Arts en Auto met een column van Ronald Giphart: Kleine gebaren

Arts en auto

Kleine gebaren

In ‘Kleine gebaren’ vertelt Ronald Giphart hoe een eenvoudige kennismaking hem jarenlang is bijgebleven. Als jonge nachtportier in een ziekenhuis ontmoette hij een cardioloog die zich vanzelfsprekend aan de portiers voorstelde. Een bescheiden gebaar, maar voor Giphart een veelzeggend voorbeeld van respect voor de mensen met wie je werkt.

De bijdrage verscheen in Arts en Auto, het magazine van VvAA. De website van het tijdschrift publiceerde ‘Kleine gebaren’ op 8 april 2016. Giphart verbindt hierin zijn ervaringen in het ziekenhuis met zijn schrijverschap en met een college voor eerstejaars geneeskundestudenten aan de Vrije Universiteit.

Over de bijdrage Kleine gebaren

Het vertrekpunt van de tekst is een college over rituelen in de gezondheidszorg. Giphart kijkt daarvoor terug op de vijf jaar waarin hij als nachtportier werkte. Hij maakte er verdriet, opluchting en blijdschap van dichtbij mee, maar ontdekte ook hoeveel de dagelijkse omgang tussen collega’s kan betekenen.

Centraal staat cardioloog Bergshoeff. Waar sommige specialisten nauwelijks aandacht hadden voor de nachtportiers, maakte hij persoonlijk contact. Hij stelde zich voor en kwam tijdens nachtdiensten geregeld koffie drinken in de portiersloge. Giphart gebruikt die herinnering om aankomende artsen een eenvoudige les mee te geven over aandacht en collegialiteit.

De bijdrage past bij de opzet die Arts en Auto bij het artikel beschrijft: schrijvers, journalisten en publicisten vertellen over een persoonlijke ervaring met de gezondheidszorg en houden daarmee zorgverleners een spiegel voor.

Gezondheidszorg in het werk van Ronald Giphart

‘Kleine gebaren’ laat zien hoe Giphart ervaringen uit zijn eigen leven verwerkt in zijn literaire werk. In de bijdrage noemt hij drie romans waarin ziekte of het ziekenhuis een belangrijke plaats inneemt: Ik omhels je met duizend armen, IJsland en Giph.

Hij bespreekt die boeken hier vanuit hun verbinding met zijn persoonlijke geschiedenis. De ziekte van een moeder, een baby met een insulinoom en het werk van een beginnende schrijver als nachtportier vormen verschillende ingangen tot dezelfde wereld: een omgeving waarin kwetsbaarheid, afhankelijkheid en menselijk contact voortdurend aanwezig zijn.

Daarmee biedt deze korte tijdschriftbijdrage ook achtergrond bij zijn romans. Giphart beschrijft hoe zijn ziekenhuiswerk hem situaties liet zien die hij achter zijn schrijftafel niet zelf had kunnen bedenken.

Over Arts en Auto

Arts en Auto is het journalistiek onafhankelijke medium van Vereniging VvAA. Het magazine en de website richten zich op onderwerpen die zorgprofessionals bezighouden in hun werk en leven.

Het eerste nummer verscheen op 5 januari 1935. De naam herinnert aan de oorsprong van VvAA als vereniging voor artsen-automobilisten. Een persoonlijke bijdrage als ‘Kleine gebaren’ sluit aan bij de aandacht van het blad voor de menselijke kant van de gezondheidszorg.

Publicatiegegevens

Titel magazine: Arts en Auto
Titel bijdrage: Kleine gebaren
Schrijver: Ronald Giphart
Jaar: 2016
Online geplaatst: 8 april 2016
Nummer: 4, april 2016
Magazine van: VvAA
URL: www.artsenauto.nl/kleine-gebaren-ronald-giphart

Gegevens van het beschreven exemplaar

De onderstaande gegevens zijn overgenomen uit de oorspronkelijke beschrijving van het tijdschrift op deze website. Ze betreffen het exemplaar uit 2016 en zijn niet bedoeld als actuele redactiegegevens.

Hoofdredactie: Marjan Enzlin
Vormgeving: Conny Lubbersen
Managing editor: Wim Spijkers
Eindredactie: Anne Mieke van Eijsden
Uitgever: Gerlach Cerfontaine
Pagina’s: 106
Foto auteur: Marc Deurloo
Afmetingen: 29,7 x 21 x 0,8 cm

Oorspronkelijke bijdrage van Ronald Giphart

Hieronder staat de volledige bijdrage, letterlijk en met behoud van de aangeleverde alinea-indeling en opmaak. De redactionele toelichting hierboven behoort niet tot Gipharts tekst.

Kleine gebaren [Ronald Giphart]

Onlangs mocht ik tijdens een college een groep eerstejaars geneeskundestudenten aan de Vrije Universiteit vertellen over ‘rituelen in de gezondheidzorg’; ik neem aan omdat ik een paar romans heb geschreven waarin geneeskunde een grote rol speelt. Dat had ik ook niet bedacht toen ik als tweeëntwintigjarige besloot om romanschrijver te worden, maar de onderwerpen van mijn boeken volgden metterjaren grosso modo wat er speelde in mijn eigen leven. En dus schreef ik over een moeder die het gevecht met haar slopende hersenziekte een stap voor wilde zijn door zich te laten beëuthanasiasmeren (in Ik omhels je met duizend armen), over een baby die werd geboren met een insulinoom (IJsland) en over een beginnende schrijver die als nachtportier in een ziekenhuis werkte (Giph).

Vijf jaar ben ik nachtportier geweest, jaren waarin ik alles heb gezien wat ik vanachter mijn schrijftafel met mijn beperkte voorstellingsvermogen niet had kunnen bedenken: ongeluk, zelfverlies, klein leed, groot leed, opluchting, blijdschap over nieuw leven en immens verdriet. De Engelse schrijver Martin Amis schreef in zijn roman De zwangere weduwe: “Vroeg of laat is elk mensenleven een tragedie, vroeg soms, laat altijd.” Ik was begin twintig en zag ’s nachts de tragedies in de levens van anderen.

Toch waren het niet alleen de grote uitingen van menselijk drama waarvan ik destijds diep onder de indruk was en waarover ik later heb geschreven. Ook kleine gebaren waren bepalend. Een van de dingen die ik de eerstejaars studenten van de Vrije Universiteit voorhield, was een les die ik in mijn portiersjaren leerde van een cardioloog genaamd Bergshoeff. In mijn eerste week in het ziekenhuis was ik ingewerkt door een collega-schrijver, want er werkten veel (aankomende) schrijvers in de nachtdienst (een ideale baan voor wie rust zoekt om zijn gedachten te kunnen ordenen).

Het gebeurde dat mijn collega en ik een medisch specialist in huis moesten roepen: de dienstdoende cardioloog. Veel specialisten probeerden onder een nachtelijk bezoek aan het ziekenhuis uit te komen, maar Bergshoeff arriveerde zonder enig protest. Toen hij de hal van het ziekenhuis binnenkwam, liep hij met uitgestrekte hand direct door naar onze balie.

“Daaraan herken je een goede specialist”, zei mijn collega, toen de arts met de lift naar de afdeling was vertrokken. “Dat is iemand die zich ook aan een eenvoudige nachtportier komt voorstellen.”

En dat bleek waar te zijn. Er werkten veel specialisten in mijn ziekenhuis, waarvan velen de nachtportiers – oftewel het plankton van de medische wereld – geen blik waardig gunden. Ik herinner me van Bergshoeff dat hij, wanneer de medische plicht hem ’s nachts in het ziekenhuis hield, regelmatig een kop koffie kwam drinken in mijn portiersloge. Dat waren aangename gesprekken, waaraan ik veel later terugdacht toen mijn schoonvader een patiënt van Bergshoeff bleek te zijn. Wat ik destijds mijn schoonvader en later die aankomende artsen heb voorgehouden (een kleine les, maar niet onbelangrijk): stel je altijd voor aan de mensen met wie je werkt. Je wordt daar niet per se een betere dokter door, maar wel een aangenamer mens.

Eind.