Schrijver

De Volkskrant, 10 januari 2012

Zouden bakkers het ook hebben? Dat een klant een halfje tijgerwit bestelt en eraan toevoegt: ‘Weet u, ik ben ook bakker. Met Kerst heb ik nog olijfbrood gebakken.’ Vorige week raakte ik verzeild in het Amsterdamse café Koosje, tegenover Artis. Een meisje van de bediening vroeg of ik schrijver was. ‘Ik ben namelijk ook schrijver’, zei ze. Veel bloggers en facebookers noemen zich zonder enige gêne of terughoudendheid schrijver. Duizenden werken aan een debuutroman, nog veel meer mensen boekstaven hun leven en ambiëren het schrijverschap. Iemand die dagelijks op Twitter berichtjes plaatst over het bijpunten van zijn konthaar, vindt zich al snel een heuse schrijver. Mijn zegen hebben deze lieden. Zelf ben ik fotograaf, arts, muziekrecensent, architect, autocoureur, evolutiebioloog, scharensliep en dienstmeid. ‘Wat schrijf je dan?’, vroeg ik aan het meisje bij Koosje. Schrijvers stellen vaak controlevragen om het schrijverschap van collega’s te peilen. Wanneer iemand op deze vraag ‘van alles wat’, ‘ik wil het bewust geen naam geven’ of ‘voorlopig dingen voor mezelf antwoordt, is het zaak oprecht raad te geven en het gesprek minzaam naar een ander onderwerp te navigeren.

‘Ik heb een roman geschreven’, zei de serveerster. Oké, ze is de enige niet. Volgens schattingen van uitgevers hebben ongeveer 125 duizend mensen dat het afgelopen jaar gedaan. Minimaal 600 duizend mensen hebben het voornemen ooit een boek te publiceren. Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Het werd tijd voor de hamvraag: ‘En, heb je al een uitgever?’

Vrijwel altijd luidt het antwoord op deze vraag ‘nee, nog niet’ of ‘ik ben daar nog niet aan toe’. Soms zegt iemand ‘ik ben in onderhandeling met een paar kandidaten’, wat een andere manier is om te zeggen dat de eerste afwijsbrieven al binnen zijn. Een beetje aanmatigend is het als iemand zegt: ‘Je hebt in deze digitale tijd geen uitgever meer nodig.’

Vooralsnog klopt dit laatste niet, maar misschien zal het ooit anders worden. Volgens de wetmatigheden van het boekenvak verschijnen er sinds de Tweede Wereldoorlog jaarlijks slechts vijftig debuten bij gerenommeerde uitgeverijen. Tragisch is dat het merendeel hiervan het darwinistische overlevingsgevecht om aandacht van media, schapruimte en lezers zal verliezen (wie heeft er bijvoorbeeld vorig jaar de niet onaardige debuutroman Madzy van Debby Kowsoleea gekocht en gelezen?).

Beginnende schrijvers koesteren gloedvolle verwachtingen van lovende recensies en spetterende interviews bij DWDD of P&W. Dit zijn begrijpelijke dromen, maar een onthaal in de letteren – hoe klein ook – is slechts weinig auteurs gegund. Na een jaar zijn bedroevend veel debuten weggezakt in het drijfzand van de onopgemerktheid. Na wederom vijf jaar blijken nog veel minder schrijvers een aanlegsteiger te hebben gevonden, laat staan dat het is gelukt de vaargeulen van de literatuur te kanaliseren.

Dit vertelde ik uiteraard niet aan het meisje in café Koosje, die met een felle mooie glans in haar ogen en een verwachtingsvolle stem uitriep: ‘Mijn debuutroman verschijnt in oktober bij uitgeverij Prometheus!’

Haar zelfverzekerde blik. Alleen schrijvers die ooit een contract voor een debuutroman tekenden weten hoe het voelt. Thuis googlede ik haar. De aanstormende schrijfster Amber-Helena Reisig, geboren in het Iiteratuurjaar 1992. Ik hoop voor haar dat ze het drijfzand weet te ontwijken.