Pieter Corneliszoon

De Volkskrant, 3 januari 2012

Weinigen zullen het werk van Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647) nog openslaan. Zijn naam wordt door lezers vooral geassocieerd met de literaire staatsprijs. Mijn kennismaking met Hooft was ooit de geweldige studie Hooft en DIA (1968) van hoogleraar W.A.P. Smit, over een zogenoemd ‘verzen-bouquet’ dat de met erotiek kampende jongeling Pieter in het begin van de 17de eeuw schreef voor de raadselachtige DIA, achter wie volgens Smit een jonge vrouw genaamd Ida Quekels schuilging.

Deze historisch-poĆ«tische whodunit van de vaderlandse literatuur schoot me te binnen toen ik eind 2011 onverwacht een wandeling maakte door de straat die de naam P.C. Hooft ook bij niet-lezers levendig houdt. Ik kom vrijwel nooit in de PC, zoals deze foerageerplek voor fashionvictims en glitter-BN’ers in de volksmond wordt genoemd, maar ik was te vroeg voor een afspraak om de hoek en daarom besloot ik een antropologische verkenning te wagen.

Onderweg kwam ik langs een Ć¼bergestileerde minimalistische winkel genaamd Dessert Store, waar 6 bonbons, 2 chocoladebrokken en 3 kaasplankjes in vitrines lagen uitgestald alsof het artefacten in een museum waren. Gelukkig stond in een hoek ook een ouderwets ogende warmhoudketel met een bordje: Home made Chocolate.

Het was de prijs die me over de streep trok. Als een wegwerpbekertje warme chocolademelk voor 1,50 euro werd aangeboden, zou ik er geheid zijn langsgelopen, maar voor 3,50 euro (bijna 8 gulden in echt geld) moest het wel warme chocolademelk zijn zoals het zingevend principe ooit warme chocolademelk moet hebben bedoeld.

Buiten op straat zette ik de beker aan mijn mond, hoopvol maar ook wantrouwend. De eerste teug van de zopie van de designwinkel trok in warme gloed door mijn slokdarm. In mijn hoofd explodeerde mijn endorfinevoorraadkast. Ik heb het niet vaak, maar na een tweede slok liet ik me hardop bewonderende krachttermen ontvallen, als een zwerver die in zichzelf praat.

Opgetogen door het geluk in mijn mond sloeg ik de hoek in om naar de PC. Ik had van te voren gedacht dat de veelvuldige aanwezigheid van de zogenaamde P.C. Hoofttractor een mediaverzinsel was, maar dat bleek niet zo te zijn. Vlak voor me parkeerde een gevaarte dat oogde als een luxe gezinsuitvoering van een machine waarmee Rijkswaterstaat ’s nachts snelwegen asfalteert.

Er stapte een gebronsd echtpaar uit. In het kielzog sprong een gigantische hond uit de wagen, die het midden hield tussen een langharige pony en een dinosaurus. Het beest was blijkbaar blij om mij te zien, want hij vloog direct tegen mij op. Godzijdank ging er hierbij bijna geen druppel van mijn melkbruine ambrozijn verloren.

‘Pieter!’ riep de eigenaar boos naar de harige wild kwispelende diplodocus, waarna hij hem kordaat een riem om gespte.

‘Heet uw hond Pieter?’ vroeg ik.

‘Voluit Pieter Corneliszoon’, antwoordde de man. Hij knikte er lachend bij, waarop ik ook knikte. Daas liep ik van hen vandaan, plotseling bevangen door het verlangen het boek van W.A.P. Smit weer eens te lezen.