De Utrechtse schrijver Giphart doet live verslag vanuit de kleedkamer, waar zich de gerenommeerde Formule 1-fan Bart Chabot bevindt.

TopGear 130 Formule 1-fan Bart Chabot

Goedendag, we zijn live in de kleedkamer van de theatervoorstelling Trio met Bart Chabot, mijzelf en wijlen Martin Bril, die dan wellicht dood is maar nog volop aanwezig in onze show. Bart Chabot bereidt zich voor op ons programma, hij ijsbeert, hij leest Tubantia en hij mijmert over het leven. Zeg eens even gedag tegen de lezers van TopGear, Bart.

‘Hallo lezers van TopGear’, zegt Bart Chabot.

Omdat morgen mijn deadline voor dit stuk is, stel ik voor dat ik Bart Chabot bij wijze van action writing ter plekke ondervraag over zijn liefde voor auto’s. Dat komt niet uit de lucht vallen want Chabot is een gekend autoliefhebber. Ooit was hij columnist van het blad Formule 7, hij geeft commentaar over autosport bij Ziggo Sport en hij was de eerste Nederlandse auteur die een korte roman schreef over autoracen. Wat zijn jouw favoriete auto’s, Bart? Stel dat je een onbeperkt budget zou hebben, welke auto zou je terstond aanschaffen?

‘Nou, in alle eerlijkheid zijn mijn voorkeuren met het verstrijken der jaren een beetje verschoven. Vroeger zou ik zonder aarzeling een Ferrari hebben geantwoord. En omdat ik dan toch een onbeperkt budget heb: een paar Ferreris. Een paar oudere modellen en een paar huidige beestjes. Ook zou ik er voor zondagmiddagen misschien een Lamborghini of twee bijnemen. Afwisseling is natuurlijk altijd fijn. Tegenwoordig, echter, is mijn aandacht wat verschoven. Ik denk dat ik heden ten dage toch liever voor een Jaguar zou kiezen, een beetje een sportachtig modelletje, maar wel gedistingeerd. Of misschien kies ik wel gewoon een goeie Volvo. Als je echt heel rijk bent hoef je niet zo nodig te epateren met dure auto’s.’

Heb je wel eens in een TopGear-achtige auto gereden? Want je hebt je rijbewijs eigenlijk nog niet zo heel erg lang.

‘Nee, ik ben gezakt op mijn 21′” en daarover had ik zo de smoor dat ik pas jaren later weer een poging deed. Ik was al gezakt toen we het Keuringsterrein in Rijswijk verlieten. Ik reed het parkeerterrein af en BAF! Ingreep. Ik probeerde een Dafje even te manen wat snelheid te maken. De examinator zei: ‘Je bent gezakt, maar rij toch door, dan kun je nog wat leren”. Bij mijn tweede ingreep wilde hij per se dat we van plaats wisselden. “Ik heb kinderen”, zei hij. Misschien had het ermee te maken dat mijn rijleraar altijd dubbele uren afsprak. Dan reed ik naar een buurgemeente waar hij een geheime vriendin had zitten. Zat ik in de auto te wachten, terwijl hij haar even anderhalf uur gedag ging zeggen.’

En dus welke TopGear-achtige auto’s heb je gereden?

‘O ja, eh, ooit in een Ferrari Spider, klein bakje, maar een enorme power. Dat ging heel goed, maar ik raakte wel een stoeprandje. Wieldop beschadigd, 550 euro schade. (Een Ferrari met wieldoppen kennen wij op de redactie van TopGear niet, maar wellicht was het toch een Fiat, red.) En ik heb voor dat ik mijn rijbewijs haalde in een paar lekkere BMW’s gereden, en in een Ford Sierra Cosworth. Dat was in de tijd dat ik nog omging met bekende coureurs als Fred Krab, Jeroen Hin. Arthur van Dedem en Frans Amsing. Ik heb namelijk een novelle over autoracen geschreven.’

Ja, jij bent de enige Nederlandse schrijver die dat thema heeft aangedurfd.

‘Althans, sinds Bordewijks Knorrende Beesten uit 1933, een boek waarin de hoofdpersonen auto’s zijn. Knorrende beesten dus. Deze auto’s worden in dat boek beschreven alsof het mensen zijn, met mensengedachten en mensengevoelens. Om een of andere reden wordt er in de literatuur altijd afgegeven op machines en vooral auto’s.’

En toen besloot jij een verhaal over auto’s te schrijven?

Ja, over autoracen met name. Dat lange verhaal heette Patatje Oorlog. Het ging onder andere over mijn eerste kennismaking met de Formule 1-wereld. Dat was diabolisch, mogen we wel zeggen.’

Diabolisch?

‘Het is misschien wel de vreemdste ervaring die ik in mijn leven heb gehad. Ik was erbij toen op Circuit Park Zandvoort de Engelse motorcoureur Roger Williamson verongelukte. Dat was op 29 juli ‘973 en op Zandvoort werd geracet om de Formule 1 Grote Prijs van Nederland. Ik ging daar met vrienden naartoe. We zaten op een duin toe te kijken en te luisteren naar het geweldige gebrul. Williamson reed zijn tweede Grand Prix op Zandvoort. Hij kreeg op een gegeven moment een lekke band en sloeg over de kop. Allemaal nog niet verschrikkelijk, maar zijn auto vloog in brand en hij kwam verdomme die auto niet uit. Er was één coureur die hem probeerde te helpen. Chaotische situatie, want publiek dat wilde helpen werd tegengehouden door de politie.’

Dat klinkt inderdaad als diabolisch. Wat een ellendige dood.

‘Het echt bizarre was dat een paar minuten voordat het ongeluk zou plaatsvinden, ik al wist dat er een dodelijk ongeluk zou komen. Dat was verschrikkelijk unheimisch. Ik zag het ongeluk zich gewoon letterlijk voltrekken! Nooit eerder gehad. En daarna ook nooit meer gehad. Alleen dat ene moment.’

Dat klinkt heel heftig.

‘Ja, zo heftig dat ik besloot een roman over Formule 1 te gaan schrijven. Ik ben toen allemaal coureurs gaan interviewen. Thierry Boutsen bijvoorbeeld, een illustere Formule l-rijder uit België. Hij woonde destijds in de Pattatenstraat 40. Toen hij me dat adres doorgaf, dacht hij dat hij me in de maling nam. Ik ben twee jaar met allemaal bekenden uit de autosport opgetrokken. Geweldige tijd. Naar veel races ook geweest. In Colmar in Luxemburg was een testparcours van Good Year, daar werden ook wedstrijden gereden in de Tourwagenklasse.’

Tourwagens?

‘Onderschat dat niet. Ik heb toen dus meegereden in een Ford Sierra Cosworth. Die liep op het rechte eind 340 kilometer per uur. Dat heb ik gehaald. Nou, dan betreed je echt een andere dimensie.’

Een lang fragment van jouw boek over racen is opgenomen in jouw recente bundeling Zestig, te koop bij iedere goede boekhandel. Heb je ook wel eens poëzie over auto’s geschreven?

‘Nou, toevallig net in mijn nieuwste bundel Bananenrepubliek. Daarin zit een verwijzing naar Max Verstappen. Die deed een kwalificatietraining in Monza, waar hij op een bocht afreed toen hij een deel van z’n bodywork verloor. Daar heeft hij nog straf voor gekregen, want dat is levensgevaarlijk. Een tijdje terug overleed er nog een coureur tijdens de Nascar-races. Ik heb dat verwerkt in mijn gedicht Terug bij af. De hoofdpersoon denkt na over de tegenwind in zijn leven en schrijft dan…’

Chabot citeert uit zijn hoofd:

Kleine en grotere brokken wapperden achter me aan

Hele stukken bodywork lieten los

als de wind zo doorging

paste ik straks in een baby

Ontroerd nemen we afscheid. Bedankt, Bart, dat was een mooi exposé. Zeg eens even gedag tegen de lezers van TopGear.

Tot ziens, lezers van TopGear: