Ronald Giphart – uitgebreide biografie
Deze biografie is geschreven door Hans Gaarlandt met de hulp van ChatGPT in juli 2026.
Ronald Giphart behoort sinds het begin van de jaren negentig tot de bekendste, productiefste en meest gelezen schrijvers van Nederland. Met zijn directe stijl, levendige dialogen, humor, openhartigheid en herkenbare personages heeft hij een groot en gevarieerd lezerspubliek aan zich weten te binden. Zijn romans worden gelezen door jongeren én volwassenen en maken inmiddels onmiskenbaar deel uit van de moderne Nederlandse literatuur.
Waar sommige schrijvers zich voornamelijk richten op één genre of onderwerp, beweegt Giphart zich moeiteloos tussen literaire romans, verhalenbundels, novellen, essays, columns, kookboeken, reisverhalen, interviews, wetenschappelijke non-fictie en scenario’s. Daarnaast is hij een veelgevraagd spreker, interviewer, theatermaker en mediapersoonlijkheid. Zijn werk is in verschillende talen vertaald en meerdere romans werden verfilmd.
Ook buiten de literatuur is Giphart actief. Zo presenteert hij radioprogramma’s en is hij sinds januari 2026 een van de presentatoren van het NPO Radio 1-programma De Taalstaat. Zijn werkterrein is daardoor veel breder dan dat van de traditionele romanschrijver: hij schrijft, spreekt, interviewt, presenteert en werkt regelmatig samen met wetenschappers, koks, kunstenaars, vrienden en familieleden.
Binnen de Nederlandse literatuur wordt Ronald Giphart vaak in verband gebracht met de zogenoemde Generatie Nix: een losse groep jonge schrijvers die aan het begin van de jaren negentig een eigentijdse, directe, ironische en soms provocerende stem liet horen. Hoewel Giphart zelf nooit veel waarde heeft gehecht aan literaire etiketten, werd hij samen met onder anderen Joost Zwagerman, Rob van Erkelens en andere generatiegenoten gezien als een schrijver die een nieuwe groep lezers voor de Nederlandse literatuur wist te interesseren.
Zijn vroege werk werd aanvankelijk vooral geassocieerd met humor, seks, liefde, vriendschap en het studentenleven. Die typering doet echter onvoldoende recht aan de breedte en ontwikkeling van zijn oeuvre. In de loop der jaren kregen ook verlies, ouderschap, ziekte, familie, koken, wetenschap, homoseksualiteit, ouder worden, herinnering en sterfelijkheid een steeds belangrijkere plaats in zijn boeken.
Deze uitgebreide biografie beschrijft het leven, de familie, het schrijverschap en de ontwikkeling van Ronald Giphart aan de hand van zijn omvangrijke oeuvre, interviews, publicaties en andere openbare bronnen.
Ronald Edgar Giphart werd op 17 december 1965 geboren in de Bankastraat in Dordrecht.
Aan zijn tweede voornaam is een bijzonder verhaal verbonden. Bij zijn geboorte zou zijn moeder zijn geholpen door een Surinaamse verpleger die Edgar heette. Zij was hem zo dankbaar dat zij haar zoon als tweede naam Edgar gaf.
Ronald is de zoon van Robert Leo Giphart en Wijberig ‘Wijnie’ Jabaaij.
Zijn vader, Robert Leo Giphart, werd in 1933 in Dordrecht geboren. Hij werkte als ambtenaar bij het gemeentelijk woningbedrijf en wordt daarom in korte biografische beschrijvingen soms als huisvestingsambtenaar aangeduid. Hij overleed op 2 december 2006 in Soest aan de gevolgen van botkanker.
Zijn moeder, Wijberig ‘Wijnie’ Jabaaij, werd op 13 april 1939 in Dordrecht geboren en overleed daar op 7 juni 1995. Zij werkte aanvankelijk als onderwijzeres en later als assistente van een districtskinderarts, maar werd vooral bekend door haar politieke loopbaan. Jabaaij was actief voor de Partij van de Arbeid, was gemeenteraadslid in Dordrecht en maakte tussen 1977 en 1989 – met een korte onderbreking – deel uit van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Wijnie Jabaaij stond bekend als een uitgesproken, eigenzinnige en kleurrijke politica. Zij hield zich onder meer bezig met emancipatie, vrouwenrechten, volksgezondheid en maatschappelijke gelijkheid. Haar politieke en feministische overtuigingen hadden een grote invloed op het gezin waarin Ronald opgroeide.
Het gezin Giphart werd gekenmerkt door een uitgesproken linkse en humanistische oriëntatie. Vooral Wijnie Jabaaij en haar vader waren overtuigde sociaaldemocraten. Politiek en maatschappelijke onderwerpen waren thuis voortdurend aanwezig. Ronald omschreef later hoe de politieke polarisatie van de jaren zeventig zelfs binnen zijn familie voelbaar was: zijn moeder en grootvader stemden PvdA, terwijl zijn vader sympathie had voor VVD-politicus Hans Wiegel. Aan tafel konden daar liefdevolle maar scherpe discussies over ontstaan.
Ronald groeide dus niet op in een politiek eenvormig gezin, maar wel in een omgeving waarin maatschappelijke betrokkenheid, debat, zelfstandigheid en kritisch denken belangrijk werden gevonden. Vooral door de prominente politieke rol van zijn moeder maakte hij al jong van dichtbij kennis met de publieke wereld van regering, parlement en media.
Ronald schreef een boekje over zijn moeder: Wie waarlijk leeft (2020).
Robert Giphart en Wijnie Jabaaij trouwden op 5 juli 1961. Zij kregen twee kinderen:
Ronald Edgar Giphart, geboren op 17 december 1965;
Karin Ellen Giphart, geboren op 29 oktober 1968.
Karin Giphart werd later eveneens schrijver en daarnaast zangeres en singer-songwriter. Ook bij haar vonden taal, muziek en verhalen dus een professionele uitweg.
De ouders van Ronald en Karin gingen in 1978 uit elkaar. De scheiding werd zorgvuldig geregeld: zij hadden dezelfde advocaat en verdeelden de dagelijkse zorg voor hun kinderen. Ronald ging met zijn vader naar Soest, terwijl Karin bij haar moeder in Dordrecht bleef. Hun ouders zorgden ervoor dat broer en zus elkaar regelmatig bleven zien.
De scheiding maakte indruk op Ronald. Relaties, overspel, gezinsverhoudingen, echtscheidingen en samengestelde gezinnen zouden later regelmatig terugkeren in zijn romans en verhalen. Hoewel zijn boeken nadrukkelijk fictie zijn, gebruikt hij persoonlijke ervaringen vaak als grondstof voor zijn literatuur.
Ronald Giphart was niet het eerste lid van zijn familie dat zich intensief met schrijven bezighield. Aan vaderskant bevond zich al eerder een journalist en schrijver: zijn grootvader Marius Johannes Giphart, die door Ronald in een column ook Marinus Giphart werd genoemd.
Marius Johannes Giphart werd in 1902 in Oudenhoorn geboren en overleed in 1957, acht jaar voordat Ronald werd geboren. Hij begon zijn loopbaan als secretaris van de bekende kinderboekenschrijver Johannes Hendrik Been. Twee jaar lang behandelde hij onder andere diens correspondentie en fanmail. Daarna werd hij journalist en ging hij bij een krant werken.
Marius Giphart schreef ten minste twee jongensboeken:
Strandpaal 19 maakte deel uit van de reeks Geïllustreerde Bibliotheek – In de Vacantie en was bedoeld voor jongens van ongeveer tien tot veertien jaar. Het boek beleefde meerdere drukken en mag daarmee voor die tijd een behoorlijk succes worden genoemd.
Ronald schreef in 2002 in het tijdschrift Rails een liefdevolle en humoristische herbespreking van het boek van zijn grootvader. Hij vertelde daarin dat hij drie verschillende drukken van Strandpaal 19 had ontdekt en concludeerde trots dat zijn opa kennelijk een echte bestseller had geschreven.
Ook Ronalds vader had aanvankelijk schrijfambities. Ronald beschrijft dat zijn vader eigenlijk eveneens schrijver had willen worden, maar dat de economische omstandigheden na de Tweede Wereldoorlog hem ervan weerhielden die ambitie volledig na te jagen. Op latere leeftijd deed Robert Giphart nog pogingen om te schrijven, maar een oogziekte bemoeilijkte dit.
De literaire belangstelling was ook aan andere kanten van de familie zichtbaar. Ronalds moeder Wijnie was een opvallende politica met gevoel voor taal, debat en publieke communicatie. Zijn zus Karin werd auteur, muzikant en singer-songwriter. Ronald zelf zou uiteindelijk uitgroeien tot een van de productiefste Nederlandse schrijvers van zijn generatie.
Ronald Giphart begon niet pas met schrijven toen hij volwassen was. Integendeel: al vanaf zijn jeugd was hij fanatiek bezig met tekenen, verhalen bedenken, teksten schrijven en publiceren.
Aanvankelijk wilde hij het liefst striptekenaar worden. Hij tekende en schreef eigen stripverhalen en maakte verschillende complete stripboekjes. Een aantal daarvan is bewaard gebleven.
Een van zijn beste vrienden werd Jean-Marc van Tol, die later bekend zou worden als een van de makers en tekenaars van Fokke & Sukke. Ronald vond dat Van Tol beter kon tekenen dan hijzelf. Hij besloot daarom dat zijn eigen kracht waarschijnlijk niet in het tekenen, maar in het vertellen en schrijven lag.
Dat betekende niet dat hij zijn strips wegdeed of het tekenen volledig losliet. Zijn vroege stripboekjes vormen juist een belangrijke schakel in zijn ontwikkeling: ze laten zien dat hij al jong nadacht over personages, dialogen, humor, spanningsbogen en de combinatie van beeld en tekst.
Vijf van zijn zelfgeschreven en zelfgetekende stripboekjes zijn op deze website terug te vinden bij Stripboeken van Ronald Giphart.
Een bijzonder vroeg hoofdstuk in zijn schrijversloopbaan begon toen Ronald pas elf jaar oud was.
In 1977 werkte hij enkele maanden mee aan de Dordtse weekkrant Merwesteyn. Binnen de rubriek Kinderkrabbels trad hij op als kinderjournalist en kinderredacteur. Hij schreef korte stukjes en plaatste daarnaast zelfgetekende strips.
Op deze website zijn bijdragen uit onder meer februari, maart, april en mei 1977 terug te vinden. Daarmee behoren de Kinderkrabbels tot zijn vroegste daadwerkelijk gepubliceerde werk.
Deze publicaties zijn belangrijk voor het beeld van zijn ontwikkeling. Ronald was niet alleen een kind dat thuis af en toe een verhaal schreef. Hij was al op elfjarige leeftijd bezig teksten en tekeningen te maken voor echte lezers. Hij leerde dat schrijven niet alleen een persoonlijke bezigheid was, maar ook communicatie met een publiek.
De bijdragen aan Merwesteyn tonen bovendien dat de combinatie van schrijven, humor en tekenen al vroeg aanwezig was. De latere romanschrijver, columnist, interviewer en scenarist was in aanleg al zichtbaar in de elfjarige kinderredacteur.
Tijdens zijn middelbareschooltijd aan het Baarnsch Lyceum werd schrijven steeds belangrijker voor Ronald Giphart. Hij was intensief betrokken bij het schoolblad Animo. Hij schreef artikelen, verhalen, satirische stukken en observaties. Het blad bood hem de gelegenheid zijn stem te ontwikkelen en reacties van lezers te ervaren.
Toen de rector en de schoolleiding vonden dat Ronald en zijn mederedacteuren met hun satire en kritiek te ver gingen, besloten zij zelf een onafhankelijk schoolblad te beginnen: De Uitlaat.
Die stap zegt veel over Ronalds vroege schrijvershouding. Hij wilde niet alleen schrijven wanneer een bestaande redactie of instelling hem daarvoor toestemming gaf. Wanneer een podium te beperkend bleek, creëerde hij liever een nieuw podium.
Op het Baarnsch Lyceum ontstonden bovendien vriendschappen die zijn leven en werk blijvend zouden beïnvloeden. Een van zijn belangrijkste vrienden werd Bert Natter, die later eveneens schrijver werd. Ronald beschreef hoe hij en Natter zich in 1983, als literaire pubers, uitriepen tot de “grootste schrijvers van de hele wereld”. Ze hadden op dat moment nog nauwelijks iets gepubliceerd, maar hun ambitie en enthousiasme waren enorm.
Die uitspraak was speels en overmoedig, maar niet vrijblijvend. De twee vrienden lazen veel, bespraken boeken, schreven, discussieerden over literatuur en bereidden zich bewust voor op een toekomstig schrijverschap.
De latere doorbraak van Ronald kwam dus niet uit het niets. Jaren voordat zijn debuut Ik ook van jou verscheen, beschouwde hij zichzelf al als iemand die schrijver wilde worden en richtte hij een groot deel van zijn leven daarop in.
Ronalds behoefte om zelf publicatiemogelijkheden te creëren bleef ook na zijn middelbareschooltijd bestaan. In 1989 richtte hij zijn eigen tijdschrift Hoera Gaudo op. Daarin publiceerde hij teksten, observaties en andere bijdragen. Het tijdschrift was opnieuw een bewijs dat hij niet afwachtte tot een grote uitgever of landelijke redactie hem zou ontdekken.
Hij schreef, redigeerde, stelde publicaties samen en zocht lezers. Deze activiteiten waren niet slechts vrijblijvende hobby’s naast zijn studie. Ze vormden een belangrijk onderdeel van zijn voorbereiding op het professionele schrijverschap.
Terugkijkend ontstaat een duidelijke ontwikkelingslijn: van zelfgetekende en zelfgeschreven stripboeken en zijn bijdragen als elfjarige kinderjournalist aan Merwesteyn tot het schrijven voor het schoolblad Animo en het oprichten van De Uitlaat. Daarna volgden het intensieve lezen en schrijven met Bert Natter, het publiceren van eigen tijdschriften zoals Hoera Gaudo en zijn bijdragen aan landelijke literaire bladen.
Al deze activiteiten brachten hem stap voor stap dichter bij het schrijven van zijn eerste roman. Ik ook van jou was daarmee geen toevallige ingeving van een onbekende student, maar het resultaat van vele jaren lezen, schrijven, oefenen, publiceren en nadenken over literatuur.
Naast zijn eigen tijdschriften en schoolkranten zocht Ronald Giphart aansluiting bij het landelijke literaire circuit. Hij publiceerde teksten in verschillende literaire bladen, waaronder het Amsterdamse studentenweekblad Propria Cures. Een deel van zijn vroege bijdragen aan literaire tijdschriften zou later opnieuw worden opgenomen in de verhalenbundel Het feest der liefde.
Publiceren in zulke bladen was voor een aankomend schrijver belangrijk. Ronald kreeg er de gelegenheid zijn stijl verder te ontwikkelen, zijn werk buiten zijn directe vriendenkring te laten lezen en zijn naam onder de aandacht te brengen van redacteuren, schrijvers en uitgevers. Het laat zien dat hij al vóór zijn romandebuut zeer doelgericht bezig was met het opbouwen van een schrijversloopbaan.
Een belangrijke persoon in die ontwikkeling werd uitgever Joost Nijsen. Het is aannemelijk dat Ronalds publicaties in literaire bladen, waaronder Propria Cures, hebben bijgedragen aan zijn zichtbaarheid als jonge schrijver. Nijsen zei tegen Ronald dat hij een roman moest schrijven. Daar ging Ronald vervolgens mee aan de slag.
De ondertekening van het contract voor Ik ook van jou vormde daarom geen geïsoleerd geluksmoment. Zij was het resultaat van jarenlang schrijven, publiceren, contacten leggen en zichtbaar worden binnen het literaire wereldje. De elfjarige kinderjournalist van Merwesteyn, de schoolkrantredacteur, de maker van eigen tijdschriften en de jonge medewerker aan literaire bladen kreeg eindelijk de gelegenheid zich als romanschrijver aan een landelijk publiek te presenteren.
Ronald en zijn jeugdvriend Bert Natter kenden de naam van Joost Nijsen al in de jaren tachtig. Als jonge, zeer ambitieuze schrijvers lazen zij een boekenbijlage van Vrij Nederland over nieuwe Nederlandse literatuur en opkomende uitgevers. Daarin stond een portret van de nog jonge Nijsen, die toen al een eigen uitgeverij had en literaire uitgaven verzorgde.
Nijsen maakte grote indruk op de twee vrienden. Ronald herinnerde zich later dat hij en Bert Natter naar de foto van de uitgever wezen en tegen elkaar zeiden:
“Deze man gaat onze boeken uitgeven.”
Wat destijds nog een zelfverzekerde voorspelling van twee literaire pubers was, werd enkele jaren later werkelijkheid. Zes jaar daarna zat Ronald op de kamer van Joost Nijsen en Vic van de Reijt bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, waar hij het contract voor zijn eerste roman ondertekende.
De samenwerking groeide uit tot een langdurige uitgeversrelatie. Gedurende ongeveer zesentwintig jaar bleef Joost Nijsen Ronalds uitgever, ook toen Nijsen achtereenvolgens bij andere uitgeverijen ging werken en uiteindelijk Uitgeverij Podium oprichtte. Ronald verhuisde met hem mee en bleef hem trouw.
Later noemde Ronald hem zijn “oeruitgever” en “de man die mij mijn toekomst gaf”. Daarmee maakte hij duidelijk hoe groot Nijsens betekenis voor zijn loopbaan was. Nijsen gaf hem niet alleen de kans om te debuteren, maar begeleidde hem tijdens een groot en bepalend deel van zijn schrijversbestaan.
In 1986 verhuisde Ronald vanuit Soest naar Utrecht. Hij ging Nederlands studeren aan de Universiteit Utrecht.
De stad zou van grote betekenis worden voor zijn leven en schrijverschap. Hij ontmoette er schrijvers, studenten, journalisten en andere mensen uit de culturele wereld. Het Utrechtse studentenleven leverde hem ervaringen, gesprekken, vriendschappen en locaties die later terugkeerden in zijn romans.
Hoewel hij tijdens zijn studie veel kennis opdeed over taal en literatuur, rondde hij de opleiding niet af. Na ongeveer drie jaar stopte hij. Zijn ambitie om zelf schrijver te worden had inmiddels meer gewicht gekregen dan zijn verlangen om een academische studie te voltooien.
Dat betekent echter niet dat zijn studie geen invloed had. De grote hoeveelheid literatuur die hij las, zijn kennis van literaire tradities en zijn belangstelling voor taal zijn duidelijk herkenbaar in zijn werk. Zijn romans zijn toegankelijk en vaak humoristisch, maar bevatten tegelijkertijd talloze verwijzingen naar andere schrijvers, boeken, filosofische ideeën en culturele ontwikkelingen.
Utrecht bleef zijn woonplaats en werd een belangrijk decor in zijn werk. De stad, haar straten, cafés, studentenhuizen en bewoners komen terug in romans, verhalen en columns. Later zou Giphart bovendien bijdragen aan boeken en projecten die specifiek aan Utrecht waren gewijd.
Voordat Ronald volledig van het schrijverschap kon leven, werkte hij onder meer als nachtportier in een Utrechts ziekenhuis.
Die baan bood hem iets wat voor een beginnend schrijver buitengewoon waardevol was: tijd en rust.
Tijdens stille nachtdiensten kon hij lezen, nadenken en langere tijd achter elkaar schrijven. Terwijl het ziekenhuis sliep, werkte hij aan teksten en aan de roman die uiteindelijk zijn doorbraak zou betekenen.
De combinatie van betaald werk en schrijven vereiste discipline. Ronald moest zijn uren benutten, scènes uitwerken en voortdurend blijven herschrijven zonder te weten of zijn manuscript ooit zou worden gepubliceerd.
Deze periode onderstreept opnieuw dat hij al vóór zijn debuut fanatiek en doelgericht met het schrijverschap bezig was. Hij wachtte niet op inspiratie of erkenning, maar organiseerde zijn leven zodanig dat hij zoveel mogelijk kon schrijven.
Nadat Joost Nijsen tegen Ronald had gezegd dat hij een roman moest schrijven, ging Ronald met die opdracht aan de slag. Het manuscript dat hieruit ontstond, droeg aanvankelijk de titel Twee jongens en een boot.
Joost Nijsen vond die titel kennelijk niet sterk of aantrekkelijk genoeg en veranderde hem eigenhandig in Ik ook van jou. Die titel bleek niet alleen veel pakkender, maar paste ook beter bij de centrale thema’s van de roman: liefde, verlangen, afhankelijkheid en de soms pijnlijke wederkerigheid binnen relaties.
De hoofdpersonen van Ik ook van jou beschouwen zichzelf nadrukkelijk als toekomstige schrijvers. Ze praten over boeken, bespreken hun literaire ambities en proberen hun ervaringen onmiddellijk in verhalen om te zetten. Daardoor is de roman niet alleen een liefdesverhaal of een verslag van een reis door Frankrijk, maar ook een boek over jonge mensen die schrijver willen worden.
Juist daarin ligt een duidelijke verbinding met Gipharts eigen ontwikkeling. Ook hij was al jarenlang bezig zijn ervaringen, vriendschappen, liefdes en literaire ambities om te zetten in verhalen. Met Ik ook van jou bracht hij die verschillende elementen voor het eerst samen in een roman die door een landelijke uitgeverij werd uitgegeven.
Ronald trouwde in 1997 met de Utrechtse kookschrijver, keramist en culinair publicist Mascha Lammes.
Mascha Lammes werd geboren en groeide op in Utrecht. Zij ontwikkelde zich tot kookschrijver en verdiepte zich jarenlang in eten, drinken, recepten en culinaire cultuur. Haar kennis en belangstelling sloten nauw aan bij Ronalds eigen liefde voor gastronomie.
Samen kregen Ronald en Mascha drie kinderen:
Broos Lammes, geboren op 17 januari 1998 in Utrecht;
Tip Lammes, geboren op 26 januari 2000 in Utrecht;
Lasse Lammes, geboren op 22 augustus 2006 in Utrecht.
De kinderen dragen de achternaam van hun moeder omdat ze niet constant geconfronteerd moeten worden door de bekende achternaam van hun vader.
De geboorte van hun jongste zoon Lasse verliep dramatisch. Lasse werd geboren met een goedaardige tumor in zijn alvleesklier en moest langdurig op de intensive care worden behandeld. Ronald zag hoe zijn zoon werd gereanimeerd en verbleef tijdens die periode vrijwel voortdurend in het ziekenhuis. De gebeurtenis veranderde zijn kijk op het leven en vond later een literaire weerslag in zijn werk IJsland.
Het gezinsleven, vaderschap, opvoeding en de angst om een kind te verliezen werden belangrijke onderwerpen in zijn romans en columns. Ronald schreef vaak over zijn vrouw en kinderen, soms rechtstreeks en soms verwerkt in fictieve personages en gebeurtenissen.
Ronald en Mascha werkten ook professioneel samen. In 2015 verscheen hun gezamenlijke kookboek Vurrukkulluk! – 101 beproefde recepten voor het moderne gezin. Het boek bevat gerechten die zij in de loop van vele jaren verzamelden en thuis voor hun gezin bereidden.
In 2020 verscheen bovendien De wereld thuis, waarin Ronald Giphart en Mascha Lammes persoonlijke verhalen, reizen, herinneringen en recepten met elkaar combineerden. Ook schreven zij gezamenlijk andere culinaire bijdragen en publicaties.
Na een huwelijk van ongeveer 28 jaar gingen Ronald en Mascha als liefdespartners uit elkaar. Zij blijven naar eigen zeggen zeer goede vrienden.
De literaire en creatieve familietraditie stopte niet bij Ronald. Ook binnen zijn eigen gezin leidde de gedeelde belangstelling voor taal, verhalen en creativiteit tot verschillende gezamenlijke projecten. Met zijn voormalige vrouw Mascha schreef hij kookboeken en twee van zijn kinderen hebben inmiddels eveneens met hem samengewerkt.
Zijn oudste zoon Broos Lammes studeerde politicologie en werkte als televisiemaker. Samen met zijn vader schreef hij Dat maakt ons helemaal niets uit – Ouder en kind uit de kast.
In dit persoonlijke boek vertellen Broos en Ronald vanuit hun eigen perspectief over Broos’ coming-out, homoseksualiteit, opvoeding en de communicatie tussen ouders en kinderen. De titel verwijst naar de reactie van zijn ouders toen Broos vertelde dat hij op mannen valt. Het boek verscheen in 2024 en vormde voor Broos zijn debuut als auteur.
Ronald werkte daarnaast samen met zijn dochter Tip Lammes. Zij schreven samen het scenario voor de korte film Boezemkring. De film werd geregisseerd door Ayla van Kessel en ging in september 2024 in Utrecht in première. Dieuwertje Blok speelde een van de hoofdrollen.
Met zijn jongste zoon Lasse heeft Ronald voor zover bekend nog geen afzonderlijk boek of scenario uitgebracht.
De samenwerkingen met Mascha, Broos en Tip maken duidelijk dat schrijven en creativiteit binnen het gezin niet alleen privébelangstellingen zijn gebleven. Zij hebben geleid tot concrete kookboeken, persoonlijke non-fictie en filmproducties.
Wanneer de verschillende generaties naast elkaar worden geplaatst, ontstaat een opvallende literaire familielijn. Die loopt van Ronalds grootvader, die als journalist en jongensboekenschrijver werkzaam was, via de schrijfambities van zijn vader en het taalgevoel van zijn moeder naar Ronald en zijn zus Karin. Binnen Ronalds eigen gezin kreeg die lijn vervolgens een vervolg in kookboeken, non-fictie en filmscenario’s.
Ronald zelf groeide uit tot een zeer productieve romanschrijver, columnist, interviewer en scenarist. Tegelijkertijd bleef schrijven in zijn leven meer dan een individuele beroepskeuze. Het werd ook een manier om met familieleden samen te werken en persoonlijke ervaringen in verhalen, boeken en scenario’s om te zetten.
Dat maakt de uitspraak dat schrijven bij Ronald Giphart “in het bloed zit” meer dan alleen een aardige formulering. In meerdere generaties van de familie Giphart en binnen zijn eigen gezin werden verhalen bedacht, boeken geschreven, teksten gepubliceerd en nieuwe manieren gezocht om ervaringen met een publiek te delen.
Zijn debuut in 1992 was daarom geen plotseling begin, maar een zichtbaar moment in een veel langere familie- en levensgeschiedenis van taal, verhalen, journalistiek, politiek en literatuur.
Met het verschijnen van Ik ook van jou in maart 1992 veranderde het leven van Ronald Giphart ingrijpend. Hij was niet langer alleen de ambitieuze jonge schrijver die tijdens nachtdiensten, naast zijn studie en in zelfgemaakte tijdschriften aan zijn literaire toekomst werkte. Ineens lag zijn roman in de boekhandels, verschenen de eerste recensies en moest hij zich als gepubliceerd auteur tot lezers, journalisten en critici verhouden.
Zijn debuut trok direct de aandacht. Vooral jonge lezers herkenden zich in de energieke vertelstijl, de natuurlijke dialogen en de openhartige manier waarop Giphart schreef over liefde, seks, vriendschap, literatuur en onzekerheid. Hij schreef niet van een afstand over de belevingswereld van jongeren en studenten, maar klonk alsof hij zich er middenin bevond.
De roman werd bekroond met het Gouden Ezelsoor, destijds de prijs voor het bestverkochte literaire debuut. Het boek groeide uit tot een bestseller, beleefde vele herdrukken en werd in 2001 verfilmd. Voor Giphart betekende het succes dat zijn jarenlang gekoesterde schrijversambitie werkelijkheid was geworden.
Daarbij moet wel worden bedacht dat hij aanvankelijk nog niet volledig van zijn boeken kon leven. Een literaire doorbraak leidt niet vanzelf tot financiële zekerheid. Giphart bleef schrijven, optreden en nieuwe publicatiemogelijkheden zoeken. Pas vanaf ongeveer 1994 kon hij zich voltijds schrijver noemen.
Het succes van Ik ook van jou leverde Ronald Giphart niet alleen bewondering op. Vanaf het begin waren de reacties van recensenten verdeeld. Sommige critici prezen de vaart, het taalplezier en de herkenbaarheid van zijn werk. Anderen vonden zijn stijl te informeel, te expliciet of te populair en vroegen zich af of zijn romans wel tot de ‘serieuze literatuur’ gerekend moesten worden. Vooral de combinatie van seks, humor, studentenleven en spreektaal riep bij een deel van de gevestigde literaire kritiek weerstand op.
Die discussie zou hem nog jarenlang achtervolgen. Toegankelijk proza werd soms ten onrechte gelijkgesteld aan eenvoudig of oppervlakkig proza. Een toegankelijke roman werd bij voorbaat soms lager gewaardeerd dan een ingewikkeld boek. Humor werd minder ernstig genomen dan somberte. Zelfs een groot jong publiek kon argwaan oproepen: wanneer zoveel mensen een boek met plezier lazen, kon het volgens sommige critici nauwelijks hoogwaardige literatuur zijn.
Wie Gipharts romans nauwkeurig bestudeert, treft echter vrijwel alle kenmerken aan die traditioneel met literatuur worden verbonden: een zorgvuldig geconstrueerde compositie, gelaagde personages, terugkerende motieven, intertekstuele verwijzingen, stijlbewustzijn, dubbelzinnigheid en een voortdurende spanning tussen fictie en autobiografie.
Die kritiek vertelt daarom niet alleen iets over zijn boeken, maar ook over de toenmalige ideeën over literatuur. Gipharts loopbaan stelt de veronderstelling ter discussie dat toegankelijke en populaire boeken niet tegelijkertijd literair kunnen zijn.
Al een jaar na zijn debuut verscheen in 1993 de tweede roman, Giph.
Dat snelle verschijnen betekende niet dat Giphart pas na het succes van Ik ook van jou aan een vervolg was begonnen. Zoals in het eerste deel van deze biografie duidelijk werd, schreef hij al jaren intensief en beschikte hij over een grote voorraad ervaringen, notities, scènes en ideeën.
De titel verwijst naar de bijnaam van de hoofdpersoon. Giph is een vijfentwintigjarige voormalige student Nederlands die nog altijd in een Utrechts studentenhuis woont. Hij trekt veel op met zijn vrienden Thijm en Monk en beweegt zich door een wereld van feesten, drank, seks, literatuur, vriendschap en amoureuze verwikkelingen.
Op het eerste gezicht lijkt Giph een zelfverzekerde en levenslustige jongeman. Hij wordt omringd door vrienden, kan mensen vermaken en beschikt over literaire ambitie. Achter zijn bravoure schuilt echter een onzeker en rusteloos personage dat steeds opnieuw zijn eigen geluk ondermijnt.
Giph verlangt naar liefde en erkenning, maar heeft tegelijkertijd de neiging mensen van zich af te duwen. Hij wil geliefd worden, terwijl hij zich geregeld zo gedraagt dat anderen juist afstand van hem nemen. Die tegenstelling vormt een van de emotionele kernen van de roman.
Het boek beschrijft gebeurtenissen als feestavonden, vakanties, het Boekenbal, seksuele ontmoetingen en een zelfmoordpoging, maar onder de uitbundigheid groeit een gevoel van vervreemding. De roman wordt daardoor gaandeweg donkerder dan de reputatie van Giphart als louter vrolijke schrijver doet vermoeden.
Met Giph bewees Ronald dat het succes van zijn debuut geen toevalstreffer was. De roman bouwde voort op de toon en thematiek van Ik ook van jou, maar maakte ook duidelijker zichtbaar dat humor, seks en studentikoze bravoure bij hem vaak een dekmantel vormen voor eenzaamheid, jaloezie, onzekerheid en angst voor verlies.
De hoofdpersoon Giph zou later terugkeren in onder meer Ik omhels je met duizend armen en IJsland. Daardoor ontstond binnen het oeuvre een personage dat met zijn schrijver ouder werd en in verschillende levensfasen kon worden gevolgd.
In de eerste helft van de jaren negentig raakte Ronald Giphart verbonden met de term Generatie Nix.
Die naam werd gebruikt voor een aantal jonge Nederlandse en Vlaamse schrijvers wier werk werd gekenmerkt door popcultuur, ironie, seksualiteit, verveling, drank, uitgaan en een gebrek aan vertrouwen in grote politieke of maatschappelijke idealen.
De aanduiding suggereerde dat deze auteurs behoorden tot een generatie die na de ideologisch geladen jaren zestig en zeventig was opgegroeid zonder gezamenlijk ideaal. Niet de maakbaarheid van de samenleving, maar het persoonlijke leven, relaties, consumptie, amusement en identiteit stonden centraal.
Tot de schrijvers die regelmatig met Generatie Nix in verband werden gebracht, behoren naast Ronald Giphart onder anderen:
Dat betekent niet dat zij samen een officieel manifest ondertekenden of allemaal dezelfde literatuuropvatting hadden. Generatie Nix was vooral een etiket van journalisten en critici waarmee uiteenlopende jonge schrijvers onder één noemer werden geplaatst.
Giphart en Rob van Erkelens namen zelfs publiekelijk afstand van de gedachte dat zij deel uitmaakten van een strak omlijnde beweging. Schrijvers zijn uiteindelijk individuen met een eigen stijl, achtergrond en ontwikkeling.
Toch was het label niet geheel uit de lucht gegrepen. In hun werk bestonden overeenkomsten in toon, thematiek en belangstelling voor de hedendaagse populaire cultuur. Ook trokken verschillende jonge auteurs met elkaar op, publiceerden zij in dezelfde tijdschriften en traden zij gezamenlijk op.
Generatie Nix is daarom het best te begrijpen als een los literair en cultureel netwerk, niet als een formele stroming met vaste regels.
Een belangrijk project binnen die jonge literaire omgeving was het tijdschrift Zoetermeer.
Het blad werd in 1994 opgericht door Ronald Giphart, Rob van Erkelens en Joris Moens en uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar. Het bood ruimte aan nieuwe literatuur, verhalen, essays en experimenten van jonge schrijvers.
De titel Zoetermeer had iets bewust alledaags en antiromantisch. In plaats van een verheven literaire naam werd gekozen voor de naam van een moderne Nederlandse groeistad. Dat paste bij een generatie schrijvers die haar materiaal niet alleen zocht in klassieke cultuur of grote maatschappelijke vraagstukken, maar ook in buitenwijken, televisie, uitgaan, seks, reclame en populaire muziek.
Het tijdschrift werd vaak beschouwd als het literaire podium van Generatie Nix, al waren de redacteuren zelf terughoudend met dat etiket. De geschiedenis van het blad toont tegelijk de energie en de tegenstrijdigheid van de beweging: jonge schrijvers wilden gezamenlijk aandacht vragen voor nieuw werk, maar verzetten zich tegen de gedachte dat zij allemaal hetzelfde zouden schrijven.
Zoetermeer verscheen tot 1997. Hoewel het blad maar enkele jaren bestond, vormt het een belangrijk document van het literaire klimaat waarin Giphart zijn eerste successen behaalde.
Op deze website zijn verschillende bijdragen en gegevens over het tijdschrift terug te vinden bij Zoetermeer.
Naast zijn romans bleef Giphart in deze jaren veel korter werk schrijven.
Hij publiceerde verhalen, columns en beschouwingen in uiteenlopende literaire en publieksbladen. Een aantal van die teksten verscheen eerder in tijdschriften als Vooys, Kijk, Playboy, Rails, Hollands Maandblad, Pauze, de Volkskrant, hockey.nl, VARA Gids, Foodies, Top Gear en Hard Gras.
In 1995 werd een deel van dit werk gebundeld in Het feest der liefde. De bundel laat zien hoe productief en veelzijdig Giphart in de eerste jaren na zijn debuut was. Naast langere verhalen bevat zijn werk literaire beschouwingen, autobiografisch aandoende teksten en speelse experimenten met taal en vorm.
De bundel sluit aan bij de thematiek van de eerste romans: liefde, seks, literatuur, verlangen en de voortdurende behoefte ervaringen in verhalen te veranderen.
Tegelijkertijd maakte Giphart met zijn bijdragen aan tijdschriften duidelijk dat hij zich niet uitsluitend als romanschrijver zag. Hij wilde op verschillende manieren publiceren, snel op gebeurtenissen kunnen reageren en schrijven voor uiteenlopende soorten lezers.
Door het succes van zijn boeken werd Ronald Giphart steeds vaker gevraagd voor interviews, televisieprogramma’s, literaire avonden, boekhandels, scholen en festivals. Hij bleek niet alleen een schrijver die achter een bureau goed uit de voeten kon, maar ook een levendige verteller voor een zaal of camera. Hij sprak enthousiast over literatuur, liefde, eten, films, muziek en maatschappelijke ontwikkelingen en wist ingewikkelde onderwerpen toegankelijk te presenteren.
Zijn publieke optredens droegen bij aan zijn bekendheid. Tegelijkertijd versterkten ze het beeld van Giphart als een schrijver die dicht bij zijn lezers stond. Hij presenteerde literatuur niet als een geheimzinnige bezigheid voor een kleine culturele elite, maar als iets waarover met plezier, humor en enthousiasme kon worden gesproken.
Dat leverde hem soms opnieuw kritiek op. In delen van de literaire wereld werd zichtbaarheid in televisieprogramma’s of populaire bladen met wantrouwen bekeken. Voor Giphart bestond er echter geen noodzakelijke tegenstelling tussen literaire kwaliteit en een groot publiek.
Juist door zijn optredens, schoolbezoeken en toegankelijke boeken wist hij lezers te bereiken die anders misschien nauwelijks Nederlandse literatuur zouden lezen. Daarmee werd zijn publieke persoonlijkheid een wezenlijk onderdeel van zijn betekenis als schrijver.
De eerste jaren na zijn debuut vormden geen afgeronde fase waarin Gipharts stijl en thematiek voorgoed vastlagen. Ze waren het begin van een schrijverschap dat zich voortdurend bleef ontwikkelen.
De kiemen van zijn veelzijdigheid waren al in de jaren negentig zichtbaar. Giphart schreef nooit uitsluitend om tot één literaire categorie te behoren. Hij schreef vanuit nieuwsgierigheid en zocht steeds naar een vorm die bij het onderwerp paste.
Ook de vormen waarin hij schreef, werden steeds gevarieerder. Naast romans en verhalen verschenen columns en essays, reisboeken, kookboeken, boeken over wetenschap, interviews, scenario’s, theaterteksten, samenwerkingsprojecten, podcasts, teksten voor spellen en persoonlijke non-fictie.
Zijn grote productiviteit, zijn bereidheid om samen te werken en zijn vermogen nieuwe onderwerpen in zijn oeuvre op te nemen, zouden bepalend blijven voor de rest van zijn loopbaan. De doorbraak met Ik ook van jou maakte hem bekend. Met Giph, Het feest der liefde, Zoetermeer en zijn vele optredens bewees hij vervolgens dat hij geen eenmalig literair verschijnsel was, maar een schrijver die een omvangrijk en veelzijdig oeuvre zou opbouwen.
Wanneer lezers proberen uit te leggen waarom zij graag boeken van Ronald Giphart lezen, gebruiken zij vaak woorden als vlot, grappig, herkenbaar, eerlijk en toegankelijk. Dat klinkt eenvoudig, maar achter die ogenschijnlijke vanzelfsprekendheid schuilt een zorgvuldig opgebouwde schrijfstijl.
Dat zijn boeken gemakkelijk lezen, betekent niet dat ze gemakkelijk zijn geschreven. Giphart heeft in interviews meermaals verteld dat hij urenlang kan schaven aan een enkele alinea, totdat die precies het juiste ritme heeft. Juist aan een soepel lopende tekst gaat veel werk vooraf. Een schrijver moet schrappen, herschrijven, zinnen hardop lezen en zich voortdurend afvragen of ieder woord werkelijk nodig is.
Gipharts toegankelijke stijl is het resultaat van zorgvuldig schrijven en herschrijven. Een snel leesbare tekst hoeft immers niet snel tot stand te zijn gekomen: juist aan vloeiend proza kan lang zijn gewerkt. Aandacht voor natuurlijke dialogen, goed gevormde zinnen, correct taalgebruik en betekenisvolle details speelt daarbij een belangrijke rol.
Die werkwijze sloot aan bij de adviezen die hij als jonge schrijver van een soort mentor kreeg. Deze vroeg bij zijn teksten telkens waarom een bepaald woord er stond en waarom een lezer eigenlijk tijd aan zijn verhaal zou besteden. Mensen hebben genoeg andere dingen te doen; een schrijver moet hun aandacht daarom verdienen en ervoor zorgen dat zijn tekst prettig en overtuigend leest.
Die kritische begeleiding hielp Giphart een stijl te ontwikkelen die helder, ritmisch, vloeiend en meeslepend is. Een tekst moet volgens hem niet de aandacht vestigen op de schrijver, maar op het verhaal. De lezer mag niet over een zin struikelen. Zijn ambitie ligt niet in het moeilijk doen om het moeilijk doen, maar in toegankelijk proza waarin ook ernst en literaire gelaagdheid aanwezig kunnen zijn. Juist daardoor lijken zijn boeken vaak eenvoudiger geschreven dan ze werkelijk zijn.
Een belangrijk kenmerk van Gipharts stijl is dat hij schrijft alsof hij een verhaal vertelt aan iemand die tegenover hem zit.
Zijn zinnen hebben een natuurlijk spreekritme. Ze ademen. Lange beschrijvende passages worden afgewisseld met korte observaties, waardoor de tekst voortdurend in beweging blijft.
Veel lezers ervaren daardoor dat zij niet zozeer een boek lezen, maar luisteren naar iemand die een verhaal vertelt.
Dat vertelritme is waarschijnlijk niet alleen ontstaan door veel te lezen, maar ook doordat Ronald jarenlang columns schreef, optrad in theaters en veel interviews gaf. Hij heeft een goed gevoel ontwikkeld voor de manier waarop taal klinkt wanneer zij hardop wordt uitgesproken.
Wie een willekeurige roman van Ronald Giphart openslaat, merkt al snel dat gesprekken een centrale plaats innemen.
Zijn dialogen behoren tot de meest natuurlijke van de hedendaagse Nederlandse literatuur.
Personages praten niet in keurige volzinnen. Ze onderbreken elkaar. Ze maken grappen. Ze praten langs elkaar heen. Ze veranderen halverwege van onderwerp. Ze zeggen iets anders dan ze eigenlijk bedoelen.
Juist daardoor voelen de gesprekken echt.
Voor Ronald zijn dialogen bovendien veel meer dan een middel om informatie over te brengen. In een dialoog laat hij zien:
Een goed gesprek vertelt bij Giphart vaak meer dan een hele bladzijde beschrijving.
Ronald Giphart houdt zichtbaar van taal. Hij verzint woorden, verdraait bestaande uitdrukkingen, speelt met ritme en combineert spreektaal met literaire verwijzingen. Zijn taal is nooit saai.
Dat taalplezier is een belangrijk onderdeel van zijn schrijverschap. Giphart gebruikt taal niet alleen om een verhaal over te brengen, maar probeert zijn lezers ook te vermaken met onverwachte formuleringen, klanken en woordcombinaties. Zijn populariteit komt daarom niet uitsluitend voort uit onderwerpen als liefde en seks. Ook zijn talige inventiviteit behoort nadrukkelijk tot zijn literaire identiteit.
Een opvallend kenmerk van Gipharts werk is dat hij literatuur serieus neemt zonder plechtig te worden. Zijn personages:
Maar nooit op een manier die de lezer buitensluit.
Literatuur wordt onderdeel van het dagelijks leven.
Dat maakt zijn romans aantrekkelijk voor lezers die zelf nieuwsgierig zijn naar boeken, maar zich niet thuis voelen bij hoogdravende beschouwingen.
Een van de grootste kwaliteiten van Ronald Giphart is misschien wel dat hij nooit dezelfde schrijver is gebleven. Wie alleen Ik ook van jou leest, kent slechts een klein deel van zijn oeuvre.
Door de jaren heen veranderde hij van jonge student in echtgenoot en vader, maar ook in columnist, interviewer en kookliefhebber. Daarnaast ontwikkelde hij zich tot een schrijver die zich steeds meer interesseerde voor psychologie, neurologie en de werking van het menselijk brein. Zijn romans veranderden met hem mee.
Toch bleven enkele dingen altijd hetzelfde: de liefde voor verhalen, de liefde voor taal en de overtuiging dat literatuur vooral gelezen moet worden.
Misschien is dat wel de belangrijkste verklaring voor zijn blijvende succes. Ronald Giphart schrijft niet om indruk te maken op collega’s of recensenten. Hij schrijft in de eerste plaats voor lezers. Juist daardoor behoort hij ruim dertig jaar na zijn debuut nog altijd tot de meest gelezen en geliefde auteurs van Nederland.
Wie Ronald Giphart alleen kent van zijn romans, televisieoptredens, lezingen of radio-uitzendingen, kan gemakkelijk het beeld krijgen van een voortdurend energieke, spraakzame en optimistische man. Hij treedt graag op, vertelt met zichtbaar plezier en maakt gemakkelijk grappen. Toch is dat publieke optreden maar één kant van zijn persoonlijkheid.
Uit interviews, columns en autobiografisch gekleurde teksten komt een man naar voren die naast levenslustig ook beschouwend, trouw, gevoelig en sterk op zijn gezin en vrienden gericht is. Zijn werk lijkt vaak uitbundig, maar wordt regelmatig gevoed door angst voor verlies, herinneringen aan dierbaren, onzekerheid over menselijke relaties en de behoefte het voorbijgaande leven in woorden vast te leggen.
Giphart presenteert zichzelf niet als iemand die alle antwoorden bezit. Integendeel: juist zijn nieuwsgierigheid, twijfel en behoefte om de wereld te begrijpen vormen een belangrijk onderdeel van zijn mensbeeld. Liefde, vriendschap, ouderschap, eten, wetenschap, muziek, reizen en schrijven zijn voor hem geen losstaande interesses. Het zijn verschillende manieren om contact te maken, ervaringen betekenis te geven en iets van het leven te bewaren.
Ronald Giphart heeft zich in interviews regelmatig omschreven als atheïst. Hij groeide niet religieus op en ziet de wereld vanuit een humanistische, rationele en wetenschappelijke blik. Dat betekent niet dat zijn werk geen ruimte laat voor verwondering of zingeving. Integendeel: juist liefde, vriendschap, kunst, humor, wetenschap en menselijke relaties vormen in zijn romans de bronnen van betekenis. Niet een hiernamaals, maar het leven zelf staat centraal.
Liefde loopt als een rode draad door Ronald Gipharts leven en werk.
Vanaf zijn eerste verhalen en romans schrijft hij over verliefdheid, verlangen, jaloezie, trouw, overspel, lichamelijkheid, afwijzing en liefdesverdriet. Liefde wordt bij hem zelden voorgesteld als een eenvoudige of uitsluitend romantische kracht. Zij kan mensen gelukkig maken, maar ook onzeker, afhankelijk, bezitterig of verdrietig.
Dat is niet alleen een literaire keuze. In interviews heeft Ronald herhaaldelijk gesproken over zijn fascinatie voor de manier waarop liefde mensen verandert. Hij is geïnteresseerd in de tegenstelling tussen het verheven beeld van romantische liefde en de veel rommeligere werkelijkheid van langdurige relaties, lust, dagelijkse gewoonten en wederzijdse verwachtingen.
Liefde is bij Giphart niet alleen iets wat tussen geliefden bestaat. Ook de liefde tussen ouders en kinderen, tussen vrienden, tussen broers en zussen en zelfs tussen een mens en een stad, een boek, een voetbalclub of een gerecht kan in zijn werk grote betekenis krijgen.
Zijn lange relatie en huwelijk met Mascha Lammes vormden vele jaren een belangrijk fundament onder zijn gezinsleven. Samen kregen zij drie kinderen en werkten zij ook professioneel samen. In hun gezamenlijke culinaire publicaties werd het dagelijks leven van het gezin verbonden met recepten, reizen en herinneringen. De keuken was daarbij niet slechts een plaats waar voedsel werd bereid, maar ook een centrale plek waar het gezinsleven zich afspeelde.
In zijn beschouwing ‘Van geluk gesproken’ noemde Giphart zijn drie kinderen, zijn echtgenote en zijn goede vrienden als belangrijke bronnen van geluk. Tegelijkertijd relativeerde hij dat gevoel onmiddellijk. Geluk is volgens hem per definitie tijdelijk en kan door ziekte, verlies of andere tegenslagen plotseling verdwijnen. Zijn conclusie was even eenvoudig als ontnuchterend: ‘Geluk heeft een houdbaarheidsdatum.’
Juist die combinatie van dankbaarheid en angst voor verlies is kenmerkend voor zijn omgang met liefde. Liefde is waardevol omdat zij niet vanzelfsprekend of blijvend gegarandeerd is.
In zijn latere werk onderzocht hij liefde bovendien steeds vaker vanuit wetenschappelijke en maatschappelijke invalshoeken. Hij schreef en sprak over verliefdheid, seksualiteit, monogamie, evolutionaire drijfveren en liefdesverdriet. Daarbij bleef hij zoeken naar de wisselwerking tussen biologie en persoonlijke ervaring: hoeveel van onze liefde is cultureel aangeleerd, hoeveel wordt gestuurd door ons brein en hoeveel blijft uiteindelijk onverklaarbaar?
Voor Ronald zijn vriendschappen niet ondergeschikt aan romantische liefde. Hij heeft daar expliciet over gezegd dat vriendschappen voor hem gelijkwaardig zijn aan liefde.
Die overtuiging is terug te zien in zijn leven. Sommige vriendschappen duren al sinds zijn jeugd en middelbareschooltijd. Het bekendste voorbeeld is zijn band met schrijver Bert Natter. Zij leerden elkaar kennen op het Baarnsch Lyceum, lazen samen, schreven samen, bezochten literaire plekken en riepen zichzelf als pubers uit tot toekomstige grote schrijvers.
Wat als jeugdige literaire overmoed begon, groeide uit tot een levenslange vriendschap. In een column uit 2012 omschreef Ronald Bert Natter als zijn beste vriend van bijna dertig jaar. Hij schreef met ongegeneerde trots over Natters literaire werk en eindigde met een uitgesproken aanmoediging aan zijn vriend.
Ook in een oudere column noemde Giphart Natter zonder omhaal zijn beste vriend en iemand van wie hij alles wat hij deed bij voorbaat ‘uitermate belangrijk en waardevol’ vond. Hij schreef daarin met groot enthousiasme over Natters historische jeugdroman Rembrandt, mijn vader en het onderzoek dat daaraan voorafging. Hun vriendschap was daarmee niet alleen persoonlijk, maar werd ook gekenmerkt door een sterke betrokkenheid bij elkaars literaire werk.
Naast Bert Natter bouwde Ronald door de jaren heen vriendschappen en collegiale banden op met tal van schrijvers, cabaretiers, kunstenaars en journalisten. Onder anderen Joost Zwagerman, Bart Chabot, Martin Bril, Jean-Marc van Tol en Rob van Erkelens speelden op verschillende momenten een rol in zijn persoonlijke en professionele omgeving.
Met sommigen schreef of trad hij op; met anderen voerde hij langdurige gesprekken over boeken, kunst, roem en het schrijverschap. De grens tussen vriendschap en samenwerking was daarbij vaak vloeiend. Een gezamenlijk optreden kon uitgroeien tot een hechte band, terwijl een bestaande vriendschap juist weer een boek, tijdschrift of theaterprogramma kon opleveren.
Zijn vriendschap met Joost Zwagerman had een sterke literaire component. Zij trokken samen op, schreven over elkaar en deelden hun belangstelling voor hedendaagse literatuur en populaire cultuur. Op Ronalds website zijn verschillende teksten terug te vinden waarin Zwagerman voorkomt als collega, gesprekspartner en iemand wiens oordeel hij serieus nam.
Met Bart Chabot en Martin Bril maakte Ronald theaterprogramma’s en trok hij langs Nederlandse theaters. Die reizen, repetities, kleedkamers en gezamenlijke optredens vormden een apart sociaal leven naast het schrijven. Er ontstond kameraadschap, maar ook materiaal dat later in zijn romans en verhalen terechtkwam.
Zijn roman Alle tijd draait om een groep vrienden die elkaar gedurende vele levensfasen blijft volgen. Ronald benadrukte bij verschijnen dat de personages geen letterlijke portretten van zijn eigen vrienden waren. Wel had hij naar eigen zeggen het gevoel van langdurige vriendschappen in het boek verwerkt. Hij noemde zijn eigen vriendschappen lang en trouw en gebruikte daarvoor de term ‘method writing’: hij leende de emotionele waarheid, niet noodzakelijk de concrete levensfeiten.
Vriendschap betekent bij Giphart niet dat mensen elkaar voortdurend bevestigen. Goede vrienden mogen elkaar bekritiseren, tegenspreken en confronteren. De kracht van een lange vriendschap ligt juist in het gedeelde verleden: vrienden kennen eerdere versies van elkaar en herinneren zich wie iemand was voordat succes, gezin, ziekte of ouderdom het leven veranderden.
Ronald en Mascha kregen drie kinderen: Broos, Tip en Lasse. Het vaderschap veranderde niet alleen zijn dagelijks leven, maar ook zijn kijk op verantwoordelijkheid, tijd en sterfelijkheid.
In zijn vroegste werk stonden jonge volwassenen vaak vooral tegenover geliefden en vrienden. Met het vaderschap kwam daar een ander soort verbondenheid bij: de onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid voor een kind.
Ronald heeft in interviews gesproken over de intensiteit waarmee hij het vaderschap beleefde. Zijn gezin kreeg voorrang boven zijn publieke carrière. In een interview ter gelegenheid van twintig jaar schrijverschap formuleerde hij dat nadrukkelijk: zijn gezin ging voor. Het gesprek draaide niet alleen om zijn succes als auteur, maar ook om vaderschap en de eindigheid van het leven.
De geboorte van zijn jongste zoon Lasse in 2006 werd een van de meest ingrijpende ervaringen uit zijn leven. Lasse bleek een ernstige medische aandoening te hebben en verbleef langdurig in het ziekenhuis. Ronald maakte van dichtbij mee hoe kwetsbaar een pasgeboren kind kan zijn en hoe snel een gezinsleven volledig in het teken van medische zorg komt te staan.
Die ziekenhuisperiode werkte later door in zijn roman IJsland. In het boek is de zoon van een personage ernstig ziek en verbleef hij langdurig in het ziekenhuis. Besprekingen en interviews rond de roman verbinden dit element rechtstreeks met Ronalds ervaringen na de geboorte van Lasse. De ernst van die periode maakte dat de ongecompliceerde humor van zijn theatertournees tijdelijk haar vanzelfsprekendheid verloor.
Het is belangrijk dit niet alleen als ‘materiaal voor een roman’ te zien. De literaire verwerking kwam pas nadat Ronald als vader een situatie had meegemaakt waarin schrijven, optreden en publieke bekendheid plotseling van ondergeschikt belang waren. De angst om een kind te verliezen confronteerde hem met de grens van wat humor en taal kunnen verzachten.
Tegelijkertijd bleef humor ook binnen het gezin een manier om spanning hanteerbaar te maken. In culinaire teksten en columns schrijft hij over kibbelende kinderen, verschillende smaken, gezinsgewoonten en de kleine ergernissen van het ouderschap. Zo beschreef hij hoe zijn kinderen ruzieden over stripboeken of televisie en hoe zijn jongste zoon in restaurants hardnekkig kipnuggets wilde bestellen.
Zijn kinderen werden naarmate zij ouder werden niet alleen onderwerp van zijn werk, maar ook creatieve partners. Met Broos schreef hij Dat maakt ons helemaal niets uit, een persoonlijk boek over Broos’ coming-out en de verhouding tussen ouder en kind. Met Tip werkte hij aan het scenario voor de korte film Boezemkring.
Die samenwerkingen laten zien dat Ronald zijn kinderen niet uitsluitend als verlengstuk van zijn eigen verhaal behandelt. Zij kregen een eigen stem en perspectief. Bij het boek met Broos is juist het verschil tussen de herinnering van de vader en die van de zoon van belang. Ouderschap wordt daarin geen eenrichtingsverkeer, maar een gesprek waarin ook de ouder zijn aannames moet onderzoeken.
Eten neemt een uitzonderlijk grote plaats in Ronald Gipharts leven in. Zijn belangstelling voor smaak begon al vroeg. Zijn moeder wordt in beschrijvingen van zijn culinaire leven neergezet als een vrouw die graag en met aandacht kookte. Daardoor raakten eten, verzorging en liefde al vroeg met elkaar verbonden. Een maaltijd was niet alleen noodzakelijk voedsel, maar ook een gebaar van aandacht.
Tijdens zijn studententijd was zijn kookkunst aanvankelijk minder verfijnd. In een humoristische terugblik vertelde hij hoe zijn stiefmoeder hem vlak voordat hij op kamers ging een zeer korte basiscursus koken gaf. Hij leerde onder meer rijst koken, prei snijden en een blik ragout openen.
Later werd koken een veel serieuzere belangstelling. Mascha Lammes beschikte over een grote culinaire kennis en was volgens Giphart lange tijd de betere kok van de twee. In een vroege bijdrage aan Als schrijvers koken schreef hij dat Mascha patés en terrines maakte en om zijn eigen kookpogingen kon lachen.
Giphart ontwikkelde zich daarnaast tot culinair columnist en interviewer. Hij zocht contact met vooraanstaande koks en werkte onder meer met Jonnie Boer en Sergio Herman. Zijn belangstelling ging daarbij verder dan recepten. Hij wilde begrijpen hoe smaak ontstaat, hoe topkoks denken, waarom mensen bepaalde voedingsmiddelen aantrekkelijk vinden en wat eten over cultuur en identiteit vertelt.
Ronald Giphart heeft zichzelf nooit beperkt tot de traditionele onderwerpen van een romanschrijver. In de loop van zijn carrière ontwikkelde hij een steeds sterkere belangstelling voor wetenschap, met name voor evolutie, psychologie, neurologie, gedrag, geneeskunde en technologie.
Die belangstelling komt voort uit dezelfde nieuwsgierigheid die zijn romans voedt: waarom gedragen mensen zich zoals zij doen?
Literatuur kan het individuele leven van binnenuit onderzoeken. Wetenschap probeert patronen te ontdekken die voor grotere groepen gelden. Ronald raakte gefascineerd door het spanningsveld tussen die twee benaderingen.
Een belangrijk resultaat daarvan was zijn samenwerking met evolutionair psycholoog Mark van Vugt. Samen schreven zij Mismatch, waarin zij uitleggen hoe het menselijk brein en lichaam zijn gevormd in een omgeving die sterk verschilt van de moderne wereld.
Onze voorkeur voor vet en zoet was in een omgeving van voedselschaarste nuttig, maar kan in een moderne supermarkt vol calorierijke producten schadelijk worden. Hetzelfde principe kan volgens het boek doorwerken in werk, politiek, opvoeding, relaties en onze omgang met technologie.
De samenwerking ontstond doordat Ronald als schrijver nieuwsgierig raakte naar Van Vugts onderzoek, terwijl de wetenschapper zocht naar een toegankelijke vorm om zijn ideeën aan een breed publiek uit te leggen. De combinatie lag voor de hand: Van Vugt bracht de wetenschappelijke expertise, Giphart het vertelvermogen.
Ronald neemt in zulke projecten niet de rol aan van wetenschapper. Zijn kracht ligt in het stellen van vragen, het zoeken naar voorbeelden en het vertalen van abstracte theorie naar herkenbare situaties. Hij gebruikt verhalen om lezers een wetenschappelijk idee te laten ervaren.
Ook technologie wekte zijn nieuwsgierigheid. Voor het project met de Asibot liet hij zich tijdens het schrijven leiden door suggesties van een computerprogramma. Daarmee behoorde hij tot de eerste literaire schrijvers die publiekelijk experimenteerden met door een machine aangeleverde tekstvoorstellen. Hij vond het schrijven met deze beperking zwaar, maar juist de botsing tussen menselijke creativiteit en geautomatiseerde taal maakte het experiment relevant.
Wetenschap verving de literatuur dus niet. Zij breidde zijn gereedschap uit. In zijn werk bestaan gevoel en kennis naast elkaar: een mens kan biologisch worden verklaard en tegelijkertijd raadselachtig blijven.
Muziek is voor Ronald een belangrijke drager van herinneringen.
In zijn romans en columns verwijst hij vaak naar liedjes, bands, concerten en muzikale stromingen. Muziek kan een tijdperk oproepen zonder dat daar een lange historische uitleg voor nodig is. Eén lied kan de sfeer van een jeugd, verliefdheid, vakantie of verlies terugbrengen.
In een uitgebreid radiogesprek sprak hij over zijn muzikale opvoeding, Britpop, Nederpop, zijn eerste langspeelplaat en de invloed van overleden muziekhelden zoals Amy Winehouse en Kurt Cobain.
Dat gesprek laat zien dat muziek voor hem meer is dan achtergrondgeluid. Artiesten kunnen verbonden raken met een levensfase, waardoor hun overlijden ook iets van het eigen verleden afsluit. Het verdwijnen van een muzikale held confronteert de luisteraar met ouder worden en sterfelijkheid.
Ronalds belangstelling voor muziek leidde ook tot radiowerk. Vanaf oktober 2015 presenteerde hij op KX Radio een eigen programma onder de titel Gipharts Noten. De naam verenigde zijn liefde voor taal en muziek.
Zijn muzikale belangstelling is breed. Hij schrijft en spreekt over pop, rock en Nederlandstalige muziek, maar gebruikt muziek vooral vanuit de ervaring van een enthousiaste luisteraar, niet als afstandelijke criticus. Hij is geïnteresseerd in wat een lied met mensen doet.
Die houding lijkt op zijn omgang met literatuur: cultuur hoeft niet plechtig te worden benaderd om serieus genomen te worden. Een poplied kan even sterk met een herinnering verbonden zijn als een roman of gedicht.
Reizen speelt al vanaf Ik ook van jou een belangrijke rol in Ronalds leven en werk.
Een reis biedt afstand van het dagelijkse ritme. Mensen gedragen zich anders wanneer zij weg zijn van huis en van de gebruikelijke sociale omgeving. Voor een schrijver betekent dat nieuwe gesprekken, onbekende gewoonten, landschappen en situaties.
Frankrijk is daarbij een terugkerend land. Ronald schreef over Franse reizen, eten, vakantieliefdes en de verschillen tussen de geromantiseerde Franse keuken en de dagelijkse werkelijkheid. Ook werkte hij met Mascha aan culinaire teksten over kamperen en eten in Frankrijk.
Opvallend is dat zijn ouders weinig van vakanties hielden. In een gezamenlijke tekst van Ronald Giphart en Mascha Lammes herinnerde hij zich de stelregel van zijn vader: ‘Waarom elders zoeken dat je ook thuis kunt vinden?’ Giphart nam die houding aanvankelijk over. Pas tijdens zijn puberteit werd hij door vrienden en vriendinnen meegenomen naar verre bestemmingen. Hoewel hij naar eigen zeggen nooit een uitgesproken vakantieliefhebber werd, brachten tijdschriften, literaire projecten en zijn leven met Mascha hem later regelmatig op reis. Die ervaringen leverden hem nieuw materiaal voor verhalen, columns en reportages.
Zijn reizen waren niet uitsluitend vakanties. Zij konden onderdeel zijn van literaire optredens, theatertournees, reportages, samenwerkingsprojecten of schrijfopdrachten. Zo leverde een luxe treinreis door Zuid-Afrika materiaal op voor het verhaal Deze kant van het paradijs, dat werd opgenomen in de bundel Couchette.
IJsland kreeg een bijzondere betekenis. Het eiland werd niet alleen de titel en locatie van een roman, maar ook een plaats waar reizen, vriendschap, verlies en bezinning samenkwamen. Later begeleidde Ronald winnaars van een schrijfwedstrijd tijdens een literaire reis naar IJsland.
Reizen is bij Giphart vaak dubbelzinnig. Weggaan kan bevrijdend zijn, maar de reiziger neemt zijn herinneringen en problemen mee. Een ander landschap lost het innerlijke leven niet automatisch op. Juist daardoor werkt de reis in zijn boeken vaak als een vergrootglas: buiten de vertrouwde omgeving worden verhoudingen scherper zichtbaar.
Wie Ronald Giphart langere tijd volgt, merkt al snel dat voetbal veel meer voor hem betekent dan ontspanning op een vrije zondagmiddag. Het is een belangrijk onderdeel van zijn jeugd, zijn familiegeschiedenis, zijn vriendschappen en uiteindelijk ook van zijn schrijverschap. Net zoals literatuur, muziek en koken vormt voetbal voor hem een manier om verhalen te vertellen en herinneringen levend te houden.
Die liefde ontstond al vroeg. Ronald groeide op in een gezin waarin voetbal serieus werd gevolgd en werd als jongen, net als zoveel andere kinderen, door zijn vader meegenomen naar wedstrijden. Via hem maakte hij de grote jaren van Feyenoord mee. Die ervaringen bleven hem zijn hele leven bij. Supporter zijn werd geen fase, maar een blijvend onderdeel van zijn identiteit. Zoals zoveel Feyenoorders kent hij de euforie van onverwachte overwinningen, maar ook de teleurstellingen die bij het volgen van de club horen.
Juist dat laatste fascineert hem. Ronald heeft meermaals beschreven dat supporter zijn zich moeilijk rationeel laat verklaren. Een Feyenoorder blijft terugkomen, ook na verloren finales, teleurstellende seizoenen en eindeloze discussies over trainers, bestuurders en spelers. De emotionele band met een club laat zich niet afmeten aan het aantal gewonnen prijzen. Zij wordt gevormd door herinneringen, familie, rituelen en gedeelde ervaringen.
Die gedachte vormt de kern van verschillende voetbalboeken waaraan hij meewerkte. In De liefde die Feyenoord heet, geschreven met Rob van Scheers, onderzoekt hij niet alleen de geschiedenis van de Rotterdamse club, maar vooral de vraag waarom mensen zich zo diep met een voetbalclub kunnen verbinden. Het boek gaat uiteindelijk evenzeer over trouw, nostalgie en identiteit als over voetbal.
Ook schreef hij de novelle De voorzitter.
Met dezelfde Rob van Scheers schreef hij later Kuipkoorts, waarin beide auteurs een volledig Feyenoordseizoen van dichtbij volgen. Ze beschrijven niet alleen de wedstrijden, maar ook de rituelen eromheen: de reis naar De Kuip, de gesprekken op de tribune, de verwachtingen vooraf, de teleurstellingen achteraf en het optimisme dat telkens weer terugkeert. Iedere thuiswedstrijd nemen zij bovendien een andere gast mee, waardoor het boek uitgroeit tot een verzameling verhalen over wat het betekent om supporter te zijn.
Zijn belangstelling beperkt zich echter niet tot Feyenoord. Ronald schrijft al jarenlang voor het literaire voetbaltijdschrift Hard Gras, waarin sportjournalistiek en literatuur elkaar ontmoeten. Zijn bijdragen laten zien dat een voetbalwedstrijd veel meer kan zijn dan een uitslag of wedstrijdverslag. Achter iedere speler, trainer of supporter schuilt een menselijk verhaal. Juist die verhalen trekken hem aan. In Hard Gras schrijft hij met dezelfde aandacht voor taal, humor en karakterontwikkeling als in zijn romans. Daardoor behoren zijn voetbalverhalen eerder tot de literaire non-fictie dan tot de traditionele sportjournalistiek.
Ook buiten Feyenoord probeert Ronald voetbal in een breder perspectief te plaatsen. Samen met Kluun schreef hij Het eeuwige gezeik, een liefdevolle en humoristische beschouwing over de geschiedenis van het Nederlands elftal. In plaats van de gebruikelijke heldenverhalen onderzoeken zij hoe herinneringen, teleurstellingen en nationale mythen ons beeld van Oranje hebben gevormd. Het boek laat zien dat sport voor Ronald vooral interessant wordt wanneer zij iets vertelt over mensen, verwachtingen en collectieve emoties.
Voetbal is daarmee geen losstaand onderwerp binnen Gipharts oeuvre. Net als koken, muziek en literatuur biedt het hem een manier om over het leven te schrijven. In een voetbalstadion ziet hij dezelfde menselijke eigenschappen terug die ook zijn romans bevolken: hoop, jaloezie, kameraadschap, humor, verlies, trouw en de voortdurende behoefte ergens bij te horen. Misschien verklaart dat waarom zijn voetbalverhalen ook lezers aanspreken die nauwelijks iets met voetbal hebben. Uiteindelijk gaan ze niet over een bal, maar over mensen.
Voor Ronald Giphart is schrijven niet alleen een beroep, maar een manier om zich tot de wereld te verhouden.
Als jonge man bewonderde hij schrijvers die hun hele leven aan de literatuur ondergeschikt maakten. Hij las Jeroen Brouwers, die het schrijverschap voorstelde als een opdracht waarbij de auteur eerst moest schrijven en daarna pas leven. Giphart nam die ernst aanvankelijk sterk over. Hij wilde voetsporen achterlaten en alles in het teken van de literatuur stellen.
In de praktijk ontwikkelde hij een minder romantische en meer ambachtelijke visie. Schrijven vraagt volgens hem vooral tijd, discipline en de bereidheid om een tekst steeds opnieuw onder handen te nemen. Zijn hoge productie is daardoor niet alleen het gevolg van inspiratie. Giphart schrijft voortdurend en in uiteenlopende vormen. Romans vereisen langdurige concentratie, terwijl een column hem in staat stelt snel op een gebeurtenis te reageren. Een interview vraagt om luisteren, een kookboek om samenwerking en een scenario om een sterk visueel bewustzijn.
Hij schrijft bovendien in versies. In 2014 vertelde hij dat hij kort voor een interview de tweede versie van Harem had ingeleverd. Zo’n mededeling lijkt klein, maar toont het proces achter een roman: een manuscript wordt niet rechtstreeks vanuit de inspiratie naar de drukker gestuurd, maar opnieuw opgebouwd, geredigeerd en aangescherpt.
Schrijven fungeert voor hem ook als bescherming. De titel van een interview met de Universiteit Utrecht vatte zijn houding kernachtig samen: schrijven is een wapen tegen de wereld. Door gebeurtenissen te beschrijven, kan hij ze onderzoeken, ordenen en soms tijdelijk beheersbaar maken.
Toch kent het schrijverschap ook een morele spanning. Wanneer persoonlijke ervaringen in fictie terechtkomen, kunnen mensen uit zijn omgeving zichzelf herkennen. Giphart beweegt daarom voortdurend tussen autobiografische eerlijkheid en verantwoordelijkheid tegenover anderen. Hij gebruikt zijn leven als materiaal, maar verandert, combineert en fictionaliseert.
Zijn bereidheid om met anderen te schrijven is eveneens kenmerkend. Waar het beeld van de romanschrijver vaak dat van een eenzame werker is, zoekt Giphart regelmatig de samenwerking. Hij deelt ideeën met wetenschappers, koks, vrienden en familieleden. Dat vereist dat hij tijdelijk afstand doet van volledige controle en ruimte maakt voor de stem van een ander.
Ronald Giphart staat bekend als een humoristische schrijver en verteller. Ook in gezelschap en tijdens optredens is humor een belangrijk onderdeel van zijn publieke persoonlijkheid.
Zijn humor is vaak talig: woordspelingen, nieuwe woorden, overdrijving, onverwachte vergelijkingen en het bewust doorprikken van plechtigheid. Hij lijkt een natuurlijke weerstand te hebben tegen mensen die zichzelf of hun culturele positie te ernstig nemen.
Dat betekent niet dat hij verdriet of ernst ontwijkt. Integendeel: humor treedt vaak juist op waar het leven pijnlijk wordt.
Tijdens ziekte, rouw, relationele verwarring of professionele onzekerheid kan een grap tijdelijk lucht geven. Humor ontkent het probleem niet, maar maakt het mogelijk ernaar te kijken zonder er volledig door te worden verpletterd.
De ziekenhuiservaring met zijn zoon maakte echter ook duidelijk dat humor grenzen kent. Rond IJsland vertelde Ronald dat de ernstige situatie thuis de lichtheid van de theatertournee had gerelativeerd. Op sommige momenten is de werkelijkheid te indringend om onmiddellijk in grappen te worden omgezet.
Zijn beste humor ontstaat daarom vaak niet uit zorgeloosheid, maar uit het besef dat het leven kwetsbaar en absurd is. Mensen maken plannen terwijl ziekte, ouderdom en verlies onvermijdelijk zijn. Zij streven naar erkenning en nemen zichzelf belangrijk, terwijl het bestaan zich weinig van hun ambities aantrekt.
Ronalds humor heeft daarnaast een sociale functie. Een goede grap kan een gesprek openen, spanning verminderen of mensen met verschillende achtergronden bij elkaar brengen. Dat verklaart mede waarom hij zich thuis voelt op podia, in radio-uitzendingen en tijdens gesprekken met publiek.
Tegelijkertijd kan zijn humor scherp en provocerend zijn. Vooral in zijn vroege werk zocht hij geregeld grenzen op rond seks, goede smaak en literaire deftigheid. Later werd de humor niet noodzakelijk minder scherp, maar wel vaker verbonden met zelfrelativering. Hij spaart zichzelf en zijn eigen tekortkomingen doorgaans niet.
Liefde, vrienden, kinderen, maaltijden, wetenschap, muziek en reizen lijken op het eerste gezicht zeer verschillende onderwerpen. In het leven van Ronald Giphart worden zij verbonden door zijn behoefte ervaringen in verhalen te bewaren.
De mens Ronald is daardoor moeilijk los te maken van de schrijver Ronald. Vrijwel alles wat hij meemaakt kan uiteindelijk taal worden. Toch betekent dit niet dat zijn leven volledig samenvalt met zijn werk. Tussen ervaring en publicatie bevindt zich altijd de schrijver die selecteert, vergroot, weglaat en herschikt.
Wie zijn boeken leest, leert dus niet simpelweg ‘de echte Ronald’ kennen. Wel ontdekt de lezer welke onderwerpen hem blijven bezighouden, welke mensen en ervaringen hij belangrijk vindt en welke vragen hij nog steeds probeert te beantwoorden.
Misschien is juist dat het meest persoonlijke kenmerk van Ronald Giphart: niet dat hij overal een antwoord op heeft, maar dat hij van vrijwel alles een vraag, gesprek of verhaal weet te maken.
In de familie van Ronald Giphart komt maculadegeneratie voor, een oogziekte waarbij het centrale gezichtsvermogen geleidelijk kan worden aangetast. Zijn vader kreeg de aandoening op 62-jarige leeftijd. Wat begon als een wazige plek in het midden van zijn blikveld, groeide uit tot twee donkere vlekken in zijn gezichtsveld. Daardoor verloor hij een belangrijk deel van zijn zicht en kon hij uiteindelijk geen kranten en boeken meer lezen. Dat moet extra pijnlijk zijn geweest voor een man die veel las en zelf ooit de ambitie had schrijver te worden. Ook Gipharts oma had maculadegeneratie.
Omdat de aandoening vaker in zijn familie voorkwam, liet Giphart zijn eigen ogen onderzoeken. Daarbij werd vastgesteld dat ook hij maculadegeneratie heeft. Voor zover hij daar publiekelijk over heeft gesproken, merkt hij er nog niets van. Het vooruitzicht dat zijn gezichtsvermogen in de toekomst achteruit zou kunnen gaan, raakt hem echter rechtstreeks in zijn bestaan als schrijver en lezer. Niet meer kunnen lezen, juist in combinatie met zijn beroep, noemde hij een schrikbeeld.
Sinds 2016 is Giphart ambassadeur van het Oogfonds. In die rol gebruikt hij zijn bekendheid om aandacht te vragen voor maculadegeneratie, andere erfelijke oogziekten en het belang van wetenschappelijk onderzoek. Hij werkte mee aan publieksacties, voorleessessies en fondsenwerving. Zo zette hij zich ook in voor onderzoek naar de ziekte van Stargardt, een erfelijke netvliesaandoening die vooral jonge mensen kan treffen.
Zijn ambassadeurschap komt daarmee voort uit een persoonlijke familiegeschiedenis. De oogziekte verbindt hem met zijn vader en oma, maar raakt ook aan de kern van zijn eigen leven. Voor Giphart zijn lezen en schrijven immers niet alleen beroepsmatige bezigheden, maar manieren om de wereld te begrijpen, ervaringen vast te leggen en contact te maken met anderen.
Bronnen: het persoonlijke verhaal van Ronald Giphart bij het Oogfonds en zijn inzet voor onderzoek naar de ziekte van Stargardt.
Ronald Giphart is in de eerste plaats bekend als romanschrijver, maar zijn publieke en literaire betekenis kan niet uitsluitend aan zijn romans worden afgemeten. Vanaf het begin van zijn loopbaan schreef hij ook verhalen, columns, essays, reportages, interviews, voorwoorden en gelegenheidsbijdragen. Daarnaast maakte hij theaterprogramma’s, presenteerde hij radio- en televisieprogramma’s, werkte hij mee aan podcasts en trad hij op tijdens literaire avonden, popfestivals en culturele evenementen.
Daarmee behoort Giphart tot een generatie schrijvers voor wie het boek niet langer het enige podium vormde. Hij was niet uitsluitend de auteur die enkele jaren aan een roman werkte en zich daarna kort aan het publiek vertoonde. Hij bleef voortdurend zichtbaar en hoorbaar: in kranten, tijdschriften, theaters, op radio en televisie, in podcasts en rechtstreeks tegenover zijn lezers.
Die veelzijdigheid vloeide niet alleen voort uit zijn behoefte aan bekendheid of afwisseling. De verschillende media boden hem elk een andere manier van vertellen. Een roman geeft ruimte voor een langdurig opgebouwd verhaal. Een column kan snel reageren op een actuele ervaring. In een interview staat niet de schrijver zelf maar zijn gesprekspartner centraal. Theater maakt de reactie van het publiek onmiddellijk voelbaar, terwijl radio en podcasts juist een intieme vorm van luisteren mogelijk maken.
Buiten zijn romans ontwikkelde Ronald Giphart zich daardoor tot columnist, performer, interviewer, presentator en ambassadeur van taal en literatuur.
Columns vormen een belangrijk en omvangrijk onderdeel van Gipharts oeuvre.
Waar een roman vaak een lange voorbereiding en een uitgebreide compositie vraagt, biedt een column de mogelijkheid om een gebeurtenis, gedachte of ontmoeting vrijwel onmiddellijk in taal om te zetten. Voor een schrijver die voortdurend observeert en formuleert, is dat een natuurlijke vorm.
Giphart schreef door de jaren heen voor zeer uiteenlopende kranten, tijdschriften en vakbladen. Op zijn website zijn bijdragen terug te vinden uit onder meer:
Kijk;
en verschillende culinaire, culturele en maatschappelijke tijdschriften.
Die verscheidenheid laat zien dat hij zich niet tot één onderwerp beperkte. Hij schreef over literatuur en schrijvers, maar ook over eten, sport, reizen, gezin, ziekte, televisie, politiek, arbeid, auto’s en alledaagse observaties. Op zijn website zijn grote aantallen van deze bijdragen verzameld, waardoor zichtbaar wordt hoe breed zijn journalistieke en essayistische werkterrein is.
Een belangrijke plek in zijn columnistenloopbaan was Rails, het maandblad dat jarenlang gratis in Nederlandse treinen lag.
Het blad bood schrijvers de kans een zeer breed publiek te bereiken. De lezer hoefde geen literaire roman te kopen of bewust een cultureel tijdschrift te kiezen: het blad lag klaar in de trein. Daardoor konden mensen tijdens een reis onverwacht met een verhaal, essay of column van Giphart kennismaken.
Ronald schreef veelvuldig voor Rails en was er enige tijd ook hoofdredacteur. Zijn bijdragen varieerden van persoonlijke herinneringen en literaire observaties tot reportages, reisverhalen en teksten over familieleden en collega-schrijvers. Zijn website bewaart een groot archief van dit werk.
Voor Giphart paste Rails goed bij zijn toegankelijke opvatting van literatuur. Verhalen hoefden niet alleen te verschijnen in boeken of gespecialiseerde literaire tijdschriften. Zij mochten lezers ook toevallig vinden, bijvoorbeeld tijdens een vertraagde treinreis.
In 2008 kreeg zijn werk als columnist een bijzondere persoonlijke lading. Martin Bril, met wie Ronald en Bart Chabot jarenlang in het theater hadden gestaan, vroeg hem zijn prominente column op de voorpagina van de Volkskrant tijdelijk over te nemen.
Vanaf de vroege zomer tot het einde van 2008 verving Giphart hem met grote regelmaat. De beste teksten uit die periode werden later gebundeld in Mijn vrouw & andere stukken. De titel onderstreept het persoonlijke karakter van de columns: het dagelijks leven, de liefde, het gezin, herinneringen en ogenschijnlijk kleine gebeurtenissen werden tot literaire miniaturen verwerkt.
De tijdelijke vervanging van Bril was meer dan een gewone journalistieke opdracht. Zij vond plaats binnen een vriendschap en samenwerking die door Brils ziekte en latere overlijden een tragische achtergrond kreeg. Ronald nam zijn plek niet over om zijn eigen stem aan die van Bril aan te passen, maar schreef op geheel eigen wijze verder op een plaats die sterk met zijn vriend verbonden was.
Gipharts columns zijn vaak persoonlijk, maar niet noodzakelijk volledig autobiografisch. Zoals in zijn romans kan een concrete ervaring worden aangepast, uitvergroot of verbonden met andere gebeurtenissen. De columnist Ronald Giphart bevindt zich daardoor tussen journalistiek en literatuur.
Hij begint bijvoorbeeld bij een restaurantbezoek, een treinreis, een ruzie tussen zijn kinderen of een herinnering aan zijn vader. Vervolgens kan de tekst uitkomen bij sterfelijkheid, politiek, taal, smaak of de werking van het geheugen.
Die beweging van klein naar groot is een belangrijk kenmerk van zijn korte proza. De column is geen verkleinde roman, maar een zelfstandige vorm waarin één observatie voldoende kan zijn om een hele wereld te openen.
Een boek bereikt de lezer in stilte. Theater confronteert een schrijver direct met zijn publiek.
Ronald Giphart voelde zich al vroeg aangetrokken tot literaire optredens. Hij las voor in boekhandels, bibliotheken, cafés, schouwburgen en festivalzalen. Zijn natuurlijke verteltempo, humor en gevoel voor timing maakten hem geschikt voor een podium.
Toch ging zijn theaterwerk verder dan traditioneel voorlezen uit eigen boeken.
In 1998 zette Ronald Giphart een belangrijke nieuwe stap in zijn carrière. Samen met Joost Zwagerman ontwikkelde hij de theatervoorstelling Hamerliefde, waarmee zij door Nederland toerden. Twee jaar later volgde een reprise, wat aangeeft dat de formule succesvol was.
De voorstelling was bijzonder omdat zij brak met het traditionele beeld van een literaire avond. In plaats van een schrijver die achter een lessenaar enkele fragmenten voorleest, brachten Giphart en Zwagerman een dynamische voorstelling waarin voordrachten, gesprekken, humor en improvisatie voortdurend in elkaar overliepen.
Beide schrijvers behoorden tot dezelfde generatie en deelden een grote liefde voor literatuur, popmuziek en de moderne cultuur. Toch verschilden zij sterk van karakter. Zwagerman was analytischer en essayistischer, terwijl Giphart uitblonk in spontaniteit, vertelplezier en direct contact met het publiek. Juist dat contrast maakte de voorstelling aantrekkelijk.
De tournee betekende veel voor Ronalds ontwikkeling als performer. Hij ontdekte dat literatuur zich niet hoefde te beperken tot de stilte van een boek. Een verhaal kon ook leven op een podium, waar timing, improvisatie en interactie met het publiek minstens zo belangrijk werden als de geschreven tekst.
Na het overlijden van Joost Zwagerman in 2015 sprak Ronald Giphart publiekelijk over hun langdurige vriendschap. Tijdens de bijeenkomst rond de Joost Zwagerman Lezing van 2021 verzorgde hij een persoonlijke inleiding, waarin hij herinneringen ophaalde aan Zwagerman en vertelde over hun vriendschap en wat deze voor hem had betekend.
Vanaf 2005 trok Ronald Giphart met Bart Chabot en Martin Bril door het land. Hun voorstelling Giphart en Chabot met Bril combineerde eigen teksten, humor, publieksinteractie en improvisatie. Een recensie van 7 november 2005 omschreef het programma als ‘literair vermaak met gekke twisten’. De voorstelling ging op 3 november 2005 in première en was gedurende het theaterseizoen 2005–2006 te zien.
Het uitgangspunt was niet dat drie schrijvers afzonderlijk een tekst kwamen voorlezen en daarna weer verdwenen. Zij maakten gezamenlijk theater. Hun verschillende persoonlijkheden bepaalden de dynamiek:
Achter de schermen ontstond een reizend gezelschap. De schrijvers deelden auto’s, hotels, kleedkamers, maaltijden en lange wachttijden. Op Ronalds website zijn verschillende teksten te vinden die een beeld geven van dat bestaan. In een terugblik op een optreden in Delft beschrijft hij hoe hij met Chabot en Bril in Theater de Veste moest spelen terwijl elders in de stad de faculteit Bouwkunde in brand stond.
Hun gezamenlijke werk kreeg onder meer een vervolg in De Grote Liefde. Volgens de aankondiging van Theater de Veste wilden de drie daarin juist niet eenvoudig voorlezen uit bestaand werk, maar gezamenlijk een aangrijpend en hilarisch verhaal vertellen.
Bekijk een documentaire over hun samenwerking.
Daarmee vervaagde de grens tussen literatuur en theater. De schrijver werd acteur van zijn eigen publieke persoonlijkheid, zonder dat hij een traditioneel toneelpersonage hoefde te spelen.
Martin Bril overleed in 2009. Zijn dood maakte niet alleen een einde aan een vriendschap, maar ook aan een bijzondere vorm van gezamenlijk optreden.
Ronald en Bart Chabot keerden later samen terug naar het theater. Het programma Trio Giphart & Chabot verwees bewust naar de ontbrekende derde man. Volgens de theateraankondiging was het na Brils overlijden en Chabots gezondheidsproblemen niet eenvoudig geweest opnieuw een voorstelling te maken. Het resultaat werd omschreven als vrolijk, ontroerend en wijs, met voordrachten, zang en mogelijk dans.
De naam ‘Trio’ was daarmee veelbetekenend: ook wanneer twee mannen op het toneel stonden, bleef de herinnering aan Martin Bril aanwezig.
Na zijn theaterprogramma’s met Joost Zwagerman, Martin Bril en Bart Chabot bleef Ronald zoeken naar nieuwe vormen van literair theater. Een van de schrijvers met wie hij daarbij een bijzondere samenwerking aanging was Nico Dijkshoorn.
Beiden delen een voorkeur voor direct taalgebruik, humor, muziek en voordrachten die zich niet beperken tot het traditionele voorlezen uit eigen werk. Hun gezamenlijke voorstelling Matennaaiers combineerde verhalen, muziek, poëzie, observaties en onderlinge plagerijen tot een avond waarin literatuur en cabaret dicht naar elkaar toe groeiden.
De samenwerking onderstreepte opnieuw dat Ronald zich nooit uitsluitend als romanschrijver heeft beschouwd. Het podium bood hem de mogelijkheid om taal onmiddellijk met een publiek te delen en samen met andere schrijvers nieuwe vormen van literair entertainment te ontwikkelen.
Voor Giphart was theater een manier om literatuur van haar plechtige imago te ontdoen. Een literaire avond hoefde niet stil, zwaar of academisch te zijn. Er mocht worden gelachen, geïmproviseerd en gereageerd.
Tegelijkertijd dwong het podium hem anders met taal om te gaan. Een zin die op papier werkt, klinkt niet automatisch goed in een zaal. Een theatertekst vraagt ritme, pauzes, duidelijke beelden en een besef van de aandacht van het publiek.
Zijn jarenlange podiumervaring hielp hem waarschijnlijk ook als spreker en interviewer. Hij leerde een zaal lezen, spanning vasthouden en een verhaal zo vertellen dat ook mensen achterin bleven luisteren.
Hoewel Ronald Giphart vooral bekendstaat als romanschrijver, beperkt zijn belangstelling voor verhalen zich niet tot fictie. In 2019 richtte hij samen met ondernemer Ruud Hollander De Biograaf op, een gespecialiseerd uitgeefhuis dat persoonlijke levensverhalen, familiegeschiedenissen, jubileumboeken en bedrijfsbiografieën vervaardigt. De onderneming ontstond vanuit de overtuiging dat ieder leven een bijzonder verhaal bevat, mits het met voldoende aandacht, vakmanschap en literaire kwaliteit wordt opgetekend.
De Biograaf werkt uitsluitend in opdracht. Anders dan een traditionele uitgeverij geeft het bedrijf geen fictie of algemene non-fictie uit voor de boekhandel, maar produceert het exclusieve boeken voor particulieren, families en organisaties. Daarbij worden interviews, archiefonderzoek en historische bronnen gecombineerd met een literaire schrijfstijl. Het resultaat is geen droge levensbeschrijving, maar een zorgvuldig gecomponeerd verhaal waarin persoonlijke herinneringen, familiegeschiedenis en maatschappelijke ontwikkelingen met elkaar worden verweven.
Voor Giphart vormt De Biograaf een logisch verlengstuk van zijn schrijverschap. Al sinds zijn debuut toont hij een grote belangstelling voor de manier waarop mensen hun leven vormgeven en betekenis geven aan herinneringen. In zijn romans gebeurt dat via fictieve personages; binnen De Biograaf gebeurt hetzelfde op basis van waargebeurde levens. De schrijver gebruikt daarbij dezelfde instrumenten die ook zijn literaire werk kenmerken: scherpe observaties, levendige dialogen, oog voor detail en een sterk gevoel voor vertelstructuur.
Het initiatief laat bovendien zien dat Giphart zijn vak niet uitsluitend ziet als het schrijven van romans. Hij beschouwt verhalen als een manier om ervaringen vast te leggen, generaties met elkaar te verbinden en herinneringen voor de toekomst te bewaren. Daarmee slaat De Biograaf een brug tussen literatuur, journalistiek, oral history en persoonlijke geschiedschrijving.
De Biograaf kreeg daarnaast een publiek gezicht doordat Giphart in het lifestylemagazine LXRY – Masters regelmatig schreef over de bijzondere mensen en opmerkelijke situaties die hij tijdens zijn werkzaamheden voor het uitgeefhuis ontmoette. Deze columns bieden een zeldzaam inkijkje in de praktijk van het schrijven van levensverhalen en laten zien hoe werkelijkheid en vertelkunst elkaar voortdurend raken.
Televisie speelde een belangrijke rol in de bekendheid van Ronald Giphart.
Vanaf zijn doorbraak werd hij regelmatig uitgenodigd om over zijn boeken, literatuur, maatschappelijke onderwerpen, koken en het schrijverschap te spreken. Hij verscheen in talkshows, culturele programma’s, spelprogramma’s, documentaires en reisprogramma’s.
Een volledig overzicht van al zijn televisieoptredens zou vele pagina’s beslaan. Televisiearchieven registreren hem zowel als gast, presentator, scenarist als onderwerp van uitzendingen. Programma’s die met zijn presentatie worden verbonden zijn onder andere Zomaar een Gast, Compleet van de Wereld, Giphart in gesprek en Dagbeeld.
Televisie vroeg andere vaardigheden dan schrijven.
Een auteur kan een zin herschrijven totdat hij tevreden is. Een televisiegesprek vindt onmiddellijk plaats. De spreker moet reageren, luisteren, formuleren en rekening houden met tijd, regie en publiek.
Giphart bleek zich in dat medium redelijk gemakkelijk te bewegen. Zijn vermogen snel te formuleren, zijn gevoel voor humor en zijn brede belangstelling maakten hem geschikt als gesprekspartner en presentator.
In Giphart in gesprek lag de nadruk vanzelfsprekend op zijn rol als interviewer. In plaats van uitsluitend over zijn eigen werk te spreken, moest hij anderen aan het vertellen krijgen. Dat sloot aan bij zijn latere ontwikkeling als interviewer voor tijdschriften en radio.
Voor schrijvers is televisie dubbelzinnig.
Het medium kan in korte tijd meer mensen bereiken dan een boek, maar het kan de schrijver ook reduceren tot een herkenbaar gezicht of een eenvoudig imago. Giphart werd geregeld gepresenteerd als de toegankelijke, humoristische en openhartige schrijver. Dat beeld hielp hem een groot publiek te bereiken, maar deed soms onvoldoende recht aan de ernst en veelzijdigheid van zijn werk.
Toch verzette hij zich niet principieel tegen populaire media. Hij vond niet dat literaire kwaliteit afhankelijk was van afstand tot televisie. Een schrijver kon deelnemen aan een spelprogramma, een talkshow of een reisprogramma zonder daarmee zijn romans minder serieus te maken.
Die houding sloot aan bij de culturele ontwikkeling vanaf de jaren negentig, waarin de grenzen tussen hoge en populaire cultuur steeds minder scherp werden.
Een opvallend later televisieoptreden was zijn deelname aan De Gevaarlijkste Wegen van de Wereld. In 2021 reed hij met acteur Ferry Doedens door Albanië. Het programma combineerde spectaculaire bergwegen met persoonlijke gesprekken en ontmoetingen onderweg.
Zo’n programma stond ver af van een traditionele auteursinterview. Toch paste het bij Gipharts publieke persoonlijkheid: nieuwsgierig, bereid nieuwe ervaringen aan te gaan en geïnteresseerd in de verhalen van anderen.
Televisie liet daarmee niet alleen de schrijver achter het bureau zien, maar ook de reiziger, gesprekspartner en deelnemer.
Radio sluit op een bijzondere manier aan bij Gipharts liefde voor taal.
Het medium is minder visueel en vaak minder gehaast dan televisie. De luisteraar hoort stem, ritme, aarzeling en enthousiasme. Daardoor kan een radiogesprek intiemer voelen dan een televisieoptreden.
In een reportage voor de VARAgids uit 2015 schreef Ronald dat zijn vader zo verknocht was aan Radio 1 dat tijdens diens crematie geen muziek werd gespeeld, maar zijn transistorradio op de kist werd gezet. Ook Ronalds schoonvader werkte tot zijn pensioen bij de radio. Zelf omschreef Giphart radio als ‘het ontspannen broertje’ van de volgens hem veel hysterischer televisie.
Die persoonlijke achtergrond maakt zijn latere radiowerk extra betekenisvol.
Vanaf oktober 2015 presenteerde Ronald op KX Radio een eigen muziekprogramma onder de titel Gipharts Noten.
De titel was typerend: taal en muziek kwamen erin samen. Als liefhebber kon hij platen draaien, herinneringen delen en vertellen over de betekenis van muziek in zijn leven.
Daarmee trad hij niet op als professionele muziekwetenschapper of traditionele diskjockey, maar als schrijver die muziek gebruikt om verhalen te vertellen.
Op 1 januari 2026 volgde Ronald Giphart Frits Spits op als presentator van De Taalstaat op NPO Radio 1.
Het programma, uitgezonden door KRO-NCRV, draait volledig om de Nederlandse taal: taalverandering, grammaticale vragen, opvallend mediataalgebruik, vergeten woorden, literatuur en Nederlandstalige muziek. Ronald interviewt er schrijvers en dichters en bespreekt met deskundigen hoe het Nederlands zich ontwikkelt.
Zijn benoeming was een belangrijke nieuwe stap in zijn publieke loopbaan. Hij werd niet incidenteel gevraagd als schrijver of taaldeskundige, maar kreeg de verantwoordelijkheid voor een gevestigd wekelijks taalprogramma dat jarenlang met Frits Spits was verbonden.
KRO-NCRV maakte bij zijn benoeming bekend dat Ronald in de zomer van 2025 al enkele keren had proefgedraaid en dat die uitzendingen goed waren ontvangen.
De keuze was inhoudelijk logisch. Zijn hele loopbaan draaide al om taal: romans, woordvondsten, columns, interviews, theaterteksten en radioprogramma’s. Als presentator kon hij die ervaring combineren met zijn enthousiasme voor andere schrijvers, spreektaal en populaire muziek.
In 2026 startte hij binnen De Taalstaat bovendien de boekenclub Boek Nu. Luisteraars lezen maandelijks een actuele titel en bespreken die samen met de schrijver in het programma. Daarmee werd de radio opnieuw een middel om lezers, boeken en auteurs rechtstreeks met elkaar in contact te brengen.
De opkomst van podcasts bood Giphart opnieuw een ander podium.
Podcasts bevinden zich tussen radio en geschreven tekst in. Ze kunnen journalistiek of verhalend zijn, maar bieden vaak meer tijd en vrijheid dan een reguliere radio-uitzending. Voor Ronald betekende dat de mogelijkheid zijn interesses in eten, drinken en gesprekken verder uit te werken.
In 2021 maakte hij met brouwer Ronald van de Streek de interactieve podcastserie Fuck Wijn.
De serie draaide om bier, maar luisteraars konden niet alleen horen hoe over smaak, brouwen en biercultuur werd gesproken. In samenwerking met een online bierwinkel werd een proefpakket samengesteld, zodat mensen tijdens het luisteren konden meedrinken. Gasten waren onder anderen Jean-Marc van Tol en wijnschrijver Harold Hamersma.
Dat interactieve element paste bij Gipharts culinaire werk. Eten en drinken zijn bij hem geen onderwerpen die uitsluitend op afstand worden besproken. De lezer of luisteraar moet kunnen proeven, proberen en vergelijken.
Vanaf mei 2021 maakte Ronald samen met kok en presentator Danny Jansen De Kookboekenclub.
Iedere week spraken zij met een bekende kookboekenschrijver over diens nieuwste werk. Daarnaast kookten zij uit favoriete boeken en deelden zij culinaire aanbevelingen.
Hier kwamen verschillende rollen van Giphart samen:
De podcast behandelde kookboeken niet alleen als praktische verzamelingen recepten, maar ook als culturele documenten. Achter een gerecht kunnen familiegeschiedenis, migratie, streektraditie, techniek en persoonlijke herinnering schuilgaan.
Gipharts betrokkenheid bij podcasts toont opnieuw zijn bereidheid nieuwe media te gebruiken.
Hij beschouwde gesproken media niet als bedreiging voor het boek. Een goed gesprek kan juist belangstelling wekken voor een schrijver, onderwerp of publicatie. Radio en podcasts concurreren niet noodzakelijk met lezen; ze kunnen luisteraars naar boeken leiden.
Zijn ontwikkeling van incidentele radiogast naar podcastmaker en uiteindelijk vaste presentator van De Taalstaat vormt daardoor een duidelijke lijn in zijn carrière.
Ronald Giphart is niet alleen vaak geïnterviewd, maar heeft zelf ook zeer veel mensen geïnterviewd.
Dat verschil is belangrijk. Als geïnterviewde vertelt een schrijver zijn eigen verhaal. Als interviewer moet hij tijdelijk afstand nemen van zichzelf en werkelijk geïnteresseerd zijn in de ander.
Op zijn website is een omvangrijk archief te vinden van gesprekken die hij voerde met schrijvers, acteurs, presentatoren, politici, journalisten, wetenschappers, muzikanten en andere bekende Nederlanders.
Veel van deze gesprekken verschenen in de VARAgids. Daarin interviewde Ronald uiteenlopende mensen over hun werk, media, televisie, radio, cultuur en persoonlijke keuzes. Zijn gesprekspartners varieerden van Johan Fretz, Eric van ’t Zelfde en Thomas Erdbrink tot Rob Wijnberg, Dolf Jansen, Jellie Brouwer en vele anderen.
Giphart interviewt doorgaans niet als een afstandelijke onderzoeksjournalist. Zijn stijl is persoonlijk en direct. Hij laat merken dat hij het werk van zijn gesprekspartner kent, maar gebruikt die kennis niet om zichzelf te bewijzen.
Een goed interview moet volgens die benadering geen vragenlijst zijn die mechanisch wordt afgewerkt. Het is een gesprek waarin antwoorden nieuwe vragen oproepen.
Zijn eigen ervaring als vaak geïnterviewde auteur helpt daarbij. Hij weet welke vragen tot standaardantwoorden leiden en wanneer een gesprek interessanter wordt. Ook weet hij hoe kwetsbaar het kan zijn wanneer persoonlijke onderwerpen worden aangesneden.
Het afnemen van interviews beïnvloedt waarschijnlijk ook zijn andere werk.
Een romanschrijver moet begrijpen hoe mensen spreken, wat zij verzwijgen en hoe zij zichzelf presenteren. Een interviewer ziet dat proces in werkelijkheid gebeuren. Mensen formuleren, corrigeren zichzelf, ontwijken een vraag of vertellen onverwacht meer dan zij van plan waren.
Daarom past het interview goed bij Gipharts belangstelling voor dialogen en menselijke verhoudingen. Het is geen bijactiviteit naast het schrijven, maar een andere vorm van luisteren en vertellen.
Ronald Giphart trad niet alleen op tijdens traditionele literaire bijeenkomsten, maar ook op grote culturele en muziekfestivals.
Dat was belangrijk voor zijn bereik onder jongeren. Een optreden in een bibliotheek of boekhandel trekt meestal mensen die al belangstelling voor boeken hebben. Op een festival kan een schrijver juist terechtkomen tegenover bezoekers die in de eerste plaats voor muziek, vrienden en feest zijn gekomen.
Ronald trad al vroeg op tijdens Lowlands, waar literatuur naast muziek, cabaret en andere podiumkunsten een plaats kreeg.
In een terugblik uit 2023 beschreef Giphart hoe bijzonder zijn eerste optredens op Lowlands waren. Schrijvers en dichters, die normaal in bibliotheken voor kleine gezelschappen optraden, stonden daar plotseling voor afgeladen tenten met jongeren. Niet iedere bezoeker kwam uitsluitend voor de literatuur: sommigen wilden hun roes uitslapen, aan de menigte ontsnappen of schuilen voor de regen. Toch vond Giphart het vanaf het begin geweldig om er voor te dragen. Schrijvers kregen namelijk precies dezelfde behandeling als popmuzikanten, met goed uitgeruste kleedruimten, drank, versnaperingen en een uitgebreid artiestenbuffet.
Dat paste bij zijn opvatting dat literatuur deel kan uitmaken van de populaire cultuur. Een schrijver hoefde niet buiten het festivalterrein te blijven wachten tot jongeren vanzelf een boekwinkel binnenliepen. Hij kon naar hen toe gaan.
Ook het Crossing Border Festival, waar literatuur en muziek bewust met elkaar worden gecombineerd, paste bij Giphart.
Op zijn website vertelt hij over een optreden in de Melkweg waarbij hij vlak voor de toen nog jonge Britse band Coldplay stond geprogrammeerd. Door technische vertraging wachtten dronken en ongeduldige Britse fans al lange tijd op de band toen Ronald het podium op moest. De situatie maakte op komische wijze zichtbaar hoe kwetsbaar een schrijver kan zijn tussen poppubliek dat voor iemand anders is gekomen.
Juist zulke optredens vroegen lef en aanpassingsvermogen. De schrijver kon niet vertrouwen op de stilte en beleefdheid van een literaire zaal. Hij moest onmiddellijk de aandacht veroveren.
Giphart trad daarnaast op bij Nightwriters, het initiatief van Kluun waarbij Nederlandse en Vlaamse schrijvers voordroegen in nachtclubs, op festivals en in schouwburgen. De formule combineerde literatuur met muziek en de sfeer van een avond uit. Een bloemlezing met hoogtepunten beschreef hoe auteurs het podium van nachtclubs en festivals betraden en hun teksten presenteerden aan een publiek dat literatuur als live-evenement beleefde.
Nightwriters sloot nauw aan bij Gipharts publieke stijl. Hij kon er voorlezen, verhalen vertellen en reageren op het publiek zonder de formele afstand van een klassieke literaire lezing.
Festivals brachten Ronald bovendien in contact met muzikanten, cabaretiers, kunstenaars en schrijvers buiten zijn directe literaire kring.
Die ontmoetingen konden leiden tot nieuwe vriendschappen, interviews, samenwerkingen of verhalen. Het festival was daardoor niet alleen een podium, maar ook een sociale en creatieve omgeving.
Zijn belangstelling voor popfestivals bestond ook als bezoeker. Op zijn website beschreef hij bezoeken aan onder meer Pinkpop, Lowlands, Artquake en Crossing Border, vaak samen met vrienden.
Literatuur, muziek en vriendschap liepen daar moeiteloos door elkaar.
De jaarlijkse Boekenweek speelt een belangrijke rol in de publieke loopbaan van Ronald Giphart. Tijdens deze landelijke campagne zijn schrijvers niet alleen de makers van boeken, maar ook reizende vertegenwoordigers van de literatuur. Zij bezoeken boekhandels, bibliotheken en theaters, geven interviews, lezen voor, signeren en proberen lezers rechtstreeks voor hun werk en voor de Nederlandstalige literatuur te enthousiasmeren.
Ronald nam gedurende zijn carrière veelvuldig aan zulke activiteiten deel. De Boekenweek paste goed bij zijn overtuiging dat een schrijver niet uitsluitend achter zijn bureau hoeft te blijven zitten. Hij voelde zich thuis in boekhandels en op podia, maakte gemakkelijk contact met lezers en kon een zaal met humor en verhalen bij literatuur betrekken.
Zijn band met de Boekenweek bereikte een hoogtepunt in 2003, toen hij werd gevraagd het Boekenweekgeschenk te schrijven.
In april 2002 werd bekendgemaakt dat Ronald Giphart het Boekenweekgeschenk van 2003 zou schrijven. Het thema van die Boekenweek was Styx – leven en dood in de letteren. De titel verwees naar de rivier die in de Griekse mythologie de grens vormde tussen de wereld van de levenden en het dodenrijk.
De keuze voor Giphart was betekenisvol. Hij was bij het grote publiek bekend geworden als een energieke, humoristische en openhartige schrijver, maar had in zijn romans inmiddels ook nadrukkelijk over ziekte, rouw en sterfelijkheid geschreven. Vooral in Ik omhels je met duizend armen had hij het ziekteproces en de euthanasie van een moederfiguur verbonden met liefde, vriendschap, seksualiteit en levenslust.
Daardoor sloot het thema van de Boekenweek goed aan bij de ontwikkeling van zijn oeuvre. Giphart werd niet gevraagd ondanks zijn reputatie als toegankelijke en humoristische schrijver, maar mede omdat hij in staat was een ernstig onderwerp zonder plechtigheid of afstand te behandelen.
De opdracht om het Boekenweekgeschenk te schrijven geldt in Nederland als een bijzondere erkenning. Het geschenk wordt tijdens de Boekenweek op grote schaal verspreid via boekhandels en bibliotheken. De auteur bereikt daardoor in korte tijd veel meer lezers dan doorgaans met een gewone literaire uitgave mogelijk is.
Het resultaat van de opdracht was de novelle Gala.
Het verhaal wordt verteld door de jonge actrice Meija. Zij heeft een geheime relatie gehad met Panc, een invloedrijke impresario die na een korte ziekte is overleden. Zijn weduwe en medewerkers organiseren na zijn dood een groot galafeest. Meija bezoekt het feest samen met Fräser en raakt verzeild in een avond vol herinneringen, geheimen, misverstanden en komische verwikkelingen.
De opzet van het verhaal sluit nauw aan bij het Boekenweekthema. De dode Panc is lichamelijk afwezig, maar beheerst de gedachten, gesprekken en onderlinge verhoudingen van de levenden. Het gala is tegelijkertijd een herdenking, een feest, een publieke voorstelling en een plaats waar achtergehouden gevoelens zichtbaar worden.
Giphart koos daarmee niet voor een ingetogen verhaal waarin de dood uitsluitend met stilte en verdriet werd benaderd. Gala bevat ook seks, humor, drank, beroemdheid en verwarring. Die combinatie is kenmerkend voor zijn oeuvre: de dood onderbreekt het leven, maar maakt geen einde aan verlangen, ijdelheid, jaloezie of komische misverstanden.
De novelle werd opgedragen aan Wouter Natter (1965–2000), de broer van Ronalds jeugdvriend Bert Natter. Daarmee kreeg het verhaal over dood en herinnering ook een persoonlijke achtergrond.
De eerste druk van Gala verscheen in een oplage van ongeveer 780.000 exemplaren. Daarmee werd het in één keer een van de meest verspreide boeken uit Gipharts loopbaan.
Dat enorme bereik betekende dat veel Nederlanders die nog nooit een roman van Ronald hadden gekocht tijdens de Boekenweek met zijn werk kennismaakten. Voor een auteur kan het Boekenweekgeschenk daardoor zowel een eer als een bijzondere uitdaging zijn. Het verhaal moet compact genoeg zijn voor het geschenkformaat, maar tegelijkertijd zelfstandig overtuigen bij een zeer uiteenlopend publiek.
Tot dat publiek behoren ervaren literatuurlezers, incidentele boekenkopers, scholieren en mensen die het geschenk vooral ontvangen omdat zij een ander boek hebben aangeschaft. De schrijver kan dus niet uitgaan van één type lezer.
Gala werd bovendien onderdeel van een landelijke campagne waarin de auteur zelf sterk zichtbaar was. Voor de promotie werd Ronald gefotografeerd door Anton Corbijn. De bijbehorende poster is op deze website bewaard gebleven.
De combinatie van de grote oplage, de landelijke publiciteit en de zichtbaarheid in vrijwel iedere boekhandel maakte 2003 tot een belangrijk jaar in zijn publieke schrijverschap.
Het auteurschap van het Boekenweekgeschenk betekende niet alleen dat Ronald een novelle moest schrijven. Tijdens de Boekenweek werd hij ook een van de centrale gezichten van de campagne.
Een Boekenweekauteur reist in korte tijd langs boekhandels, bibliotheken, theaters, radio- en televisieprogramma’s. Er worden interviews gegeven, fragmenten voorgelezen, lezers ontmoet en grote aantallen boeken gesigneerd.
Dat intensieve programma sluit enerzijds aan bij Ronalds liefde voor publieke optredens. Anderzijds laat zijn latere column Signeren zien dat ook deze kant van het schrijverschap haar minder aantrekkelijke momenten kent. Een signeersessie kan een plezierige ontmoeting met lezers zijn, maar ook vermoeiend worden wanneer zij uren duurt of wanneer het persoonlijke contact verandert in een routinematige productie van handtekeningen.
De Boekenweek maakt zichtbaar dat het hedendaagse schrijverschap uit meer bestaat dan het maken van teksten. Van een bekende auteur wordt verwacht dat hij zijn werk uitlegt, promoot en op uiteenlopende plaatsen met lezers in gesprek gaat.
Giphart bleek daar bij uitstek geschikt voor. Hij kon over literatuur spreken zonder het gesprek zwaar of academisch te maken en wist lezers het gevoel te geven dat boeken deel uitmaken van het gewone leven.
De traditionele opening van de Boekenweek is het Boekenbal, waar schrijvers, uitgevers, boekhandelaren, journalisten en andere mensen uit het culturele leven samenkomen.
Ronald bezocht het Boekenbal naar eigen zeggen minimaal tien keer. Hij maakte daardoor van dichtbij mee hoe deze avond tegelijk functioneert als feest, vakbijeenkomst, netwerkgelegenheid en jaarlijks ritueel van de Nederlandse boekenwereld.
In 2021, toen het vijfenzeventigste Boekenbal door de coronapandemie niet op de gebruikelijke wijze kon plaatsvinden, dook Giphart voor een artikel in de geschiedenis van het evenement. Hij verzamelde verhalen over beroemde incidenten, ruzies, dronken dichters, dansende schrijvers en andere opvallende gebeurtenissen. Lees het stuk: Tussen dansende schrijvers en dronken dichters.
Zijn belangstelling voor die geschiedenis laat zien dat hij het Boekenbal niet alleen beschouwt als een feest waarop hij zelf aanwezig was. Het is ook een spiegel van de Nederlandse literaire wereld: een plaats waar reputaties, rivaliteiten, vriendschappen, ijdelheid en culturele tradities samenkomen.
De feestelijke buitenkant van het Boekenbal past bovendien goed bij een terugkerend onderwerp in Gipharts werk. Een gala, première of literaire bijeenkomst biedt mensen een podium waarop zij zichzelf presenteren, terwijl achter de officiële glimlach onzekerheid, jaloezie of verdriet aanwezig kan zijn. Dat principe staat ook centraal in zijn Boekenweekgeschenk Gala.
Ronalds betrokkenheid bij de Boekenweek eindigde niet na 2003.
Als interviewer sprak hij later met andere schrijvers die het Boekenweekgeschenk mochten schrijven. In 2016 interviewde hij bijvoorbeeld Esther Gerritsen, auteur van het geschenk Broer. Het gesprek werd in de VARAgids gepresenteerd als een ontmoeting tussen twee geschenkschrijvers.
Zo’n gesprek heeft een bijzondere uitgangspositie. Ronald kent uit eigen ervaring de verwachtingen die bij de opdracht horen: de korte schrijftijd, het beperkte formaat, de grote oplage en de plotselinge landelijke belangstelling. Hij kan een nieuwe geschenkschrijver daardoor vragen stellen die verder gaan dan de gewone promotievragen over het verhaal.
Ook in 2026 interviewde hij voor de VARAgids de schrijver achter het pseudoniem Hendrik Groen, auteur van het Boekenweekgeschenk van dat jaar. Daarmee bleef de Boekenweek ook tientallen jaren na Gala onderdeel van zijn werk als interviewer en publieke literatuurliefhebber.
Ronald leverde door de jaren heen ook bijdragen aan kleinere publicaties die rond het jaarlijkse Boekenweekthema werden samengesteld.
Een voorbeeld is Te gek voor woorden uit 2015, een bloemlezing die aansloot bij het thema waanzin. Giphart droeg daaraan de tekst Liefdesgekte bij, waarin hij liefde en verliefdheid benadert als een toestand die het verstand kan ontregelen.
Dergelijke bijdragen laten zien dat de Boekenweek meer omvat dan het officiële geschenk en essay. Rond het jaarlijkse thema ontstaan bloemlezingen, lezingen, interviews, boekhandelsactiviteiten en gelegenheidsuitgaven waaraan veel auteurs bijdragen.
Voor Giphart boden deze thematische opdrachten de mogelijkheid onderwerpen als liefde, dood, waanzin en literatuur in een compactere vorm te onderzoeken.
In 2021 werd de Boekenweek vanwege de coronamaatregelen verschoven naar eind mei en begin juni. Boekhandels hadden een moeilijke periode achter de rug en konden slechts beperkt bezoekers ontvangen.
Voorafgaand aan de campagne organiseerde de CPNB de actie ‘Wij openen de boekhandel!’. Bekende schrijvers openden in verschillende provincies symbolisch hun favoriete boekhandel. Ronald Giphart behoorde tot de auteurs die aan deze actie deelnamen.
De actie maakte duidelijk dat Ronalds Boekenweekactiviteiten niet alleen om de promotie van zijn eigen werk draaiden. Hij zette zich ook in voor boekhandels en voor het bredere belang van een toegankelijke boekencultuur.
Tijdens de pandemie kreeg die inzet extra betekenis. De boekhandel is niet alleen een winkel, maar ook een ontmoetingsplek voor lezers, schrijvers en culturele activiteiten. Door een boekhandel symbolisch te heropenen, trad Giphart op als ambassadeur van het hele boekenvak.
Voor veel schrijvers is de Boekenweek een van de drukste perioden van het jaar.
In korte tijd worden zij gevraagd voor lezingen, interviews, signeersessies, diners en literaire avonden. Ronald schreef in een column over het verschijnsel signerendat er na de resterende dagen van de Boekenweek eindelijk weer ruimte voor schrijvers zou zijn om naar buiten te gaan. De opmerking was humoristisch, maar weerspiegelde ook de intensiteit van het programma.
De Boekenweek heeft daardoor twee gezichten.
Aan de ene kant is zij een feest van boeken en een zeldzame periode waarin literatuur uitgebreid aandacht krijgt in landelijke media. Aan de andere kant is zij voor schrijvers een zwaar promotiecircuit waarin veel gereisd, gesproken en gesigneerd moet worden.
Giphart kon juist binnen die combinatie goed functioneren. Hij bezat de discipline van de schrijver, maar ook het plezier en de spontaniteit van een performer.
Het schrijven van het Boekenweekgeschenk betekende dat Ronald Giphart definitief werd opgenomen in een lange traditie van auteurs die tijdens de belangrijkste Nederlandse boekencampagne centraal stonden.
Zijn naam kwam te staan tussen die van voorgangers als Hella S. Haasse, Willem Frederik Hermans, Connie Palmen, Harry Mulisch, Salman Rushdie en Anna Enquist, en latere geschenkschrijvers als Thomas Rosenboom, Jan Wolkers, Arthur Japin en Joost Zwagerman. De officiële CPNB-overzichten vermelden Gala als het Boekenweekgeschenk van 2003.
Dat betekende niet dat de discussie over zijn literaire status onmiddellijk verdween. Wel bevestigde de opdracht dat hij niet langer uitsluitend kon worden gezien als de jonge, provocerende schrijver van het begin van de jaren negentig.
Hij was inmiddels een auteur die een nationaal lezerspubliek kon aanspreken en die een compact verhaal over liefde, dood en herinnering toegankelijk kon maken voor honderdduizenden lezers.
De oplage van 780.000 exemplaren gaf Gala bovendien een bijzondere plaats binnen zijn oeuvre. Geen reguliere roman van Giphart kwam bij eerste verschijning in zoveel Nederlandse huishoudens terecht.
De kern van de Boekenweek is dat boeken niet alleen producten zijn die worden verkocht, maar middelen waarmee lezers, schrijvers en ideeën elkaar ontmoeten.
Ronald Gipharts carrière sluit sterk bij die gedachte aan.
Hij schrijft niet uitsluitend voor mensen die al veel literatuur lezen. Tijdens boekhandelsbezoeken, schooloptredens, festivals, radio-uitzendingen en interviews probeert hij ook mensen te bereiken die literatuur als moeilijk of afstandelijk ervaren.
Zijn rol tijdens de Boekenweek bestond daarom uit meer dan het promoten van Gala of zijn andere boeken. Hij fungeerde als vertegenwoordiger van een brede, toegankelijke boekencultuur waarin literaire kwaliteit en publieksbereik elkaar niet hoeven uit te sluiten.
De Boekenweek bracht verschillende kanten van Ronald Giphart samen:
Voor zijn biografie is vooral 2003 een sleutelmoment. Met Gala bereikte hij in één keer honderdduizenden lezers en werd hij zelf het gezicht van de belangrijkste landelijke campagne voor het Nederlandse boek. Zijn voortdurende betrokkenheid bij latere Boekenweken laat zien dat dit geen eenmalige onderscheiding bleef, maar onderdeel werd van zijn bredere publieke schrijverschap.
Een schrijver wordt in de loop van zijn carrière niet alleen gevraagd om boeken te schrijven, maar ook om het werk van anderen te beoordelen. Dat geldt in hoge mate voor Ronald Giphart. Door zijn ervaring als romanschrijver, columnist, interviewer en performer werd hij regelmatig gevraagd plaats te nemen in jury’s van literaire, journalistieke en culinaire prijzen en schrijfwedstrijden.
Die rol is veelzeggend. Een jury kiest niet alleen een winnaar, maar bepaalt mede welke boeken, verhalen of auteurs extra aandacht krijgen. Juryleden oefenen daarmee invloed uit op het literaire en culturele klimaat. Dat Ronald daarvoor regelmatig werd gevraagd, laat zien dat collega’s, organisatoren en culturele instellingen vertrouwen hadden in zijn literaire oordeel.
Gedurende zijn carrière was Ronald betrokken bij uiteenlopende schrijfwedstrijden voor zowel beginnende als ervaren auteurs. Daarbij ging het niet alleen om het aanwijzen van een winnaar, maar ook om het stimuleren van nieuw schrijftalent.
Als jurylid keek hij niet uitsluitend naar technische aspecten als grammatica of compositie. Uit interviews en lezingen blijkt dat hij vooral let op originaliteit, vertelkracht en een eigen stem. Een verhaal hoeft volgens hem niet perfect te zijn om indruk te maken. Veel belangrijker is dat een schrijver iets nieuws weet te laten zien of een bekende situatie op een verrassende manier beschrijft.
Juist omdat Ronald zelf op jonge leeftijd kansen kreeg van redacteuren en uitgevers, heeft hij zich later regelmatig ingezet om nieuw talent zichtbaar te maken. Hij weet uit eigen ervaring hoe belangrijk het kan zijn wanneer een beginnende schrijver serieus wordt genomen.
Zijn betrokkenheid bij jonge schrijvers beperkte zich niet tot jurywerk. Ronald trad regelmatig op tijdens prijsuitreikingen, begeleidde schrijfprojecten, gaf masterclasses en verzorgde workshops aan scholen, universiteiten en culturele instellingen.
Daarmee vervulde hij een rol die verder gaat dan het beoordelen van ingezonden teksten. Hij probeert jonge schrijvers vooral enthousiast te maken voor het vak en laat zien dat schrijven niet uitsluitend een kwestie van inspiratie is, maar vooral van veel lezen, oefenen, herschrijven en doorzetten.
Die houding sluit aan bij zijn eigen ontwikkeling. Ronald beschouwt zichzelf niet als een schrijver die toevallig talent had, maar als iemand die al vanaf zijn jeugd bewust aan zijn schrijverschap werkte.
Ook binnen de culinaire wereld groeide Ronald uit tot een gerespecteerde naam. Zijn jarenlange belangstelling voor gastronomie, zijn culinaire columns en de publicatie van meerdere kookboeken maakten hem tot een logische keuze voor jury’s van culinaire evenementen en prijzen.
Daarbij beoordeelde hij niet alleen gerechten of kookboeken, maar dacht hij ook mee over de culturele betekenis van eten. Voor Ronald is gastronomie immers meer dan techniek of smaak. Zij vertelt iets over geschiedenis, familie, identiteit en de manier waarop mensen met elkaar samenleven.
Zijn aanwezigheid in culinaire jury’s laat zien dat hij binnen de Nederlandse gastronomische wereld niet uitsluitend als enthousiaste hobbykok wordt gezien, maar als iemand die inhoudelijk over eten en eetcultuur kan schrijven en spreken.
Naast schrijfwedstrijden werd Ronald geregeld gevraagd voor jury’s van literaire prijzen en culturele onderscheidingen.
Zijn naam wordt regelmatig genoemd in verband met de beoordeling van verhalen, romans, essays en journalistieke producties. Daarbij vertegenwoordigt hij een brede opvatting van literatuur. Een goede tekst hoeft volgens hem niet elitair of moeilijk te zijn; zij moet vooral overtuigen door taal, originaliteit en zeggingskracht.
Juist die brede blik maakt hem geschikt als jurylid. Ronald leest niet alleen vanuit de traditie van de Nederlandse literatuur, maar ook vanuit zijn belangstelling voor journalistiek, populaire cultuur, wetenschap, theater en gastronomie.
Voor Ronald is jureren uiteindelijk een verlengstuk van lezen.
Een schrijver leest anders dan de gemiddelde lezer. Hij let niet alleen op het verhaal, maar ook op de manier waarop een tekst is opgebouwd, hoe dialogen functioneren, hoe spanning wordt gecreëerd en hoe een auteur met taal omgaat.
Als jurylid gebruikt Ronald die ervaring om teksten zorgvuldig te wegen. Tegelijkertijd weet hij uit eigen ervaring hoe kwetsbaar het is om beoordeeld te worden. Iedere schrijver heeft ooit een eerste manuscript, eerste publicatie of eerste afwijzing gehad.
Misschien is juist daarom zijn jurywerk nooit uitsluitend beoordelend geweest. Achter zijn rol als jurylid schuilt steeds dezelfde overtuiging die zijn hele loopbaan kenmerkt: goede verhalen verdienen het om gelezen te worden en nieuw talent verdient een eerlijke kans.
Het jurywerk van Ronald Giphart vormt een minder zichtbaar, maar belangrijk onderdeel van zijn publieke schrijverschap. Waar hij als auteur zelf voortdurend wordt beoordeeld door critici en lezers, neemt hij als jurylid de omgekeerde positie in.
Die wisselwerking geeft hem een bijzonder perspectief. Hij weet hoe het voelt om beoordeeld te worden en begrijpt tegelijkertijd welke verantwoordelijkheid een jury draagt. Daardoor kijkt hij niet alleen naar technische kwaliteit, maar ook naar de vraag of een tekst werkelijk iets toevoegt aan de literatuur.
Zijn jurywerk bevestigt daarmee zijn positie als een schrijver die niet alleen een omvangrijk oeuvre heeft opgebouwd, maar zich ook actief heeft ingezet voor de ontwikkeling van nieuwe schrijvers, de waardering van literatuur en de promotie van de Nederlandse leescultuur.
Voor Ronald Giphart is het schrijverschap nooit beperkt gebleven tot het schrijven van boeken. Vanaf het begin van zijn carrière zocht hij actief contact met lezers. Hij bezocht scholen, universiteiten, bibliotheken, boekhandels, culturele festivals en bedrijven om over literatuur, taal, schrijven en creativiteit te spreken. Daarmee ontwikkelde hij zich tot een van de meest gevraagde literaire sprekers van Nederland.
Waar sommige auteurs bewust afstand houden tot hun publiek, ziet Giphart de ontmoeting met lezers juist als een wezenlijk onderdeel van het schrijverschap. Een boek is voor hem geen eindpunt, maar het begin van een gesprek.
Voor scholieren is vooral zijn aanwezigheid op scholen relevant. Giphart behoort tot de schrijvers die bereid zijn met jonge lezers over boeken te spreken. Zijn toegankelijke optreden verkleint de afstand tussen auteur en leerling. De schrijver is dan geen abstracte naam op een leeslijst, maar een werkelijk persoon aan wie vragen kunnen worden gesteld.
Die directe ontmoetingen hebben waarschijnlijk bijgedragen aan zijn langdurige populariteit onder scholieren. Wie een schrijver levendig over taal en verhalen hoort spreken, leest diens boek vaak anders.
Hoewel Ronald zijn studie Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit Utrecht niet afrondde, is de academische wereld altijd een belangrijke rol in zijn leven blijven spelen.
Zijn band met de Universiteit Utrecht bleef bestaan. Hij keerde er regelmatig terug voor lezingen, interviews, debatten en literaire bijeenkomsten. Daarbij sprak hij niet alleen over zijn eigen romans, maar ook over taal, creativiteit, wetenschap en het schrijverschap.
In 2014 verscheen bijvoorbeeld een uitgebreid interview van de Universiteit Utrecht waarin Ronald terugblikte op zijn studententijd, zijn ontwikkeling als schrijver en zijn visie op literatuur. Opvallend daarin is dat hij schrijven omschrijft als “een wapen tegen de wereld“: een manier om grip te krijgen op gebeurtenissen, herinneringen en emoties.
Zijn relatie met de universiteit bleef daarmee wederkerig. De instelling vormde mede zijn intellectuele ontwikkeling, terwijl hij later als succesvol auteur terugkeerde om nieuwe generaties studenten te inspireren.
Weinig Nederlandse auteurs hebben gedurende zo’n lange periode een vaste plaats ingenomen op de leeslijsten van middelbare scholen als Ronald Giphart.
Sinds de verschijning van Ik ook van jou in 1992 zijn meerdere van zijn romans opgenomen in het voortgezet onderwijs. Daardoor maakten duizenden leerlingen voor het eerst kennis met eigentijdse Nederlandse literatuur via zijn werk.
Ronald beperkte zich daarbij niet tot het schrijven van boeken die op school werden gelezen. Hij bezocht ook zelf talloze scholen om met leerlingen in gesprek te gaan.
Tijdens deze ontmoetingen vertelt hij niet alleen over zijn romans, maar vooral over het schrijfproces. Hij legt uit hoe verhalen ontstaan, hoeveel er wordt herschreven en waarom lezen voor iedere schrijver onmisbaar is.
Zijn lezingen kenmerken zich door humor, openheid en interactie. Leerlingen krijgen nadrukkelijk de ruimte vragen te stellen, waardoor de afstand tussen auteur en publiek klein wordt. De schrijver die zij normaal alleen van de boekomslag kennen, blijkt een toegankelijke gesprekspartner.
Juist daardoor heeft Ronald in de loop der jaren veel jongeren enthousiast gemaakt voor lezen en schrijven.
Naast scholen en universiteiten verzorgt Ronald al decennialang lezingen voor bibliotheken, culturele instellingen, boekhandels, bedrijven, gemeenten en maatschappelijke organisaties.
Zijn onderwerpen zijn breed.
Afhankelijk van de opdrachtgever spreekt hij over:
Die veelzijdigheid laat zien dat Ronald zich niet uitsluitend als romanschrijver presenteert. Hij gebruikt zijn ervaring als auteur om grotere vragen over menselijk gedrag, cultuur en creativiteit toegankelijk te maken.
Volgens zijn sprekersprofiel heeft hij inmiddels ongeveer 1.500 lezingen, presentaties en publieke optredens verzorgd. Daarmee behoort hij tot de meest ervaren literaire sprekers van Nederland. (speakersacademy.com)
Een bijzonder onderdeel van zijn maatschappelijke werk vormen de Vrijheidscolleges.
Binnen deze landelijke reeks sprak Ronald onder meer over studentenverzet tijdens de Tweede Wereldoorlog en de betekenis van vrijheid voor nieuwe generaties.
Daarmee trad hij buiten de onderwerpen waarvoor het grote publiek hem vooral kende. Niet de roman stond centraal, maar geschiedenis, democratie en burgerschap.
Deze colleges laten zien dat Ronald literatuur niet beschouwt als een afgesloten kunstvorm. Verhalen kunnen volgens hem ook helpen om historische gebeurtenissen begrijpelijk te maken en maatschappelijke discussies te verdiepen. (vrijheidscolleges.nl)
Naast lezingen verzorgde Ronald regelmatig cursussen en masterclasses over creatief schrijven.
Daarin deelt hij niet alleen praktische schrijftips, maar laat hij deelnemers vooral zien hoe een schrijver leert kijken.
Onderwerpen die daarbij regelmatig terugkeren zijn:
Opvallend is dat Ronald schrijven zelden presenteert als een mysterieuze gave die slechts voor enkelen is weggelegd. Talent is belangrijk, maar discipline, nieuwsgierigheid en doorzettingsvermogen zijn volgens hem minstens zo bepalend.
Die opvatting sluit aan bij zijn eigen ontwikkeling. Hij werkte al vanaf zijn jeugd doelgericht aan zijn schrijverschap en benadrukt regelmatig dat een roman vooral ontstaat door veel uren maken.
Tijdens lezingen kiest Ronald Giphart zelden voor een traditionele voordracht waarbij het publiek uitsluitend luistert. Hij geeft de voorkeur aan een gesprek.
Dat blijkt ook uit de vele interviews die hij zelf afneemt. Zijn nieuwsgierigheid naar andere mensen bepaalt eveneens de manier waarop hij met zijn publiek omgaat. Een vraag uit de zaal kan gemakkelijk uitgroeien tot een uitgebreid gesprek over literatuur, liefde, taal of wetenschap.
Juist daardoor verlopen zijn optredens zelden hetzelfde. Iedere bijeenkomst krijgt een eigen karakter, afhankelijk van de vragen en de samenstelling van het publiek.
Door zijn voortdurende aanwezigheid op scholen, universiteiten, festivals, bibliotheken en culturele evenementen is Ronald uitgegroeid tot een belangrijk ambassadeur van het Nederlandse boek.
Hij probeert literatuur niet elitair of ontoegankelijk te maken, maar juist dichtbij het dagelijks leven te brengen.
Boeken zijn volgens hem geen examenstof, maar verhalen die mensen kunnen laten lachen, ontroeren, aan het denken zetten of anders naar de wereld laten kijken.
Die overtuiging klinkt door in vrijwel al zijn publieke optredens.
Waar hij ook spreekt, uiteindelijk probeert hij steeds hetzelfde te bereiken: mensen nieuwsgierig maken naar verhalen.
Opmerkelijk genoeg heeft Ronald nooit een loopbaan als docent Nederlands gekozen, hoewel hij daarvoor tijdens zijn studie de nodige bagage opbouwde.
Toch geeft hij al meer dan dertig jaar les — zij het buiten het klaslokaal.
Iedere lezing, workshop, masterclass of ontmoeting met lezers is in feite een kleine les over taal, literatuur en creativiteit.
Daarmee vervult hij een bijzondere rol binnen de Nederlandse letteren.
Hij schrijft niet alleen boeken die door scholieren en studenten worden gelezen, maar ontmoet diezelfde lezers ook persoonlijk. Hij beantwoordt hun vragen, vertelt over zijn vak en laat zien dat literatuur niet iets stoffigs of afstandelijks is, maar een levende kunstvorm waarin nieuwsgierigheid, verbeelding en plezier centraal staan.
Juist die voortdurende ontmoeting met nieuwe generaties lezers maakt Ronald Giphart tot veel meer dan een succesvol romanschrijver. Hij is ook een inspirator, docent buiten de schoolmuren en een onvermoeibare ambassadeur van het lezen.
Naast grote festivals en theaterproducties gaf Ronald Giphart honderden lezingen in bibliotheken, boekhandels, scholen, bedrijven en onderwijsinstellingen. Deze optredens zijn minder zichtbaar dan televisie-uitzendingen, maar vormen een belangrijk deel van het dagelijks bestaan van een schrijver.
Een voorbeeld is zijn bijdrage aan de opening van het studiejaar 1995–1996 van de Hogeschool van Utrecht. Als voormalig student die zijn universitaire opleiding niet had afgemaakt, sprak hij daar met humor over onderwijs, studenten en zijn eigen positie als ‘gesjeesde’ student.
Later gaf hij ook Vrijheidscolleges, waarin hij sprak over studentenverzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarmee trad hij buiten de gebruikelijke onderwerpen van zijn romans en verbond hij historische gebeurtenissen aan vragen over vrijheid en verantwoordelijkheid.
Zijn lezingen laten zien dat zijn publieke schrijverschap zich niet alleen richt op zijn eigen boeken. Literatuur vormt vaak het vertrekpunt, maar van daaruit kan hij onderwerpen als onderwijs, geschiedenis, wetenschap, creativiteit en maatschappelijke verantwoordelijkheid ter sprake brengen.
Columns, theater, televisie, radio, podcasts, interviews en festivals lijken verschillende onderdelen van een zeer brede carrière. Toch bestaat er een duidelijke samenhang. Ronald Giphart zoekt steeds naar plekken waar verhalen kunnen worden verteld en mensen met elkaar in contact kunnen komen.
In een column vertelt hij vanuit zichzelf. In het theater deelt hij het podium met collega’s en ervaart hij rechtstreeks de reactie van de zaal. Op televisie maakt hij deel uit van een massamedium. Op de radio vertrouwt hij op stem en taal. In een podcast krijgt een gesprek meer tijd. Als interviewer richt hij zijn nieuwsgierigheid op iemand anders. Op een festival plaatst hij literatuur midden tussen muziek, uitgaan en populaire cultuur.
Zijn werk buiten de romans laat daardoor zien dat hij het schrijverschap nooit heeft opgevat als een geïsoleerd bestaan achter een bureau. Schrijven begint weliswaar vaak alleen, maar krijgt pas betekenis wanneer taal een lezer, luisteraar of toeschouwer bereikt.
De activiteiten buiten zijn romans hebben Ronalds literaire loopbaan op verschillende manieren beïnvloed.
Ten eerste hielden columns hem voortdurend aan het schrijven. Ook in perioden waarin hij aan een grote roman werkte, bleef hij korte teksten produceren en reageren op de wereld om hem heen.
Ten tweede leerden theater en festivals hem hoe taal hardop klinkt. Een zaal reageert onmiddellijk op ritme, humor en verveling. Die ervaring kan niet volledig uit een boek of schrijfcursus worden geleerd.
Ten derde brachten interviews hem in aanraking met honderden levensverhalen en vakgebieden. Iedere gesprekspartner bood nieuwe kennis, taal en ervaringen.
Ten vierde hielpen radio, televisie en podcasts hem een publiek te bereiken dat niet vanzelfsprekend naar literaire romans zoekt.
En ten slotte maakten al deze activiteiten hem tot een herkenbare publieke vertegenwoordiger van literatuur. Ronald Giphart spreekt niet alleen lezers aan die al overtuigd zijn van het belang van boeken. Hij probeert juist ook mensen te bereiken die literatuur te moeilijk, te plechtig of te ver van hun eigen leven vinden staan.
Het begrip ‘schrijver’ is bij Ronald Giphart uiteindelijk te beperkt wanneer het uitsluitend wordt opgevat als ‘maker van romans’. Hij is ook columnist, essayist, interviewer, performer, theatermaker, presentator, diskjockey, podcastmaker, festivalspreker, gastdocent en pleitbezorger voor taal en lezen.
Deze rollen staan niet los van zijn literaire werk. Ze versterken en beïnvloeden elkaar. De columnist leert compact formuleren. De interviewer leert luisteren. De radiopresentator leert ruimte geven aan een stem. De theatermaker leert timing. De festivalperformer leert aandacht winnen. De romanschrijver gebruikt al die ervaringen vervolgens om personages, dialogen en verhalen overtuigender te maken.
Het boek bleef de kern van zijn bestaan, maar daaromheen ontstond een omvangrijk publiek schrijverschap. Dat strekt zich uit van de stille lezer in een trein tot een volle festivaltent en van een intiem podcastgesprek tot een landelijke radio-uitzending.
Het oeuvre van Ronald Giphart is omvangrijk en veelzijdig. Sinds zijn debuut in 1992 schreef hij romans, verhalen, novellen, columns, essays, kookboeken, wetenschappelijke non-fictie, scenario’s en persoonlijke samenwerkingsboeken. Toch bestaat er ondanks die verscheidenheid een duidelijke samenhang.
Steeds opnieuw onderzoekt Giphart hoe mensen proberen betekenis te geven aan hun leven. Zij zoeken liefde, erkenning, lichamelijk genot, vriendschap en geborgenheid. Tegelijk worden zij geconfronteerd met jaloezie, ziekte, verlies, ouderdom, misverstanden en de eindigheid van het bestaan.
In zijn vroege werk gebeurt dat vaak vanuit de wereld van jonge mensen die zich luidruchtig en zelfverzekerd presenteren. Zij praten over seks, boeken, drank, muziek en ambitie, maar achter hun bravoure schuilen onzekerheid en angst om niet geliefd te worden. Later verschuift het zwaartepunt naar ouderschap, familie, ziekte, dood, geheugen, wetenschap en de vraag wat er van een mensenleven overblijft.
Die ontwikkeling betekent niet dat Giphart zijn vroegere onderwerpen achter zich liet. Liefde, seksualiteit, humor en taalplezier blijven aanwezig. Ze krijgen alleen een andere betekenis. Seks gaat niet langer uitsluitend over verovering en verlangen, maar ook over intimiteit, trouw, ouder worden en verlies. Humor blijft een bron van plezier, maar wordt eveneens een manier om verdriet draaglijk te maken. Familie wordt niet alleen achtergrond, maar een centraal terrein waarop liefde en verantwoordelijkheid worden beproefd.
Het oeuvre van Ronald Giphart kan daardoor worden gelezen als een langdurig onderzoek naar één grote vraag:
Hoe kunnen mensen ten volle leven, terwijl zij weten dat liefde kwetsbaar is en alles uiteindelijk voorbijgaat?
Gipharts boeken bevatten talloze verwijzingen naar andere schrijvers, gedichten, romans, films, televisieprogramma’s en popmuziek. Literatuur staat bij hem niet los van het dagelijks leven. Zijn personages lezen boeken, bespreken auteurs, luisteren naar muziek en vergelijken hun eigen ervaringen met verhalen die zij kennen.
Deze techniek heet intertekstualiteit: een tekst verwijst naar andere teksten en krijgt daardoor extra betekenislagen.
Bij Giphart heeft intertekstualiteit vaak een dubbele functie. Zij toont zijn grote liefde voor literatuur, maar kan ook spotten met literaire gewichtigheid. Hij neemt boeken serieus zonder te doen alsof literatuur uitsluitend aan een culturele elite toebehoort.
Een schoolvoorbeeld van de invloed die een enkele zin kan hebben, is zijn herinnering aan de openingszin van Kees van Kootens Hedonia. Zijn leraar Nederlands liet hem zien hoeveel informatie en sfeer met enkele ogenschijnlijk eenvoudige woorden kon worden opgeroepen. Giphart omschreef dat later als een levensbepalend moment.
Seksualiteit is een van de onderwerpen waarmee Ronald Giphart vanaf zijn debuut werd geïdentificeerd.
Zijn openhartige beschrijvingen weken in het begin van de jaren negentig af van wat een deel van de gevestigde kritiek gewend was. Sommige recensenten vonden zijn werk fris, energiek en bevrijdend. Anderen reduceerden het tot seksuele bravoure. Een bekende kritische reactie op Ik ook van jou luidde dat het vooral om ‘neuken’ zou draaien. In latere analyses werd de vraag gesteld of zijn literaire ‘viool’ niet slechts één snaar had: seks.
Die kritiek raakt aan een zichtbaar element van zijn vroege boeken, maar doet onvoldoende recht aan de functie van erotiek in zijn oeuvre.
Seks is bij Giphart vrijwel nooit alleen een lichamelijke handeling. Het is verbonden met:
Personages denken dat seksualiteit hen vrijmaakt, maar ontdekken regelmatig dat lichamelijke nabijheid emotionele verwarring juist kan vergroten.
Giphart schrijft openlijk over het lichaam. Mensen zweten, verlangen, worden ziek, verouderen en falen lichamelijk. Daarmee verzet hij zich tegen een geromantiseerd mensbeeld waarin liefde uitsluitend geestelijk of verheven zou zijn.
Het lichaam is de plek waar genot en kwetsbaarheid samenkomen.
In zijn vroege werk overheerst vaak de opwinding van jonge mensen die hun identiteit mede via seks en aantrekkelijkheid vormgeven. Later verschuift de aandacht. Seksualiteit wordt verbonden met langdurige relaties, vaderschap, ouder worden, ziekte en herinnering.
Daardoor verandert erotiek mee met de personages. Wat op jonge leeftijd als vrijheid wordt beleefd, kan later botsen met verantwoordelijkheid of verlies.
Seksualiteit heeft bij Giphart ook een talige functie. Zijn personages praten er voortdurend over, vaak voordat of nadat zij werkelijk intiem zijn. Hun taalgebruik laat zien hoe mensen seksualiteit gebruiken om zichzelf te presenteren.
Mannen kunnen opscheppen om onzekerheid te verbergen. Geliefden kunnen door grapjes voorkomen dat zij hun werkelijke gevoelens uitspreken. Expliciete taal kan bevrijdend zijn, maar ook afstand scheppen.
De erotische passages zijn daardoor tevens studies van zelfbedrog en communicatie.
Het feit dat zijn erotische verhalen in verschillende bloemlezingen en tijdschriften zijn opgenomen, onderstreept dat seksualiteit niet slechts incidenteel in zijn werk voorkomt, maar een herkenbaar onderdeel van zijn schrijverschap vormt. Op zijn website zijn onder andere bijdragen aan erotische bloemlezingen als Dons en Kinky gedocumenteerd.
Ronald Giphart gebruikt zijn eigen leven veelvuldig als grondstof. Dat betekent echter niet dat zijn boeken letterlijke verslagen van dat leven zijn.
In zijn vroege romans dragen hoofdpersonen namen als Ronald of Giph. Zij studeren Nederlands, willen schrijver worden, wonen in Utrecht en bewegen zich in een omgeving die overeenkomsten vertoont met Gipharts eigen vriendenkring.
Later verwerkt hij ervaringen rond zijn moeder, zijn vader, zijn kinderen, vriendschappen en gezinsleven.
Dit heeft ertoe geleid dat lezers vaak proberen te achterhalen welke personages ‘echt bestaan’ en wat daadwerkelijk is gebeurd. Die zoektocht is begrijpelijk, maar kan de literaire werking van de boeken tekortdoen.
Voor werk waarin een schrijver herkenbare elementen uit zijn eigen leven vermengt met verzonnen gebeurtenissen wordt tegenwoordig vaak het begrip autofictie gebruikt.
Binnen autofictie is het onderscheid tussen feit en verzinsel bewust instabiel. Een schrijver kan:
Daarom is een roman nooit voldoende bewijs voor een biografisch feit.
Giphart heeft zelf voorbeelden gegeven van namen die hij verzon. Zo ontstond ‘Phileine’ volgens hem uit een combinatie van vilein en het Griekse philia, liefde. De naam werd door het succes van boek en film later werkelijk aan kinderen gegeven. Daarmee voltrok zich een interessante omkering: niet alleen werd de werkelijkheid literatuur, maar de literatuur beïnvloedde vervolgens de werkelijkheid.
Autobiografische literatuur hoeft niet feitelijk exact te zijn om emotioneel waarachtig te worden.
Een romanpersonage kan fictief zijn, terwijl diens jaloezie, verdriet of verlangen voortkomt uit een gevoel dat de schrijver werkelijk kent. Giphart leent vaak de emotionele kern van een ervaring en bouwt daar een nieuw verhaal omheen.
Bij Alle tijd vertelde hij bijvoorbeeld dat het boek oorspronkelijk voortkwam uit een project met zijn levenslange vriend Bert Natter over de bestendigheid van vriendschap. De uiteindelijke personages zijn geen eenvoudige kopieën van hun vriendengroep, maar het gevoel van langdurige vriendschap is wel persoonlijk gevoed.
Autobiografie is bij Giphart dus geen bekentenisliteratuur waarin ieder detail controleerbaar moet zijn. Het is een techniek om persoonlijke ervaringen om te vormen tot verhalen die ook voor anderen herkenbaar worden.
Wie Ronald Giphart uitsluitend kent als de schrijver van seks en humor, mist een van de meest constante en ingrijpende thema’s in zijn oeuvre: de dood.
Sterfelijkheid is al vroeg aanwezig, maar wordt steeds belangrijker naarmate de schrijver en zijn personages ouder worden. Het overlijden van zijn moeder, de ziekte en dood van zijn vader, de ernstige medische problemen van zijn zoon en het verlies van vrienden en collega’s maakten de eindigheid van het leven tot een onvermijdelijk onderwerp.
Zijn moeder, Wijnie Jabaaij, leed aan multiple sclerose en koos uiteindelijk voor euthanasie. Ronald was nauw bij haar verzorging en stervensproces betrokken.
Die ervaring vormde de autobiografische kern van Ik omhels je met duizend armen. In het boek wordt het stervensproces van de moeder verweven met liefde, vriendschap, seksualiteit en een vakantie. Daardoor bestaan rouw en levensdrift naast elkaar.
De keuze om euthanasie niet in een volledig ernstig of ingetogen boek te behandelen, is betekenisvol. Giphart toont dat de dood niet netjes buiten het gewone leven plaatsvindt. Tijdens een stervensproces blijven er ruzies, grappen, lichamelijke verlangens, praktische beslissingen en ongemakkelijke momenten.
Humor vermindert de betekenis van de dood niet. Zij laat juist zien hoe levenden proberen met het onbegrijpelijke om te gaan.
Vijfentwintig jaar na het overlijden van zijn moeder keerde Giphart nadrukkelijk naar haar leven terug in Wie waarlijk leeft. Dat boek is niet alleen een beschrijving van haar dood, maar vooral een poging haar als vrouw, moeder en politica opnieuw zichtbaar te maken. Giphart was toen ongeveer de leeftijd naderend waarop zij zelf was overleden, waardoor haar korte leven opnieuw urgent werd.
De ernstige ziekte van zijn jongste zoon bracht een andere vorm van sterfelijkheid dichtbij: niet het verlies van een ouder, maar de mogelijkheid een kind te verliezen.
De ervaringen in het ziekenhuis werden later gedeeltelijk verwerkt in IJsland. Daarmee werd de kwetsbaarheid van een gezin een belangrijk literair thema. Ouderschap blijkt niet alleen liefde en trots te betekenen, maar ook machteloosheid en voortdurende angst.
In Gipharts oeuvre is de dood uiteindelijk niet uitsluitend een einde. Zij fungeert ook als maatstaf: juist doordat tijd beperkt is, krijgen liefde, eten, vriendschap en herinneringen waarde.
De vraag is daarom niet alleen hoe iemand sterft, maar vooral hoe iemand werkelijk leeft.
Eten is een van de meest onderscheidende thema’s in het latere werk van Ronald Giphart. Hij schreef kookboeken, culinaire essays, restaurantteksten en columns en werkte samen met chefs, zijn voormalige vrouw Mascha Lammes en andere deskundigen. Maar eten beperkt zich niet tot zijn culinaire publicaties. Ook in romans en verhalen spelen maaltijden, restaurants en smaken een belangrijke rol.
In zijn culinaire werk komen de schrijver en de eter samen. Giphart vergelijkt koken geregeld impliciet met schrijven: beide vragen om voorbereiding, ingrediënten, timing, concentratie en gevoel voor verhoudingen. Een gerecht moet technisch kloppen, maar heeft ook persoonlijkheid nodig. Hetzelfde geldt voor een verhaal.
Smaak staat in zijn werk bovendien niet op zichzelf. Eten vertelt iets over cultuur en identiteit, maar ook over liefde, familie, zorg en gemeenschap. Gerechten kunnen mensen met elkaar verbinden en laten zien waar zij vandaan komen, wat zij belangrijk vinden en met wie zij hun leven delen.
Giphart verbindt smaak vaak met herinnering. Op zijn website beschrijft hij een tomatensoep van zijn moeder als zijn eerste werkelijk culinaire herinnering: een moment waarop hij niet alleen at, maar bewust onder de indruk raakte van smaak. Daarmee wordt een gerecht meer dan voedsel. Het bewaart een moment uit zijn jeugd en de aanwezigheid van iemand die later is overleden.
In Keukenprins hield hij honderd dagen lang nauwgezet bij wat hij at en dronk. Het boek werd omschreven als een ‘biografie van een eter’. De dagelijkse opsomming van ontbijt, snacks, wijn, restaurantbezoeken en eenvoudige maaltijden werd niet alleen een verzameling gerechten, maar ook een onderzoek naar gewoonte, smaak, gezondheid, gulzigheid, verleiding, herinnering en zelfbeeld.
Eten maakt het mogelijk een voorbije ervaring opnieuw op te roepen. Een geur of smaak kan iemand terugbrengen naar een ouderlijk huis, een reis, een relatie of een maaltijd met iemand die er niet meer is. In Gipharts werk kunnen gerechten daardoor functioneren als dragers van het persoonlijke verleden.
Voor Ronald Giphart is de eettafel een sociale ruimte. Mensen praten anders wanneer zij samen eten. Aan tafel worden verhalen verteld, conflicten uitgevochten, plannen gemaakt en herinneringen gevormd. Bij Giphart eten mensen dan ook zelden alleen maar om hun lichaam te voeden. Aan tafel ontstaan relaties.
Een maaltijd kan geliefden dichter bij elkaar brengen, een gezin bijeenhouden, status tonen, culturele verschillen zichtbaar maken, een ruzie uitlokken of een overleden persoon in herinnering roepen. Eten is daarmee een vorm van communicatie. Daarom zijn maaltijden in zijn romans en columns zelden decoratief. Ze laten zien hoe mensen zich tot elkaar verhouden.
Samen bouwden Ronald Giphart en Mascha Lammes door de jaren heen een omvangrijke verzameling recepten op. Het kookboek Vurrukkulluk! werd samengesteld uit gerechten die binnen het gezin werkelijk werden gegeten. Volgens de beschrijving verzamelden Ronald en Mascha ongeveer twintig jaar recepten uit allerlei delen van de wereld, waarvan zij samen met hun drie kinderen genoten.
Daardoor verschilt het boek van een kookboek dat uitsluitend door professionele receptontwikkelaars is samengesteld. De recepten zijn verbonden met reizen, favoriete smaken, kinderwensen, mislukkingen, tradities en maaltijden die vaak opnieuw werden bereid. Vurrukkulluk! documenteert daarmee niet alleen gerechten, maar ook een gedeeld gezinsleven.
Koken en schrijven vertonen in Gipharts werk duidelijke overeenkomsten. Beide vereisen ingrediënten of materiaal, techniek, timing, aandacht, oefening en een persoonlijk element dat niet volledig in regels kan worden gevangen.
Een kok combineert smaken; een schrijver combineert woorden, personages en gebeurtenissen. In beide gevallen moet het eindresultaat niet alleen technisch kloppen, maar ook iets oproepen.
Giphart stelde bovendien de bloemlezing De Nederlandse culinaire literatuur in 90 en enige verhalen samen. Daarvoor onderzocht hij grote hoeveelheden Nederlandstalige literatuur op passages over eten. Dat project bevestigt dat hij gastronomie niet als een losstaand hobbyonderwerp ziet, maar als een volwaardig literair thema.
Ronald Giphart schrijft niet alleen verhalen met taal; taal is zelf een onderwerp van zijn werk. Hij bedenkt woorden, vervormt uitdrukkingen, combineert stijlniveaus en gebruikt klank en ritme om een zin vaart te geven.
Zijn neologismen zijn vaak humoristisch, maar vervullen ook een precieze functie. Een nieuw woord kan een ervaring benoemen waarvoor het bestaande Nederlands niet geheel voldoet. Giphart gebruikt bovendien registers die traditioneel van elkaar gescheiden werden gehouden. Literair Nederlands, studententaal, erotisch vocabulaire, televisietaal en populaire uitdrukkingen kunnen binnen één alinea samenkomen.
Zijn spel met taal is daardoor niet uitsluitend bedoeld als versiering of als bron van humor. Het stelt hem in staat precies te formuleren, verschillende leefwerelden met elkaar te verbinden en personages een herkenbare, eigentijdse stem te geven.
De herkenbaarheid van Gipharts taalgebruik bleef niet onopgemerkt en leidde tot het boek Giphtaal, samengesteld door schrijver en taalkundige Wim Daniëls. Daarin werd een groot aantal karakteristieke woordvondsten uit Gipharts werk verzameld.
Dat een afzonderlijk boek aan zijn woordgebruik kon worden gewijd, zegt veel over de herkenbaarheid van zijn stijl. Het bestaan van zo’n boek toont bovendien dat zijn taalgebruik zelfstandig kan worden bestudeerd en dat zijn woordvondsten meer zijn dan incidentele grapjes binnen zijn romans.
Giphart combineert literaire citaten met spreektaal, televisie, popmuziek, reclame en straattaal. Hij behandelt die werelden niet als strikt gescheiden.
Een personage kan in één gesprek verwijzen naar een klassieke roman, een voetbalwedstrijd en een poplied. Dat sluit aan bij de werkelijkheid waarin mensen verschillende culturele registers tegelijkertijd gebruiken.
Voor Giphart hoeft literatuur niet plechtig te klinken om literair te zijn.
De naam Phileine is een duidelijk voorbeeld van de manier waarop taal werkelijkheid kan scheppen. Een verzonnen naam werd door lezers overgenomen en kwam vervolgens buiten de roman voor.
Hetzelfde geldt breder voor herkenbare Giphart-uitdrukkingen en woordvondsten. Zijn taal weerspiegelt de werkelijkheid niet alleen, maar voegt er nieuwe woorden en beelden aan toe.
Vanaf de jaren 2010 werd wetenschap steeds zichtbaarder in Gipharts oeuvre.
Die belangstelling kwam niet plotseling uit het niets. Ook zijn romans draaiden altijd al om menselijke vragen: waarom worden mensen verliefd, waarom zijn zij jaloers, waarom zoeken zij status en waarom saboteren zij hun eigen geluk? Zie ook de columns in de Kijk.
Wetenschap bood een tweede manier om zulke vragen te onderzoeken.
Samen met evolutionair psycholoog Mark van Vugt schreef Giphart Mismatch. Het boek gaat uit van het idee dat het menselijke lichaam en brein zijn gevormd in een omgeving die sterk verschilt van de moderne samenleving.
Eigenschappen die vroeger nuttig waren, kunnen nu problemen veroorzaken. Een voorkeur voor calorierijk voedsel was gunstig bij schaarste, maar kan in een omgeving van overvloed bijdragen aan overgewicht. Dezelfde evolutionaire spanning kan volgens het boek zichtbaar worden in gezondheid, liefde, werk, politiek, geloof, opvoeding en milieu.
De samenwerking verenigt twee rollen:
In Ik mis mij ook, geschreven met Mascha Kamphuis, staat het leven met niet-aangeboren hersenletsel (NAH) centraal. Na de verwijdering van een hersentumor veranderde haar dagelijks functioneren ingrijpend. Het boek onderzoekt wat er gebeurt wanneer iemand lichamelijk aanwezig blijft, maar delen van haar vroegere mogelijkheden en identiteit verliest.
De titel raakt aan een fundamentele vraag: kan een mens zichzelf missen?
Daarmee komen wetenschap en literatuur samen. De medische verklaring beschrijft hersenschade en symptomen, maar literatuur kan invoelbaar maken hoe het is wanneer iemand zichzelf niet meer volledig herkent.
Giphart experimenteerde ook met taaltechnologie en de Asibot. Daarbij liet hij een computerprogramma suggesties doen tijdens het schrijven.
Dit experiment stelde vragen die inmiddels nog actueler zijn geworden:
Zijn belangstelling voor wetenschap betekent dus niet dat hij alleen feiten wil uitleggen. Hij onderzoekt tevens wat nieuwe kennis en technologie betekenen voor menselijke identiteit, creativiteit en verantwoordelijkheid.
Liefde is waarschijnlijk het meest omvattende thema in het oeuvre van Ronald Giphart.
Zijn boeken behandelen romantische liefde, lichamelijke liefde, ouderliefde, vriendschap, liefde voor eten, boeken, steden en het leven zelf.
Toch is liefde zelden eenvoudig.
De titel Ik ook van jou drukt wederkerigheid uit: de een verklaart liefde en de ander antwoordt.
Maar juist dat antwoord kan twijfel oproepen. Houdt de ander werkelijk op dezelfde manier van jou? Kan liefde ooit volledig gelijk verdeeld zijn?
Personages bij Giphart verlangen vaak naar zekerheid, terwijl liefde die zekerheid niet kan bieden. Zij willen vrij zijn én geborgenheid ervaren. Zij zoeken lichamelijke spanning én duurzame trouw.
Dat conflict veroorzaakt jaloezie, ontrouw en miscommunicatie.
Personages worden niet alleen verliefd op een werkelijk mens, maar ook op hun eigen voorstelling van die persoon.
Wanneer de geliefde anders blijkt te zijn dan gehoopt, ontstaat teleurstelling. De geliefde wordt dan beschuldigd van het niet voldoen aan een beeld dat nooit gezamenlijk is afgesproken.
Giphart toont daarmee dat liefde niet alleen kennis van de ander vereist, maar ook zelfkennis.
Liefde maakt mensen kwetsbaar omdat zij iets te verliezen krijgen.
Dat geldt voor partners, maar nog sterker voor ouders en kinderen. In zijn latere werk wordt liefde daarom steeds nauwer verbonden met angst, zorg en sterfelijkheid.
De liefde is waardevol, niet ondanks haar kwetsbaarheid, maar juist daardoor.
Familie vormt een steeds belangrijker thema naarmate Gipharts oeuvre groeit.
In zijn vroege werk staan vrienden en geliefden vaak centraal. Later komen ouders, kinderen, generaties en familiegeschiedenis nadrukkelijker naar voren.
De ouders van Ronald Giphart hebben ieder op een andere manier hun sporen in zijn werk nagelaten.
Zijn moeder werd onderwerp van Ik omhels je met duizend armen en later Wie waarlijk leeft. Daarmee verschoof het perspectief van haar sterven naar haar gehele leven en publieke betekenis.
Ook vaders en zonen keren terug. In Harem probeert een zoon via foto’s, documenten, gesprekken en verbeelding het leven van zijn beroemde vader te reconstrueren. De zoon wil begrijpen wie zijn vader was, maar moet erkennen dat ieder levensverhaal onvolledig en gekleurd blijft.
Familiegeschiedenis is dus nooit simpelweg een verzameling feiten. Kinderen kennen hun ouders vanuit één rol, terwijl die ouders buiten het gezin ook geliefden, professionals, vrienden en zelfstandige personen waren.
Met het vaderschap kwam verantwoordelijkheid nadrukkelijker in Gipharts werk.
Kinderen vormen geen decor voor het volwassen leven. Zij veranderen de identiteit van ouders en confronteren hen met hun beperkingen.
In Dat maakt ons helemaal niets uit, geschreven met zoon Broos, komen twee perspectieven naast elkaar te staan. De vader vertelt niet namens het kind; ook de zoon beschrijft zijn eigen ervaring. Daardoor wordt ouderschap voorgesteld als een voortdurend gesprek waarin goede bedoelingen niet automatisch betekenen dat ouder en kind hetzelfde hebben beleefd.
In boeken als Alle tijd blijkt bovendien dat familie niet uitsluitend door bloedverwantschap wordt bepaald.
Langdurige vrienden kennen elkaar soms beter dan familieleden. Zij delen jeugdherinneringen, liefdes, scheidingen, successen en verliezen. Een vriendengroep kan daardoor functioneren als een zelfgekozen familie.
Het thema familie verbindt verleden en toekomst.
Giphart schrijft over zijn grootvader, vader, moeder, zus, voormalige echtgenote en kinderen. Hij onderzoekt welke verhalen, overtuigingen, angsten en talenten van generatie op generatie worden doorgegeven. Lees Verborgen verleden.
Schrijven zelf maakt deel uit van die familielijn. Zijn grootvader schreef jongensboeken, zijn vader had schrijfambities, zijn zus werd auteur en muzikant, en Ronald werkte later samen met zijn voormalige vrouw en kinderen.
Familie is daarmee niet alleen een onderwerp van zijn boeken, maar ook een bron van verhalen en creativiteit.
De besproken thema’s staan niet los van elkaar. In het werk van Ronald Giphart is liefde lichamelijk en daardoor verbonden met erotiek. Liefde leidt tot relaties en familie. Familie brengt zorg, herinnering en angst voor de dood. De dood maakt duidelijk dat tijd beperkt is, waardoor eten, vriendschap en samenzijn extra betekenis krijgen.
Taal probeert al die ervaringen te bewaren. Humor voorkomt dat verdriet ondraaglijk of sentimenteel wordt. Wetenschap probeert te verklaren waarom mensen voelen en handelen zoals zij doen, terwijl literatuur laat zien hoe die gevoelens van binnenuit worden beleefd.
Daardoor ontstaat een hecht netwerk. Stijl bepaalt hoe de werkelijkheid wordt beschreven en taal maakt nieuwe ervaringen zichtbaar. Humor relativeert zonder de ernst weg te nemen. Erotiek verbindt lichaam, liefde en onzekerheid, terwijl autobiografie persoonlijk materiaal levert. De dood confronteert personages met de eindigheid van de tijd. Eten brengt mensen samen en bewaart herinneringen. Wetenschap zoekt verklaringen voor menselijk gedrag. Liefde vormt de centrale drijfveer en familie verbindt het individu met vorige en volgende generaties.
Globaal kunnen in Gipharts oeuvre enkele verschuivingen worden herkend.
In de vroege fase overheersen jeugd, seks, literaire ambitie, vriendschap, studentenleven, verliefdheid en het verlangen zich tegen oudere generaties af te zetten. De toon is uitbundig, provocerend en energiek.
In de middenfase krijgen langdurige relaties, moederschap en vaderschap, ziekte, euthanasie, rouw, koken, verantwoordelijkheid en de spanning tussen succes en persoonlijk geluk meer ruimte. De humor blijft, maar wordt vaker gecombineerd met verlies en zelfonderzoek.
In het latere werk staan ouder worden, familiegeschiedenis, geheugen, wetenschap, neurologie, identiteit, technologie, vriendschappen over tientallen jaren en het terugkijken op een afgerond of beschadigd leven steeds vaker centraal.
Deze fasen hebben geen harde grenzen. Veel thema’s waren vanaf het begin aanwezig en keren later in een andere vorm terug. De aandacht verschoof geleidelijk van de directe ervaringen van jonge schrijvers en studenten naar ouderschap, ziekte, verlies en verantwoordelijkheid, en vervolgens naar grotere vragen over het geheugen, de menselijke identiteit, technologie en de werking van het brein. Daardoor bleef Gipharts oeuvre herkenbaar, maar stond het nooit stil.
Ronald Gipharts werk blijft relevant omdat het meebeweegt met zijn eigen leeftijd en die van zijn lezers. Veel mensen ontdekten hem toen zij jong waren en lazen over studenten, verliefdheid en seksuele onzekerheid. Later konden dezelfde lezers zich herkennen in boeken over ouderschap, ziekte, relaties, rouw, eten, vriendschap en ouder worden.
Daarbij bleef zijn taal toegankelijk. Hij schrijft over ingewikkelde of pijnlijke onderwerpen zonder zijn lezers op afstand te zetten.
Voor scholieren is zijn werk aantrekkelijk omdat de verhalen doorgaans vlot leesbaar zijn en herkenbare onderwerpen behandelen. Voor studenten en onderzoekers biedt het oeuvre tegelijkertijd veel mogelijkheden voor diepere analyse, zoals de verhouding tussen autobiografie en fictie, representaties van mannelijkheid en seksualiteit, Generatie Nix, humor als stijlmiddel, intertekstualiteit, taalvernieuwing, rouw en euthanasie, culinaire literatuur, evolutionaire psychologie, technologie en auteurschap, familiegeschiedenis en de ontwikkeling van personages door verschillende levensfasen.
Het oeuvre van Ronald Giphart wordt vaak samengevat met woorden als humor, seks, vaart en toegankelijkheid. Die kenmerken zijn aanwezig, maar vormen slechts de buitenkant.
Onder de humor bevindt zich angst voor verlies.
Onder de erotiek bevindt zich het verlangen werkelijk gekend en geliefd te worden.
Onder de autobiografische bravoure bevindt zich twijfel over de betrouwbaarheid van herinneringen.
Achter de culinaire belangstelling bevindt zich het verlangen mensen rond een tafel bijeen te brengen.
Achter zijn interesse in wetenschap bevindt zich de behoefte de mens te begrijpen.
En achter zijn voortdurende taalspel bevindt zich het besef dat ervaringen verdwijnen wanneer zij niet worden verteld.
Gipharts oeuvre is daardoor uiteindelijk een poging het leven in al zijn tegenstrijdigheden te omvatten: lichamelijk en geestelijk, komisch en tragisch, alledaags en uitzonderlijk.
Zijn personages willen genieten alsof het leven eindeloos duurt, terwijl zij steeds opnieuw ontdekken dat de tijd beperkt is.
Juist in die spanning bevindt zich de kern van zijn werk.
Ronald Giphart schrijft over de noodzaak het leven te omhelzen, niet omdat het volmaakt is, maar omdat het tijdelijk, rommelig, pijnlijk en kostbaar is.
Bij het woord nalatenschap denken we meestal aan het werk dat iemand na zijn dood achterlaat. Voor Ronald Giphart is dat begrip daarom eigenlijk te vroeg en te definitief. Hij schrijft nog steeds nieuwe boeken, maakt programma’s, interviewt anderen, treedt op en verkent nieuwe onderwerpen en media.
Toch kan inmiddels wel worden vastgesteld welke invloed hij sinds zijn debuut in 1992 op de Nederlandse literatuur en leescultuur heeft gehad.
Zijn betekenis ligt niet alleen in het aantal romans, verhalen, columns en andere publicaties dat hij heeft geschreven. Minstens zo belangrijk is dat hij een groot publiek liet zien dat Nederlandse literatuur eigentijds, geestig, lichamelijk, toegankelijk en tegelijkertijd serieus kon zijn.
Giphart werd bewonderd en bekritiseerd, maar zelden genegeerd. Al in 1996 werd hij omschreven als een schrijver die scholieren en andere ‘verloren gewaande lezers’ opnieuw aan het lezen wist te krijgen. Zijn boeken lazen snel, maar achter die toegankelijkheid ging volgens hem juist veel stilistisch werk schuil.
Zijn invloed bestaat daardoor uit verschillende lagen:
Ronald Giphart brak door op een moment waarop veel jonge lezers Nederlandse literatuur als ernstig, afstandelijk of schools ervoeren.
Ik ook van jou en Giph werden verteld in een toon die dicht bij de leefwereld van jonge volwassenen stond. De personages spraken over verliefdheid, seks, muziek, drank, vriendschap en de wens schrijver te worden. Literaire verwijzingen stonden naast spreektaal, popcultuur en studentikoze grappen.
Die combinatie maakte zijn werk aantrekkelijk voor lezers die zichzelf niet herkenden in het traditionele beeld van de Nederlandse roman.
Een internationaal literair platform omschreef Giphart later zelfs als een belangrijke held voor jonge Nederlandse schrijvers en stelde dat hij uitzonderlijk veel jongeren naar de literatuur had gebracht. Zijn romans bleven daarbij voortdurend herdrukt worden.
Zo’n uitspraak is moeilijk exact in cijfers te meten, maar sluit aan bij zijn langdurige aanwezigheid op leeslijsten, scholen en literaire podia. Generaties leerlingen lazen Ik ook van jou, Phileine zegt sorry of Ik omhels je met duizend armen en ontdekten via die boeken dat literatuur niet noodzakelijk langzaam, ouderwets of plechtig hoeft te zijn.
Giphart bood beginnende schrijvers bovendien een ander voorbeeld van het literaire auteurschap. Hij presenteerde zich niet als een onbenaderbaar genie dat uitsluitend vanuit inspiratie schreef. Hij sprak openlijk over oefenen, mislukken, schrappen en herschrijven. Zijn boodschap was dat soepel proza vaak juist het resultaat is van veel werk.
Voor jonge auteurs kan dat bevrijdend zijn. Een tekst hoeft niet in één keer goed te ontstaan. Schrijven is een ambacht waarbij de auteur blijft kijken, luisteren, verwijderen en opnieuw formuleren.
Ook zijn eigen voorgeschiedenis bood herkenning. Hij begon met strips, kinderkrantjes, schoolbladen, zelfgemaakte tijdschriften en korte publicaties. Pas daarna volgde zijn romandebuut. Daarmee laat zijn loopbaan zien dat een schrijver zich gedurende jaren kan ontwikkelen voordat een groot publiek hem ontdekt.
Giphart beïnvloedde ook het beeld van wat een Nederlandse schrijver in het openbaar kon zijn. Hij bleef niet uitsluitend achter een bureau, maar trad op in theaters, nachtclubs, festivaltenten en televisieprogramma’s. Hij werkte samen met schrijvers, muzikanten, koks, wetenschappers en zijn eigen familie.
Daarmee liet hij zien dat literaire ernst en publieksgerichtheid elkaar niet hoeven uit te sluiten. Een schrijver kan humoristisch optreden, een radioprogramma presenteren of een kookboek maken zonder zijn identiteit als romancier te verliezen.
Voor jongere schrijvers werd deze brede beroepsopvatting steeds normaler. Auteurs presenteren tegenwoordig podcasts, schrijven scenario’s, treden op met muziek en communiceren rechtstreeks met lezers. Giphart behoorde tot de schrijvers die deze ontwikkeling al vroeg zichtbaar maakten en gedurende hun loopbaan voortdurend nieuwe podia opzochten zonder hun oorspronkelijke liefde voor taal te verliezen.
Zijn invloed betekent niet dat een herkenbare ‘Giphartschool’ is ontstaan waarin jonge auteurs zijn stijl letterlijk kopiëren.
Invloed werkt vaak indirecter. Giphart hielp ruimte maken voor:
Hij liet bovendien zien dat toegankelijkheid geen verontschuldiging hoeft te zijn. Een boek mag gelezen willen worden.
Dat uitgangspunt lijkt vanzelfsprekend, maar stond in delen van de literaire kritiek lange tijd onder druk. Zijn boeken werden regelmatig gewaardeerd om hun humor en taalbeheersing, terwijl critici tegelijkertijd vraagtekens plaatsten bij hun thematische diepgang en grote aandacht voor seks.
Juist die discussie vormt een onderdeel van zijn invloed. Giphart dwong critici en docenten na te denken over de vraag of een vlot, populair en humoristisch boek minder literair is dan een moeilijk of ernstig werk.
Drie van Ronald Gipharts bekendste romans werden voor de bioscoop verfilmd:
Deze verfilmingen vergrootten zijn bekendheid en brachten zijn verhalen bij mensen die de romans mogelijk niet hadden gelezen. Ze laten tegelijk zien hoe een boek verandert wanneer het van taal naar beeld wordt vertaald.
Een roman kan rechtstreeks toegang geven tot herinneringen, gedachten en innerlijke tegenstrijdigheden. Een film moet veel daarvan zichtbaar of hoorbaar maken. Regisseurs en scenaristen moeten daarom kiezen welke personages, scènes en verhaallijnen zij behouden, veranderen of weglaten.
Een verfilming is daardoor nooit alleen een geïllustreerde versie van het boek. Het is een nieuw kunstwerk dat op de roman is gebaseerd.
De filmversie van Ik ook van jou verscheen in 2001.
De roman draait zowel om de kanotocht van Ronald en Fräser als om Ronalds herinneringen aan zijn intense en destructieve relatie met Reza. De verfilming moest deze twee verhaallijnen omzetten naar een visuele vorm en het innerlijke perspectief van de verteller toegankelijk maken voor een bioscooppubliek.
Het succes van de verfilming bevestigde dat de centrale thema’s van het boek — liefde, obsessie, vriendschap, seksualiteit en jaloezie — niet alleen literair maar ook filmisch konden functioneren. Dat het debuut negen jaar na verschijnen nog geschikt werd geacht voor een grote speelfilm, toont bovendien hoe stevig het boek zich inmiddels in de Nederlandse populaire cultuur had gevestigd. Ronald zelf was zeer ontevreden over de verfilming van zijn debuut. Lees hier waarom.
De film gaf de roman een nieuw publiek en zorgde ervoor dat boek en verfilming elkaar bleven versterken. Nieuwe kijkers konden lezers worden, terwijl bestaande lezers hun voorstelling van de personages konden vergelijken met de interpretatie van acteurs en filmmakers.
In 2003 verscheen de verfilming van Phileine zegt sorry, geschreven en geregisseerd door Robert Jan Westdijk.
Kim van Kooten speelde Phileine en Michiel Huisman vertolkte de rol van Max. De film speelt, net als de roman, voor een belangrijk deel in New York en volgt Phileine wanneer zij haar vriend achterna reist en betrokken raakt bij conflicten rond zijn provocerende toneelvoorstelling.
Phileine is een uitgesproken personage: scherp, grappig, kwetsend, intelligent en vaak genadeloos in haar observaties. Voor een verfilming is zo’n figuur aantrekkelijk, maar ook riskant. Wat in een roman via een ik-verteller grappig of zelfrelativerend kan klinken, kan op het scherm harder of onsympathieker overkomen.
Kim van Kooten moest daarom niet alleen Phileines brutaliteit spelen, maar ook zichtbaar maken wat achter haar aanvallen schuilgaat: onzekerheid, jaloezie en angst om buitengesloten te worden.
De film werd een Nederlands-Amerikaanse productie en gaf het verhaal een nadrukkelijk internationale uitstraling. Daarmee werd Phileine zegt sorry een van de duidelijkste voorbeelden van de manier waarop een Giphartroman kon uitgroeien tot een zelfstandige culturele gebeurtenis.
Giphart verscheen zelf in de film en maakte in die kleine rol een grap over de verhouding tussen boek en verfilming. Daarmee speelde hij opnieuw met zijn publieke identiteit en met de bekende discussie of een film beter of slechter kan zijn dan het boek.
De derde grote bioscoopverfilming verscheen in 2006 en werd geregisseerd door Willem van de Sande Bakhuyzen.
De roman combineert het stervensproces van Gipharts moeder met liefde, vriendschap, roem, seksualiteit en een vakantie op La Palma. De film concentreerde zich sterker op bepaalde emotionele verhaallijnen en koos een andere balans tussen humor en drama.
Giphart vertelde later dat hij zich niet intensief met de verfilming had bemoeid. Hij vond het jammer dat de regisseur minder voor de humor had gekozen. Die reactie maakt duidelijk dat hij de film als een zelfstandige interpretatie beschouwde, maar ook dat een voor hem wezenlijk element van de roman volgens hem minder zichtbaar was geworden.
De productie kreeg een extra tragische lading doordat regisseur Willem van de Sande Bakhuyzen tijdens de opnamen ernstig ziek was. In een documentaire over de totstandkoming van de film werd aandacht besteed aan de autobiografische en fictieve elementen uit de roman, aan de ziekte van de regisseur en aan de beladen sfeer tijdens onder meer de begrafenisscène. Zelf schreef Giphart er ook een stuk over: Aarhgrghehh.
De film werd Van de Sande Bakhuyzens laatste speelfilm en verscheen na zijn overlijden. Daardoor raakten de thema’s uit de roman — ziekte, afscheid en de manier waarop levenden omgaan met sterfelijkheid — onbedoeld verweven met de werkelijkheid van de productie.
De drie speelfilms bevestigen dat Gipharts bekendste romans sterke verhalen en herkenbare personages bevatten die ook buiten het boek kunnen functioneren.
Ze tonen bovendien drie verschillende kanten van zijn oeuvre:
Voor scholieren en studenten bieden de verfilmingen een waardevolle mogelijkheid om verschillende vertelvormen te vergelijken.
Daarbij kunnen vragen worden gesteld als:
De verfilmingen zijn dus niet alleen promotie voor zijn boeken. Zij vormen afzonderlijke interpretaties die het gesprek over zijn werk uitbreiden.
Ronald Gipharts werk is in verschillende talen verschenen.
Op zijn website is een afzonderlijk vertalingenarchief opgebouwd waarin buitenlandse edities, vertaalde verhalen en internationale uitgaven worden gedocumenteerd. Daaronder bevinden zich onder meer Duitse, Koreaanse en Engelse publicaties en vertalingen van fictie en non-fictie.
Een vertaling brengt een boek niet simpelweg woord voor woord naar een andere taal. Juist bij Giphart is dat ingewikkeld. Zijn stijl bevat:
De vertaler moet daarom steeds kiezen wat het belangrijkst is: de letterlijke betekenis, de humor, het ritme of het culturele effect.
Het Duitse taalgebied vormde een belangrijke buitenlandse markt voor Gipharts werk.
Titels als Ik omhels je met duizend armen en Troost verschenen in Duitse vertaling, waaronder Ich umarme dich vieltausendmal en Heiß.
De thematiek van liefde, seksualiteit, familie en verlies kan betrekkelijk gemakkelijk nationale grenzen oversteken. De precieze Giphartiaanse toon vraagt echter creatieve vertaalkeuzes.
Een Nederlandse woordspeling kan in het Duits volledig verloren gaan wanneer zij letterlijk wordt vertaald. De vertaler moet dan soms een nieuwe grap bedenken die niet exact hetzelfde zegt, maar wel een vergelijkbaar effect heeft.
Daarmee wordt de vertaler feitelijk een medeschepper van de buitenlandse Giphartstem.
Ook in het Engels zijn teksten en boeken van Giphart verschenen.
Een fragment uit Troost werd als From “Comfort” in Engelse vertaling gepubliceerd door het internationale platform Words Without Borders.
Zijn boek over liefde en seksualiteit verscheen in het Engels als Living, Loving, Longing, terwijl Mismatch, geschreven met Mark van Vugt, werd vertaald als Mismatch: How Our Stone Age Brain Deceives Us Every Day (And What We Can Do About It).
Vooral non-fictie kan internationaal een ander traject volgen dan romans. Een boek als Mismatch behandelt evolutionaire problemen die niet uitsluitend Nederlands zijn. Thema’s als voedselovervloed, status, relaties, werk en technologie zijn in veel moderne samenlevingen herkenbaar.
Opvallend is dat ook titels in verder van het Nederlands verwijderde taalgebieden verschenen. Zo is Troost onder meer in het Koreaans vertaald. Het bestaan van zulke edities laat zien dat zijn werk niet alleen binnen de directe Europese buurlanden belangstelling kreeg.
Vertalingen betekenen niet automatisch dat een schrijver in ieder land dezelfde bekendheid bereikt. Buitenlandse verkoop, marketing en kritische ontvangst kunnen sterk verschillen.
Toch geven vertalingen een boek een tweede cultureel leven. Personages worden gelezen binnen andere normen rond liefde, seksualiteit, familie en humor. Wat Nederlandse lezers gewoon of herkenbaar vinden, kan elders juist opvallend of provocerend zijn.
De vertaalde edities maken duidelijk dat Gipharts onderwerpen internationaal overdraagbaar zijn, maar ook dat zijn literaire identiteit sterk in de Nederlandse taal geworteld blijft.
Zijn werk vormt daardoor een interessante casus voor vertaalonderzoek.
Scholieren en studenten kunnen bijvoorbeeld onderzoeken:
Zijn verzameling van buitenlandse edities is hierbij bijzonder waardevol. Waar een gewone auteursbiografie slechts vermeldt dát boeken vertaald zijn, kan zijn website omslagen, titels, uitgevers, jaartallen en taalverschillen naast elkaar tonen.
De positie van Ronald Giphart in de Nederlandse literatuur is vanaf het begin onderwerp van discussie geweest. Zijn debuut werd goed verkocht en bereikte veel jonge lezers, maar delen van de gevestigde kritiek reageerden afhoudend. Zijn boeken zouden te veel over seks gaan, te populair zijn of onvoldoende ernstige diepgang bezitten.
Giphart vatte die ontvangst in de jaren negentig zelf samen door te zeggen dat het literaire circuit hem niet altijd serieus nam en zijn verhalen als vrijblijvend beschouwde. Toch behoort hij tot de relatief kleine groep Nederlandse auteurs die erin slaagt literaire kwaliteit te combineren met een groot lezerspubliek. Zijn romans bevatten literaire verwijzingen, gelaagde personages en terugkerende motieven, maar blijven tegelijkertijd toegankelijk voor lezers die normaal gesproken weinig Nederlandse literatuur lezen.
Zijn literaire betekenis ligt mede in het doorbreken van de kunstmatige scheiding tussen publieksliteratuur en zogenoemde ernstige literatuur. Giphart liet zien dat een roman humoristisch, herkenbaar en meeslepend kan zijn, zonder daardoor aan literaire kwaliteit te verliezen. Zijn langdurige aanwezigheid in de Nederlandse letteren en zijn bereik onder verschillende generaties lezers maken duidelijk dat populariteit en literaire betekenis elkaar niet hoeven uit te sluiten.
Gipharts werk bevat humor, spreektaal, seksualiteit en verwijzingen naar de populaire cultuur. Tegelijkertijd gebruikt hij complexe vertelstructuren, intertekstualiteit, onbetrouwbare herinneringen, wisselende perspectieven en zorgvuldig gestileerde taal.
De tegenstelling tussen ‘populair’ en ‘literair’ blijkt daardoor minder vanzelfsprekend dan zij lijkt. Een boek kan een groot publiek bereiken en toch gelaagd zijn. Het kan snel lezen omdat er juist lang aan de stijl is gewerkt. Toegankelijkheid is in dat geval geen teken van literaire eenvoud, maar het resultaat van stilistische beheersing.
Gipharts eigen uitspraak ‘literatuur is stijl’ vormt hierbij een belangrijk uitgangspunt. Voor hem wordt een tekst niet literair omdat het onderwerp ernstig is, maar door de manier waarop taal, vorm en perspectief worden gebruikt. Daarmee neemt hij een herkenbare positie in binnen de Nederlandse literatuur: die van een schrijver die populariteit en literaire ambitie niet als tegenpolen beschouwt, maar als eigenschappen die binnen één oeuvre uitstekend kunnen samengaan.
Een belangrijke institutionele erkenning volgde in 2004, toen Giphart de C.C.S. Croneprijs van de stad Utrecht ontving voor zijn gehele oeuvre.
Juryvoorzitter Frits van Oostrom vergeleek hem bij die gelegenheid met Nescio. De vergelijking was gebaseerd op hun gebruik van spreektaal en vooral op het belang van vriendschap in hun werk. Zie hier.
De prijs was betekenisvol omdat hij niet werd toegekend voor één commerciële bestseller, maar voor het geheel van zijn werk tot dan toe.
Daarmee werd bevestigd dat Giphart niet langer uitsluitend als een opvallende vertegenwoordiger van de jaren negentig kon worden gezien. Hij had inmiddels een oeuvre opgebouwd dat volgens de jury een blijvende plaats binnen de Utrechtse en Nederlandse literatuur verdiende.
Utrecht neemt een bijzondere positie in zijn literaire betekenis in.
De stad is zijn woonplaats, decor, inspiratiebron en cultureel netwerk. Studentenhuizen, cafés, ziekenhuizen, straten en bewoners keren terug in zijn werk.
Giphart schreef daarnaast afzonderlijk over Utrecht en trad er veelvuldig op. Hierdoor behoort hij tot de schrijvers die sterk met één stad worden geïdentificeerd.
De Croneprijs onderstreepte die verbondenheid.
Net zoals sommige auteurs niet los van Amsterdam, Den Haag of Haarlem kunnen worden gelezen, vormt Utrecht een onmisbare context voor het oeuvre van Ronald Giphart.
Historisch blijft Giphart verbonden aan Generatie Nix, ook al was die term nooit een formele literaire beweging.
Zijn vroege werk vertegenwoordigt een generatie die minder geloofde in grote ideologische verhalen en meer schreef over individuele ervaring, media, seksualiteit, relaties en populaire cultuur.
Toch is zijn betekenis groter dan dat generatie-etiket.
Waar sommige schrijvers vooral verbonden bleven aan het decennium waarin zij doorbraken, breidde Giphart zijn onderwerpen voortdurend uit. Zijn oeuvre ging later ook over:
Daardoor werd hij niet alleen een chroniqueur van jonge mensen in de jaren negentig, maar ook een schrijver die zijn generatie tijdens verschillende levensfasen bleef volgen.
Een deel van Gipharts literaire betekenis bevindt zich op het niveau van de Nederlandse taal. Zijn liefde voor neologismen en speels taalgebruik bezorgde hem een reputatie als taalvernieuwer.
Tijdens een online-interview in 2008 merkte een lezer op dat VVD-politicus Jozias van Aartsen in een radio-uitzending het woord ‘oppijpen’ gebruikte, een term die velen met Gipharts werk associeerden. Giphart zelf temperde die suggestie echter onmiddellijk: volgens hem stond het woord al lang in de Van Dale en kwam hem daarvoor geen auteurschap toe. De anekdote laat vooral zien hoe sterk zijn reputatie als taalvernieuwer inmiddels was geworden.
Nog opvallender is de naam Phileine. Giphart bedacht deze naam voor zijn romanfiguur door elementen van liefde en vileinheid met elkaar te verbinden. Na het succes van het boek en de film werd Phileine ook daadwerkelijk als voornaam gebruikt.
Hiermee beïnvloedde fictie de werkelijkheid: een verzonnen naam verliet het boek en werd onderdeel van het Nederlandse naamgebruik.
Ronald Giphart heeft een duurzame plaats gekregen in het literatuuronderwijs. Zijn romans worden veel gelezen door scholieren, enerzijds vanwege hun toegankelijkheid en anderzijds omdat zij voldoende aanknopingspunten bieden voor literaire analyse.
Onderwerpen die in schoolonderzoek naar zijn werk kunnen worden bestudeerd, zijn onder meer autobiografie en fictie, Generatie Nix, seksualiteit en mannelijkheid, humor en ironie, rouw en euthanasie, vertelperspectief, taalvernieuwing, verfilming, intertekstualiteit en de tegenstelling tussen literaire kritiek en publiekswaardering.
Zijn positie binnen het onderwijs is niet onomstreden geweest. In discussies over de literaire canon werd de vraag gesteld of populaire auteurs als Giphart voldoende literaire uitdaging boden of juist noodzakelijk waren om jonge lezers bij de literatuur te betrekken.
Die discussie is op zichzelf onderdeel van zijn literaire betekenis. Giphart dwingt docenten, critici en onderzoekers na te denken over vragen als: wat maakt een boek literair? Mag leesplezier een kwaliteitscriterium zijn? Is toegankelijkheid een kracht of een beperking? Moet iedere leerling dezelfde canon lezen? En kan een populaire roman een opstap vormen naar andere literatuur?
Dat zijn vragen die veel verder reiken dan zijn eigen oeuvre. Zijn gastschrijverschap aan de Universiteit Leiden in 2024 bevestigde bovendien dat zijn werk ook binnen de academische wereld serieus wordt besproken. Tijdens zijn colleges stond onder meer de vraag centraal hoe schrijvers hun verhalen vormgeven en hoeveel controle zij over hun fictieve wereld uitoefenen.
Gipharts betekenis kan niet alleen aan zijn romans worden afgemeten. Zijn werk verspreidt zich over:
Die breedte past bij een veranderde literaire cultuur waarin auteurs niet meer uitsluitend via gedrukte romans bestaan.
Zijn experiment met door een computer voorgestelde taal was bijvoorbeeld een vroege verkenning van de verhouding tussen literatuur en kunstmatige intelligentie. Het project stelde vragen over auteurschap die door de snelle ontwikkeling van generatieve AI alleen maar urgenter zijn geworden.
Wie schrijft wanneer een machine woorden voorstelt?
Hoe blijft een persoonlijke stijl herkenbaar?
En wanneer wordt technische hulp een creatieve samenwerking?
Giphart was bereid dergelijke vragen niet alleen theoretisch te bespreken, maar ook in zijn eigen schrijfpraktijk uit te proberen.
Dat experimentele karakter is een belangrijk deel van zijn toekomstige relevantie.
Een afgeronde beoordeling van Ronald Gipharts oeuvre is nog niet mogelijk.
Hij bleef ook na zijn zestigste verjaardag nieuwe vormen en onderwerpen verkennen. In 2024 was hij gastschrijver aan de Universiteit Leiden en trad hij in dienst bij organisatieadviesbureau Leeuwendaal, nadat hij eerder al rond werk en organisaties met het bureau had samengewerkt.
Vanaf 1 januari 2026 werd hij bovendien presentator van De Taalstaat. Daarmee kreeg taal, dat altijd al de kern van zijn schrijverschap vormde, ook een vaste plaats in zijn radiowerk.
Begin 2026 verscheen daarnaast zijn biografische boek over muzikant Blaudzun. Voor dat project volgde hij de artiest gedurende langere tijd bij optredens, festivals, tournees en studio-opnamen.
Deze recente activiteiten wijzen erop dat zijn toekomstige werk waarschijnlijk niet uitsluitend uit traditionele romans zal bestaan.
Hij beweegt steeds meer tussen:
Omdat Gipharts werk altijd met zijn leven is meegegroeid, is het aannemelijk dat ouder worden een steeds belangrijker thema zal worden.
Zijn vroege romans gingen over jonge mensen die schrijver of geliefde wilden worden. Latere boeken gingen over ouderschap, ziekte, verlies en langdurige vriendschappen.
Een volgende fase kan vragen onderzoeken als:
Dit is een voorspelling, geen vastgesteld programma. De ontwikkeling van zijn eerdere werk maakt zulke thema’s echter aannemelijk.
Ook het archief rond Ronald Giphart zal belangrijker worden.
Zijn oeuvre bestaat niet alleen uit officiële boeken, maar ook uit duizenden columns, interviews, lezingen, tijdschriftbijdragen, scenario’s, opnamen, buitenlandse edities, affiches en gelegenheidsuitgaven.
Veel daarvan dreigt zonder systematische verzameling moeilijk vindbaar te worden.
Zijn website vervult daarom een bijzondere functie. Deze verzamelt publicaties en documenten die verspreid zijn geraakt over krantenarchieven, omroepsites, uitgeverijen, particuliere collecties en buitenlandse markten.
Daardoor wordt de website niet alleen een fansite of bibliografie, maar steeds meer een digitaal auteursarchief.
Voor toekomstige scholieren, studenten, journalisten en onderzoekers kan zo’n archief van grote waarde zijn. Het maakt mogelijk om ontwikkelingen in zijn taal, onderwerpen, publieke optredens en samenwerkingen over tientallen jaren te volgen.
Het is verleidelijk een schrijver die al meer dan dertig jaar publiceert een vaste plaats in de literatuurgeschiedenis toe te kennen.
Toch moet een definitief oordeel wachten.
Literaire reputaties veranderen. Boeken die bij verschijnen belangrijk leken, kunnen verdwijnen. Werken die aanvankelijk werden onderschat, kunnen later opnieuw worden ontdekt.
Bij Ronald Giphart zal de toekomstige waardering waarschijnlijk afhangen van verschillende factoren:
Wel staat vast dat hij sinds 1992 een herkenbare en invloedrijke aanwezigheid binnen de Nederlandse literatuur is gebleven.
Hij heeft een uitzonderlijk breed publiek bereikt, verschillende generaties lezers aangesproken en zijn schrijverschap steeds opnieuw uitgebreid.
De betekenis van Ronald Giphart kan niet in één etiket worden samengevat.
Hij is de schrijver die jonge lezers opnieuw nieuwsgierig maakte naar Nederlandse literatuur.
Hij is de auteur van romans die werden verfilmd en vertaald.
Hij is de vertegenwoordiger van een generatie die literatuur, popcultuur en persoonlijk leven met elkaar verbond.
Hij is een taalspeler wiens woorden en namen buiten zijn boeken terechtkwamen.
Hij is een publieke schrijver die literatuur naar scholen, theaters, festivals, radio en televisie bracht.
En hij is een nieuwsgierige maker die zijn oeuvre uitbreidde met gastronomie, wetenschap, familiegeschiedenis, muziek en kunstmatige intelligentie.
Zijn literaire betekenis ligt juist in die combinatie.
Giphart koos niet tussen leesbaarheid en literatuur, tussen humor en ernst, tussen het boek en de buitenwereld. Hij probeerde die tegenstellingen met elkaar te verbinden.
Daarmee heeft hij een blijvende invloed uitgeoefend op het beeld van de moderne Nederlandse schrijver.
Zijn oeuvre is echter nog niet voltooid.
Iedere nieuwe roman, samenwerking, uitzending of publicatie kan het bestaande beeld veranderen. Daarom moet dit laatste deel van zijn biografie niet eindigen met een punt, maar met de constatering dat Ronald Giphart nog steeds schrijft, onderzoekt, spreekt en verhalen verzamelt.
Zijn nalatenschap ontstaat niet pas later.
Zij wordt op dit moment nog altijd geschreven.
De onderstaande bijlagen vormen een beknopt naslagwerk bij de uitgebreide biografie van Ronald Giphart. Ze zijn bedoeld voor lezers, scholieren, studenten, docenten, journalisten en onderzoekers die snel een datum, publicatie, prijs, lezing, interview of naam willen terugvinden.
Een volledig overzicht van alles wat Ronald Giphart sinds zijn jeugd heeft geschreven en gedaan, past niet in één statische bijlage. Zijn oeuvre omvat naast boeken vele honderden columns, interviews, tijdschriftbijdragen, voorwoorden, lezingen, theateroptredens, radio- en televisie-uitzendingen en gelegenheidsuitgaven.
Daarom maken deze bijlagen onderscheid tussen:
Voor het meest complete en actuele overzicht van afzonderlijke publicaties blijft de doorzoekbare bibliografie op deze website de centrale bron.
Bij Ronald Giphart moet onderscheid worden gemaakt tussen:
Beide categorieën zijn belangrijk voor zijn biografie.
In interviews met Ronald spreekt hij over zijn jeugd, familie, boeken, schrijfproces, liefde, verlies, eten, wetenschap en maatschappelijke opvattingen. Die gesprekken vormen belangrijke biografische bronnen, al moeten uitspraken uit verschillende perioden altijd in hun eigen tijd en context worden gelezen.
De interviews die Ronald zelf afnam, tonen een andere kant van zijn werk. Daarin treedt hij op als journalist, nieuwsgierige gesprekspartner en schrijver die het verhaal van iemand anders zichtbaar probeert te maken.
Sinds zijn debuut in 1992 is Ronald door vrijwel alle grote Nederlandse kranten, tijdschriften, omroepen en literaire platforms geïnterviewd. De onderwerpen veranderden met zijn leven en oeuvre. Interviews met Ronald Giphart staan niet op deze website. Interviews door Ronald Giphart staan wel op deze website.
In interviews uit de jaren negentig ligt de nadruk vaak op:
Latere gesprekken behandelen steeds vaker:
Een belangrijk vroeg interview verscheen in 1996 in Onze Taal. Daarin zette Giphart zijn opvattingen over stijl en leesbaarheid uiteen. Hij benadrukte dat soepel lezend proza juist veel arbeid vraagt en dat een goede schrijver veel aandacht moet besteden aan zinsbouw, dialogen en details.
Het Kritisch lexicon van de moderne Nederlandstalige literatuur verzamelt en analyseert verschillende uitspraken uit oudere interviews, waaronder Gipharts ideeën over stijl, taalspel en zijn relatie tot het postmodernisme.
Ook zijn eigen website bevat een groot aantal oudere interviews, scans en gesprekken die elders niet of nauwelijks meer online beschikbaar zijn.
Ronald ontwikkelde naast zijn schrijverschap een omvangrijke loopbaan als interviewer.
Hij interviewde onder anderen:
Voor de VARAgids sprak hij jarenlang met makers uit de wereld van radio, televisie, cultuur en journalistiek. Op zijn website staan onder meer gesprekken met Sophie Hilbrand, Eva Jinek, Angela Schijf, Wilfred Genee, Esther Gerritsen en Eric van ’t Zelfde.
Voor AD Magazine interviewde hij vrijwel maandelijks bekende Nederlanders. De verzamelpagina op deze website noemt onder anderen Sjors Fröhlich, Jeroen Pauw, Anton Corbijn, Saskia Noort en Emilie Gordenker.
Zijn culinaire belangstelling leidde daarnaast tot gesprekken met belangrijke figuren uit de gastronomie, zoals Ferran Adrià en Will Jansen.
Deze interviews zijn niet slechts aanvullingen op zijn romans. Ze vormen een zelfstandig journalistiek oeuvre waarin Giphart zijn kennis, voorbereiding, nieuwsgierigheid en gevoel voor dialoog inzet om anderen aan het vertellen te krijgen.
Deze tijdlijn blijft noodzakelijkerwijs in ontwikkeling zolang Ronald nieuwe boeken, programma’s en samenwerkingen blijft maken.
1993 – Gouden Ezelsoor voor Ik ook van jou
Het Gouden Ezelsoor was de prijs voor het bestverkochte literaire debuut. De bekroning bevestigde het uitzonderlijke commerciële succes van Ik ook van jou en maakte Ronald in korte tijd tot een landelijk bekende auteur.
De prijs is belangrijk omdat hij niet door een traditionele jury voor literaire kwaliteit werd toegekend, maar direct verbonden was met het bereik onder lezers. Dat past bij een terugkerende spanning in Gipharts loopbaan: zijn grote publiekswaardering liep niet altijd gelijk op met de waardering van gevestigde critici.
2004 – C.C.S. Croneprijs voor het gehele oeuvre.
De gemeente Utrecht kende Ronald de C.C.S. Croneprijs toe voor zijn literaire oeuvre. De onderscheiding bevestigde zijn sterke band met Utrecht en betekende erkenning voor meer dan alleen zijn verkoopcijfers of bekendste romans.
De prijs was een belangrijk moment in zijn ontwikkeling van jonge, soms omstreden bestsellerauteur naar een gevestigde Utrechtse en Nederlandse schrijver.
2005 – nominatie voor de NS Publieksprijs met Troost
De Vrije Universiteit vermeldt Troost als genomineerd voor de NS Publieksprijs 2005.
Een nominatie voor een publieksprijs onderstreept opnieuw de sterke relatie tussen Giphart en een breed lezerspubliek.
2003 – auteur van het Boekenweekgeschenk Gala
Het schrijven van het Boekenweekgeschenk is strikt genomen geen prijs, maar wel een van de belangrijkste literaire opdrachten in Nederland.
Gala verscheen in een oplage van ongeveer 780.000 exemplaren en bracht Gipharts werk bij een uitzonderlijk groot publiek.
Ook gastschrijverschappen kunnen als institutionele erkenning van een schrijverschap worden beschouwd.
Belangrijke voorbeelden zijn:
Vrije Schrijver aan de Vrije Universiteit Amsterdam in 2011;
gastschrijver aan de Universiteit Leiden in 2024;
schrijver op locatie aan de Vrije Universiteit;
en de uitnodiging om de Albert Verweylezing te verzorgen.
Op internet circuleren verschillende onvolledige of onderling gekopieerde lijsten. De twee overtuigendst gedocumenteerde officiële literaire prijzen zijn:
het Gouden Ezelsoor;
de C.C.S. Croneprijs.
Nominaties, publieksverkiezingen, erefuncties en juryrollen moeten daarvan afzonderlijk worden vermeld. Zo wordt voorkomen dat een nominatie of opdracht ten onrechte als gewonnen literaire prijs wordt gepresenteerd.
1995 – opening van het collegejaar
Ronald verzorgde een lezing bij de opening van het studiejaar 1995–1996 van de Hogeschool Utrecht. De tekst, De Hogeschoolstrijd, is op zijn website bewaard gebleven.
De keuze voor een schrijver die zijn universitaire studie zelf niet had afgerond, gaf de lezing een humoristische en kritische spanning. Hij sprak als voormalig student én als iemand die buiten de formele academische route een succesvolle intellectuele loopbaan had opgebouwd.
2011 – Vrije Schrijver
Vanaf februari 2011 was Ronald gastschrijver aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Hij koos verwondering als centraal thema. Binnen zijn rol moest hij discussies aanzwengelen, bijdragen aan colleges en een afsluitende publicatie maken. De VU omschrijft de Vrije Schrijver als een auteur die reflecteert op maatschappelijke thema’s en het academische gesprek verrijkt met het perspectief van de literatuur.
Het gastschrijverschap paste bij Gipharts groeiende belangstelling voor wetenschap. Verwondering vormde voor hem een gedeeld vertrekpunt van wetenschappers en schrijvers: beiden kijken aandachtig naar de werkelijkheid en proberen onbekende verbanden zichtbaar te maken.
De Vrije Universiteit documenteert Ronald ook als Schrijver op Locatie 2011. Daarbij werd zijn schrijverschap verbonden aan de academische en maatschappelijke omgeving van de universiteit.
Ronald verzorgde Vrijheidscolleges over vrijheid, democratie en studentenverzet tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Binnen deze lezingen gebruikte hij historische verhalen om abstracte begrippen als vrijheid en verantwoordelijkheid invoelbaar te maken. Het project laat zien dat zijn werk als spreker niet uitsluitend over zijn eigen romans of schrijversloopbaan gaat.
2024 – 41e gastschrijver
In het najaar van 2024 was Ronald de 41e gastschrijver aan de Universiteit Leiden.
Hij onderzocht met studenten onderwerpen als:
Zijn eerste openbare optreden als gastschrijver vond plaats op 11 september 2024 in het Academiegebouw, waar hoogleraren Rick Honings en Sander Bax hem interviewden.
Het gastschrijverschap werd afgesloten met de Albert Verweylezing op 21 november 2024.
De Leidse colleges zijn belangrijk omdat zij verschillende lijnen uit zijn oeuvre samenbrachten: literatuur, wetenschap, humor, technologie en de vraag hoeveel macht een schrijver over zijn personages bezit.
Naast formele gastschrijverschappen bezocht Ronald gedurende meer dan dertig jaar scholen, bibliotheken, boekhandels en culturele instellingen.
Een volledige lijst is niet beschikbaar, omdat veel lokale optredens alleen in tijdelijke agenda’s of regionale kranten werden aangekondigd. Voor een online archief verdient het aanbeveling iedere vindbare lezing afzonderlijk te registreren met:
Ronald trad onder meer op tijdens:
Een Neerlandistiek-aankondiging uit 2010 noemt hem bijvoorbeeld naast Tom Lanoye, Robert Vuijsje, Ivo Victoria en Ramsey Nasr tijdens een gecombineerd literatuur- en muziekfestival.
Op 21 september 2007 trad Ronald Giphart op tijdens Het Grote Poëziecircus in Tivoli (Utrecht), onderdeel van het tienjarig jubileum van het Poëziecircus. Hij deelde het podium onder meer met Ingmar Heytze, Tommy Wieringa, Erik Jan Harmens en Tsead Bruinja, tijdens een avond waarop literatuur, poëzie en muziek werden gecombineerd.
Wat is secundaire literatuur?
Primaire literatuur bestaat uit teksten van Ronald Giphart zelf: romans, verhalen, columns, interviews en essays.
Secundaire literatuur bestaat uit publicaties over hem en zijn werk, zoals:
Voor een werkstuk of scriptie is het belangrijk primaire en secundaire bronnen duidelijk van elkaar te onderscheiden.
Opgenomen in Schrijvers en dichters, DBNL.
Deze beknopte auteursbeschrijving bevat biografische gegevens en verwijzingen naar oudere interviews en kritische publicaties. De bibliografie noemt onder meer:
Een van de uitgebreidste literatuurwetenschappelijke overzichten van Gipharts schrijverschap, literatuuropvatting, stijl, thematiek en kritische ontvangst.
De bijdrage behandelt onder meer:
Opgenomen in het Lexicon van literaire werken.
Deze analyse bespreekt de structuur, inhoud, personages, stijl en ontvangst van Giph. Het artikel bevat ook informatie over verkoop, herdrukken en de kritische discussie rond seksualiteit en thematische diepgang.
Verschenen in Dietsche Warande & Belfort, jaargang 140, nummer 5, 1995, pagina’s 662–665.
Deze bijdrage is van belang voor onderzoek naar de vroege kritische ontvangst van Giphart en de discussie over populaire versus literaire fictie. De titel wordt genoemd in de DBNL-auteursbibliografie.
Interview in Wat wil jij worden? uit 1999, pagina’s 36–39.
Deze bron is relevant voor zijn vroege opvattingen over beroep, ambitie en schrijverschap.
Het Literatuurmuseum publiceerde verschillende belangrijke digitale artikelen over Ronald Giphart en zijn literaire omgeving.
Een analyse aan de hand van Gipharts vroege lijst met 151 mogelijke boektitels. Het stuk geeft inzicht in zijn taalgevoel, humor, zelfbeeld en creatieve werkproces. Lees hier.
Een reconstructie van het tijdschrift Zoetermeer, opgericht door Rob van Erkelens, Ronald Giphart en Joris Moens. De bijdrage plaatst het blad in het literaire en maatschappelijke klimaat van de jaren negentig.
Een beknopt overzicht van zijn loopbaan, Generatie Nix en theaterwerk met onder anderen Martin Bril, Bart Chabot en Nico Dijkshoorn.
De secundaire literatuur over Giphart kan worden ingedeeld rond de volgende onderzoeksterreinen:
Niet iedere online bron is even betrouwbaar.
Een bruikbare volgorde van voorkeur is:
Boekverslagen van andere scholieren zijn geen overtuigende bron voor biografische feiten. Zij kunnen interpretaties bevatten die zonder controle van elkaar zijn overgenomen.
Onderstaand register bevat de belangrijkste werkelijk bestaande personen die een aantoonbare rol spelen in het leven, de loopbaan en het oeuvre van Ronald Giphart. Het omvat familieleden, vrienden, schrijvers, kunstenaars, uitgevers, coauteurs, vormgevers, fotografen, acteurs, regisseurs, ondernemers, wetenschappers en andere samenwerkingspartners.
Ferran Adrià Spaanse chef-kok en internationaal vernieuwer van de gastronomie. Ronald interviewde hem voor Eetafspraak over koken, creativiteit en de ontwikkeling van de moderne eetcultuur.
Jan Bartelsman Fotograaf en voedselfotograaf met wie Ronald verschillende culinaire en stedelijke boeken maakte. Ronald schreef de teksten en Bartelsman verzorgde de fotografie voor Topspots: De veertig euro club, TopSpots in en om Utrecht, Het leven, de liefde en de lusten en TopSpots Stockholm.
Guillaume de Beer Chef-kok en restaurateur. Vormde samen met Freek van Noortwijk en Johanneke van Iwaarden het culinaire trio achter restaurant BREDA. Ronald interviewde hen en schreef hun gezamenlijke verhaal en recepten op voor het kookboek Breda – Recepten, verhalen en inspiratie voor thuis.
Arno Beker Ondernemer en een van de hoofdpersonen van Alleen maar leuke mensen, het door Ronald geschreven jubileumboek over Westcon-Comstor Nederland.
Dieuwertje Blok Actrice en presentatrice. Speelde de hoofdrol in de korte film Boezemkring, gebaseerd op een verhaal van Ronald en zijn dochter Tip Lammes.
Peter Blokdijk Coauteur van De liefde die Feyenoord heet, een boek over de bijzondere band tussen voetbalclub Feyenoord en haar supporters.
Blaudzun (Johannes Sigmond) Muzikant die Ronald ongeveer een jaar volgde voor het biografische boek Blaudzun – In het spoor van een popicoon. Ronald volgde hem tijdens optredens, festivals, theatervoorstellingen, studio-opnamen en buitenlandse tournees en voerde daarnaast uitvoerige persoonlijke gesprekken met hem.
Jonnie Boer Chef-kok en mede-eigenaar van De Librije. Ronald schreef over hem in Eten, drinken en slapen en maakte samen met hem het boek Puurst.
Martin Bril Schrijver, columnist en theatermaker en een vriend van Ronald. Zij traden samen met Bart Chabot op in literaire theaterprogramma’s. Toen Bril door zijn ziekte zijn column niet meer kon schrijven, nam Ronald zijn de Volkskrant column tijdelijk over.
Herman Brusselmans Vlaamse schrijver en generatiegenoot. Ronald ontmoette hem in 1988 tijdens de introductiedagen van de Universiteit Utrecht en schreef later een bijdrage voor de feestbundel Wie is Herman Brusselmans en waarom?, die verscheen ter gelegenheid van Brusselmans’ veertigste verjaardag. Samen schreven ze ook Gestrand in Roesbeek.
Bas de Bruin Ondernemer en een van de drie vrienden die centraal staan in Leven van de wind. In dit boek beschreef Ronald het ontstaan en de ontwikkeling van hun onderneming in duurzame energie.
Remco Campert Schrijver en dichter die Ronald sterk bewonderde. Ronald schreef het voorwoord bij een uitgave van Camperts roman Het leven is vurrukkulluk en wijdde verschillende columns en beschouwingen aan hem en zijn werk.
Bart Chabot Schrijver, dichter, biograaf en performer. Een van Ronalds belangrijkste vrienden en theaterpartners. Zij traden veelvuldig samen op, maakten gezamenlijk radio en stonden met onder anderen Martin Bril in literaire theaterprogramma’s.
Anton Corbijn Fotograaf en filmmaker. Maakte foto’s van Ronald ter promotie van het Boekenweekgeschenk Gala. Ronald interviewde hem later voor AD Magazine van 16 mei 2020.
Wim Daniëls Taalkundige, schrijver en presentator. Schreef Giphtaal, een verzameling van Ronalds opvallendste woorden, uitdrukkingen en taalvondsten.
Nico Dijkshoorn Dichter, columnist, schrijver en muzikant. Maakte samen met Ronald de theatervoorstelling Matennaaiers. Rond 2012 schreven zij bovendien brieven aan elkaar die werden gepubliceerd in de VARAgids.
Ferry Doedens Acteur. Reisde samen met Ronald door Albanië voor het televisieprogramma De gevaarlijkste wegen van de wereld.
Fred Eggink Oud-journalist, dichter en voormalig stadsdichter van Buren. Ronald schreef het voorwoord bij Finish zonder streep en nog 99 coronagedichten, Egginks bundel over het dagelijks leven tijdens de tweede coronagolf.
Eric van den Elsen Fotograaf. Werkte met Ronald samen aan Heldinnen, waarin tekst en fotografie werden gecombineerd.
Rob van Erkelens Schrijver, redacteur en medeoprichter van het literaire tijdschrift Zoetermeer. Behoorde tot Ronalds vroege literaire netwerk in Utrecht.
Sjors Fröhlich Journalist, radio- en televisiepresentator en burgemeester. Werd door Ronald geïnterviewd voor zijn interviewreeks in AD Magazine.
Hans Gaarlandt Eigenaar en beheerder van deze website. Ronald heeft hem toestemming gegeven bepaalde teksten op zijn website te mogen plaatsten. Dit doet Gaarlandt als hobby. Verder is Hans MBO-niveau 4-docent en geeft de vakken: Natuurkunde, wiskunde, elektriciteitsleer, constructieleer en materiaalkunde.
André Gerrits Chef-kok van restaurant ’t Amsterdammertje. Ronald schreef Alles of niets, een biografisch kookboek waarin Gerrits zijn levensverhaal en culinaire loopbaan vertelt, afgewisseld met zijn belangrijkste gerechten.
Esther Gerritsen Schrijver en auteur van het Boekenweekgeschenk Broer. Ronald interviewde haar in een reeks gesprekken met schrijvers van Boekenweekgeschenken.
Karin Ellen Giphart Zus van Ronald, geboren op 29 oktober 1968. Schrijver, zangeres en singer-songwriter. Hun gedeelde familiegeschiedenis, de liefde voor taal en muziek en het politieke leven van hun moeder vormen belangrijke raakvlakken in hun werk.
Marius Johannes Giphart Grootvader van Ronald, geboren in 1902 en overleden in 1957. Was journalist en schrijver en publiceerde onder meer de jeugdboeken Strandpaal 19 uit 1935 en Een stadje op stelten uit 1946. Zijn schrijverschap vormt een belangrijke schakel in de literaire familietraditie van de familie Giphart.
Robert Leo Giphart Vader van Ronald, geboren in 1933 en overleden op 2 december 2006. Had zelf literaire ambities en was een enthousiaste lezer. Hij stimuleerde Ronalds belangstelling voor boeken, taal en schrijven.
Ronald Edgar Giphart Schrijver, columnist, interviewer, performer en radiopresentator, geboren op 17 december 1965 in Dordrecht. Hij is de centrale persoon van deze biografie en de bijbehorende website.
Emilie Gordenker Kunsthistoricus en museumdirecteur. Ronald interviewde haar voor AD Magazine van 4 juli 2020.
Hendrik Groen (Peter de Smet) Schrijversnaam van Peter de Smet. Ronald interviewde hem naar aanleiding van het door De Smet geschreven Boekenweekgeschenk. Het gesprek verscheen in nummer 11 van de VARAgids, van 14 tot en met 20 maart 2026.
Harold Hamersma Wijnschrijver en wijncriticus. Was op 19 maart 2021 te gast in Fuck Wijn, de interactieve podcastserie die Ronald samen met brouwer Ronald van de Streek maakte.
Sergio Herman Chef-kok en culinair ondernemer. Ronald schreef over hem en zijn restaurants in Eten, drinken en slapen.
Jacques Hermus Coauteur van De Slager, waarin samen met Ronald een pleidooi wordt gehouden voor minder vleesconsumptie en voor het behoud van het ambachtelijke slagersvak.
Ingmar Heytze Dichter uit Utrecht en een goede vriend van Ronald. Ronald citeert regelmatig uit zijn gedichten en zij maken deel uit van hetzelfde Utrechtse literaire netwerk. Zij hebben niet gezamenlijk aan een boek of andere zelfstandige publicatie gewerkt.
Ruud Hollander Uitgever en ondernemer. Richtte in 2020 samen met Ronald De Biograaf op, een initiatief voor persoonlijke, zakelijke en institutionele levensverhalen. Uit deze samenwerking kwamen onder meer GAST!, Applaus, Beer, Mijn beste werk, De familie KFC, Het beste van jezelf, Alleen maar leuke mensen en Leven van de wind.
Michiel Huisman Acteur. Speelde de rol van Max in de verfilming van Ronalds roman Phileine zegt sorry.
Johanneke van Iwaarden Wijnkenner, sommelier en restaurateur. Vormde samen met Guillaume de Beer en Freek van Noortwijk het trio achter restaurant BREDA. Ronald interviewde het drietal en schreef hun culinaire visie, ondernemerschap en recepten op voor Breda – Recepten, verhalen en inspiratie voor thuis.
Wijnie Jabaaij Moeder van Ronald, geboren op 13 april 1939 in Dordrecht en daar overleden op 7 juni 1995. Zij was PvdA-politica, feministe en Tweede Kamerlid en maakte zich onder meer sterk voor vrouwenrechten en minderheden. Haar ziekte, levenseinde en overlijden spelen een belangrijke rol in Ronalds leven en werk. Wie waarlijk leeft is volledig aan haar leven en nalatenschap gewijd.
Danny Jansen Kok, presentator en culinair programmamaker. Maakte samen met Ronald 32 afleveringen van de podcast De Kookboekenclub, waarin zij kookboeken bespraken, auteurs en andere gasten ontvingen en recepten bereidden.
Dolf Jansen Cabaretier, schrijver en ambassadeur van Oxfam Novib. Ronald interviewde hem voor jaargang 15, nummer 9 van De Dikke Blauwe, dat in het najaar van 2020 verscheen.
Gérard van Kalmthout Schrijver, theatermaker en medeauteur van Ronalds toneelstuk Frühstück no future. Zij werkten samen aan de ontwikkeling van de eerste theaterproductie van het stuk.
Mascha Kamphuis Jeugdarts en coauteur van Ik mis mij ook. Samen met Ronald legde zij haar ervaringen met een hersentumor en niet-aangeboren hersenletsel in boekvorm vast.
Ayla van Kessel Regisseur. Regisseerde de korte film Boezemkring, naar een verhaal en scenario van Ronald en Tip Lammes.
René Klein Ondernemer en een van de hoofdpersonen van Alleen maar leuke mensen, Ronalds jubileumboek over Westcon-Comstor Nederland en de bedrijfscultuur van de onderneming.
Ronald Kloet Ondernemer en een van de drie vrienden die centraal staan in Leven van de wind, Ronalds boek over duurzame energie en ondernemerschap.
Eric de Koning Grafisch ontwerper, vormgever en illustrator. Verzorgde de illustraties voor het Kwadraats groot literair lees kijk knutsel en doe-vakantieboek en werkte ook bij andere projecten met Ronald samen.
De familie De Kok Rotterdamse ondernemersfamilie die centraal staat in De familie KFC. Ronald beschreef de geschiedenis van vader John, moeder Kitty en hun zoons Michel en Ron de Kok, die vanaf de jaren zeventig betrokken waren bij de ontwikkeling van KFC in Nederland.
Marion Koopmans Viroloog en wetenschapper. Werd door Ronald geïnterviewd voor Het beste van jezelf, een boek over mensen die op hun vakgebied het beste uit zichzelf en anderen proberen te halen.
Kim van Kooten Actrice. Speelde de rol van Phileine in de verfilming van Ronalds roman Phileine zegt sorry.
Kluun Schrijversnaam van Raymond van de Klundert. Schrijver en initiatiefnemer van NightWriters. Werkte met Ronald samen tijdens literaire optredens en schreef met hem Het eeuwige gezeik, over het Nederlands elftal op Europese kampioenschappen en wereldkampioenschappen voetbal.
Broos Lammes Oudste zoon van Ronald en Mascha Lammes, geboren op 17 januari 1998. Schreef samen met zijn vader Dat maakt ons helemaal niets uit, over zijn coming-out en de verhouding tussen vader en zoon.
Lasse Lammes Jongste zoon van Ronald en Mascha Lammes, geboren in 2006. Zijn ernstige ziekte kort na zijn geboorte had grote invloed op het gezinsleven van Ronald en Mascha en komt terug in Ronalds autobiografische beschouwingen over ouderschap, angst en kwetsbaarheid.
Mascha Lammes Voormalige echtgenote van Ronald, schrijver, kookschrijver, culinair publicist en keramist. Zij is de moeder van Broos, Tip en Lasse. Ronald en Mascha werkten samen aan verschillende culinaire publicaties, waaronder Vurrukkulluk en De wereld thuis.
Tip Lammes Dochter van Ronald en Mascha Lammes, geboren in 2000. Was samen met haar vader medescriptschrijver van de korte film Boezemkring.
Ahmed Marcouch Burgemeester van Arnhem en voormalig Tweede Kamerlid. Werd door Ronald geïnterviewd voor Het beste van jezelf.
Nanne Meulendijks Illustrator. Werkte mee aan Tante Rikie’s onmundig mooie verhalenboek, waarin ook een verhaal van Ronald in het Achterhoeks werd opgenomen. En ze verzorgde de illustraties voor de Graphic novel van De Wake.
Joris Moens Schrijver, redacteur en medeoprichter van het literaire tijdschrift Zoetermeer. Behoorde tot de Utrechtse kring waarin Ronald zijn eerste literaire activiteiten ontplooide.
Annette Mosman Bestuurder en bestuursvoorzitter van pensioenuitvoerder APG. Werd door Ronald geïnterviewd voor Het beste van jezelf.
Barbara Nanninga Schrijver van Happy as f*ck. Ronald schreef op verzoek van Hans Gaarlandt, eigenaar en beheerder van deze website en een goede vriend van Nanninga, het voorwoord bij haar boek.
Bert Natter Schrijver en een van Ronalds oudste en belangrijkste vrienden. Zij leerden elkaar kennen op het Baarnsch Lyceum en deelden vanaf hun jeugd hun literaire ambities. Vanaf 1987 woonden zij enige tijd samen in een studentenhuis aan de Monseigneur van de Weteringstraat in Utrecht, waar zij elkaars eerste literaire werk lazen en beoordeelden. Later schreven zij samen Het XTC-experiment.
Wouter Natter Broer van Ronalds beste vriend Bert Natter en zelf eveneens een vriend binnen hun gezamenlijke kring. Hij overleed op jonge leeftijd. Ronald droeg de novelle Gala, het Boekenweekgeschenk van 2003 over een feest dat wordt overschaduwd door verlies en sterfelijkheid, aan hem op.
Raoul van Neer Schrijver en bierkenner. Ronald schreef het voorwoord bij zijn boek Craft Beer, een rondgang langs Nederlandse brouwerijen.
Joost Nijsen Uitgever die een beslissende rol speelde bij Ronalds doorbraak als schrijver. Hij publiceerde Ronalds debuutroman Ik ook van jou en vervolgens een groot deel van diens oeuvre bij Uitgeverij Podium. Ronald schreef later ook over Nijsen in Never a dull moment.
Saskia Noort Schrijver en columnist. Ronald interviewde haar voor AD Magazine van 27 juni 2020.
Freek van Noortwijk Chef-kok en restaurateur. Vormde samen met Guillaume de Beer en Johanneke van Iwaarden het gezicht van restaurant BREDA. Ronald interviewde het drietal en schreef hun gezamenlijke verhaal en recepten op voor Breda – Recepten, verhalen en inspiratie voor thuis.
Giovanca Ostiana Zangeres en presentatrice. Werd door Ronald geïnterviewd voor Het beste van jezelf.
Lex Paleaux Schrijver. Ronald schreef het voorwoord bij Paleaux’ roman Vlo en beschreef daarin hoe het lezen van een aangrijpende roman kan voelen alsof de lezer er een nieuwe vriend bij krijgt.
Ruud de Rode Illustrator. Verzorgde de illustraties voor Willem de Dikke, een door Ronald geschreven boek over de toenmalige kroonprins; Willem Alexander.
Roland Rozenbroek Ondernemer en centrale persoon in GAST! – Het geheim van Hof van Saksen. In dit boek beschreef Ronald de herontwikkeling van vakantiepark Hof van Saksen en de visie op gastvrijheid waarmee Rozenbroek en de medewerkers het resort nieuw leven inbliezen.
Roos Schlikker Schrijver, columnist en journalist. Schreef samen met Ronald, Elle van Rijn en Femmetje de Wind de roman Een familie & een Griekse god.
Ad Schaap Horecaondernemer en centrale persoon in Beer, het door Ronald geschreven boek over de geschiedenis en ontwikkeling van restaurantketen De Beren.
Tom Schamp Vlaamse illustrator en kinderboekenmaker. Verzorgde de illustraties bij Piet verliefd.
Carola Schouten Politicus en bestuurder. Werd door Ronald geïnterviewd voor Het beste van jezelf.
Feike Sijbesma Ondernemer en voormalig bestuursvoorzitter van DSM. Werd door Ronald geïnterviewd voor Het beste van jezelf.
Arne Slot Voetbaltrainer. Werd door Ronald geïnterviewd voor Het beste van jezelf.
Frits Spits Radiopresentator, schrijver en taalpromotor. Ronald beschreef hoe Spits’ radioprogramma De Avondspits het cement van zijn muzikale opvoeding vormde. Per 1 januari 2026 volgde Ronald hem rechtstreeks op als presentator van De Taalstaat op NPO Radio 1.
Emile van der Staak Chef-kok van restaurant De Nieuwe Winkel. Werd door Ronald geïnterviewd voor Het beste van jezelf.
Ronald van de Streek Brouwer en ondernemer. Maakte samen met Ronald de interactieve podcastserie Fuck Wijn, waarin bier, wijn, smaak en gastronomie centraal stonden.
Marten Toonder Schrijver en stripmaker en geestelijk vader van Olivier B. Bommel en Tom Poes. Voor de AI-editie van Het Bommel-verschiet schreef Ronald samen met ChatGPT een voorwoord in dialoogvorm.
Jean-Marc van Tol Jeugdvriend van Ronald, schrijver, tekenaar en een van de makers van Fokke & Sukke. Zijn tekentalent droeg volgens Ronald bij aan diens besluit om zich vooral op het schrijven te richten. Van Tol was op 2 april 2021 te gast in de aflevering ‘Tripel met Jean-Marc van Tol’ van de podcastserie Fuck Wijn.
Peter van Uhm Voormalig Commandant der Strijdkrachten. Werd door Ronald geïnterviewd voor Het beste van jezelf.
Mark van Vugt Evolutionair psycholoog en coauteur van Mismatch. Schreef samen met Ronald over de evolutionaire oorsprong van menselijk gedrag en de problemen die ontstaan wanneer de menselijke aanleg uit de oertijd botst met de moderne samenleving.
Robert Jan Westdijk Filmregisseur en scenarioschrijver. Regisseerde de in 2003 verschenen verfilming van Ronalds roman Phileine zegt sorry en schreef het filmscenario samen met Ronald.
Niels van der Laan Cabaretier, schrijver en theatermaker en lid van het cabaretduo Van der Laan & Woe. Werd door Ronald geïnterviewd voor Het beste van jezelf.
Elle van Rijn Schrijver en actrice. Schreef samen met Ronald, Roos Schlikker en Femmetje de Wind de roman Een familie & een Griekse god.
Suse van Kleef Sportjournalist en presentatrice. Werd door Ronald geïnterviewd voor Het beste van jezelf.
Femmetje de Wind Schrijver. Schreef samen met Ronald, Roos Schlikker en Elle van Rijn de roman Een familie & een Griekse god.
Jeroen Woe Cabaretier, schrijver en theatermaker en lid van het cabaretduo Van der Laan & Woe. Werd door Ronald geïnterviewd voor Het beste van jezelf.
Joost Zwagerman Schrijver, dichter en essayist en een literaire vriend van Ronald. In 2000 trokken zij samen door het land met de theatervoorstelling Hamerliefde. Tijdens de tour wisselden zij elkaar op het podium af met voordrachten en beschouwingen over liefde, literatuur, wetenschap en seksualiteit.