
Op dinsdag 16 april 2019 om 20:00 uur gaf Ronald Giphart onderstaande Vrijheidscollege op de Wageningen Universiteit (Wageningen University & Research), meestal afgekort tot WUR.
Hieronder staat de tekst en achter deze link is het filmfragment te bekijken.
Toen ik begon met schrijven, had ik eigenlijk één grote wens: dat ik ooit nog eens in de Stad van de Bevrijding een Vrijheidscollege zou mogen geven. Is het leuk in Wageningen?
Oké, nou, dat klinkt heel enthousiast.
Ik wil beginnen met een welgemeend: hallo.
Hallo!
Heel goed. Hallo. Hallo. Nog een keer.
Maar dit is anders dan bij de andere sprekers. Dit is de titel van mijn lezing: Hallo. Daar begin ik dus bij. U begint zich dan af te vragen: wat is dat nou, “Hallo”? Waarom zegt u dat? Daar kom ik zo meteen op terug.
We zijn hier vanwege Franklin D. Roosevelt, die in 1941 zijn State of the Union hield, waarin hij de vier vrijheden benoemde die Elizabeth al noemde: de vrijheid van angst, de vrijwaring van gebrek, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst.
Ik ben hier gevraagd omdat ik romanschrijver ben. Mijn vrijheid als burger is al ongelooflijk groot. De vrijheid die hier heerst, wordt elders niet geloofd, zoals Koot en Bie ooit zongen. En de vrijheid die ik als romanschrijver heb, is zo mogelijk nog groter.
Als ik hier nu als burger haatdragende taal zou gaan uiten, of oproepen tot haat, dan zou het Openbaar Ministerie daar wellicht een onderzoek naar kunnen doen. Als ik precies hetzelfde in een roman doe, is het vrijwel uitgesloten dat mij dat ooit in problemen zal brengen.
Na de oorlog is het nog maar één keer gebeurd dat een schrijver zich voor een mening voor de rechter moest verantwoorden. Twee andere schrijvers zijn een beetje in de problemen gekomen; één schrijver vanwege seksualiteit. Maar de vrijheid is ongekend. In vroeger tijden was dat anders.
Wie van u heeft Madame Bovary gelezen? Bijvoorbeeld van Gustave Flaubert. Een prachtig boek over de vrouw van een arts die een nogal losbandig leven leidt. Toen dat in 1857 in Frankrijk verscheen, was het zó schokkend dat Flaubert zich voor de rechter moest verantwoorden voor het gedrag van zijn personage.
Nou, dan heb je toch als schrijver iets bereikt.
Wij weten inmiddels dat dat natuurlijk niet kan: als een personage in een roman een moord pleegt, heeft de schrijver geen moord gepleegd. Maar daar hebben we wel achter moeten komen.
U heeft wellicht gehoord dat de afgelopen weken weinig studenten nog Nederlands gaan studeren. Ongeveer tweehonderd studenten per jaar studeren Nederlands in Nederland. In het buitenland is dat heel anders. Daar zijn veel studenten Nederlands.
Ieder jaar worden buitenlandse studenten Nederlands in de zomer naar Nederland gehaald voor een bijscholingscursus. Dan komen schrijvers langs en bezoeken zij als het ware het thuisland van de taal.
Ik ben daar ook een keer geweest. Dat was voor mij een bijzondere ontmoeting, want de vrijheid die ik als schrijver hier heb, wordt in het buitenland lang niet door iedereen geloofd.
Ik heb daar stukken voorgelezen die soms met behoorlijke verbazing en soms ook met afgrijzen werden ontvangen.
Een jongen uit Indonesië zei tegen mij: “Als u dit in mijn land zou schrijven, dan zat u in de gevangenis. Eigenlijk hoort u dan ook in de gevangenis.”
Dat was voor mij toch een eyeopener.
Ik ben gedebuteerd in 1992. Mijn personages in de beginjaren waren een beetje losbollen. Wij werden gerekend tot de Generatie Nix. Dat is een term die we niet zelf bedacht hebben, maar die over onze personages ging.
Ik kan me herinneren dat er in een recensie stond: “Gek, de jeugd vertegenwoordigd door de personages van Ronald Giphart en Rob van Erkelens heeft toch werkelijk niets meegemaakt. Je gunt zo’n generatie bijna dat ze de Tweede Wereldoorlog heeft meegemaakt.”
Ja, daar konden we het mee doen.
Ik was toen net bezig met het concipiëren van een nieuwe roman. Destijds was er een serie, Blackadder, die u wellicht ook gezien heeft, waarin hetzelfde personage steeds in een ander tijdvak terechtkwam.
Toen dacht ik: dat vind ik leuk.
Ik ga een boek dat ik geschreven heb — Giph verscheen in 1993 — met drie studenten die in een studentenhuis wonen, nemen en diezelfde jongens gewoon in de Tweede Wereldoorlog neerzetten. Kijken wat er gebeurt. Kijken hoe dat van invloed is op hun gedrag.
Dat was een experiment dat, vond ik zelf, wonderwel werkte.
Ik ben me gaan inlezen in het Utrechtse studentenleven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat bleek een vat vol fantastische verhalen te zijn.
En wat ik hier nu wil doen…
Een paar weken geleden hebben we de aanslag in Nieuw-Zeeland gehad. De minister-president aldaar zei tijdens een persconferentie: “Ik ga de naam van de dader niet noemen. We gaan hem die eer niet gunnen.”
Ik was net bezig met het schrijven van dit praatje en dacht: ik ga het omdraaien.
Ik ga juist wél de namen noemen van mensen die het verdienen genoemd te worden.
Dus wat ik de komende veertig minuten wil doen, is namen noemen van studenten, van mensen die om studenten heen cirkelden. Ik ga foto’s laten zien en ik ga hun verhalen vertellen, eigenlijk alleen maar om hen te eren en te laten zien wat hun opofferingen voor onze vrijheid zijn geweest.
Ik ga hun verhalen vertellen, eigenlijk alleen maar om hen te eren en te laten zien wat hun opofferingen voor onze vrijheid zijn geweest.
Goed. In januari 1941 hield Franklin D. Roosevelt zijn beroemde rede over de Vier Vrijheden. Ik wil eigenlijk beginnen in mei 1940, in Utrecht.
Mijn hele verhaal speelt zich in Utrecht af. Zijn er mensen uit Utrecht? Of geboren in Utrecht? Utrechters?
Mooi. Dit is een Utrechts verhaal. Uiteraard heeft Wageningen ook een indrukwekkend verzetsverleden. Ik ben hier met mensen uit het Wageningse verzet in gesprek geweest; we hebben zelfs een hele gezellige avond gehad. Maar ik ga me vandaag op Utrecht richten.
U moet zich voorstellen: mei 1940. De Utrechtse Dom, het hoogste gebouw van Nederland. Daar hadden studenten zich verzameld om uit te kijken over de velden of de vijand er al aankwam. Er was oorlogsdreiging. Er dreigde een oorlog met Duitsland, onze buren.
Met verrekijkers hielden zij het oostelijke gedeelte van het land in de gaten om te zien of er troepenbewegingen waren. Er was natuurlijk geen WhatsApp en we konden ook niet even op internet kijken wat er aan de hand was. Veel ging nog via visuele observaties.
Dat weten we omdat zij dat in brieven hebben opgeschreven.
Op 6 mei was er dreiging. Er was angst. Stel je even voor dat je student bent en in een stad woont waarvan je weet: het zou zomaar oorlog kunnen worden. Er zouden doden kunnen vallen.
Studentenverenigingen hadden aan de Drift gezamenlijk een noodhospitaal ingericht, zodat eventuele gewonden konden worden opgevangen. Daar hielden zij zich mee bezig.
Toen kwam 10 mei 1940. De Duitsers vielen Nederland binnen en de invasie was begonnen. Dat was in Utrecht zelf nog niet direct zichtbaar, maar het nieuws ging als een lopend vuurtje door het land. Er werd gevochten.
Dat deed iets met de stad Utrecht. Op het moment dat er een bezetter zou kunnen komen, ben je immers ook je vrijheid kwijt. Iedereen was bezig zijn positie te bepalen.
Ook aan de universiteit, waar de studenten zaten, werden heftige discussies gevoerd tussen hoogleraren. Gaan we ons aanpassen aan de bezetter? Dat was ook de officiële lijn van het Ministerie van Binnenlandse Zaken: pas je aan, zorg dat er zo min mogelijk doden vallen en dat het land zo min mogelijk schade ondervindt.
Of gaan we ons verzetten?
Die discussie werd nog ingewikkelder toen op 13 mei 1940 koningin Wilhelmina naar Engeland vluchtte, samen met de regering en de Nederlandse goudvoorraad. Dat viel in Nederland niet bij iedereen goed. Het werd door velen niet als erg motiverend ervaren.
Toen, op 14 mei, dus een dag nadat Wilhelmina was vertrokken, zagen de studenten boven op de Dom in de verte vliegtuigen aankomen.
De angst sloeg toe.
Godzijdank voor Utrecht vlogen de vliegtuigen door naar Rotterdam, waar zij — zoals u weet — de stad bombardeerden. Dat veroorzaakte een enorme vuurzee. Vergeleken daarmee was de brand in Parijs van gisteren maar een lucifer.
De gevolgen van die brand bereikten zelfs Utrecht. Door de wind kwam er aan het eind van de avond een deken van kleine asdeeltjes over de stad heen.
Inmiddels hadden de Duitsers bekendgemaakt: Utrecht is de volgende. Nederland moet capituleren, anders is Utrecht aan de beurt.
Probeer je eens voor te stellen wat dat met een stad doet. Je loopt ’s avonds door Utrecht en je weet: als wij ons nu niet overgeven, dan is het met onze stad gedaan.
Dit is aartsbisschop Jan de Jong, destijds aartsbisschop van Utrecht. Hij had een ongelooflijke hekel aan de Duitsers en aan het nationaalsocialisme.
Op het allerlaatste moment heeft hij nog zestien jonge priesters gewijd, om maar zoveel mogelijk priesters beschikbaar te hebben, omdat hij bang was dat de Duitsers zijn medewerkers zouden oppakken. Zijn koffers stonden zelf ook al klaar.
Dit was de toenmalige burgemeester van Utrecht: Ter Pelkwijk. Ik kom straks nog op hem terug.
Hij hield op 14 mei een vergadering met onder anderen aartsbisschop De Jong, andere religieuze gezagsdragers en zijn assistente Emma Tellegen, een vrouw die later veel voor het verzet heeft betekend. Ook daar kom ik straks nog op terug.
De vraag was: wat moeten we doen?
Maar godzijdank capituleerde Nederland op 15 mei. Bij monde van generaal Winkelman gaven wij ons over.
Mensen die ooit geschiedenis op school hebben gehad, zullen zich dat misschien nog herinneren. Nederland capituleerde.
Dat gaf aan de ene kant een gevoel van frustratie, maar aan de andere kant ook opluchting.
Toch was er ook veel wanhoop. In die eerste oorlogsnacht pleegden bijvoorbeeld 188 Joodse Nederlanders zelfmoord.
Dat is een verschrikkelijk gegeven om ons te realiseren.
De Duitsers namen daarna snel het gezag over. De machtsverhoudingen veranderden. Gebouwen werden gevorderd en er verschenen Duitse soldaten in de straten.
Dat was het begin van de bezetting.
Dat was het begin van de bezetting. Eigenlijk veranderde er aanvankelijk nog niet zo heel erg veel, althans niet direct voor onze vrijheid.
Wat wel veranderde, was dat de NSB als kool groeide. Aan het begin van de oorlog had de NSB ongeveer 29.000 leden. Aan het eind van 1940 waren dat er al zo’n 86.000. Dat noem je meikevers: mensen die toch nog snel lid werden van de NSB, in de hoop er een slaatje uit te slaan of misschien een bestuurlijke functie te krijgen.
Het verzet was in het begin klein verzet.
Mensen haalden grapjes uit met de Duitsers. Burgemeester Ter Pelkwijk moest bijvoorbeeld een hoge Duitse functionaris officieel ontvangen. Normaal gesproken zou een burgemeester iemand met ambtsketen ontvangen. Stel dat Mark Rutte hier naar Wageningen zou komen, dan kunt u er toch van uitgaan dat de burgemeester hem officieel welkom heet.
Ter Pelkwijk deed dat niet. Hij liet de Duitse functionaris door een ambtenaar ontvangen en bovendien via een zij-ingang het stadhuis binnenkomen.
Klein verzet.
Op 29 juni, de verjaardag van prins Bernhard, droeg iedereen een witte anjer.
Klein verzet.
Als mensen elkaar op straat tegenkwamen, zeiden ze tegen elkaar: “OZO.” Weet iemand waar dat voor staat?
“Oranje Zal Overwinnen.”
Dat zei men tegen elkaar.
En een andere was: als je iemand op straat tegenkwam, zei je: “Hallo.”
Dat betekende:
“Hang Alle Laffe Landverraders Op.”
Ook dat was klein verzet.
Een mooi voorbeeld vinden we in het Utrechtse studentenleven.
Je had in Utrecht het Utrechtsch Studenten Corps. Hebben jullie hier ook een corps? Ja? Heel goed.
Daarnaast was er de christelijke studentenvereniging SSR.
Bij het corps waren op een gegeven moment gedemobiliseerde officieren te gast geweest. Zij spraken de studenten aan op hun, in hun ogen, wat timide houding tegenover de Duitse overheersers. Studenten moesten zich wat meer organiseren en zich nadrukkelijker verzetten.
Kort daarna confisqueerden de Duitsers het gebouw van het corps.
Het kleine verzet bestond toen uit het volgende: op de laatste avond voordat de Duitsers het gebouw betrokken, werden alle sloten en klinken van de deuren verwijderd.
Dat vonden de Duitsers buitengewoon vervelend.
Professor Pieter Geyl, een belangrijke Utrechtse hoogleraar, was de eerste die een grote protestrede hield. Daarin sprak hij zich openlijk uit tegen de Duitsers, en vooral tegen de maatregelen tegen Joodse hoogleraren en Joodse medewerkers.
Daar werd niet lichtzinnig op gereageerd.
Hij werd al snel gearresteerd en heeft lange tijd gevangen gezeten.
Het verzet werd daarmee steeds minder vrijblijvend en steeds minder klein.
Wim van der Grinten, een student, trok zich de rede van Pieter Geyl sterk aan. Hij verspreidde anoniem een oproep onder studenten door de hele stad:
“Laten we met z’n allen gaan staken. Laten we de Duitsers zien dat onze universiteit weliswaar open moet blijven, maar dat wij haar zonder studenten toch kunnen stilleggen.”
Dat anonieme pamflet veroorzaakte enorme commotie.
Ik stap heel even uit mijn verhaal om iets over Wim te vertellen.
Hij is enkele jaren geleden uitgeroepen tot de grootste universitaire Utrechter aller tijden, samen met Buys Ballot.
Dat is omdat hij zich buitengewoon heldhaftig heeft gedragen.
Hij werkte later voor Het Parool, heeft zich zijn hele leven tegen de bezetter verzet en gestreden voor de vrijheid.
Hij heeft de oorlog niet overleefd.
Hij werd gearresteerd nadat de redactie van Het Parool was verraden. Vlak voor zijn dood mocht hij nog trouwen met de Utrechtse studente Hansje van Bang. Maar ook dat heeft niet kunnen voorkomen dat hij uiteindelijk in gevangenschap is overleden.
Ik wil zijn naam gewoon even noemen, zodat we hem blijven herinneren.
En nog iemand die we moeten herinneren, is professor Koningsberger.
Ook hij hield aan de Universiteit Utrecht een protestrede. Dat was bepaald niet zonder gevaar. Hij hield een bevlogen toespraak waarin hij studenten opriep de krachten te bundelen en zich tegen de Duitsers te verzetten.
Na afloop liet hij de tekst van zijn rede op zijn lessenaar liggen, in de verwachting dat studenten die zouden meenemen, vermenigvuldigen en illegaal verspreiden.
Maar de studenten dachten:
“We hebben gezien wat er met professor Pieter Geyl is gebeurd. Laten we professor Koningsberger tegen zichzelf in bescherming nemen.”
Daarom namen zij de tekst juist níét mee.
Dat zijn allemaal verhalen waar ik nog vaak met veel ontroering aan terugdenk wanneer ik ze lees.
Dat zijn allemaal verhalen waar ik nog vaak met ontroering aan terugdenk als ik ze lees. Je denkt dan ook aan wat er allemaal had kunnen gebeuren.
Inmiddels zijn we aangekomen in januari 1941, het moment waarop de Vier Vrijheden werden geformuleerd.
Als we kijken hoe Nederland er destijds voor stond, dan ging het economisch eigenlijk plotseling best goed. Na een zware periode vóór de oorlog kwam dat doordat de Duitsers ons bezet hadden. Er ontstond een enorme oorlogsindustrie. Laarzen, kleding, allerlei goederen en kantoorartikelen werden massaal bij Nederlandse bedrijven besteld. Dat gaf de economie een zekere impuls.
Dat had overigens meerdere oorzaken. Eén daarvan was deze meneer: Frits Fentener van Vlissingen. Hij was een groot industrieel, op dat moment de rijkste man van Nederland en oliehandelaar voor het Duitse Rijk. Hij heeft Hitler meerdere malen ontmoet en was onder andere commissaris bij een Duits staalbedrijf.
Zijn zoon is later overigens een verzetsheld geworden, dus uiteindelijk slaat dat verhaal weer de goede kant op.
Fentener van Vlissingen leverde onder meer olie aan het Duitse Rijk en was een van de oprichters van de Jaarbeurs in Utrecht.
De Jaarbeurs organiseerde in het voorjaar van 1941 een grote beurs. Grappig genoeg sluit dat aan bij de vraag die hier net over robots werd gesteld, want daar werd ook de allereerste robot van Nederland tentoongesteld.
Dat was dus in 1941, terwijl de oorlog in volle gang was.
Bij de ingang van de Jaarbeurs stond de eerste functionerende robot van Nederland de bezoekers te verwelkomen. Ik weet niet precies wat hij deed; misschien bewoog hij af en toe zijn rechterarm. Maar goed, zo zag Nederland er in 1941 uit.
Ondertussen begon de onvrede onder studenten steeds verder te groeien.
Deze jongeman, Geert Lubberhuizen, ergerde zich enorm aan het lakse en passieve gedrag van zijn medestudenten én aan het feit dat Duitse hoogleraren werden benoemd en Joodse hoogleraren op Duits bevel werden ontslagen.
Hij besloot daar iets aan te doen.
Er was een Utrechts studentenblad, Pharetra. De redactie daarvan had ook op de Dom gestaan om uit te kijken. Het blad vormde echt een hart van het verzet.
Lubberhuizen schreef daarin een bespreking van een Duitse film die destijds in de bioscopen draaide, een verschrikkelijk antisemitische film. Hij schreef daarin onomwonden hoe afschuwelijk die film was.
Dat veroorzaakte enorme opschudding.
De Duitsers waren woedend. Zij riepen Geert bij zich en gaven hem een straf. In die tijd dachten ze nog dat zulke overtredingen met een betrekkelijk milde maatregel konden worden bestraft.
Drie maanden lang moest hij zich iedere dag rond borreltijd melden bij de Sicherheitsdienst, waar hij vervolgens in een kamer moest gaan zitten wachten terwijl zijn medestudenten gezellig konden borrelen.
Dat vond hij aanvankelijk al een vervelende straf.
Tot hij ontdekte dat hij daar steeds alleen zat, in een ruimte waar briefpapier, officiële stempels en allerlei Duitse documenten lagen.
Hij moest daar toch iedere dag drie maanden zitten.
Dus begon hij stempels mee naar huis te nemen, naar het studentenhuis waar hij woonde. Hij gaf die aan een vriend van hem, Rudolf Mathijsen — daarvan laat ik straks nog foto’s zien — en die maakte vervalsingen van de stempels en van het officiële briefpapier.
Dat is zo’n toevalligheid waarvan je denkt: als ik dit in een roman zou bedenken, zou iedereen zeggen dat het té toevallig is.
Maar juist deze gebeurtenis heeft uiteindelijk levens gered.
Daar kom ik straks nog op terug.
Dit is Johan Brouwer, hoogleraar Spaans — hispanoloog.
Hij vond dat het studentenverzet zich beter moest organiseren. Er was wel verzet; zo werden bijvoorbeeld Duitse borden op het Neude door studenten omvergetrokken. Daar kreeg je dan twee maanden gevangenisstraf voor.
Maar Brouwer vond dat het professioneler moest.
Hij nodigde jonge studenten bij hem thuis uit en leerde hun hoe zij zich moesten organiseren.
Alles draaide om informatie.
Je moest informatie veilig opbergen. Niet iedereen hoefde alles te weten. Als iets voor jouw taak niet belangrijk was, hoefde jij dat ook niet te weten. Want als jij werd opgepakt, kon je ook niets prijsgeven over anderen.
Dat moest je leren.
Heel beroemd is het verhaal van de Haagse hopjes.
Een student schreef belangrijke informatie aan de binnenkant van de wikkeltjes van Haagse hopjes. Hij hoefde die informatie daardoor niet uit zijn hoofd te leren. Mocht er een inval van de Duitsers komen, dan zouden zij nooit op het idee komen om de binnenkant van hopjeswikkels te bekijken.
Zo bleef de informatie verborgen.
Dat verhaal van de Haagse hopjes is werkelijk gebeurd.
Op die manier probeerde Johan Brouwer het studentenverzet steeds beter te organiseren en te stroomlijnen.
Iemand anders die zich intensief met het verzet bezighield, was opnieuw aartsbisschop Jan de Jong.
Jan de Jong schreef veel herderlijke brieven. Die werden op zondag in kerken door heel Nederland voorgelezen.
In de kerken werd bijvoorbeeld geproclameerd dat mensen die lid waren van de NSB niet meer op gewijde grond begraven mochten worden. Zij konden ook geen lid meer blijven van de katholieke kerk.
Dat werd door de Duitsers én door katholieke NSB’ers als een oorlogsverklaring gezien.
Er is een heel beroemd verhaal over Jan de Jong. Hij had een herderlijke brief geschreven die overal verspreid zou worden. De Duitsers waren daarachter gekomen.
Op een nacht, om vier uur ’s nachts, werd aangebeld bij het aartsbisschoppelijk paleis aan de Maliebaan, waar Jan de Jong woonde. Hij werd wakker gemaakt, kwam naar beneden en trof daar een aantal SS’ers aan die hem kwamen vertellen dat die brief niet mocht worden voorgelezen.
Jan de Jong antwoordde slechts:
“Ik neem dat voor kennisgeving aan. U merkt morgen vanzelf wel wat mijn antwoord zal zijn.”
De volgende dag liep hij rustig naar zijn eigen kerk aan de Lange Nieuwstraat in Utrecht en hoorde daar hoe een priester zijn herderlijke brief gewoon voorlas, terwijl de Duitsers buiten stonden om hem eventueel te arresteren.
Ze durfden het uiteindelijk toch niet aan.
Wel kreeg hij een boete van vijfhonderd gulden, wat destijds een enorm bedrag was.
Maar nog voordat de boete in de krant stond, kwamen mensen al geld brengen naar het paleis om de boete voor hem te betalen.
Zo werd het verzet steeds iets sterker.
Ik heb ook een citaat van Jan de Jong meegenomen:
“De burger moet zijn gewone leven als een huid afstropen en de maatschappelijke mens moet onmaatschappelijk worden.”
Dat vond Jan de Jong heel belangrijk en daar heeft hij tijdens de oorlog ook naar geleefd.
Er wordt, zeker in linkse kringen — en ik kom zelf ook uit linkse kringen — nogal eens wat schamper gedaan over de katholieke kerk tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Maar ik mag oprecht zeggen dat Jan de Jong zich tijdens de oorlog als een held heeft gedragen en ervoor heeft gezorgd dat levens zijn gered, onder andere via Kindjeshaven.
Kindjeshaven is één van de grote succesverhalen van het Utrechtse studentenverzet.
De vrouwelijke studenten die in mei 1940 al bezig waren geweest met het inrichten van een noodhospitaal, zagen na het uitbreken van de oorlog dat er ook op een andere manier hulp nodig was.
Trui van Lier en Jet Berdenis van Berlekom begonnen vrijwel direct na het uitbreken van de oorlog een crèche.
Die crèche diende in werkelijkheid als dekmantel.
Officieel was de crèche bedoeld voor kinderen uit de buurt en later ook voor kinderen van Nederlandse meisjes die door Duitse militairen zwanger waren geraakt. Daardoor kreeg de crèche een bijzondere status.
Jet en Trui gingen zelfs naar de Duitse autoriteiten om te vertellen dat zij extra aandacht wilden besteden aan deze kinderen.
In werkelijkheid bleek de crèche een dekmantel te zijn om Joodse kinderen uit Amsterdam onder te brengen.
Hoe fantastisch is dat?
Ongeveer 150 kinderen zijn rechtstreeks door deze twee vrouwen uit Amsterdam gered.
Daarvoor was natuurlijk een enorme organisatie nodig.
En juist dat hadden zij weer geleerd van Johan Brouwer.
Wanneer er een Joods kindje kwam, moest dat op een veilige manier worden ondergebracht.
Dat kon bijvoorbeeld door het kind officieel in het Utrechtse bevolkingsregister op te nemen.
En daar komen burgemeester Ter Pelkwijk en Emma Tellegen weer om de hoek kijken.
Stel dat een kindje, laten we zeggen Dolf Cohen, in 1939 in Amsterdam was geboren. Dat kindje werd vervolgens naar Utrecht gesmokkeld. Daarna werd Dolf Cohen onder een andere naam — bijvoorbeeld Piet de Vries — ingeschreven in het bevolkingsregister bij een Utrechts gezin dat al kinderen had.
Die inschrijving werd bovendien geantedateerd.
“Piet de Vries” was een volkomen Nederlands klinkende naam.
Dat is verzet van een heel andere orde.
Als dit bekend was geworden, had dat zeer zware consequenties gehad.
Er moest bovendien een administratie worden bijgehouden van wie “Piet” werkelijk was, waar hij vandaan kwam en waar hij uiteindelijk terechtkwam.
Pietje moest ook bonnen krijgen om te kunnen eten. Er moest geld beschikbaar zijn. Al die administratie moest ergens worden bewaard.
Dat is iets waar ik me altijd over verbaas.
Waar bewaar je zo’n administratie?
Je kunt die natuurlijk ergens in een studentenhuis neerleggen, maar wat gebeurt er als de Duitsers die administratie vinden?
Er moest dus een manier worden bedacht om die gegevens zó op te schrijven dat ze, zelfs als de administratie gevonden werd, nog enigszins veilig waren.
Toen kwam iemand op het idee:
“Laten we die administratie onderbrengen op één van de veiligste plekken van Utrecht: de kluis van de aartsbisschop.”
Ze gingen dus naar Jan de Jong en vroegen of de administratie in zijn kluis mocht worden bewaard.
Er bestaat een apocrief verhaal — ik heb het bij Ad van Liempt nagevraagd en ook hij weet niet of het waar is — dat de Duitsers op een gegeven moment inzage wilden krijgen in die kluis.
Jan de Jong zou toen hebben gezegd:
“Dat is goed, maar dan zult u eerst over mijn dode lichaam mijn paleis binnen moeten komen.”
De Duitsers zouden dat uiteindelijk niet hebben aangedurfd.
Of het waar is, weten we niet.
Maar ik vind het een mooi genoeg verhaal om het hier toch te vertellen.
Hoe kwamen die kinderen uiteindelijk in Kindjeshaven terecht?
Dat is weer een ander verhaal: het Kindercomité.
Wat gebeurde er?
Op 14 juli 1942 vond er in Amsterdam een razzia plaats. Een student sociale geografie, Aat Groen, wist een aantal Joodse kinderen die tijdens die razzia waren opgepakt uit de groep los te krijgen. Hij bracht hen onder bij de moeder van een studiegenoot, Jan Meulenbelt.
Maar vervolgens zaten ze daar met die kinderen en wisten ze eigenlijk niet goed wat ze ermee moesten.
Toen bedachten ze een manier om de kinderen naar Utrecht te brengen.
Er was in die tijd nog maar weinig contact tussen Kindjeshaven en het latere Kindercomité. Uiteindelijk zijn al die kinderen, met hulp van een grote groep studenten onder leiding van Geert Lubberhuizen, ondergebracht.
Een andere heldin die zich hiermee bezighield was Annie de Waard.
Annie was ook studente, maar kon zich heel overtuigend voordoen als kindermeisje. Ze beschikte over verschillende valse identiteiten, waarmee zij naar Amsterdam reisde om kinderen op te halen en veilig naar Utrecht te brengen.
Die identiteiten moesten natuurlijk vals zijn.
Daarom werd een vervalserscentrale opgericht door een jonge man genaamd Rudolf Mathijsen.
Op die manier zijn uiteindelijk ongeveer vierhonderd Joodse kinderen uit Amsterdam gered door Nederlandse studenten.
Dit is Frits Jordens.
Hij was één van de studenten die zich daarmee bezighield.
Ik wil hem graag laten zien omdat hij zich buitengewoon heldhaftig heeft gedragen.
Er dreigde voortdurend gevaar.
Op een gegeven moment was er sprake van mogelijk verraad. Er zaten kinderen op een adres waar ze absoluut niet langer konden blijven. Ze moesten onmiddellijk worden opgehaald.
Frits Jordens kende een goede politieagent in Utrecht.
Er waren namelijk twee politieagenten met de naam Smorenburg.
De één stond bekend als de schrik van Utrecht: een zogenaamde Jodenjager, die actief op zoek ging naar Joden om hen aan te geven en daarvoor geld te ontvangen. Een foute man, in al zijn vezels.
Maar hij had een broer die juist aan de kant van het verzet stond.
Frits Jordens leende op een bepaald moment het politie-uniform van die goede broer. Daarmee ging hij, samen met een bevriende student, naar een huis in een Utrechtse arbeiderswijk waar problemen waren ontstaan.
Met gevaar voor eigen leven haalden zij daar de kinderen weg.
Dat is iets waar ik vaak aan moet denken.
Ik heb dit verhaal ook aan mijn eigen kinderen verteld.
Ik heb een zoon van 21, die politicologie heeft gestudeerd, een dochter van 19 en een zoon van 12.
Kun je je voorstellen dat je, op je eenentwintigste of tweeëntwintigste, met zoveel moed en met gevaar voor je eigen leven dit voor andere mensen doet?
Mijn oudste zoon zei:
“Dat durf ik eerlijk gezegd niet te zeggen.”
Mijn dochter zei:
“Ik hoop het wel.”
En mijn twaalfjarige zei:
“Ja, echt wel.”
Goed, als je twaalf bent, mag dat natuurlijk ook nog.
Net als bij Kindjeshaven was ook hier de organisatie van levensbelang.
Er moest ongelooflijk veel geld binnenkomen.
Frits Jordens bezocht welgestelde mensen en vroeg:
“Zouden jullie geld willen geven voor voedselbonnen en voor de arbeidersgezinnen die deze kinderen opvangen? Zij kunnen dat financieel niet alleen dragen.”
Er was dus voortdurend extra geld nodig.
Jan de Jong stelde 12.000 gulden uit de kerk beschikbaar.
Er was ook een weduwe die het zelf helemaal niet breed had. Ze kwam kijken of ze misschien een klein bedrag kon bijdragen en liet uiteindelijk 1.600 gulden achter.
De bevolking hielp mee.
Toch kwam er nog steeds te weinig geld binnen.
Daar komen we weer terug bij Rudolf Mathijsen en de vervalserscentrale.
Rudolf Mathijsen en Geert Lubberhuizen zaten samen in een restaurant in Utrecht. Ze hadden het over een gedicht van Jan Campert, de vader van Remco Campert:
Het Lied der Achttien Dooden.
Toen ontstond het idee.
(Even leuk om te laten zien: dit is Rudolf Mathijsen nu. Hij leeft nog steeds. Mooi, hè? U hebt net verschillende studenten gezien die hun leven hebben gegeven, en hij loopt er nog altijd kerngezond bij.)
Rudolf Mathijsen was betrokken bij de oprichting van Uitgeverij De Bezige Bij.
Die uitgeverij is tijdens de oorlog opgericht om geld in te zamelen voor het studentenverzet.
Het Lied der Achttien Dooden werd prachtig gedrukt en vervolgens verkocht voor bedragen tussen de 10 en 25 gulden.
Mensen konden daarmee het verzet steunen én kregen er een mooi boekje voor terug.
Ik heb er zelf één meegenomen.
Dit boekje is in 1944 verschenen.
Dit is mijn eigen exemplaar, dat ik ooit heb gekocht. Het is echt uit 1944.
Er zijn er ongeveer tweeduizend van gedrukt.
Met de opbrengst werden studenten ondersteund, maar ook kunstenaars die niet wilden toetreden tot de Kultuurkamer. Zij kregen op deze manier toch een uitkering om van te kunnen leven.
Dat ontroert me iedere keer weer als ik eraan denk.
Uitgeverij De Bezige Bij bestaat nog steeds.
Het is tegenwoordig mijn uitgever, dus dat vind ik helemaal mooi om te vertellen.
Maar ook dit was natuurlijk niet zonder risico.
Die boekjes moesten worden gedrukt en vervolgens verspreid.
Er is een tragisch verhaal uit 1944 over een grote Utrechtse drukkerij.
Daar werkten twee directeuren.
De één was uitgesproken goed, de ander uitgesproken fout.
De directeur die aan de kant van het verzet stond, had op een dag zo’n boekje in zijn zak.
Hij werd ontdekt en is diezelfde dag nog geëxecuteerd.
Het verzet werd steeds krachtiger.
Maar ook de represailles werden steeds harder.
Die NSB-kranten werden daar gedrukt. Dat gebeurde allemaal op papier dat door de Duitsers was verstrekt.
Wat de Duitsers alleen niet wisten, was dat een groot deel van datzelfde papier óók werd gebruikt voor Vrij Nederland en Het Parool.
In zekere zin hebben de Duitsers dus zelf meebetaald aan de illegale Nederlandse pers.
Rudolf Mathijsen, die we net al even zagen, is ook gearresteerd geweest.
Dat zag er heel dreigend uit, want hij had illegaal drukwerk bij zich. Ook had hij voedsel en distributiebonnen bij zich voor een gezin waar hij naartoe onderweg was.
Tijdens zijn verhoor sprong hij uit een raam, waardoor hij gewond raakte en in het ziekenhuis terechtkwam.
Daar wist hoogleraar Ger Kempe uiteindelijk zo overtuigend een beroep te doen op een Duitse officier — door uit te leggen dat het voedsel en de bonnen voor hem bedoeld waren — dat Rudolf Mathijsen werd vrijgelaten.
Dat laat zien hoe dun de scheidslijn soms was tussen leven en dood.
Dan gaan we naar een nog hardere vorm van verzet:
de brand in het Academiegebouw.
Op een gegeven moment vaardigden de Duitsers een bevel uit dat alle studenten zich moesten melden om in Duitsland te gaan werken.
Hun toekomst was daarmee uiterst onzeker.
Tenzij zij een loyaliteitsverklaring ondertekenden, waarin zij verklaarden het Duitse gezag te erkennen. Dan mochten zij hun studie afmaken, waarna zij alsnog naar Duitsland zouden worden gestuurd.
De keuze was dus eenvoudig:
Als je op straat werd aangehouden of tijdens een college werd gecontroleerd en je had die loyaliteitsverklaring niet ondertekend, dan kon je diezelfde dag nog naar Duitsland worden afgevoerd.
Slechts twaalf procent van de Utrechtse studenten ondertekende die verklaring.
Dat werd internationaal gezien als een indrukwekkende daad van verzet.
Om te voorkomen dat de Duitsers dankzij hun uitstekende administratie studenten konden opsporen en arresteren, bedacht dezelfde groep die zich ook bezighield met het redden van Joodse kinderen én met de vervalserscentrale een plan.
Ze zouden brand stichten in het Academiegebouw.
Rudolf Mathijsen, die scheikunde studeerde, maakte daarvoor een geïmproviseerde brandbom.
Op een nacht lieten zij zich insluiten in het Academiegebouw.
Ze hadden eerder een sleutel weten te bemachtigen door zich voor te doen als NSB-studenten die daar een bijeenkomst hadden.
Ze lieten zich na sluitingstijd opsluiten en stichtten vervolgens brand.
Eén van de vrouwen die daarbij betrokken was, was Maclaine Pont.
Zij had alleen de pech dat zij haar bontjas achterliet.
Het was die nacht warm geweest. Ze had haar bontjas uitgedaan om gemakkelijker te kunnen vluchten en die jas bleef achter.
Daardoor wisten de Duitsers dat er in ieder geval een vrouw bij de brand betrokken was.
Ze waren woedend.
Het archief was grotendeels vernietigd en er werd een enorme klopjacht georganiseerd.
De daders werden echter niet gevonden.
Zij hebben de oorlog overleefd.
En enkele weken later zagen de Duitsers af van de geplande deportatie van de Utrechtse studenten.
De brand had dus wel degelijk effect gehad.
We zijn begonnen met kleine vormen van verzet.
Daarna werd het verzet steeds groter.
Vervolgens kwamen we uit bij de brandstichting.
En nu komen we bij misschien wel de meest ingrijpende vorm van verzet.
Dan hebben we het over Truus van Lier.
Ook dat verhaal heeft weer te maken met Jan de Jong.
Jan de Jong had een herderlijke brief geschreven waarin stond dat politieagenten zich niet schuldig mochten maken aan het oppakken van Joden.
Politieagenten die weigerden die verklaring te ondertekenen, werden onmiddellijk gevangen gezet.
Achttien Utrechtse politieagenten verdwenen direct in de gevangenis.
Eén van hen was de vader van Maarten van Traa.
Dat is even een klein historisch detail tussendoor.
Het zorgde voor enorme onrust.
De politiecommissaris — ik zal zijn naam hier niet noemen — bepaalde vervolgens dat gezinsleden van deze politieagenten als gijzelaars zouden worden opgesloten.
Probeer je eens voor te stellen wat dat teweegbrengt.
Ook familieleden van die politieagenten werden geïnterneerd.
Dat veroorzaakte enorme woede.
De verzetsgroep CS-6 besloot daarop dat er een keuze gemaakt moest worden.
Je kunt het over je heen laten komen.
Of je kunt degene die hiervoor verantwoordelijk is uitschakelen.
Ze besloten tot het laatste.
In Utrecht, op de Muntbrug, heeft Truus van Lier de politiecommissaris doodgeschoten.
Ik zeg het maar even heel direct.
Dat bracht natuurlijk weer allerlei nieuwe ellende met zich mee.
Want wanneer je een Duitser, een collaborateur of een hoge NSB-functionaris doodde, volgden er vrijwel altijd represailles waarbij onschuldige mensen werden geëxecuteerd.
Ik zou straks tijdens de discussie na afloop graag met de studenten hierover willen praten.
Probeer je eens in die situatie te verplaatsen.
Je kunt individueel verzet plegen, bijvoorbeeld door Joodse kinderen uit Amsterdam te halen en hen de oorlog door te helpen.
Maar je kunt ook kiezen voor gewapend verzet, waarbij je iemand doodt die verantwoordelijk is voor de onderdrukking.
Met alle verschrikkelijke gevolgen die dat kan hebben.
En toch kan zo’n daad tegelijkertijd van grote betekenis zijn voor het moreel van het verzet.
Dat geeft natuurlijk ook een signaal af:
“Wij laten dit niet over onze kant gaan.”
Wat zijn uw gedachten daarbij?
Ja?
De vraag is eigenlijk heel precies:
Kun je begrijpen dat iemand besluit een ander om het leven te brengen als signaal, terwijl je weet dat daardoor mogelijk ook andere, onschuldige mensen de dood zullen vinden?
Ja, heel goed.
Dat is precies de kern van het probleem.
Ik ben inmiddels op een leeftijd gekomen waarop ik daar anders over nadenk dan vroeger.
Ik vertelde dit verhaal aan mijn zoon. Hij zei:
“Ja, ik snap dat heel goed. Als signaal begrijp ik dat eigenlijk heel goed.”
Daar gaan we straks tijdens de discussie nog verder over praten.
We lopen namelijk richting het einde van mijn lezing.
Dit was Truus van Lier.
Zoals u wellicht zag, is zij in Utrecht geboren.
Na haar aanslag is zij verraden. De verzetsgroep werd verraden. Zij werd gearresteerd en drie weken later was zij dood.
Ook zij heeft uiteindelijk met haar leven voor haar daad moeten betalen.
Nog ieder voorjaar verschijnen er in Utrecht, vlak bij de brug waar de aanslag plaatsvond, bloemen die haar blijven herdenken.
Ik wil heel kort nog twee mensen noemen.
Dit is Wolter Heukels.
Hij was geen student, maar werkte nauw samen met studenten.
Hij werkte bij de PTT — voor de jongeren onder ons: dat was de vroegere Posterijen, Telegrafie en Telefonie.
Hij legde in Utrecht geheime telefoonverbindingen aan die door de Duitsers niet konden worden afgeluisterd, zodat verzetsgroepen in verschillende wijken met elkaar konden communiceren zonder te worden ontdekt.
Later is hij verraden.
Ook hij heeft de oorlog niet overleefd.
In Utrecht is een straat naar hem vernoemd.
Eén van de mensen bij wie hij zo’n geheime verbinding aanlegde was Dokter Max.
Dokter Max was de leider van het Utrechtse verzet en misschien wel, in zekere zin, van het Nederlandse verzet.
Utrecht was niet alleen de stad waar de NSB haar hoofdkwartier had; ook een belangrijk deel van het verzet werd vanuit Utrecht georganiseerd.
De Duitsers hebben de hele oorlog naar Dokter Max gezocht.
Bij de Sicherheitsdienst hing op een gegeven moment een groot overzicht waarop vrijwel het hele Utrechtse verzet in kaart was gebracht.
De vervalserscentrale stond erop.
Kindjeshaven stond erop.
Vrijwel alles stond erop.
Maar Dokter Max hebben ze nooit gevonden.
En dat kwam hierdoor.
Dit was Dokter Max.
Dat is toch fantastisch?
Zij woonde nota bene naast de Sicherheitsdienst.
Ze werd door de Duitsers beschouwd als “een oninteressant dametje”. Zo werd letterlijk over haar gesproken.
Gedurende de hele oorlog heeft zij zich met vrijwel alle onderdelen van het verzet beziggehouden: met Kindjeshaven, met de Kindercentrale, met de Vervalserscentrale en met nog veel meer.
Ik wil afsluiten met het grafschrift van Frits Jordens.
De held die uiteindelijk zijn leven heeft gegeven.
Hij hield zich voortdurend bezig met gevaarlijke verzetsacties.
Eén daarvan was het terugbrengen van neergeschoten geallieerde piloten naar bevrijd gebied.
Dat is in België misgegaan.
Tijdens één van die acties is hij door de Duitsers doodgeschoten.
Op zijn graf staat een citaat uit een gedicht van Arthur Rimbaud.
Daarin ligt een soldaat in een veld te slapen.
Op het eerste gezicht lijkt het een prachtig, vredig beeld.
Alleen…
Hij slaapt niet.
Hij ligt met een hand op zijn stille borst.
En rechts heeft hij twee rode gaten in zijn zij.
Dat zijn de kogelgaten waaraan hij is gestorven.
Goed.
Ik hoop dat ik u iets heb kunnen laten zien van het studentenverzet, van de keuzes die jonge mensen uit naam van de vrijheid hebben gemaakt en van het feit dat sommigen daarvoor uiteindelijk hun eigen leven hebben gegeven.
Ik hoop dat we straks nog kunnen napraten over de gevolgen van die keuzes en over de vraag hoe wij onszelf in zulke omstandigheden zouden gedragen.
Dat was mijn lezing.
Dank u wel.
[Applaus]