VARAGids nr. 11, 14-20 maart 2026
De auteur van het boekenweekgeschenk 2026 was lange tijd alleen bekend onder pseudoniem Herdrik Groen. Ronald Giphart spreekt hem. ‘Jij bent de eerste schrijver met wie ik wat langer praat.’
Allereerst: gefeliciteerd met je Boekenweekgeschenk en misschien ook met je coming-out de anonimiteit? Dank je wel, al is het nog maar de vraag of ik een felicitatie waard ben. Dat moeten we nog maar zien.
Je debuteerde in 2014 met Pogingen iets aan het leven te maken: Het geheime dagboek van Hendrik Groen, 83¼ jaar. Waarom wilde je al die tijd eigenlijk niet in de publiciteit staan? Omdat ik geen zin had in alle bekendheid en het gedoe dat daar omheen zit. Ik weet niet precies waarop ik dat baseerde, maar ik wist wel: het is rustiger als ik het niet doe, als mensen niet meteen weten waar ik woon of wat ik verdien. Ik zie nu, na het verschijnen van het Boekenweekgeschenk, meteen wat er allemaal al wordt gepubliceerd, waardoor ik besef; ja, dat was dus de belangrijkste reden om anoniem te blijven.
Tegelijkertijd was je natuurlijk al lang een publiek figuur, al wisten weinigen wie je was. De schrijver Hendrik Groen kreeg veel erkenning, verkocht heel veel boeken, er kwam een tv-serie van zijn boek. Je werk had een impact op mensen. Dat is waar. Er zijn bijvoorbeeld mensen in bejaardenhuizen die een OMaNiDo-club hebben opgericht (Oud-Maar-Niet-Dood, RG), dat vond ik mooi. Ik kreeg prachtige lieve brieven. Mensen die schreven dat ze hun rollator hadden weggedaan en weer met een stok liepen, geïnspireerd door Hendrik Groen. Dat soort verhalen zijn heel bijzonder.
Had je daarom het gevoel dat het genoeg was en je niet uit de anonimiteit hoefde te treden? Ja. Die brieven waren prachtig. De impact was er al. Dat voelde als voldoende erkenning.
En toen kwam de vraag of je het Boekenweekgeschenk wilde schrijven… Zó’n eervol verzoek… Je mag een mooi, klein verhaal schrijven, waarvan vervolgens een half miljoen boekjes worden gedrukt. Dat verzoek was wel het moment om te zeggen: oké, dan doe ik het en geef ik me eraan over.
En nu weet dus iedereen wie je bent. In 2014 werd er al volop gespeculeerd over wie jij was. Dat vond ik superleuk. Er werden ook echt een paar namen genoemd van mensen die ik zelf heel leuk vond: Sylvia Witteman en Nico Dijkshoorn. Jij kwam ook voorbij en zelfs Arnon Grunberg. Het was amusant om te zien hoe iedereen probeerde te raden wie die gozer achter die boeken was. Het maakte deel uit van het spel, een grappige vorm van publiciteit. Leuker kun je het bijna niet krijgen. Ik zat het met veel plezier vanaf de zijlijn te volgen.
Wat iedere schrijver wel eens meemaakt: dat je een vreemde jouw boek ziet lezen. Heb jij dat ook meegemaakt en voelde je dan niet de behoefte om te zeggen: hé, dat is mijn boek? Dat gebeurde zeker. Ik zat een paar keer in de trein tegenover iemand die mijn boek las en dan bood ik aan om het exemplaar te signeren. In een boekhandel heb ik dat ook een keer gedaan.
Riskant voor iemand die undercover wil blijven. Nou, dat viel mee. In één geval ging het om een Belgische mevrouw, een schepen (lokaal bestuurder, red.) in Leuven met zorg in haar portefeuille. Zij las het boek. We hebben vervolgens een heel leuk gesprek gehad. Af en toe mailen we nog.
Rond 2016 onthulden de Volkskrant en NRC jouw naam. Maar er was geen foto en geen verdere informatie. Dus ontstond er meteen een nieuw verhaal, dat ik bibliothecaris zou zijn. Dat was echt onzin, want ik ben dat nooit geweest. Het was ook de periode dat de roddelpers over me begon te schrijven. Privé bracht een compleet uit de duim gezogen verhaal dat ik niet van mensen zou houden. Pure kletskoek. Even later werd ik ‘de grootste scheefwoner van Amsterdam’ genoemd, en daarna ging het gerucht dat ik een villa in Ilpendam had gekocht. Het werd steeds gekker. Ik heb nooit ergens op gereageerd en uiteindelijk is het doodgebloed.
Maar goed, nu ben je dus out in the open en kunnen we gewoon rechtstreeks vragen wie of wat je bent. Aan je accent te horen ben je Amsterdammer. Geboren en getogen in Amsterdam, in een katholiek milieu. Mijn moeder kwam uit een boerenfamilie. Ze hadden een boerderij bij het Amsterdamse Bos, die is gesloopt bij de aanleg daarvan. Daarna kwamen ze in de melkhandel terecht, in Oud-Zuid. Het was een hechte parochie, daar draaide veel om de kerk. Mijn vader woonde in dezelfde buurt. Zo hebben ze elkaar leren kennen. Een katholiek middenstandsmilieu.
Was je zelf ook actief in de kerk? Misdienaar bijvoorbeeld? Nee, al wilde ik als jongetje van zes wel paus worden. Dat leek me geweldig. Toen ze op een gegeven moment vertelden dat Sinterklaas niet bestond dacht ik: over een paar jaar zeggen ze waarschijnlijk dat God ook niet bestaat. Mijn ouders waren overigens erg links, mijn vader stemde op een gegeven moment zelfs PSP. Ik noem mezelf ook nog steeds een oude sociaaldemocraat.
Wat voor jongetje was je? Ik voetbalde vooral heel veel. Ik ben een linkspoot. Linkspoten zouden creatief zijn, zeggen ze. Ik begon bij T.O.B., een katholieke vereniging, daarna ging ik naar Rood-Wit. Later kreeg ik zelfs een contractje aangeboden van F.C. Amsterdam. Tonny Bruins Slot kwam bij ons thuis om te vragen of ik daar wilde komen spelen.
En waarom heb je dat niet gedaan? Ik was inmiddels aan het studeren, speelde ook volleybal en ging regelmatig uit. Ik was een jaar of twintig en had geen zin om zes keer per week te gaan trainen, alles opzijzetten, terwijl de kans dat het lukte om door te breken echt klein was. Dat vond ik een te grote gok. Ik studeerde politicologie in Amsterdam, een van de slechtste keuzes van mijn leven. Begin jaren 70, de universiteit was een enorm links bolwerk en er werd eindeloos gediscussieerd over democratisering, alles moest anders, niets deugde. En er liepen bijna alleen maar jongens rond, ik vond dat gewoon niet aangenaam, dus na anderhalf jaar stopte ik met mijn studie.
Was je een hippie, had je lang haar? Jazeker net als iedereen. Vervolgens ben ik Nederlands gaan studeren, uit liefde voor de taal. Ik had nog niet echt schrijfaspiraties, al maakte ik wel reisverslagen. Ik worstelde me door de studie, maar toen ik stage ging lopen als leraar op een school, dacht ik hier ga ik niemand blij mee maken. Vlak voor mijn doctoraalscriptie ben ik gestopt. Ik nam een baantje aan als conciërge en vervolgens ben ik gaan reizen, eerste drie maanden fietsen door Europa, daarna naar Mexico en Guatemala. Toen ik terug kwam stond ik nog steeds ergens in een kaartenbak bekend als conciërge, wat ik een paar jaar heb gedaan bij verschillende scholen. Een jaar of vier heb ik nog gewerkt bij een reclamebureautje van mijn neef, tot ik via een vriend van me terecht kwam op de Muziekschool, waar ik 23 jaar conciërge ben geweest.
Wat maakte dat werk zo leuk? Ik had mijn takenpakket flink uitgebreid. Natuurlijk deed ik het gebouw en de koffie, maar ik was ook secretaris van de ondernemingsraad. Ik organiseerde personeelsfeesten, grote voorstellingen, dan was ik circusdirecteur. Ik presenteerde, regelde van alles. Muzikaal ben ik niet heel erg goed onderlegd, mijn drie broers en ik kunnen vooral heel hard zingen. Ik heb op de muziekschool ook regelmatig opgetreden als zanger, bij docentenconcerten bijvoorbeeld. Met al die muzikanten om me heen hoefde ik me geen zorgen te maken over de begeleiding.
Wanneer begon ie serieuzer te schrijven? Tijdens die jaren op de muziekschool. Ik schreef eens een halve musical, een half boek, en ik maakte een kleine biografie van mijn vader die ik in eigen beheer heb uitgegeven voor kinderen en kleinkinderen.
Was dat de opmaat voor wat later de dagboeken van Hendrik Groen zouden worden? Ik had altijd al een fascinatie voor oudere mensen. Op de muziekschool liepen ook groepjes rond: een mandolineclub, een bejaardengymclub. Met hen had ik een soort haat-liefdeverhouding en daar is het zaadje geplant. Ik bedacht het om als vorm een dagboek te kiezen, beginnend op de eerste dag van het jaar en eindigend met Oud & Nieuw. Ik heb dat eerste jaar bijna vier of vijf keer per week geschreven. Het decor in Amsterdam-Noord is echt maar de bewoners van het bejaardenhuis heb ik allemaal verzonnen. Tegelijkertijd liet ik hen wel naar bestaande restaurants gaan, bijvoorbeeld een echte Thai in de buurt. Die mix van fictie en werkelijkheid maakte het overtuigend. Veel lezers dachten dat Hendrik Groen echt bestond.
Wat deed je toen het manuscript af was? Ik heb het naar zes of zeven uitgeverijen gestuurd, maar ik kreeg allemaal keurige afwijzingen. ‘Past niet in ons fonds’ en dat soort formuleringen. Daar was ik wel even boos om, maar een van mijn broers had het gelezen en vond het ook niets. Journalist Carel Helder, een vriend van me die me destijds ook aan het baantje bij de Muziekschool had geholpen, kwam op het idee om het online te gaan publiceren, als feuilleton op de site Torpedo Magazine. Daar heeft Het Parool toen een nepinterviewtje over gepubliceerd, en zo kwam ik in aanraking met uitgeverij Meulenhoff, die ik het manuscript overigens niet had gestuurd. Zij zagen er wel brood in.
Dat was een vooruitziende blik, want je Poging iets van het leven te maken stond 159 weken in de CPNB Bestseller 60, won de NS Publieksprijs en werd vertaald in meer dan dertig talen. Daarna was Hendrik Groen een gevestigde naam en een garantie voor verkoopsucces. Daarom kon ik gaan leven van het schrijven. Het was geweldig wat er allemaal gebeurde, al had ik geen behoefte om het leven van een gevierde schrijver aan te nemen. Eén keer ben ik met mijn vriendin naar Japan gegaan om een uitgever te ontmoeten. We kregen een heel chic diner, maar de uitgever sprak nauwelijks Engels en zijn assistent ook niet. Het voelde wat stroef. Dat heb ik daarna niet meer gedaan.
Had je in Nederland veel contact met andere schrijvers? Helemaal niet, ik had daar geen behoefte aan. En ik heb daar nog steeds geen behoefte aan. Jij bent de eerste schrijver met wie ik wat langer praat. Ik ben nu 71, waarom zou ik nog tot een nieuwe beroepsgroep willen horen?
Waarom denk je dat de boeken van Hendrik Groen zo’n succes zijn geworden? Ten eerste hadden de boeken geweldige omslagen met een tekening van Victor Meijer. Daarnaast schrijf ik blijkbaar heel herkenbaar, mijn werk gaat over gewone mensen, over lachen en af en toe huilen. Schrijven is ook niet zo heel erg ingewikkeld, vind ik. Ik schrijf over mensen die ik ken en die ik op een bepaalde manier zelf ook ben.
De eerste literaire scherpslijpers hebben zich al gemeld. Schrijver Joost Oomen noemde in een column het feit dat jij het Boekenweekgeschenk schreef ‘een ramp voor het land’. Tja…
Je lijkt niet snel gekwetst door kritiek. Ik lees al zestigjaar de krant. Ik verbaas me niet zo snel meer. Het niveau wordt er de laatste jaren niet altijd beter op, laten we het zo zeggen. Ik heb in mijn hoofd één simpele gedachte: als ik vierhonderdduizend mensen een plezierige twee uur kan bezorgen, dan is dat een prachtig resultaat.
Waar zie je tegenop? Wat Piaggio betreft niets. Dat Boekenbal ga ik gewoon over me heen laten komen. Wat mijn leven betreft: ik zie op tegen ouder worden. Mijn leven lang heb ik veel gesport, maar nu komt het verval. Ik krijg nog nauwelijks mijn sokken aan, heb pijn in mijn rug. Met skiën kon ik twee weken geleden bijna niet meer overeind komen.
Verdomme. En levert dat nieuwe inspiratie op? Mijn stokpaardje is dat we zo slecht zorgen voor oudere mensen en mensen die aan de rand van de maatschappij leven. Daar zal ik altijd over blijven schrijven, ook nu het verval bij mij begint te komen.
CV
Peter de Smet, Amsterdam, 1954
1972-1977 Politicologie en Nederlands
2014 Pogingen iets van het leven te maken, het geheime dagboek van Hendrik Groen, 83¼ jaar
2016 Zolang er leven is, het nieuwe geheime dagboek van Hendrik Groen, 85 jaar
2017-2019 Tv-serie Het geheime dagboek van Hendrik Groen
2017 Toneelbewerking Pogingen iets van het leven te maken
2018 Leven en laten leven
2019 Een kleine verrassing
2020 Opgewekt naar de eindstreep, het laatste geheime dagboek van Hendrik Groen, 90 jaar
2027 Rust en Vreugd
2023 Groeten uit Benidorm
2024 Meneer Putmans ziet het licht
2025 De slag om Rust en Vreugd
2026 Piaggo
TV
‘Ik kijk niet veel tv, omdat ik redelijk vaak naar film, theater, muziek en dans ga. Als ik kijk, is dat vooral naar sport. Van schaatsen kan ik lyrisch worden, zeker van iemand als Femke Kok. Zelf heb ik geen streamingdiensten, maar mijn vriendin wel. Bij haar kijk ik wel eens mee, bijvoorbeeld naar The white lotus. Adolescence vonden we heel goed. Radio of podcasts luister ik nooit. Ik heb eigenlijk altijd Spotify opstaan en volg allerlei lijsten. Klassiek, nieuwe muziek, pop, oude pop… Er komt van alles voorbij.’