Ronald Giphart Pilaren in het donker deeltje uit nieuwjaarsreeks van Noordhoff uitgevers

Pilaren in het donker

By hans, 15 augustus 2018

Dit is een deeltje uit de Nieuwjaarsreeks van Noordhoff Uitgevers. De Nieuwjaarsreeks is een serie literaire boekjes over het onderwijs, die speciaal zijn uitgegeven voor en als nieuwjaarsgroet cadeau worden gedaan aan onze relaties.

Dit boekje is ook als e-book beschikbaar.

Kijk op www.noordhoffuitgevers.nl/nieuwjaarsgeschenk

Titel: Pilaren in het donker

Schrijver: Ronald Giphart

Uitgever: Noordhoff Uitgevers

Druk: 1ste

Pagina’s: 26

Afmetingen: 22 x 12,5 cm

Gewicht: 72 g

Type: Paperback met flappen

 

Lees hier het hele verhaal Pilaren in het donker van Ronald Giphart:

Het enerverende einde van Tegengas werd ingeluid door meneer De Kooning, de directeur van de school, die bijna wanhopig aankondigde dat hij alles wat in zijn macht lag zou gebruiken om het tijdschrift te gronde te richten.

‘Als rector dien ik de normen en waarden van leerlingen én leerkrachten van deze school te beschermen,’ zei hij tegen Yvette, Gunnar en Kasper, die namens de redactie tegenover hem zaten in zijn rectorskamer, een ruimte die niet veel verschilde van de andere zielloze lokalen van de scholengemeenschap. Eind jaren zestig was het gebouw uit de grond gestampt, maar nu, nog geen twintig jaar later, was het al verouderd. Meneer De Kooning ging verder: ‘Iedereen moet zich veilig kunnen voelen op onze school. Jullie tijdschrift levert daaraan geen goede bijdrage.’

Het was geen donderspeech waarop hij de drie leerlingen tegenover hem trakteerde, eerder een getergde fluisterpreek. Regelmatig liet de oude rector zijn stem zakken, alsof hij hen deelgenoot wilde maken van de onweerlegbare wijsheden die hij tijdens zijn lange carrière als schoolhoofd had opgedaan. Hij deed een poging de éminence grise te spelen, de oude levensmentor die het allemaal al duizend keer had gezien en meegemaakt en op wiens oordeel ze maar beter konden vertrouwen als ze de zaken voor zichzelf niet wilden verpesten.

De werkelijkheid was anders. Inderdaad had meneer De Kooning veel ervaring, want al sinds het halen van zijn ‘pedagogische en didactische aantekening bij zijn doctoraal examen’ werkte hij in het onderwijs, eerst als docent en later als leidinggevende. In de vier decennia dat hij verbonden was aan het Gemeentelijk Lyceum Altrecht — tegen zijn zin opgegaan in de Altrechtse Scholenkoepel — was er echter onnoemlijk veel veranderd. De golven van revolutie die de jaren zestig en zeventig teisterden had De Kooning met horten en stoten weten te weerstaan, maar tegen punkers, zwartgallige doemdenkers en opgefokte vredesdemonstranten die in het decennium daarna de sfeer op de school, zíjn school, probeerden te verpesten voelde hij zich — hoewel hij aan zijn jongere medewerkers niet zou toegeven — minder goed opgewassen. De Kooning werd oud en voelde de het verstrijken van de jaren steeds zwaarder drukken. De tijd zal hem hebben veranderd, maar het lukte hem niet de tijd te veranderen — zoals David Bowie zong.

De hippies en langharige spijkerpakken die toen in de gangen van het gloednieuwe schoolgebouw demonstreerden met een heuse sit-in (die meer dan tweeënzeventig uur duurde), deden dat in ieder geval nog voor een hoger doel: democratisering, nivellering, nieuwe vormen en gedachten. Er hadden zich zelfs jonge leerkrachten bij hen aangesloten, een van hen was inmiddels benoemd tot sectieleider van de onderbouw. Het ontregelende gedrag van die generatie was gericht op het verbeteren van de wereld, hoe onbereikbaar en onrealistisch dat streven ook klonk en uiteindelijk bleek, maar de rouwdouwers die in jaren tachtig op hun beurt de school onderspoten met anarchistische logo’s en andere moedeloos makende graffiti waren louter uit op goedkope kicks en nihilistisch hedonisme.

Het… het tuig — hij kon er geen ander woord voor vinden — dat tegenover hem zat in zijn rectorskamer boezemde hem angst in, omdat hij niet begreep waar hun motivatie en agressie vandaan kwam en dus ook niet wist wat hij moest doen om die te beteugelen. De kinderen hadden moeiteloos kunnen surfen op  de verworvenheden van de tegendraadse generaties voor hen, maar ze besloten daar juist tegenin te gaan en alsnog kapot te maken wat blijkbaar kapot kon, met hun opdringerige ‘alternatieve schoolkrant’ en gebrek aan respect voor wat er al was veranderd.

Voor meneer De Kooning was de kroning van Beatrix het omslagpunt geweest, het moment dat tot hem doordrong dat de omgangsvormen op zijn school — en in een groter verband: de westerse wereld — definitief waren veranderd. Technisch was het natuurlijk geen kroning maar een inhuldiging, maar daar leek niemand van de raddraaiers zich om te bekommeren. Kroning rijmde nu eenmaal beter op woning en het was die leus die baldadige leerlingen — punkers bleek later — hadden geklad op de muren van het schoolgebouw: ‘Geen woning geen kroning.’ In een vlaag van creativiteit hadden de scholieren er nog een paar pareltjes aan toegevoegd: ‘Trix is ook nix’ stond er op de lange blinde muur van het gymcomplex, naast ‘Met uw royale reet op honderd kamers breed’ en ‘Kein Haus Kein Claus’.

Meneer De Kooning had in arren moede gebeld met de Rijkspolitie, maar ongeduldig had een dienstdoende agent hem uitgelegd dat ze aan dit soort vandalisme weinig konden doen. Het enige dat de agent kon beloven was dat er bij de school buiten lesuren vaker zou worden gesurveilleerd. Toen het regionale huis-aan-huisblad op instigatie van het schoolbestuur een klein bericht aan de golf van graffiti wijdde, meldde zich bij meneer De Kooning een vader met de boodschap dat zijn zoon Martin mede verantwoordelijk was voor de toetakeling op Koninginnedag. Dat had Martin — een leerling uit havo-4 die bekend stond als wildebras — in een dronken bui opgebiecht aan zijn moeder. De rector wilde hem het liefst per direct van school sturen, maar het bestuur vond dat ten opzichte van zijn ouders onredelijk en onnodig. En dus kreeg Martin een schorsing van twee weken en werd de hele affaire met de mantel der liefde bedekt. De graffiti bleef: om de zoveel tijd werd het G.L.A. beklad met leuzen en symbolen, ondanks de toegezegde surveillances van de politie en Martins schuldbekentenis.

Een paar jaar later zat Martins jongere broer Kasper met een paar van zijn mederedacteuren tegenover meneer De Kooning, om te horen dat het tijdschrift — waarvan hij niet in naam, maar wel in gedrag een van de hoofdredacteuren mocht worden genoemd — door de rector werd verboden. Verboden! In de hoogtijdagen van de meest vrijgevochten periode die de mensheid ooit had gehad wilde een of andere achteruitstrevend-conservatieve fossiele rector van een dorpsschool een schoolkrant censuur opleggen alsof ze godsamme hadden opgeroepen tot gewelddadige actie, alsof de wereld niet naar de filistijnen werd geholpen door corrupte politici en dictatoriale wereldleiders, alsof een kernoorlog niet op handen was om hele wereld te vernietigen. ‘DROP DE NEUTRONENBOM!’ had er sarcastisch boven een artikel gestaan, een uitroep die volgens meneer De Kooning getuigde van een verderfelijke Weltanschauung, iets dat hij als opvoeder niet over zijn kant kon laten gaan.

Vooral Kasper was geamuseerd over van het verbod dat de rector hun blad had opgelegd. Samen met Gunnar en Yvette verzette hij het meeste werk voor Tegengas, maakte hij zich het meest druk om vormgeving, wreef hij de meeste letters voor de koppen boven de artikelen en zorgde hij dat de kopij voor het blad iedere maand op de oude brommer van zijn broer Martin naar de goedkoopste offsetdrukker in de omgeving werd gebracht, om de geurende dozen met gedrukte exemplaren een paar dagen later samen met zijn vader in zijn Volvo op te halen.

Het officiële orgaan van de Altrechtse Scholengemeenschap, Geschrift, was volgens veel leerlingen al jarenlang een aandoenlijk plichtsgetrouw vod en daarom besloten enkele actieve onderbouwers — die zo jong waren dat niemand hen eigenlijk serieus nam — om een tweede schoolkrant op te richten, een eigen speeltuin, een weerwoord tegen de gezapige verhaaltjes die altijd in Geschrift stonden over de naderende Diëstoneeluitvoering van de zoveelste Griekse tragedie en zielloze voorspelbare fotoverslagen van intens saaie werkweken in het buitenland (‘jongens, een nietsvermoedende leraar op het toilet!’).

Ze wilden een eigen plek, een blad dat niet gebonden was aan een redactiestatuut dat in 1937 was opgesteld en al die jaren nooit was veranderd, ze wilden schrijven over wat hen werkelijk bezighield: muziek, punk, poep, kruisraketten, suffe televisieprogramma’s, seks, liederlijkheden, feesten, verlangen. Er moesten grappen gemaakt kunnen worden over de Amerikaanse president, over dictator Bouterse, over drugs, over geknakte penissen, de Rote Armee Fraktion, holocaustontkenners, het Oud-Strijders Legioen en de naderende kernoorlog die het leven op aarde zou reduceren tot hooguit bacteriën die resistent waren tegen nucleaire straling.

Tegengas noemden ze het blad, een knipoog naar het logo van Geschrift, dat uit de letters G.A.S. (Geschrift Altrechtse Scholenkoepel) bestond. In het begin was de school verheugd met dit initiatief en de redactie mocht zelfs gebruik maken van de offsetmachine van de amanuensis, waarmee ook Geschrift en ander zetwerk van de school werd gedrukt. Na het tweede nummer ging het mis en werden Kasper, Gunnar en Yvette als initiatiefnemers ontboden op de kamer van meneer De Kooning.

Naast de onschuldige aanpassing van de leuze ‘STOP DE NEUTRONENBOM’ had in een door Yvette geschreven stuk een nog veel onschuldiger grapje gestaan over de vermeende incontinentie van ‘een bepaalde lerares van een bepaalde taal’ — zonder de vrouw overigens bij naam te noemen. Het zinnetje was meneer De Kooning in het verkeerde keelgat geschoten, waarschijnlijk omdat het waar was. Het was de eerste keer dat de redactie een uitbrander kreeg. De vader van Yvette, journalist bij de Volkskrant, zei dat als het bericht waar was de nieuwbakken schoolkrant niets te vrezen had.

Rector De Kooning dacht daar anders over. Als sanctie bepaalde hij dat Tegengas geen gebruik meer mocht maken van de faciliteiten van de school en zelf maar moest uitzoeken hoe ze het armetierige blaadje lieten drukken. Waarschijnlijk hoopte hij dat het onbenullige tijdschriftje hiermee in de knop zou worden gebroken, maar deze gedachte bleek ijdel. Hij onderschatte het doorzettingsvermogen van de redactieleden, want het was Kasper, Yvette en Gunnar gelukt om een steeds groter wordende schare medewerkers aan zich te binden en hun vrijhaven gingen ze zich niet laten ontnemen door de nukken van een uitgerangeerde baas. In de Gouden Gids vonden ze een overzicht van offsetdrukkers in de buurt.

Hun weigering zich neer te leggen bij het besluit van meneer De Kooning had ook te maken met de redactieruimte: de zolder van de oude jarentwintig-garage in de tuin van Gunnars ouders. De zolder van het Jugendstilgebouwtje was jarenlang Gunnars persoonlijke speelplaats, waar hij maquettes bouwde, een tafelloze variant op pingpong bedacht, radio’s sloopte, gitaar speelde en stiekem bier dronk met zijn vrienden, tot hij met Kasper Tegengas oprichtte en ze een plek nodig hadden om te vergaderen, te schrijven en kopij op te maken. Er stond een koelkast, waar Gunnar de biertjes legde die hij uit de voorraadkelder van zijn ouders ontvreemdde (en die door de steeds groter wordende redactie werden opgedronken).

Nu ze de schooldrukkerij niet meer mochten gebruiken en ze moesten uitwijken naar elders, besloot de redactie tot iets ondenkbaars, iets wat Geschrift bijna vijftig jaar niet had aangedurfd: het verkopen van advertentieruimte. Het drukken van tweehonderd exemplaren van Tegengas kostte in het commerciële circuit ongeveer tweehonderdvijftig gulden, wat ze met tien advertentiepagina’s á vijfentwintig gulden konden bekostigen. Er werd een speciale afdeling opgezet om winkels en bedrijven af te gaan om advertenties te verkopen. Voor een meerprijs konden de redacteuren zelf een wervende tekst bedenken en opmaken, een service waarvan bakkers, slagers en kappers in de buurt graag gebruik maakten. En zo spande het anti-kapitalistische anti-establisment punk-schoolblaadje het kleinkapitaal graag voor zijn karretje. Tegengas bleef bestaan.

Maar de strijd was nog niet gestreden. De tweede keer dat de redactie in de rectorskamer van meneer De Kooning werd ontboden was vlak na een grote leerlingendemonstratie in Utrecht. Scholieren uit heel het land waren hier naar toe getrokken om te protesteren tegen de komst van kruisraketten naar Nederland. Veel scholen gaven hun leerlingen hiervoor vrij, maar het G.L.A. had iedereen verboden naar het Vredenburgplein af te reizen: tegen de vernietiging van je toekomst protesteerde je maar in je eigen tijd.

Desalniettemin waren Kasper, Gunnar en paar andere redactieleden — lopend op kistjes en gekleed in leren jassen — illegaal naar Utrecht afgereisd, want er zouden ook een paar bandjes optreden en het gerucht ging dat er net als bij de Kroning geknokt zou worden met de Mobiele Eenheid. Niet dat ze vooraan zouden staan als er stenen werden gegooid, maar ze vonden dat ze als spreekbuis van de moderne generatie — wat Tegengas toch zo langzamerhand echt wel was, ondanks de oplage van tweehonderd exemplaren — aanwezig moesten zijn bij een zo belangrijke gebeurtenis. Uiteindelijk werd de demonstratie niet ontsierd door rellen, maar het nieuws besteedde ’s avonds wel veel aandacht aan de jeugdige protestbijeenkomst.

Die avond keek meneer De Kooning met zijn echtgenote plichtsgetrouw naar het achtuurjournaal, waarin hij plotseling drie van zijn leerlingen een tekst zag vasthouden. Gunnar had een groot spandoek gemaakt, dat Kasper en Yvette pontificaal voor de camera’s van de NOS hielden. De nieuwslezer moest een beetje gniffelen toen hij het item afkondigde. ‘WIJ WILLEN GEEN KRUISRAKETTEN, WIJ WILLEN NEUKEN!’ had de tekst van Gunnars boodschap geluid, met daaronder de naam van hun schoolkrant. Een foto van het doek haalde ook de ochtendkrant die meneer De Kooning las, de fotograaf had ingezoomd op Yvette’s lachende — onweerstaanbaar knappe — gezicht.

Al tijdens het eerste uur werden de jongens uit de les gehaald, maar vreemd genoeg hoefde Yvette zich niet te verantwoorden. Zwijgend luisterden ze op de kamer van meneer De Kooning naar zijn tirade. Hij vond dat ze hem, de hele school, het hele lánd hadden verraden, niet alleen door te spijbelen en naar Utrecht te gaan, maar nog veel meer door het G.L.A. in diskrediet te brengen met zo’n weerzinwekkende slogan. Gunnar en Kasper werden beiden een week geschorst van school, hun ouders werden uitgenodigd voor een stevig gesprek en de verspreiding van Tegengas mocht niet meer op het G.L.A gebeuren. Als ze dan zo nodig hun opruiende gestencil aan de man wilden brengen, moest dat maar buiten schooltijd.

Als in vroeger tijden een ouder werd ontboden door een schoolhoofd voor een reprimande over een kind, dan resulteerde dat vrijwel altijd in een daadkrachtig vertoon van ouderlijke autoriteit. Meneer de Kooning had het zelfs meegemaakt dat vaders er niet voor schroomden hun zoons in het bijzijn van de rector een ferme tik te verkopen als straf voor een of ander vergrijp. De vader van Gunnar was niet onder de indruk van het gemopper van de rector en zei in het gesprek dat volgde op de schorsing droog dat hij de stelling van de jongens ten ene male onderschreef. De door zijn zoon omschreven genitale bezigheid was aantoonbaar veel aangenamer dan het genoemde wapentuig. Dit was een reactie die meneer De Kooning niet had verwacht, een zoveelste bewijs dat de omgangsvormen definitief waren veranderd.

Tegengas gedijde enorm bij het verbod op verspreiding. Nu het blad illegaal was, kreeg het onder scholieren de status van verzetskrant. De oplage steeg van tweehonderd naar vierhonderd en later zeshonderd exemplaren en door deze populariteit kon zelfs de prijs voor advertenties omhoog. Het blad begon winst te maken, geld dat werd geïnvesteerd in betere spullen, een betere drukker en betere feesten. De redacteuren — het werden er steeds meer — voelden zich verzetshelden. Iedere vrijdagmiddag kwam de redactie bij elkaar op de zolder van Gunnars garage, een ploeg die steeds zelfbewuster werd. Er heerste een revolutionaire sfeer.

De taken werden verdeeld: er kwam een feestcommissie, iemand werd sportredacteur, een ander deed de televisiepagina, Gunnar en Kasper wierpen zich op de politiek, twee meisjes deden een moderubriek, er waren striptekenaars, fotografen (het laten rasteren van een foto kostte vijf gulden, dus het was in ieders belang dat de foto’s zo goed mogelijk waren) en een jongen met een bril deed de administratie.

Een van de vaste redacteuren was Milan, een jongen uit vwo-5, die nooit veel zei, maar altijd aanwezig was. Twee keer werd er een gedicht van hem geplaatst en hij schreef een paar nieuwsberichten over verschillende onderwerpen. Niemand kon zich meer herinneren hoe en wanneer hij bij de redactie was gekomen of wie hem had geïntroduceerd. Op een gegeven moment was hij er gewoon: hij zat aan bij de vergaderingen en deelde in het bier.

Milan was volgens velen een knappe verschijning, dat zagen zelfs Kasper en Gunnar, al had hij wel een getourmenteerde gelaatsuitdrukking, die hij volgens sommigen cultiveerde. Hij hield van naargeestige bands als Joy Division en andere doemmuziek, maar ook van The Dead Kennedy’s en The Clash. Yvette noemde hem — als hij er niet bij was — ‘de dichter’, omdat hij vaak in gedachten verzonken deelnam aan een vergadering, om plotseling bedachtzaam iets op te schrijven in een aantekenboekje. Een keer vroeg ze wat hij zojuist had genoteerd.

‘O niets,’ zei Milan, zijn schouders ophalend. ‘Een paar woorden.’

‘Wat dan?’ vroeg Yvette, met het vage vermoeden dat hij misschien spioneerde voor meneer De Kooning of de redactie van Geschrift. Het gerucht ging dat de officiële schoolkrant openlijk een publicitaire aanval zou zoeken, daarin gesteund door de schoolleiding.

Milan liet Yvette lezen wat hij had geschreven.

‘Pilaren in het donker’ stond er in zijn schriftje, tussen andere gekrabbelde regels. Toen ze niet direct reageerde zei hij: ‘Voor een nieuw gedicht.’

Yvette knikte en probeerde zich weer tot de vergadering te richten.

In de week na de verschijning van het vijfde nummer — toen Gunnar en Kasper voor de derde keer tegenover meneer De Kooning hadden gezeten voor een gefluisterde donderpreek — sprak Milan de hoofdredacteuren aan. Hij zei dat hij een lang verhaal had geschreven dat hij graag in Tegengas geplaatst wilde hebben. Met een plechtig gebaar overhandigde hij zijn bijdrage, alsof hij er maar moeilijk afstand van kon doen.

Het redactievoorschrift was dat iedereen die iets publicabels had geschreven dat in de gele bus stopte met het opdruk ‘kopij’, al gaven de meesten hun teksten direct aan Kasper en Gunnar. In naam was iedereen van de ‘Jonge Turken’ — zoals een leraar geschiedenis de medewerkers van het blad smalend had genoemd — natuurlijk gelijk, maar iedereen wist dat alle belangrijke beslissingen werden genomen door de twee roverhoofdmannen. Een veto van hen betekende het einde van een artikel, terwijl het andersom ook gold: als de voltallige redactie een bijdrage niet zag zitten, konden Kasper en Gunnar besluiten het stuk toch te plaatsen (onderling spraken de andere redacteuren daarom van ‘Het politbureau’).

Tot dan toe had de vraag wat er in het blad werd opgenomen nooit voor onoverkomelijke problemen gezorgd. Zowel Gunnar als Kasper hadden wel eens met de voordeur van de redactie gesmeten en er waren heus heftige discussies gevoerd, maar echt ruzie was er nooit geweest — wat mede te danken was aan Yvette, die door de mederedactieleden soms ‘Mamma’ werd genoemd, omdat ze vrijwel ieder sluimerend conflict wist te smoren.

Eigenlijk was een groot deel van het succes van Tegengas op het conto van Yvette te schrijven. Als Gunnar en Kasper louter met z’n tweeën hun anarchistische orgaantje hadden gerund zouden waarschijnlijk niet zoveel andere leerlingen behoefte hebben gevoeld zich bij hen aan te sluiten, want daarvoor waren ze te onbehouwen, te zelfgenoegzaam, te monomaan, te weinig sociaal en — voor veel van de potentiële vrouwelijke redactieleden te weinig sexy.

Toen Yvette zich bij hen aansloot voelde dat als een soort keurmerk, een signaal aan de rest van de wereld dat de redactie uit goed volk bestond. Haar aanwezigheid was voor andere meisjes een aansporing eveneens bij de alternatieve schoolkrant te komen, want als zij er rondliep dan was er vast iets te doen. En met de komst van veel leuke meisjes voelden ook veel jongens zich geroepen tot de redactie toe te treden. Zeker vijf lieten zich door Yvette overhalen zich bij Tegengas aan te sluiten. En zo werd werken voor Tegengas steeds populairder.

Natuurlijk koesterden zowel Gunnar als Kasper een heimelijke verliefdheid voor Yvette, al hadden ze geen van beiden maandenlang het lef gehad ook maar iets te ondernemen of haar iets van hun sluimerend verlangen te laten merken. Zij waren niet de enigen die met gevoelens voor haar rondliepen. Iedereen binnen de redactie kende het verhaal van de onfortuinlijke Robin, een jongen die bij het blad was gekomen als fotograaf. Hij zat in vwo-4 en ieder vrij uur bracht hij door in het DOKA-lokaal van de school, een ruimte die vooral werd bevolkt door bleekneuzige kneusjes die zich al hun vrije tijd bezighielden met chemicaliën, belichtingstijden, doordrukken en tegenhouden.

Yvette had Robin een keer aangesproken toen hij met de spiegelreflexcamera van zijn vader in de tuin van de school foto’s van bloemen aan het schieten was. Ze vroeg hem ontwapenend of hij niet voor de nieuwe schoolkrant wilde werken. Hij wist niet waarom ze uitgerekend hem had gevraagd en direct zei hij ja voordat ze zich zou bedenken. Robin had stante pede nog maar één doel: werken voor Yvette, denken aan Yvette, leven voor Yvette. Later kwam ze een keer langs in de DOKA, waar hij haar het procedé van ontwikkelen en afdrukken lieten zien. Nog later, op een vergadering van Tegengas noemde Yvette het fotolokaal in school ‘dat hokje waar jullie aftrekken’.

‘Afdrukken,’ zei hij.

‘Dat weet ik, lieverd, ik plaag je.’

De blik die ze hem hierna had gegeven had bij hem iets doen opbloeien dat hij daarvoor nooit had gekend: een wezenloze verliefdheid, zoals alleen zeventienjarige jongens wezenloos verliefd kunnen zijn. Als het over een ander was gegaan had hij het niet geloofd. Robin kwam erachter waar Yvette woonde en wist wekelijks meerdere keren ‘per ongeluk’ door haar straat te rijden, of per ongeluk is misschien niet helemaal waar, want al zou hij hebben gezworen dat het toeval hem in haar straat had gebracht, wist hij natuurlijk dat daar, in dat ene huis, op nummer vijf, Yvette woonde, Yvette, Yvette, Yvette, Yvette, Yvette, Yvette.

Op een dag fotografeerde hij tijdens de jaarlijkse sportdagen van het G.L.A. met een telelens mensen op het sportveld als een echte paparazzi. Het hele project was een dekmantel geweest om Yvette te kunnen fotograferen. Later drukte hij — in eenzaamheid — foto’s van haar af in het DOKA-lokaal. Haar mooiste uitvergrote portretten hing hij op in zijn jongenskamer.

En toen gebeurde het onafwendbaar dramatische. Op een vrijdagavond was Yvette toevallig in de buurt van Robins huis. Samen met een vriendin zou ze die avond naar een feest in de redactiegarage gaan, waar een deel van de winst van een van de nummers zou worden verbrast. Onverwachts en vooral onaangekondigd besloot ze Robin samen met haar vriendin op te halen voor het samenzijn. Robins vader liet de meisjes binnen en stuurde ze gedachteloos de trap op, richting Robins jongenskamer.

‘Robin, niet schrikken!’ riep zijn vader voor de zekerheid in het trapgat. ‘Er komen twee meisjes naar boven.’

Er waren in het leven van Robin nog niet vaak meisjes naar zijn kamer gekomen. Een halve minuut later stonden Yvette en haar vriendin pontificaal in de kamer van Robin, een gebeurtenis die Robin overrompelde. Hij zat achter zijn bureau huiswerk te maken en met een mengeling van schrik en verkneukeling stond hij op. Yvette! Op zijn kamer! Neee! Yvette! Op zijn kamer… Als dit een romantische filmkomedie was, kon iemand de regisseur dan even doodschieten?

Yvette stelde haar vriendin voor, waarna ze een onbenullig chitchatje voerden over Robin-kon-zich-later-met-geenmogelijkheid-meer-herinneren-waarover, terwijl Yvette ondertussen achteloos keek naar de foto’s die Robin op het schuine plafond van zijn zolder had geplakt: zij op het sportveld, zij lachend, zij in de verte, zij tegen een bal trappend, haar gezicht in close-up, de mond van Yvette, zij in een ovaal vlak afgedrukt, zij, terwijl ze haar rug rechtte waardoor haar borsten pront naar voren staken, haar borsten in close-up.

Tien minuten later fietste Robin met Yvette en haar vriendin mee naar de redactiegarage bij Gunnar, hoewel hij veel liever een paar uur lang in foetushouding op het koude vloerzeil van zijn kamer zou liggen, als het even kon met doorgesneden polsen. Yvette en hij hebben er nooit een woord over gesproken, wat zij zichzelf later verweet, want ze was helemaal niet ontzet over zijn foto’s. Integendeel.

Yvette sprak er ook niet met anderen over, maar haar vriendin — wier portret door geen enkele jongen ooit zou worden uitvergroot — vertelde aan wie het maar wilde horen dat een of andere creep zijn hele kamer had volgehangen met portretten van Yvette. Al snel werden dat in de overlevering ‘naaktportretten’ en in een nog latere versie van het verhaal betrapten Yvette en haar vriendin Robin terwijl hij zich lag af te trekken op foto’s die hij in het geheim van haar had geschoten. Toen Robin merkte dat er over hem werd geroddeld, meldde hij zich diepbedroefd af bij de redactie van Tegengas en haalde de foto’s van Yvette van zijn muren.

Hij ging de geschiedenis in als een van de Yvette-victims. Er waren er meer. De striptekenaar uit havo-5 die zijn vriendin verliet nadat hij na afloop van een uit de hand gelopen schoolfeest een keer vluchtig met Yvette had gezoend, de advertentieverkoper uit vwo-4 die in een goed blaadje bij Yvette hoopte te komen door de verkoop van vele advertenties, totdat bleek dat hij een deel had verzonnen en uit eigen zak betaalde. The things we do for love.

En natuurlijk waren er Kasper en Gunnar. Gaandeweg begon er binnen de redactie tussen hen een competentiestrijd te woeden. Zij schreven samen veel artikelen, maar publiceerden ook los van elkaar verhalen en gedichten. Zoals gebruikelijk werden alle potentiële bijdragen voorgelezen tijdens redactievergaderingen, zodat iedereen zich een mening kon vormen (voordat Kasper en Gunnar een besluit namen). Hun artikelen waren vooral grappig en schertsend, slechts af en toe lukte het hen hun bijdragen te laten opstijgen. Zonder dat ze dit bewust doorhadden, daagden ze elkaar uit en jutten elkaar op tot steeds grotere hoogten. Als Gunnar een geweldig gedicht had geschreven, wilde Kasper in het volgende nummer niet achterblijven en publiceerde hij een — zijn inziens — veel indringender column. Tegengas werd de boksring waar ze als pauwen om elkaar konden paraderen.

Er was een opzet voor de komende editie van het blad. Een van de illustratoren had voor de grap een omslag getekend als een persiflage van het weekblad Story. Het idee ontstond om een roddelnummer te maken, met tussen een scheepslading duidelijk verzonnen kletspraat ook een paar echte roddels, die al dan niet een kern van waarheid droegen. Dus tussen achterklap over de ZWARTGELD-AFFAIRE van een argeloze lerares Economie, de GEHEIME LIEFDESBABY van een lerares Scheikunde en een leraar Engels, de SCHOKKENDE GESLACHTSVERANDERING van een stoere gymleraar en het MOEDIGE GEVECHT TEGEN VERKOUDHEID van een altijd nasaal pratende tekenleraar, stonden ook onthullingen over de LUSTAFFAIRE van twee docenten Nederlands (een oudere man en een vrouw van dertig, die inmiddels — wisten enkele redacteuren — haar man voor haar collega had verlaten), en het POLITIEONDERZOEK naar de verdenking van ONGEPAST SEKSUEEL GEDRAG van een amanuensis (dezelfde man op wiens offsetpers Tegengas niet meer mocht worden gedrukt). Dit laatste was een gerucht dat al jaren de ronde deed. Iemand van de vormgeving had een cartoon van striptekenaar Eric Schreurs overgetekend, met een duidelijk herkenbare amanuensis, een leerling op zijn schoot en de tekstballon: ‘Pedofilie? Me reet. Je zou ze moeten horen als ik het een keertje oversla.’

Klap op de vuurpijl was de publicatie van het OPENHARTIGE INTERVIEW met de rector van het Gemeentelijk Lyceum Altrecht over zijn weerzin tegen leerlingen, zijn haat jegens jonge docenten, zijn onvrede met de fusie van zijn school met de Altrechtse Scholenkoepel (een passage die letterlijk uit een bestaand interview was geplukt) en de MOEDIGE ONTHULLING dat hij bij de Hitlerjugend had gezeten.

De redactievergadering had gillend van de lach onderwerpen geroepen, met een paar echte Privé’s en Story’s als voorbeeld. Het voornemen was om de rector nu eens voor eens en altijd te laten weten dat hij noch invloed op de verschijning noch op de inhoud van de schoolkrant kon laten gelden. Drie keer op de rectorskamer was scheepsrecht. Het nummer zou een openlijke oorlogsverklaring worden, een finale slag. Aan de vrijheid van meningsuiting kon nimmer worden getornd, dan dooft het licht. Het moest maar eens afgelopen zijn.

En dan was er ook nog de bijdrage van Milan, die naadloos in het speciale roddelnummer paste. Althans, dat vond een deel van de redactie. Het stuk heette Because I feel black on the inside, een zwartgallig en zwaarmoedig verhaal over een leerling die veel weg had van Milan zelf. Milan las zijn verhaal bewogen voor aan de redactie. Het was een rauw geschreven cri de coeur, een stream of consciousness van een jongen die verloren op een school rondliep en zich niet kon aanpassen aan de heersende omgangsvormen, de muziek, de kleding en de vrijetijdsbesteding. De ik-figuur haatte alles wat er te haten viel, zijn dominante vader en moeder, beiden werkzaam bij de Landmacht, zijn vrienden, snackbars, volle marktpleinen, feesten, Zuid-Hollandse stranden, Noord-Hollandse stranden, stranden in het algemeen, uitpuilende stadsbussen, de Nederlandse mentaliteit, wat die ook mocht zijn, televisiekijkers, tweedeklassereizigers en mensen die dingen kochten via een postorderbedrijf.

Hij werd gepest, dat speelde ook mee. Medeleerlingen moesten niets hebben van zijn zwarte kleren, zijn make-up, zijn lange leren jas, waarvan hij beweerde dat hij die had gekocht op het Waterlooplein van een oude Duitser. Omdat hij geen contact kreeg met medeleerlingen hoopte de ik-figuur dat hij bij leraren wel kon vinden wat hij zocht en dat zij wel zouden inzien waarom hij niet goed functioneerde. Dat was ijdele hoop. Met de verwaande luie docenten had hij al helemaal geen contact en hij verafschuwde hun liefdeloosheid, hun afstandelijkheid, hun mechanische, ja zelfs doodse manier van leven.

Wat hij bij zijn ouders zag als hij ’s avonds zwijgend aan de eettafel zat: desinteresse, geveinsde genegenheid, emotieloosheid. De hoofdpersoon had alleen zijn muziek en gewelddadige strips om op terug te vallen, en steeds dieper zakte hij weg in een sociaal Nirwana, uren luisterend naar Killing Joke en andere doemmuziek: Everyday through all frustration and despair / Love and hate fight with burning hearts / Till legends live and man is God again.

Tot er een wending kwam, een omslag, een hoger ingrijpen. Op een dag zag hij tot zijn verbazing in een flits, een kort moment van inzicht, dat leraren… me… (hij kreeg het woord bijna niet opgeschreven) me… (steeds bekroop hem een vreemd peristaltisch gevoel) men… (weg, druk het weg)… dat zij mensen waren. Daar had hij nooit bij stilgestaan. Voorafgaan aan een werkweek naar Zeeuws-Vlaanderen was hij er vanuit zijn ooghoeken getuige van dat een leraar biologie — een brildragende, seksloze, kilo’s roos producerende blubberbuik met een zwartleren gilet — afscheid nam van zijn echtgenote met een… (weer dat peristaltische gevoel) een hartstochtelijke zoen, een zoen, een tongzoen verdomme. Wat een liefdevol gebaar.

Het stak hem, dat warme vertoon van menselijkheid. Het was alsof hij onder stroom stond. En in een vreemde contemplatieve bliksemschicht zag hij in dat alles wat hij over de wereld dacht te weten complete onzin was, kwaadaardige haatdragende aanstellerige puberale onzin. Niet de ánderen waren de hel: hij was de hel voor anderen.

Op drie manieren kon hij nu dit gevoel verwerken, bedacht de ik-figuur. Hij zou gewapend met de automatische legerwapens van zijn vader en moeder naar school kunnen gaan om ‘de hel terug naar de mensen te brengen’. Dat was een mogelijkheid. Ook kon hij een rustige plek zoeken, bijvoorbeeld de kamer van de rector van zijn school, om daar weloverwogen en met vredevolle berusting een kogel door zijn kop te jagen. A love like blood, till the fearless come and the act is done. En de derde manier was de meest dramatische: een oproep aan zijn lezers om het werk voor hem te doen, om in zijn geest dood en verderf te zaaien, leraren op te knopen, elkaar af maken, de straat op te gaan, mensen te kelen, auto’s in de brand te steken en onderbouwers dood te steken met messen. De laatste zin van Milans stuk luidde: ‘Als je deze regels leest, weet je dat je nog leeft.’

Toen hij klaar was met het voorlezen, bleef het lang afwachtend stil in de garage. Iemand zei: ‘Jezus’. Iemand anders mompelde: ‘Ja?’ Na een seconde of vijftien begon een meisje te klappen, waarop een paar andere redacteuren met haar meededen. Het was gebruikelijk om een bijdrage die met algehele instemming werd ontvangen te trakteren op applaus, maar dit gebeurde niet altijd. Iedereen keek naar Gunnar en Kasper, peilend wat hun reactie op het stuk zou zijn. Nu was het aantoonbaar grof, schokkend en ontregelend, maar niet slecht geschreven. Duidelijk was dat Milan er veel tijd in had gestopt.

‘Ik vind dat we dit moeten plaatsen,’ zei Kasper.

‘Ik vind dat we dit niet moeten plaatsen,’ zei Gunnar.

Er viel wederom een gespannen stilte. Voor de eerste keer stonden de twee hoofdredacteuren pontificaal tegenover elkaar. Kasper vond het een geweldig verhaal met een spannende ontknoping, maar Gunnar voorspelde dat het toch al een heftige Blitzkrieg ging worden, dit nieuwe nummer, en daarom zou dit verhaal de equivalent zijn van het bombardement op Rotterdam.

‘Het is te heftig, het gaat te diep,’ zei hij. ‘Het gaat afleiden van wat we werkelijk willen.’

Er werd lang over deze kwestie gediscussieerd, waarbij zich al snel twee kampen vormden. De vraag of Milans verhaal moest worden geplaatst ging over veel meer dan deze vraag alleen. De rekkelijken wilden de strijd met meneer De Kooning niet op de spits drijven, de Prinzipienreiter vonden dat Tegengas niet moest talmen en het de school en de rector ‘van onder uit de zak moest geven’. Dat leek de vraag achter het conflict — maar uiteindelijk moest er natuurlijk ook gewoon worden bepaald wie er bovenaan de berg stond. De tijd was blijkbaar rijp voor eigen Hoekse en Kabeljauwse twisten.

Het debat verhardde en de argumenten waaierden uiteen. Tegengas was ooit Kaspers idee geweest. Ja, dus? De redactieruimte was van Gunnar. Ja, dus? Stel dat een of andere idioot zich door het verhaal van Milan liet opfokken en inderdaad een onderbouwer neerstak? Woorden steken geen mensen neer. Denk aan Catcher in the Rye. Woorden kunnen niet oproepen tot geweld. En wat dacht je van Mein Kampf? Het ging allemaal om de vrijheid van expressie, van meningsuiting, van waar het in een beschaving om gaat …

Wat vond Yvette? Dat was een van de belangrijkste vragen. Voor wie zou zij partij trekken, was ze voor of tegen plaatsing van Milans verhaal of had ze iets anders bedacht?

‘Wat is jouw visie, Yvette?’ vroeg Kasper, die zichzelf had benoemd tot voorzitter van de vergadering.

Yvette keek naar haar schoenen en zei plechtig: ‘Ik onthoud me ervan die uit te spreken.’

‘Waarom?’ vroeg Gunnar verbaasd. ‘Je spreekt je altijd uit. Waarom wil je hier niets over zeggen?’

‘Omdat Milan en Yvette iets hebben,’ mompelde de vriendin van Yvette die ook de roddel over fotograaf Robin had verspreid.

Iedereen keek naar Yvette, naar Milan en weer terug. Het was niet de eerste keer dat er binnen de redactie een relatie was ontstaan, maar Yvette & Milan vormden wel een adelskoppel.

‘SCHOKKENDE PASSIE binnen de redactie van Tegengas!’ riep iemand.

‘OVERMAND DOOR EMOTIES maakten ze hun verloving bekend.’

‘De LIEFDESBABY van Yvette en Milan…’

Er werd hard gelachen.

‘Bij nader inzien vind ik het verhaal van Milan toch heel erg klote,’ zei Kasper, waarop het een paar seconden duurde voordat de hele vergadering wederom in lachen uitbarstte, nadat Kasper met een handgebaar  duidelijk had gemaakt dat hij een grapje had gemaakt.

‘Ik vind echt echt echt dat we het moeten plaatsen,’ zei hij.

‘Ik vind echt echt echt van niet,’ zei Gunnar.

Toen de redactie na een paar minuten was hersteld van het heuglijke romantische nieuws binnen de gelederen, laaide het conflict over Milans bijdrage weer op, zo hoog dat op den duur zelfs een breuk onvermijdelijk begon te lijken. Maar een breuk zou alles kapot maken, de feesten, de sfeer, misschien wel de toekomst van het hele blad. Toch hing er geur van onafwendbaarheid, want Kasper wilde het verhaal van Milan per se plaatsen en Gunnar per se niet. Redacteuren schaarden zich achter hen en de loopgraven werden ingenomen.

De week na deze vergadering werd er iedere dag door verschillende facties onderhandeld over hoe het nu verder moest. Het verhaal zou ook in een later nummer kunnen. De speciale roddeleditie zou kunnen worden uitgesteld. Milan zou zijn verhaal wellicht wat kunnen aanpassen (‘censuur!’). Uiteindelijk werd er besloten om over Because I feel black on the inside te stemmen met de gehele redactie, inclusief vormgevers, fotografen, tekenaars en de administratie (een jongen met een bril). Over die laatste moest nog apart worden onderhandeld, want zowel Kasper als Gunnar vonden het maar onzinnig om iedereen te laten meebeslissen, totdat Yvette bepaalde dat iedereen in het colofon stemrecht had.

Voor het voorstel tot plaatsing werd behandeld hielden beide kampen een bewogen pleidooi het verhaal wel of niet op te nemen, waarna de stemming begon. Waarvoor al werd gevreesd geschiedde: elf redactieleden waren voor en elf tegen. De enige die zich van het uitbrengen van een stem had weerhouden was Yvette, en daarom moest zij zich nu tóch echt uitspreken.

‘Ik ben voor,’ zei ze tenslotte zacht, waarop er meteen een gejuich in het voorkamp opsteeg. Toen de vergadering was uitgejoeld, stonden Gunnar en de zijnen op.

‘Dan verzoeken we jullie nu onze redactieruimte te verlaten,’ verklaarde hij strijdlustig. ‘Want…’ Hij liet een theatrale stilte vallen. ‘Wij trekken ons als groep terug uit de redactie van Tegengas om onze eigen schoolkrant te beginnen.’

Lulkoek!’ riep een jongen die ook was gaan staan, niet omdat hij het onzin vond wat Gunnar had gezegd, maar omdat dit de naam van hun nieuwe tijdschrift was. De Lulkoek. ‘Met Lulkoek kunnen we eindelijk doen wat we met Tegengas niet konden.’

Het was alsof er een bermbom was ontploft. Van verschillende kanten werd er geschreeuwd en gescholden. Het idee dat er een tweede alternatieve schoolkrant zou worden opgericht was natuurlijk ridicuul. Dit was een conflict dat kon worden opgelost, toch? Toen de beide groepen tegenover elkaar stonden, raakten ze bijna slaags over de vraag hoe het nu verder moest. Van wie was Tegengas eigenlijk? Van wie waren de bezittingen van Tegengas? Van wie waren de adverteerders? Kon de Groep Kasper uit naam van Tegengas verder publiceren of moesten zij ook een nieuwe naam bedenken, net als de Groep Gunnar?

Er werd besloten tot een acute boedelscheiding: alles wat was aangeschaft met het surplus van de advertentie-inkomsten moest per direct worden verdeeld in tweeën. De wrijfletters werden verdeeld, net als de andere opmaakspullen, de tweedehands typemachines, de enveloppen en het verdere materiaal. Een groter probleem was de kopij voor het naderende roddelnummer. Het omslag was getekend door een cartoonist die inmiddels tot de Groep Gunnar behoorde en hij zou het nooit toestaan dat de Kaspers goede sier met zijn tekening zouden maken. Ongeveer de helft van wat er nu aan artikelen was ingeleverd was geschreven door getrouwen van Kasper, de andere helft door die van Gunnar.

‘We kunnen natuurlijk het blad alsnog in zijn geheel uitbrengen, maar dan zonder de bijdrage van Milan,’ riep Gunnar leep, een grap waar om maar weinigen van het Kamp Kasper konden lachen.

‘Het is onmogelijk om twee schoolkranten met dezelfde invalshoek te laten verschijnen,’ zei Kasper. ‘Dan gaan we elkaar opeten en kapotmaken.’

‘Nou en?’ riep iemand.

‘Het mag niet zo zijn dat Geschrift spreekwoordelijk garen spint bij onze schoolkrantoorlog,’ riep een van de moderedactrices.

‘Wat moet, dat moet,’ riep de tweede moderedactrice, die tot het andere kamp behoorde.

Iemand stelde voor om in dat geval dan maar helemaal geen roddeleditie uit te brengen, noch van Tegengas noch van Lulkoek. Het was opmerkelijk hoe snel het bestaan van Lulkoek door iedereen al werd geaccepteerd. Velen vonden dat voorstel zonde van het werk dat ondertussen was verzet. Er moest toch iets met die kopij gebeuren?

‘En mag ik jullie eraan herinneren dat we ook allemaal commerciële verplichtingen hebben? We hebben contracten met bedrijven over advertenties en die kunnen we niet laten zitten,’ zei de jongen met de bril.

Na een lange discussie werd er besloten dat Tegengas zou opgaan in twee afzonderlijke punkbladen: Lulkoek en de Che Guevara-Gids. Nadat alle spullen en artikelen waren verdeeld, bleek er nog ruim ƒ 250,- over uit de oorlogskas, geld dat ze niet zouden splitten, maar waarvoor ze proviand insloegen voor een groots en meeslepend afscheidsfeest ten burele van de redactie van Lulkoek. Dat was een passend vaarwel.

De populariteit van Tegengas was inmiddels zo groot dat ‘Het Laatste Avondfeest’ door meer dan tweehonderd leerlingen werd bezocht, inclusief alle redacteuren van Geschrift, die graag kwamen kijken naar wat de concurrentie deed. Er trad een provisorisch bandje op en toen de herrie hiervan voor de buurt ondraaglijk werd, eindigde het samenzijn met woedende wijkgenoten en een bataljon opgefokte agenten van de Rijkspolitie. Dit drukte het opgewonden gevoel van de scheidende redactieleden niet.

Nadat de politie met een indrukwekkende charge een einde had gemaakt aan de oploop voor het ouderlijk huis van Gunnar en de menigte zich had verspreid over de wijk, vonden Gunnar, Yvette en Kasper elkaar een kwartier later bij toeval op een bankje een stuk verderop. Het was een mooie ontmoeting, bij het flauwe licht van een eenzame lantaarnpaal. Kasper vroeg waarom Milan niet meer bij Yvette was, de jongen die op zijn manier verantwoordelijk was voor alle ellende.

‘Die is al naar huis,’ zei ze. ‘Hij voelde de dwingende behoefte om het gedicht te schrijven waarop hij al een paar dagen zit te broeden.’

‘Romantisch,’ zei Gunnar.

Kasper had een fles Pisang Ambon bij zich, die hij mee naar buiten had genomen toen de politiebusjes zich voor Gunnars huis verzamelden. Hij gaf het gifgroene bananenbocht door aan de anderen. Het was niet lekker, maar kwam uit een goed hart.

‘Ik vind dat zowel Lulkoek als de Che Guevara-Gids verslag van deze avond moeten doen,’ zei Gunnar, waarop Kasper denkbeeldig met hem proostte. Ook Yvette proostte mee.

‘Jij hebt nog niet bepaald of je meegaat naar dat vermaledijde Lulkoek of dat je komt werken voor de nu al onvolprezen Che Guevara-Gids,’ zei Kasper tegen Yvette.

Ze keek hem glimlachend aan.

‘Ik heb besloten dat ik mij na mijn lange carrière terugtrek uit het tijdschriftenvak,’ antwoordde ze. ‘Het is niet meer wat het ooit geweest is, er is teveel ten slechte veranderd.’

Hierop knikten ze alle drie.

Een opmerkelijk warme nachtwind ritselde zacht door de bladeren van de bomen in het parkje. Zwijgend dronken ze in het halfdonker van hun Pisang en dachten na over de maanden daarvoor. Er waren van Tegengas zes nummers verschenen, ze hadden samen drie keer bij de rector gezeten, er waren vier feesten geweest en één charge van de politie: al met al geen slechte score voor een ondernemend groepje middenbouwers.

Van de Che Guevara-Gids verschenen uiteindelijk — met moeite — twee nummers en van Lulkoek maar één. Voor beide publicaties werden de redacteuren niet op het matje geroepen bij meneer De Kooning. De rector kreeg een jaar na het opheffen van Tegengas overigens wel een grandioos afscheid, waarbij duizenden leerlingen en ouders hem kwamen uitluiden. Bij zijn vertrek verscheen een speciaal nummer van Geschrift, de schoolkrant die heden ten dage nog steeds bestaat. Het redactiestatuut is nog steeds niet veranderd. Het behaagde de Koningin om meneer De Kooning bij zijn afscheid te benoemen tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Gunnar mocht na de charge van de politie voor zijn ouderlijk huis de garage niet meer als redactieruimte gebruiken, maar dat deerde niet. Gunnar en Kasper zijn beiden de journalistiek ingegaan en ze zien elkaar nog regelmatig. Milan en Yvette zijn ook nog bij elkaar. Zij werd onlangs benoemd tot hoogleraar Psychologie & Empathie en hij werkt als gemeenteambtenaar bij de Dienst Duurzaamheid & Communicatie. Killing Joke draait hij bijna nooit meer. Hun kinderen gaan alle drie naar wat vroeger de Altrechtse Scholenkoepel heette, die inmiddels is opgegaan in het Regiocollege Altrecht, al staat een nieuwe fusie gepland voor 2018. De naam van die school is nog niet bekend. Robin is in de fotografie gebleven en werkt al dertig jaar met de mooiste modellen van het land. De jongen met de bril schrijft romans en verhalen.