Tijdschrift Rossinant nr. 4 1993 met een verhaal van Ronald Giphart; De veiligste plek van de wereld

Rossinant tijdschrift

By hans, 12 mei 2015

Het verhaal van Giphart staat ook in Het Feest der liefde (1995) Lees het verhaal De veiligste plek van de wereld hier:

Mijn vriend J.J. heeft zich vaak over mij verbaasd. Onze vriendschap begon (we werkten beiden in hetzelfde restaurant, hij zocht woonruimte, bij ons in huis kwam een kamer vrij) met een van de meest openhartige gesprekken die ik ooit met een bijna-vreemde heb gevoerd. Dat was bij een ranzige Chinees in onze buurt en ons voornaamste doel leek wel de oprichting van een leerstoel Geslachtsdeelkunde aan de ook nog uit de grond te stampen Faculteit der Liefdestechnieken En Grote Veroveringen.

Vanaf dat gesprek waren J.J. en ik voor een paar jaar onafscheidelijk; hij als lector, ik als student.

Laat ik eerst vertellen dat ik echt best wel een hele linkse, weldoordachte, gedegen opvoeding heb gehad, eerlijk, en ook aan de seksuele volgroeiing werd genoeg aandacht besteed. We hadden bij ons thuis een bibliotheek aan voorlichtingsboeken; noch mijn vader noch mijn moeder was vies van een Henry Millertje, een Jantje Wolkers of een l’Histoire d’Ootje (die ik natuurlijk ook las): als ’s avonds Sjefke van Oekel en Barend Servet in- en uitzoomden op het donkere driehoekje tussen twee meisjesbenen zaten we met het hele gezin te schateren op de oranje zitzakken; over alles mochten wij vragen stellen en complete jaargangen Sextant lagen ons voortdurend ter beschikking. De tekeningen op superformaat uit dat blad heb ik als tienjarige zonder met mijn ogen te knipperen bekeken, tekeningen waarop groepen mensen elkaar ongegeneerd besprongen en belebberden, om van het elkaar bepissen en onderschijten maar te zwijgen. Moest kunnen: lang leve de koddige jaren zeventig.

Er is wat met die jeugd van mij. Ik heb een gelukkige jeugd gehad, in een nieuwbouw-wijk, van een middelgrote stad, in Zuid-Holland, anno de jaren zeventig: is er voor een schrijver, kortom, een slechtere start denkbaar?

Ik dacht het niet. ‘Ik heb in een rijtjeshuis gewoond…’ verzucht ik wel eens, als het schrijven mij een periode minder gaat, ‘vind je het verdomme gek dat het me soms niet lukt?’

Het valt mij overigens op (belangwekkend literair probleem) hoe weinig ‘de nieuwbouw-wijk’ figureert in de Nederlandse literatuur, terwijl wel ongeveer de helft van de Nederlanders in zo’n wijk woont. Ik zou uit mijn hoofd geen roman kunnen noemen waarin een willekeurige splitlevelpatio-woning een significante rol speelt. En als iemand er over schrijft, valt het op hoe negatief het beeld is. Altijd, altijd namelijk, wordt een nieuwbouw-wijk opgevoerd om troosteloosheid uit te beelden, ‘iets typisch Nederlands’, ‘burgerlijkheid’, ‘benepenheid’, ‘smakeloosheid’ en vooral iets heel erg oninteressants. ‘Rijen wanstaltige, architectonische flaters, waar louter register-accountants en gemeenteambtenaren wonen’: dat is het archetype van de nieuwbouw-wijk in de literatuur. Mijn probleem is: ik heb twaalf jaar van mijn leven in zo’n buurt gewoond, te weten op het Gemmahof in de Dordtse wijk Sterrenburg 1, niet te verwarren met Sterrenburg 2, 3, 4 en 5 (waarvan de namen van straten en openbare voorzieningen allemaal te maken hadden met sterren of planeten). Als ik ooit tevreden of gelukkig ben geweest, is het toen wel.

Geen kwaad woord over het rijtjeshuis, verdomme! Ik word eerlijk gezegd nogal onpasselijk van ‘herinneringenliteratuur’, zeg maar de stukkies, verhalen, romans, ja zelfs hele oeuvres over de kinderjaren van schrijvers (omdat die vrijwel altijd uitmonden in een walmend nostalgisch geëmmer à la: ‘Ik herinner me die rare Willem Bosmeester’, ‘Ik was een beetje bang van die viezerik van een Rob Broekman, die altijd torretjes tussen zijn duim en wijsvinger kapotdrukte’, of ‘Henk Fortuin, die zo’n schrik bij ons inboezemde omdat hij twee jaar ouder was en een broer had die aan karate deed’) en God beware me dat ik me daar ooit zelf aan bezondig, maar een mooi, integer en ingehouden verhaal over het zorgeloze opgroeien in een nieuwbouw-wijk zou ik wel eens willen schrijven.

Wat ik met deze nogal overbodige uitweiding wil zeggen is dat ik qua seksuele voorlichting en ook qua nog een heleboel andere dingen goed beslagen ten ijs kwam, of in iedere geval dacht te komen, toen ik eenmaal de beschermende Sterrenburgse koestering verliet om via een stop in Soestdijk in de Grootstad Utrecht te belanden. Mijn leermeester en voorbeeld in de seksuele liefde J.J. kwam er echter achter dat er mij als het ging om ‘het repeterende gejeuk aan de geslachtsdelen’ nog wel het een en ander bij te brengen viel.

‘Heb jij nog nooit porno gezien? Where have you been, man?’ vroeg hij me een keer met grote ogen, toen ik eerlijk opbiechtte dat mij dat bespaard was gebleven. Waarom porno als je ook kleurentekeningen in de Sextant kon bekijken?

‘Dat is niet goed.’ zei J.J. ferm en hij dacht na.

‘Jij wilt zo graag schrijver worden, dan moet je ook van de dingen weten.

Ik vind het in de ontwikkeling van iedere intellectueel onontbeerlijk dat hij in ieder geval één keer porno heeft gezien,’ ging hij verder, waarna hij me in het diepe gooide door me de opdracht te geven niet eerder thuis te komen zonder dat ik een desbetreffend studieboek had aangeschaft bij de sigarenman in onze buurt. Het opwindendst van porno vond ik eerlijk gezegd nog het kopen van porno. Eerst snuffelde ik tussen de puzzelboekjes in de hoop dat iedereen de winkel zou verlaten, maar toen dit niet gebeurde dook ik snel in het hoekje wanstaltige sexblaadjes om er nog sneller één porno-omnibus bestaande uit een Pussy, een Claudia en een Tuc uit te zoeken, en die bij een oude, onverstoorbare mevrouw af te rekenen samen met een Geformeerd Dagblad en een Hervormd Nederland (om later te kunnen zeggen dat het allemaal maar een postmoderne grap was). Thuisgekomen deden J.J. en ik het onderzoek samen waarna ik moest toegeven: porno was bovenmatig grappig. Die anatomisch riducule houdingen; dat gelach in de lens van die meisjes die ondertussen aan twee of zelfs drie kanten gevuld waren; die jaren-zeventig kleren, kapsels en ornamenten; die wijnglazen sperma over gezichten, borsten en kutten; die hitsige contactadvertenties van mensen die een trio of partnerruil wilden, of zich door groepen grootgeschapen negers wilden laten neuken: wat een humor allemaal, een ware uitbreiding van mijn begrippenapparaat voor het duiden en vervaardigen van literatuur.

En vervolgens kwam het sluitstuk van J.J.’s missie. Hij werkte inmiddels in Amsterdam als voetveeg-in-opleiding bij een abattoir annex Argentijns restaurant. Op een avond dat hij vroeg klaar zou zijn, kwam ik bij hem voorproeven en zouden we samen terug naar Utrecht gaan. Toen we naar het Centraal Station liepen, stelde hij ter hoogte van de Munt voor om gezellig even langs de Wallen te lopen.

‘Hè bah: zei ik, want ik dacht dat hij een grapje maakte. De Wallen, dat leek me zo’n onderwereld. Slechts één keer in mijn leven had ik live de bedrijfsliefde mogen aanschouwen, dat was toen ik mijn oom en tante mijn kamer wilde laten zien en we verdwaald raakten langs de Vecht.

‘Kijk nou eens: zei mijn oom, terwijl we inmiddels in een langzaamrijdende file reden, ‘daar staan allemaal etalagepoppen in die woonboten.’

‘Etalagepoppen: zei mijn tante, die haar bril ophad, ‘dat zijn prostituées, Freek, hoeren.’

‘Hoeren?’ schrok mijn oom, die onmiddellijk zijn hoofd afwendde, ‘hè, bah. ‘Zo is het, hè bah!

Het is natuurlijk hartstikke goed dat er vrouwen zijn die dit willen zijn, en ze worden door het ranzige klein-kapitaal natuurlijk belazerd, mishandeld en uitgebuit terwijl ze juist goed werk doen en eigenlijk maatschappelijk werksters zijn en een functie vervullen en dus een rol in de maatschappij, leve de Rode Draad, maar aan ons lijf geen polonaise. In onze familie geldt: wij doen niet aan hoeren. Zo zit dat.

‘Jezus!’ riep J.J., toen ik hem vertelde dat ik nog nooit op de Wallen was geweest en zelfs die behoefte nooit had gevoeld, ‘waar kom jij vandààn, man? lederéén is wel eens op de Wallen geweest. Scheveningen, de Efteling, de Wallen: dat is een onlosmakelijke eenheid, dat hoort bij elkaar.

Zelfs mijn Opa en Oma zijn wel eens op de Wallen geweest.’

‘Nou, ik niet dus.’

‘Dan wordt dat hoog tijd, volg me.’

‘Nee!’ Voor het eerst sinds ik J.J. kende, ondermijnde ik zijn natuurlijke leiderschap, wat op zich al genoeg reden was voor een erectie. Nee, ik ging niet naar de Wallen! Ik zei dat ik geen zin had om het gevaar te zoeken, om door een willekeurige pooier klakkeloos en zonder reden in elkaar geslagen te worden, dat hoorde je vaak genoeg! Mijn probleem is: ik heb klaarblijkelijk een hoofd dat er om smeekt om geslagen te worden, overal waar ik kom gedragen mensen zich agressief en wil men mij letsel toebrengen. Misschien komt dit wel omdat ik het uitstraal een gelukkige jeugd te hebben gehad, of zo. Ik zag het me al gebeuren: ik loop over de Wallen, een klant wordt door een pooier naar buiten geworpen, ik vang die klant ongewild op, pooier komt klant achterna, misverstand, patspatspats, gekerm, ziekenhuis, gebroken kaak, litteken voor de rest van mijn leven. Vertel dat maar eens aan mijn ouders.

‘Niks mee te maken, mietje,’ zei J.J., ‘ik ben toch bij je? En bovendien, die Wallen zijn helemaal niet onveilig, man. Die pooiers daar zijn juist de perfecte veiligheidsbeambten. Die laten zich nooit zien, behalve als er problemen zijn. Dan lossen ze dat zo even op. We hebben er niets te vrezen. Er lopen ook volksstammen bejaarden op de Wallen rond.’

J.J. bleef maar doorzeuren. Hij trok alle registers open (‘doe het dan voor je schrijverschap’). Er zat niets anders op: ik zou één keer in mijn leven over de Wallen lopen. Eerst wandelden we langs een of ander Universiteitsgebouw, toen J.J. me in de verte het onheil wees. Vooralsnog maakte het niet bijster veel indruk. Waar wij liepen, stonden een paar politieagenten, wat op een of andere manier geen veiliger indruk maakte.

Een stuk verderop, waar de Wallen begonnen, zagen we ook al agenten.

‘Er is wat aan de hand,’ stelde ik vast. J.J. haalde zijn schouders op.

‘Dat is niets, gewoon routine. Politie en pooiers zijn hier vrienden van mekaar, eerlijk.’

Hoe dichter we bij de Wallen kwamen, hoe meer politieagenten we nochtans zagen. Er was ècht iets aan de hand. Er stonden arrestatiebusjes en we hoorden sirenes. J.J. had dit nu ook door en versnelde zijn pas.

Voortdurend rekten we ons uit om te zien wat er speelde. Nu hoorden we ook gescandeer en massaal geroep.

‘Zou er een demonstratie zijn?’ vroeg ik, ‘een demonstratie van hoeren?’

Bij het betreden van de daadwerkelijke Wallen zag het blauw van de agenten. Er waren enorm veel verschillende uniformen te zien.

Een gigantische vechtpartij, een volksoproer, stelde ik vast, de hoeren hadden natuurlijk massaal hun prijzen verhoogd en dit was slecht gevallen onder de klandizie. Moest ons weer overkomen. Uitgelaten zagen we de meeste agenten rennen over de Wallen. Waarheen? Waarvoor? J.J. wees me en passant de peeskamertjes van de prostituées, maar de meeste rode lichten waren uit en bijna alle rolluiken gesloten. Ik heb geen vrouw gezien.

‘Ik begrijp het ook niet,’ zei J.J. weifelend toen ik hem ter hoogte van ‘de bananenbar’ vroeg of hij soms wist wat dit te betekenen had.

We klampten een agent aan. Met een toeter in zijn hand en zijn pet scheef op zijn hoofd begon deze man te lallen: ‘We voeren actie voor meer loon en betere arbeidsvoorzieningen. Wij zijn altijd de dupe omdat we niet mogen staken. Daarom willen vanavond van de Wallen voor één keer de veiligste plek van de wereld maken. We zijn hier nu met een mannetje of vijfduizend. Dit is beter dan staken!’

Nadat hij dit gezegd had, verdween hij in de hossende menigte. Met een steeds breder wordende glimlach keek ik J.J. aan.

‘Bedankt, J.J.,’ zei ik, ‘ik ben blij dat vanaf nu kan zeggen dat ik er geweest ben, op de Wallen. Hoe heb ik eraan kunnen twijfelen? Geen moment zijn we in gevaar geweest. Dit is goed voor mijn schrijverschap. Nogmaals bedankt. Zullen we dan nu maar terug naar Utrecht gaan?’

J.J. antwoordde niets, maar deed even of hij mij ging slaan.

Eind.

Ozonalarm en bomenziektes hebben een bewustzijnsexplosie en een verveelvoudiging van ledenaantallen van milieuorganisaties teweeg gebracht. Sceptici spreken van milieuhausse en ecohype, enthousiastelingen van het bewustzijn van de nieuwe tijd. Wijdverbreid is milieubewustzijn in ieder geval. Wie zal niet zeggen de natuur te willen behouden en daar zelfs iets voor te willen doen?

De eco-gedachte manifesteert zich in vele gedaantes, als het burgermansfatsoen van de jaren negentig, als het consumptiepatroon van de mondige burger, als de afrekening met de idee dat de natuur er is om overheerst te worden of als basis voor een nieuwe filosofie. De meest realistische duiding van de overal opklinkende roep om natuurbehoud is: de enige mogelijkheid voor de mens om te overleven. Vreemd: als de redactie van een kunsttijdschrift twee auteurs vraagt een verhaal te schrijven over hun favoriete plekje in de natuur of in hun omgeving, schrijven ze over de stad. En wanneer diezelfde redactie op zoek gaat naar kunstprojecten met de natuur als onderwerp, komt ze terecht in de Bijlmer. De verkenning van natuurcultuur leidt allereerst tot de conclusie dat leven en met de natuur ons Nederlanders niet meer gegeven is. Geen plekje van het woest Batavenland is nog onaangeroerd: alle natuur is cultuur geworden. Ons rest de herinnering en de strijd. En de betovering van de groenkunst. We klampen ons eraan vast, cultuurlijk. Hans Buitelaar

Titel: Rossinant

Tijdschrift voor woord- en beeldkunst Nr. 4 / 1993

Cultuurlijk!

Redactie: Frank Verkuijl en Marion Wester

Eindredactie: Hans Buitelaar

Vormgeving: Karin Meijlink

Lay-out: Boukje Boersma

Advertenties: Marieke Groen

Druk- & Bindwerk: Speed-o-print, Amsterdam

Jaar: 1993

Druk: 1ste

Pagina’s: 42

Pagina’s Giphart: 32 – 37

Afmetingen: 27,7 x 21 x 0,3 cm

Type: Paperback, tijdschrift

Inhoud:

  • Frank Verkuijl – De toekomst van het boek
  • Ron Elshout – Boulevard St. Michel
  • Frank Verkuijl – Ik ben een heel aardig mens
  • Vincent Bijlo – Ardenner ham
  • Erwin Olaf – Hoefgetrappel
  • Rein Bloem – …en de engel van de aarde
  • Paul C. Bogaers – Het tafeltjesnummer
  • Cultuurlijk!
  • Marion Wester (plus Eco in druk) Bijlmerbloem
  • Hans Buitelaar – De schone kunsten
  • Pamela Koevoets – Oostvogels
  • Ronald Giphart – De veiligste plek van de wereld
  • Boekbesprekingen – Signalement