Le Grand Tour, Avans200, 1812-2012 is een boek uit 2012 met medewerking van Paul Rupp, Serge R. Van Duijnhoven, Maarten Van Helvoirt, Hans Van Den Eeden, Ronald Giphart, Hans Van Den Eeden, Henk Van Rijswijk, Broeder Venerandus, Nicolaas Johannes Warmerdam, Hans Van Den Eeden, Edwin Jacobs, A.W. Bouwman, L.J.A.D. Creyghton, Annegien Van Doorn en Marja Kamsma

Le grand tour

By hans, 10 juni 2014

Nacht in een fietsenkelder

Je vraagt me naar een souvenir uit mijn verleden en de naam die me meteen te binnenschiet is die van Nina. Ik ontmoette haar op een warme avond aan het begin van mijn eerste jaar als docent. Dit speelt zich lang geleden af, in het begin van de jaren negentig, toen ik net een paar vakken biologie gaf aan eerstejaarsstudenten. Er was een Indian summer, de zomer was guur en regenachtig geweest, maar de nazomer bracht plotseling zon en broeierigheid.

Op een warme avond had ik een werkoverleg gehad met collega’s die allemaal veel ouder waren dan ik. Jaren van onderwijs hadden veel van deze docenten getransformeerd van enthousiaste bezielers naar lusteloze cynici, hoewel er gelukkig ook bij waren die na al hun jaren wel degelijk nog werden gedreven door het heilige vuur. Of zoals een van mijn eigen docenten ooit zei: ‘Wij hebben onze tenten opgeslagen in het Bos van Wijsheid en we moeten manmoedig blijven proberen onze jongeren te voeden met wat daar groeit en bloeit.’

Zelf had ik me plechtig voorgenomen mijn studenten de basisvragen bij te brengen van de biologie, van de wetenschap, van iedereen die naar de wereld kijkt. Wat is het? Hoe ziet het eruit? Hoe is het zo gekomen? Wat kun je ermee doen? Vragen die ik zelf tijdens mijn opleiding uitentreuren had moeten beantwoorden.

Waarom ik na het werkoverleg bleef hangen in het gebouw of waarom ik in eenzaamheid aankwam in de verlaten fietsenkelder weet ik echt niet meer. Ik moet naar mijn fiets zijn gelopen, mijn tas onder de snelbinders hebben gewurmd en daarna het slot hebben ontgrendeld. En toen hoorde ik een geluid dat ik niet direct kon thuisbrengen. Een krabbelend gesnuif, een beestje dat zijn wonden likte. Toen ik beter keek zag ik lang donker haar, een T-shirt met streepjes, een strakke broek en meisjesschoenen.

Dit waren de vragen en de voorlopige antwoorden.

Wat was het? Zo te zien een jonge studente.

Ho zag ze eruit? Ze zat met haar rug tegen een muur geleund en ze leek zacht te huilen.

Hoe was het zo gekomen? Dat wilde ze me niet vertellen.

Wat kon ik er aan doen? Aanvankelijk niets, ze wilde dat ik mijn fiets pakte en zou ‘oprotten’.

Dat laatste zei ze getergd. Ze had echt geen zin in mijn bemoeizuchtige aanwezigheid. Misschien dat ik, als ik nog student was geweest, haar had laten snikken, want wat had ik met haar situatie te maken? In mijn nieuwe rol als docent en plaatsvervangend opvoeder leek weggaan me geen optie.

‘Ik ga hier niet om half elf ’s avonds een huilend meisje in een fietsenkelder achterlaten’, zei ik.

Het meisje keek me zuchtend aan.

‘Je moet doen wat je niet laten kunt’, zei ze. En dus liet ik me naast haar zakken met mijn rug tegen de muur. Ik noemde mijn naam, waarop ze snifte.

‘Dat moet een zware last voor je zijn’, zei ze. ‘En wat studeer je?’

Nu was het mijn beurt om te sniffen.

‘Ik ben docent’, zei ik. ‘Net begonnen, dit is mijn eerste jaar hier.’

Voor het eerst keek ze me aan. Ik knikte vriendelijk.

‘Je ziet er niet uit als een docent’, zei ze. ‘Docenten zijn veel leuker.’

En zo zaten we naast elkaar, de huilende studente en ik. Ze heette Nina, wat volgens haar ‘meisje’ in het Frans betekende.

‘Maar als je denkt dat ik met je ga praten heb je het mis’, zei ze, waarna ze langdurig zweeg. Ik stak een sigaret op en bood haar er zwijgend ook een aan.

‘Heel slecht voor je’, zei ze, terwijl ze er een uit het pakje haalde. Ik hield haar mijn aansteker voor. In films zijn dit significante momenten. Een close-up van het vuur, de punt van de sigaret, het opgloeien van de tabak, de lippen die een trek nemen, de mond die rook uitblaast. Ze was in ieder geval gestopt met huilen.

De klapdeur naar de gang van het gebouw ging open. Een wat oudere medewerker liep kordaat naar zijn fiets, ontgrendelde deze, sprong erop en reed de helling op. Nina en ik volgden de man zwijgend.

‘Ga je altijd naast onbekende vrouwen in fietsenkelders zitten?’, vroeg ze toen de man uit het zicht was verdwenen.

‘Weet ik niet’, zei ik. ‘Dit is de eerste keer dat ik een huilende studente in een fietsenkelder zie.’

‘Ik huil allang niet meer’, zei ze.

Ik vroeg of ze in drie woorden kon vertellen wat er aan de hand was. ‘Ik hoef geen uitgebreid verslag, alleen een paar steekwoord. Bekijk het van mijn kant: er zit een meisje te snotteren in de fietsenkelder. Dan is het toch logisch dat ik wil helpen? Kijken of ik iets kan doen.’

‘Je kunt echt niets doen’, zei ze, rook uitblazend. ‘Het werd me gewoon even teveel. Dat heb je toch soms?’

Ik knikte. Het was haar ’teveel’ geworden. Destijds was ik – net als nu – niet de allerbeste ‘uitgelopenmascarafluisteraar’. Sommigen van mijn vrienden zouden precies hebben geweten hoe ze een betraand meisje op haar gemak moesten stellen, maar ik begreep – en begrijp – niet zoveel van de wondere belevingswereld van vrouwen.

In de twee miljoen jaar dat onze soortgenoten en voorouders in groepen van honderdvijftig man over het Afrikaanse laagland zwierven, zijn de hersens van mannen en vrouwen op een net iets andere wijze bedraad.

Mannen gingen er in kleine hiërarchische elftallen opuit om te jagen, voor hen was taal een methode om informatie uit te wisselen (‘Als jij die gnoe opjaagt, gooi ik een speer’). Vrouwen bleven achter in egalitaire groepen om noten en vruchten te rapen. Voor hen was taal een middel om de wereld te duiden, de lieve vrede te bewaren en over zichzelf na te denken. Als mannen en vrouwen praten, wil het al eeuwenlang nogal eens misgaan. Mannen begrijpen vrouwen niet, vrouwen begrijpen niet dat mannen hen niet begrijpen.

‘Ik vind het af en toe prettig om me ongelukkig te voelen’, zei Nina. ‘Vind je dat vreemd? Dat heb ik eigenlijk altijd gehad. Er zijn momenten dat ik zwelg in mijn kleine verdriet.’

Ik knikte en op dat moment schoot me een zin te binnen die ik zelf ooit op het hoogtepunt van mijn Weltschmerz aan de muur van mijn studentenkamer had hangen.

‘Nu ik een tijdelijke kalmte bereikt lijk te hebben’, schreef de schrijver Palinurus op zijn veertigste, terugkijkend op zijn leven, ‘begrijp ik hoe waardevol ongeluk kan zijn: melancholie en wroeging vormen de diepe loden kiel die ons in staat stelt om scherp aan de wind van de werkelijkheid te zeilen, wij lopen vlugger aan de grond dan de platbodems van de pleziermakers, maar wij wagen ons buitengaats in weersomstandigheden waarbij zij zouden omslaan. ‘

Ik citeerde deze woorden voor Nina, die er lang over nadacht.

‘Zeilen aan de wind van de werkelijkheid en dan aan de grond gelopen in een fietsenkelder’, zei ze, met het begin van een vermoeden van een aanzet tot een glimlach.

Biologen hebben becijferd dat negentig procent van al onze emotionele communicatie non-verbaal is. We zeggen soms wel degelijk aan anderen wat ons bezighoudt (of beter gezegd: wat we denken dat ons bezighoudt), maar we gebruiken veel meer een onbewuste gebarentaal om onze gevoelens te tonen (of beter gezegd: om ze te vormen). Met het maken van gebaren laten mensen aan anderen zien wat hen beweegt, en juist die gebaren versterken dat gevoel. Iemand die verdrietig is, maakt in het bijzijn van anderen heel andere gebaren dan wanneer hij of zij alleen is, bespied door verborgen camera’s. Het tonen van verdriet maakt hem nog verdrietiger. Hetzelfde geldt voor vreugde en plezier.

Nu Nina voorzichtig had gelachen ontdooide ze.

‘Oké, je vraagt me in drie woorden te zeggen wat er aan de hand is’, zei ze, waarna ze rechtop ging zitten. ‘Eh, liefdesverdriet, studieverdriet en fietsleutelverdriet.’

Daarna keek ze me aan.

Stilte. Ze tuitte kort haar lippen (non-verbale communicatie). Ik vroeg of ze haar sleutel kwijt was en of dat de reden was dat ze zat te snotteren.

‘Ja, mijn sleutel’, zei ze. Ze sloeg haar ogen neer. De spieren op haar jukbeenderen trok ze samen.

‘En de man op wie ik verliefd ben’, voegde ze eraan toe. Haar onderlip bracht ze onder haar bovenlip en liet deze langzaam weer te voorschijn rollen tot haar bovenlip onder haar onderlip zat.

‘En ik weet niet of ik de juiste studie heb gekozen.’ Haar voortanden even op haar onderlip. Daarna een glimlach.

Haar laatste woorden bleven hangen in het mistige wit van de tl-verlichting.

Ik had net voorgesteld dat ze met mij mee achterop naar de stad kon fietsen en dat ik haar zou afzetten waar ze wilde. Het was bijna elf uur, ik moest nog lessen voor de volgende dag voorbereiden. Nina’s sleutel was echt zoek, ze had sowieso een lift nodig. Ze stemde erin toe dat ik mijn fiets zou pakken en haar naar het centrum zou brengen. Op dat moment kwam er een man in de doorgang naar het gebouw staan.

‘Zijn er nog mensen?’

Zijn stem galmde tegen de betonnen wanden van de fietsenkelder. Vlak nadat hij dit had geroepen klampte Nina me beet.

‘Ssstt!’, siste ze.

Vanuit zijn positie kon de man ons niet zien, want we zaten in een donker gedeelte.

‘Zijn er nog mensen?’, riep de man, duidelijk een conciërge of portier, nog een keer. Wederom lieten Nina en ik geen enkele reactie horen. De man liep naar een kastje aan de muur. Plotseling hoorden we een mechanisch geluid en een groot metalen rolluik bij de uitgang van de kelder zette zich hortend en stotend in beweging. Het duurde een halve minuut om ons van de buitenwereld af te sluiten. Met een klap bereikte het rolluik de grond.

Inmiddels was de conciërge weer naar de doorgang naar het gebouw gelopen. Een ander onheilspellend geluid hoorden we nu: hert dichtklappen van de tussendeur. En nog een geluid: het omdraaien van een sleutel. Ik stond op, om gehaast naar de deur te lopen, maar die bleek inderdaad gesloten. Nina liep ondertussen naar het kastje aan de muur om het metalen rolluik weer te openen. Dat lukte haar niet, en mij al evenmin, want blijkbaar was er een sleutel voor nodig.

Met mijn vuist bonkte ik op de deur om de conciërge te waarschuwen dat we zaten opgesloten, maar de man hoorde ons niet. Ik probeerde een paar minuten achter elkaar zijn aandacht te trekken. Dit speelde zich af in die onbegrijpelijk verre tijd dat vrijwel niemand een mobiele telefoon had.

Nina vroeg: ‘Heb je nu je zin?’

Ik vroeg haar waarom ze niet had gewild dat we reageerden op de vraag van de conciërge. Ze zei: ‘Omdat we zo goed aan het praten waren.’

Net toen ze dat had gezegd floepte de tl-verlichting uit. We zaten in het pikkedonker. Geschrokken pakte Nina me beet.

Na een paar minuten waren mijn ogen gewend aan het duister. Het lukte me om verschillende gradaties van donkerte te onderscheiden. Ik zag de contouren van fietsen, pilaren, Nina’s T-shirt met streepjes, de glimmenddonkere gloed in haar ogen.

‘Het komt allemaal goed’, zei ik hardop, tegen mezelf.

Een paar keer probeerden we door het metalen rolluik te roepen naar eventuele voorbijgangers. Tevergeefs. Nergens in de kelder was een lichtknop te vinden. Ook een noodknop of een andere manier om in contact te komen met de buitenwereld ontbrak. Na een half uur gaven we het op. Er zat niets anders op dan samen in het duister de nacht door te brengen. We waren volwassen mensen. Een nacht in verlatenheid, zonder drank, zonder eten, zonder dekens, in een fietsenkelder.

Nina liet zich weer zakken bij onze vaste plek tegen de muur. Ik ging naast haar zitten. Nog precies vier sigaretten had ik, daar moesten we de nacht mee doorkomen. Ik bood haar er een aan, maar ze zei: ‘Ik rook wel met jou mee.’

In het licht van mijn aansteker keek ik naar haar gezicht.

‘Maak je je zorgen?’, vroeg ik.

‘Nee’, zei ze. ‘Waarom?’

Hierop nam ze mijn peuk van me over. Ook dat zijn in films significante scènes: het roken van elkaars sigaret. We scheelden een jaar of zes, Nina en ik. In het uitgaansleven zou dat een overkomelijk leeftijdsverschil zijn geweest, maar in de penibele omstandigheid waarin we ons bevonden was het onmogelijk zelfs maar te denken aan eventuele amoureuze gevoelens, hoe leuk en aantrekkelijk ik haar ook vond. Ik stelde me de koppen in de kranten voor: ‘Docent vergrijpt zich aan studente in fietsenkelder.’ Relaties tussen leraren en leerlingen waren onethisch en onbespreekbaar.

Nina blies rook uit en zei: ‘Waar hadden we het over?’

‘Liefdesverdriet.’

‘O ja!’

Ze nam snel nog een trek. De blik in haar ogen, kortstondig zichtbaar tijdens het korte moment dat het vuur in mijn sigaret oplichtte.

‘En studieverdriet’, zei ik.

‘Dat ook!’, riep ze. ‘En het een heeft met het ander te maken.’

Een half uur later had ze het verteld. Dit had eerder op de avond haar tranen veroorzaakt: het gevoel dat ze koesterde voor een docent. Misschien was het de manier waarop hij lesgaf, zijn overwicht en kennis van zaken, ik weet het echt niet meer. Het is twintig jaar geleden dat ik met Nina zat opgesloten. De man was getrouwd, dat weet ik nog, hij had kinderen, een huis, een gezinswagen. Eén keer, op een kamp op Ameland, had Nina een heel klein beetje bijna net niet met hem gezoend, na een avond met veel drank en studentikoze kaartspelletjes. Er was spanning tussen hen, de man vond haar een geweldige studente, maar hij kon, mocht, durfde en wilde niet op haar avances ingaan. Het risico was te groot. Hij ging zijn leven niet voor haar op het spel zetten. Althans, zo had hij het niet gezegd, maar dat had ze geïnterpreteerd. Kon mocht durfde wilde.

‘Ik weet niet wat me overkomt’, zei ze. ‘Ik ben ontoerekeningsvatbaar, weet niet wat ik doe en vind en voel, ik gedraag me raar, zeg domme dingen, ben soms heel blij en soms juist heel verdrietig, ik denk alleen maar aan hem, fantaseer over hem, achtervolg hem, bel hem soms op, wil zijn kind dragen, al zijn vakken en lessen volgen, mijn hele toekomst op het spel zetten, ben alleen maar vierentwintig uur per dag met hem bezig…

‘Je bent verliefd’, zei ik.

Ondanks de donkerte voelde ik dat ze me schamper aankeek (non-verbale auditieve communicatie).

‘O, is dát nu verliefdheid?’

Samen keken we zwijgend in de kelder, waarvan de contouren steeds vertrouwder werden. Op de middelbare school had ze leraren nooit als echte mensen gezien, vertelde ze. Docenten vormden een abstracte groep seksloze amorfe oudere oninteressante mensen. Ooit zag ze een leraar met zijn vrouw zoenen op het parkeerterrein, nimmer zag ze iets abjecters dan dat. Leraren waren van een andere menssoort. Tijdens haar opleiding had de coup de foudre van de verliefdheid plotseling genadeloos toegeslagen, liefde voor een oudere man, een docent nota bene.

‘Ik weet echt niet meer wat ik wil in mijn leven‘, zei ze. ‘Dat gevoel heb ik nog nooit gehad.’

Dit was de situatie: het was midden in de nacht en zo goed als donker, ik zat in een fietsenkelder opgesloten met een mij onbekende studente, die er zonder het uit te spreken op hoopte dat ik mij volwassen genoeg waande om haar de grenzeloze tegenstrijdigheden van het leven en de liefde uit te leggen. Docent of niet, ik had geen pasklare antwoorden.

Ondanks de geneugten van de Indian summer hadden we het koud. In de furie van de nacht zat ze bibberend tegen me aan, ik hield mijn armen om haar heen. We vertelden elkaar de verhalen van ons leven, onze voorkeuren op alle mogelijke gebieden, de boeken die we hadden gelezen, onze grote verliefdheden, de mensen die we kenden. Het was te koud om te slapen. Ik wreef haar armen en benen warm. We zoenden ook, zonder daadwerkelijk te zoenen. Ze ademde warmte in mijn hals, ik ademde warmte bij haar mond. Er is niets onbetamelijks gebeurd. We hebben gezongen en elkaar zelfs moppen verteld. We hebben gekibbeld over haar naïeve wereldbeeld versus mijn vertrouwen in de wetenschap. We hebben geplast, ieder in een eigen hoek van onze bekelderde tent in het Bos van Wijsheid. Het voelde als de overwintering op Nova Zembla. Zeer koud en toch heel warm.

Je vroeg me naar een mooie herinnering, een souvenir van mijn geheugen. Om kwart over zeven gingen de rolluiken van de fietsenkelder open, maar we waren toen al lang wakker. Ik geloof niet dat de conciërge zag dat wij er de nacht hadden doorgebracht. Vlak voordat we op mijn fiets naar de stad zouden rijden (ik om te douchen, om daarna direct weer terug te komen en les te geven), kwam Nina erachter dat ze haar fietssleutel al die tijd toch bij zich had gehad.

Inmiddels ben ik alweer twintig jaar aan de school verbonden. Nina heb ik nog een paar keer gezien. We hebben koffie gedronken en maakten soms een praatje als we elkaar tegenkwamen in de hal. Ik geloof niet dat ze ooit heeft toegegeven aan haar gevoelens voor de docent. Wat er verder van haar is geworden weet ik niet en hoef ik ook niet per se te weten.

Ik herinner me van onze enigmatische ontmoeting welbeschouwd bijna niets, behalve wat beelden, een enkele zin, een paar geuren, blikken in Ninas ogen. De gesprekken met haar heb ik natuurlijk niet letterlijk zo onthouden, maar mijn geconstrueerde herinneringen aan die nacht in 1991 zijn niet gelogen. Zo is het gegaan, zo goed als. Voor mij ging die nacht vooral over de loden kiel die ons in staat stelt om scherp aan de wind van de werkelijkheid te zeilen.

Eind.

Het begon allemaal op een benauwde zolderverdieping in het centrum van ‘s-Hertogenbosch, anno 1812. Op voorspraak van Napoleon Bonaparte werd daar de Académie Imperiale et Royale de Peinture, Sulpture et Architecture opgericht voor Teeken- en Doorzichtkunde; de eerste kunstacademie van Brabant en voorloper van wat later uit zal groeien tot Avans Hogeschool.

In het kleurrijke jubileumboek worden twee eeuwen geschiedenis onder de loep genomen van het hoger beroepsonderwijs in het eerst nog straatarme, maar later steeds welvarender wordende zuiden van Nederland. Aan de hand van een grand tour langs de steden ’s-Hertogenbosch, Tilburg en Breda, wordt een kleurrijke waaier aan verhalen, getuigenissen, memorabilia en faits divers geopenbaard die de (voor)historie vormen van Avans Hogeschool.

Dit onder de bezielende redactie van L.J.A.D. Creyghton, Serge R. van Duijnhoven, Hans van den Eeden, Janine Kooreman-Nelissen en Suzanne Wolters, met bijdragen van o.a. Jes van der Nijl, Annegien van Doorn, Ronald Giphart en Maarten van Helvoirt, illustraties van Karlijn Lippmann, fotografie van Annegien van Doorn en gevat in een vormgeving van ATTAK Powergestaltung.

Een onontbeerlijk boek voor al wie betrokken is, was of nog zal worden bij Avans Hogeschool.

Titel: Le grand tour

Sub Titel: Avans200, 1812-2012

ISBN: 9789081959902

Uitgever: Avans Hogeschool

Redactie: L.J.A.D. Creyghton, Serge R.van Duijnhoven, Hans van den Eeden, Janine Kooreman-Nelissen en Suzanne Wolters

Grafisch Ontwerp & Boekverzorging: ATTAK Powergestaltung, ‘s-Hertogenbosch

Druk: Drukkerij Tielen, Boxtel

Jaar: 2012

Druk: 1ste

Oplage: 2500 (waarvan 200 ex. Limited Edition voorzien van goudfolie cover en een lasergesneden boekenlegger)

Websitewww.avans200.nl

Pagina’s: 201

Pagina’s Giphart: tussen pagina 69 en 70 zit een boekje van 8 pagina’s met het verhaal

Afmetingen: 29,5 x 23,5 x 2,5 cm

Type: Hardcover met paper band

Inhoud:

  • Paul Rupp – Voorwoord: Onvoltooid verleden tijd
  • Serge R. van Duijnhoven – Tour d’Horizon ‘s-Hertogenbosch
  • Maarten van Helvoirt – De dommeriken dragen nu de kenniseconomie
  • Hans van den Eeden – Op weg naar de ‘doorzichtkunde’
  • Serge R. van Duijnhoven – De pil als contrabande op het Bossche en Tilburgse station
  • Serge R. van Duijnhoven – Hommage a qui
  • Chiel Timmermans / Punt – Animoso: al vijfentwintig jaar legendarische feesten
  • Serge R. van Duijnhoven – Exit Remington
  • Serge R. van Duijnhoven – Het huis Xplora
  • Serge R. van Duijnhoven – Interview met Frans van Kalmthout
  • Ronald Giphart – Nacht in een fietsen kelder
  • Hans van den Eeden – Tour d’Horizon Tilburg
  • Henk van Rijswijk – Van duivenmelkers en vogeltjes vangers tot kerkgangers
  • Serge R. van Duijnhoven – Wim Otten – ‘Fire walk with me’ kwaliteit zit ‘m in de duizend kleine dingen’
  • Broeder Venerandus (Nicolaas Johannes Warmerdam) – Het oog van de meester
  • Serge R. van Duijnhoven – Spervuur
  • Hans van den Eeden – Tour D’Horizon West-Brabant
  • Hans van den Eeden – Zigeuners te gast op Markendaal
  • Edwin Jacobs – Gerijpt
  • A.W. Bouwman – Kweekschool in oorlogstijd: ‘Angst en onzekerheid werden ons deel’
  • Hans van den Eeden – De boeiende geschidenis van IJpelaar
  • Serge R. van Duijnhoven – Gesprek met Balthus de Louweren
  • Serge R. van Duijnhoven en Hans van den Eeden – Studenten pastor Toon Hommel
  • L.J.A.D. Creyghton – Liber amicorum
  • Annegien van Doorn – Mapping traces
  • Marja Kamsma – Nawoord
  • Avans200
  • Avans Hogeschool

Het verhaal van Giphart is ook opgenomen in zijn roman Harem (2015)