een serieus en professioneel publiekstijdschrift over de dood met een artikel van Ronald Giphart

Doodgewoon

By hans, 1 december 2015

Tussen 1994 en 2001 gaf Stichting Eindelijk Doodgewoon uit, tijdschrift over de dood. Geen vakblad voor uitvaartondernemers, geen morbide blaadje voor freaks met een obsessie voor kerkhoven en grafkelders, maar een serieus en professioneel publiekstijdschrift over de dood, voor mensen die beseffen sterfelijk te zijn en niet bang zijn hun sterfelijkheid onder ogen te zien. Doodgewoon was en is nog steeds het enige tijdschrift over de dood ter wereld.

En Doodgewoon bestaat nog steeds. In juni 2001 stapte Doodgewoon over van papier naar internet en is sindsdien te vinden op dood.nl.

Van het kwartaalblad Doodgewoon verschenen tussen mei 1994 en mei 2001 29 nummers. De meeste zijn nog steeds verkrijgbaar en kunnen besteld worden via de volgende pagina op dood.nl.

Doodgewoon Zomer 1999, nummer 21, Jaargang 6

Ronald-Giphart-Doodgewoon-1999-zomer-nr-21-Jaargang-06Doodgewoon bestaat 5 jaar

Subtitel: Tijdschrift over de dood

Thema titel: In Memoriam

Doodgewoon is een uitgave van Stichting Eindelijk

Hoofdredactie: Anja Krabben

Redactie:

  • Roy de Beunje
  • Rob Bruntink
  • Eva den Buurman
  • Marijke Streefkerk

Eindredactie: Hanna Dellevoet

Vormgeving: Eigen Zaak – Ellen Jansen

Druk: Raddraaier B.V., Amsterdam

Omslag voor: Detail van ‘In Memoriam’, foto van Erwin Olaf

ISSN: 1381–0324

Inhoud:

  • Erwin Olaf – In Memorian
  • Jeroen van Merwijk – Heel liberaal
  • Kamagurka
  • Ronald Giphart – Hartelijk gecremeerd allemaal!
  • Esther Jansma – Het nut van een goedkope kist
  • Sieb Posthuma
  • Anja Krabben – Misverstanden
  • Simon Vinkenoog – Drie scherven noorderzon
  • Stefan Verwey
  • Bert Keizer – Geen Proustiaanse herinnering
  • Marjan Berk – Hier ligt Kang, zij was niet bang
  • Frits Müller
  • Eva den Buurman – Lezers over Doodgewoon, interviews
    • Ergerlijke columns
    • ‘Daar heb je hem weer’
    • De uitvaart als feest
    • Leuk als het in de bus valt
    • Morbide persoonlijkheid
    • Doodgewoon naast het bed
  • Susan Smit – Rosita Steenbeek
  • Anja Krabben – Een droom
  • Rob Bruntink – Mappa Mondo 1
  • Rob Bruntink – Mappa Mondo 2
  • Susan Smit – Laurens Spoor

Simpel. Alleen naaste familie en enkele zeer goede vrienden. Geen toespraken. Geen kennissen en aanverwanten. Vooral geen muziek. Geen praatjes van uitvaart-figuren. Uitvaartfiguren absoluut niet in pinguïn-trouwkostuums. Geen choreografisch verantwoord afscheidritueel. Geen uitbundige emoties. Geen opera. Koffie mag, maar zeker geen cake. Zo wil ik mijn crematie. Althans zo wil een gedeelte van het uitvaartbedrijf in mijn hoofd het. Mijn vader vertelt al jaren dat hij op deze manier wil worden gecremeerd en ik roep het hem al jaren na. Mijn vader verlangt: nuchterheid. Dit in tegenstelling tot mijn moeder, want zij verlangde: uitbundigheid (wat misschien de reden van hun echtscheiding is geweest). Mijn moeder heeft haar methode inmiddels in praktijk gebracht, ze overleed vier jaar geleden. Mijn moeder heeft altijd geprobeerd om de regisseur van haar eigen leven te zijn, hoe groot de tegenslagen ook waren. Toen tien jaar geleden niet alleen mijn moeder, maar ook haar ziekte multiple sclerose zeer progressief bleek te zijn, heeft zij zich tot haar eigen zorgcoördinator benoemd. Hoe zieker ze werd hoe krachtiger zij de touwtjes in handen nam, zich gesteund voelend door de onbeschrijflijke hulp van vriendinnen, buren, hulpverleners en familieleden. Waar een normaal mens al honderd keer in een verpleeghuis zou zijn opgenomen, kreeg mijn moeder het voor elkaar om thuis te blijven wonen en van het leven en haar vrienden en niet in de laatste plaats van haar fantastische kinderen te blijven genieten. Mijn moeder heeft ‘zachte zelfmoord’ gepleegd, een daad die zij al jarenlang in voorbereiding had. Haar leven moest draaglijk blijven, zij wilde onder geen beding naar een verpleeghuis (in Nederland hebben gevangenen allemaal recht op een eigen kamer, maar doodzieke mensen legt men het liefst met z’n zessen bij elkaar). Mijn moeder besloot dat het bestaan voor haar geen zin meer had als zij niet meer kon praten. Op de dag dat Ajax voor het eerst sinds lange tijd een Europese beker won, kreeg mijn moeder een zogenaamde schupp, ofwel een ernstige verslechtering van haar ziekte: haar verlamming bereikte haar praat- en lachspieren. Wel was ze nog bij haar volle bewustzijn en mijn zusje en ik hadden contact met haar door middel van oogknipperen en gezichtsuitdrukkingen. Na een week tot rust te zijn gekomen maakte ze kenbaar dat ze niet meer verder wilde leven. Over de dood van mijn moeder zal ik elders uitgebreider schrijven (en vooral over de rol van die gore, harteloze christenhonden), maar haar dood heeft me aan het denken gezet over mijn eigen crematie. Wil ik eigenlijk wel de nuchterheid van mijn vader? Omdat een crematie in essentie eigenlijk neerkomt op een middagje entertainment, had mijn moeder allerlei ludieks bedacht (dat we door de schupp niet allemaal in praktijk hebben kunnen brengen). Net als mijn vader had mijn moeder een hekel aan uitbundige droevigheid en opera. Zij wilde iets anders met haar uitvaart: een laatste manier om de wereld op de hak te nemen. Zo had ze bedacht om via een videoboodschap iedereen met welluidende taal haar allerlaatste waarheid te vertellen. Ook verkneukelde ze zich bij de gedachte dat de hele rouw-aula vol moest zitten met bedroefde mensen, dat mijn zusje en ik in de familiekamer zouden wachten tot iedereen stil was, om vervolgens naar het spreekgestoelte te schrijden, ik verkleed als Sinterklaas en mijn zusje als zwarte Piet. Bij het spreekgestoelte gezeten zou ik dan mensen naar voren moeten roepen en de erfenis verdelen. Dat waren dingen waar mijn moeder zich erg vrolijk over kon maken. Mijn moeder was ook diep onder de indruk van de Engelse komiek John Cleese, die op de begrafenis van collega-Monty Python Graham Chapman, zei: ‘Ik denk dat Graham mij het nooit zou hebben vergeven als ik niet op zijn begrafenis als eerste Engelsman op een o zo plechtige plechtigheid het woord “fuck” zou hebben gezegd.’ Mijn moeder vond dit fantastisch en heeft mij verzocht of ik tijdens haar crematie de eerste Nederlander wilde zijn die het woord ‘vinketering’ zou zeggen. Vinketering was een van de lievelingswoorden van mijn moeder. Zij was de baas, over haar ziekte, over haar huis, over haar verzorging, over haar meningen, over haar leven, over haar dood, over alles, en wie het daar niet mee eens was kon het invalidentoilet op. Als ze weer eens overhoop lag met een instelling, of als er weer eens problemen waren of wat dan ook, dan zuchtte zij en zei vastberaden: ‘Laat ze allemaal de vinketering krijgen.’ Mijn zusje & ik hebben graag aan mijn moeders plannen meegewerkt. Ik schreef in die tijd columns op de kunstpagina van het Utrechts Nieuwsblad, en van de crematie van mijn moeder heb ik, vier weken na dato, onder de titel ‘Hartelijk gecremeerd allemaal’ een recensie geschreven. Als in deze door postmodernistische gekkigheid gedomineerde tijden alles kunst is, waarom dan niet een geregisseerde crematie? Want geregisseerd was het. Er was live-muziek, een stuk poppenspel, opzwepende Afrikaanse zang, mijn zusje deed een stuk standup-comedy en iedere spreker had beloofd vooral stil te staan bij vrolijke herinneringen. Ik ben er nog niet uit welke methode ik voor mijn eigen uitvaart zou willen, die van mijn vader of die van mijn moeder. Ik heb besloten hier nog zeker vijfendertig jaar over na te denken.