Weg met dat snertblik

AD Magazine, 19 februari 2017

Om deze foto’s te kunnen gebruiken, neem contact op met Shody Careman & @careman_fotografie

Er is veel waarvan we geen weet hebben. Zo werd een paar weken geleden in een productieloods van een knolselderijboer in het Noord-Hollandse Zuidschermer het jaarlijkse ‘Snertevent’ gehouden. Bij deze happening stond ook het Nederlands Kampioenschap Erwtensoepkoken op het programma, een wedstrijd waarbij professionele en amateurkoks strijden om de prestigieuze titel ‘snertkok van het jaar’.

Omdat ik als jurylid samen met vijf echte fijnproevers mocht meebepalen wie de winnaars zouden worden, besloot ik me vooraf in het onderwerp te verdiepen, want mijn angst was dat ik daar ter plekke zou worden ontmaskerd als een snertfilister.

Over erwtensoep viel nog opvallend veel te leren. Natuurlijk was er om te beginnen de naam. Snert. Niet echt een begrip dat direct positieve gevoelens oproept. Volgens Van Dale komt het woord vaak voor in samenstellingen om iets onbeduidends of onaangenaams aan te duiden. Snertfilm. Snertkerel. Snertbedrag. Snertkrant. Snertsoep.

Taalkundigen zijn er niet over uit waarom snert snert heet. Het kan verwijzen naar snirt, een oud Fries woord dat zoiets als ‘dunne soep’ betekent, wellicht verwant aan het Middelnederlandse snarren (snirren, snorren), dat een klanknabootsing zou kunnen zijn van het gepruttel van vochtige substantie in een pan. Echte bewijzen zijn er niet. Anderen denken dat een snars of snart slaat op een veest (een oud chic woord voor scheet of wind). Snert zou volgens hen te maken kunnen hebben met de invloed van erwtensoep op ons darmstelsel. En dat heeft het ontegenzeggelijk, maar er waren in voorbije tijden wel meer gerechten die flatulentie opriepen, dus deze verklaring is helaas niet helemaal steekhoudend, al is de gedachte grappig.

Uiteraard is algemeen bekend dat snert de Nederlandse bijdrage aan de wereldgastronomie is, maar dat het een relatief jonge soep is, leerde ik uit het in 2015 verschenen en zeer aanbevelenswaardige boek Kleine geschiedenis van de Nederlandse keuken van Jacques Meerman.

En of erwtensoep wel zo uitgesproken Nederlands is, valt ook te betwijfelen. Er zijn oude recepten bekend (onder andere een ‘soupe van groene erwten’ uit 1746), maar het vaalgroene maag-cement zoals wij dat kennen zou pas aan begin van de 19de eeuw in Nederland echt zijn ingeburgerd. Weer een luchtbel die snart.

Hoe het ook zij: inmiddels zijn er in ons land vele erwtensoeprecepten, variërend van traditioneel tot heel erg hip, van Surinaams tot veganistisch.

Een ding staat vast: zelfgemaakte erwtensoep is altijd lekkerder dan die uit zo’n snertblik.

Ingrediënten:
gedroogde groene erwten
zout
pekelspek
pekelworst
uien
boter
selderij
brood

Deze ‘groene-erwtensoep’ komt uit Praktisches Kochbuch (1844) van Henriëtte Davidis. Uit de Nederlandse vertaling van 1867: ‘Men laat gedroogde groene erwten, nadat zij gewasschen zijn, gedurende een nacht in koud water weeken, en hangt ze, zonder zout, met datzelfde water over het vuur om ze zeer gaar te koken. Vervolgens wrijft men ze bij kleine gedeelten tegelijk door eene zeef, zoodat alleen de schillen daarin overblijven; als de massa te dik is, verdunt men haar met wat warm water. Als alles is doorgewreven, voegt men er pekelspek en pekelworst bij, die men eenige tijd afzonderlijk heeft laten koken (…). Men voegt er dan het noodige zout toe, en eene goede hoeveelheid fijngehakte, in boter gebakken uien. Sommigen verkiezen er ook selderij in. Men dient de soep op met stukjes gebakken brood er in’. Davidis geeft geen hoeveelheden, dat was in die tijd niet gebruikelijk. Ik zeg: kook op gevoel, als het eindresultaat maar op erwtensoep lijkt.