alleen de leraar klassieke talen was ongegeneerd enthousiast over het feit dat ik enige naam had weten te maken in de literatuur. Veel anderen hadden iets in de trant van: “Ik vond het eigenlijk niet zo’n goed boek, Ronald.”‘

Gerechtigheid kwam uiteindelijk van de doden. Van de schrijver Cees Buddingh’, om precies te zijn. ‘In het voorlaatste schooljaar wilde ik met een andere leerling een scriptie schrijven over de nonsensgedichten van Buddingh’. Het was een aardige bijkomstigheid dat mijn ouders hem uit Dordrecht kenden. Hij zat met mijn moeder (de voormalige politica Wijnie Jabaaij – PN) in de PvdA, terwijl mijn vader hem van het voetbal kende. Ga hem dan interviewen, suggereerde mijn leraar. Dat hebben we toen gedaan, en daaraan werd ik onlangs herinnerd door een brief die Ares Koopman mij stuurde met daarin een kopie van een dagboekbladzijde van Buddingh’. Koopman is bezig de dagboeken te bezorgen, en ontdekte dat mijn naam daarin voorkomt.’ Buddingh’ schreef op 9 april 1985 (ongeveer een jaar voor zijn dood): ‘Vanmiddag twee middelbare scholieren uit Baarn. Een ervan de zoon van Wijnie Jabaaij. Willen een spreekbeurt verzorgen over nonsenspoëzie en kwamen daarover allerlei vragen stellen. Heel aandoenlijk. (…) Als ik even kan, ga ik op dit soort verzoeken in. Middelbare scholieren die zich met deze zaken bemoeien, moet je een beetje koesteren.’

Ronald Giphart is medewerker van Boekblad. Zijn romans Giph en Ik ook van jou verschenen bij Nijgh & Van Ditmar (beide f 29,90).