Ronald Giphart Hollands maandblad 1996 - 12 december Toets der kritiek

Hollands Maandblad

By hans, 12 oktober 2015

Hollands Maandblad is een literair tijdschrift. Het blad werd op 20 mei 1959 als Hollands Weekblad opgericht door K.L. Poll, die tientallen jaren de enige redacteur was. Vanaf 1962 werd het maandelijks in plaats van wekelijks uitgegeven en kreeg het de huidige titel. Bijna elke zichzelf respecterende schrijver heeft wel voor het blad geschreven. Nog steeds maakt menig schrijver er zijn debuut. Het is vanouds ook een platform voor essayisten en politici.

Hieronder volgen alle Hollands Maanbladen waar een stuk van of over Ronald Giphart in staat.

Hollands Maandblad

Ronald Giphart Hollands Maandblad Er is geen daar daar

Titel: Hollands Maandblad

Redactie: Bastiaan Bommeljé

Jaar: maart 2004-3

Jaargang: 45

Nummer: 676

Redactieraad:

  • J.J. Peereboom (voorzitter)
  • Gerard van Emmerik
  • Maarten ’t Hart
  • Willem Otterspeer
  • Marie-Anne van Wijnen

Vormgeving: Steven Boland

Uitgever: Stichting Hollands Maandblad in samenwerking met Uitgeverij L.J. Veen

Tekeningen: Kamagurka

Hollands Maandblad Schrijversbeurzen. Redactie, redactieraad en uitgever van Hollands Maandblad tezamen met het bestuur van de Stichting Hollands Maandblad, hebben het genoegen mede te delen dat tijdens een feestelijke bijeenkomst te Amsterdam op 26 februari 2004 de Hollands Maandblad Schrijversbeurzen 2003/2004 zijn uitgereikt aan de laureaten. Op voordracht van redactie & redactieraad werden de volgende medewerkers van Hollands Maanblad aangewezen als winnaars:

  • Categorie literair proza: Yusef El Halal
  • Categorie poëzie: Vrouwkje Tuinman
  • Categorie essayistiek: Thomas Bersee

De Hollands Maandblad Schrijversbeurzen worden jaarlijks uitgereikt aan jonge c.q. debuterende auteurs die in de voorgaande jaargang in Hollands Maandblad hebben gepubliceerd. De beurzen zijn beschikbaar voor elk der drie terreinen waarop Hollands Maandblad zich sedert de oprichting door K.L. Poll in 1959 (als toen nog Hollands Weekblad) een vooraanstaande plek in het Nederlandse literaire landschap heeft verworven: proza, poëzie en essayistiek.

Pagina’s: 41

Pagina’s Giphart:  14 – 23

Afmetingen: 26,5 x 17,4 x 0,4 cm

Type: Paperback/schrift

Inhoud:

  • Redactioneel
  • Bram Peper – Een dubbele crisis
  • Wim Brands – Gedichten
  • Ronald Giphart – Er is geen daar daar (brief geschreven op de achterbank van een auto)
  • L.Th. Lehmann – Gedichten
  • Emanuel Overbeeke – Voorbij Peter en de wolf
  • Chrétien Breukers – Gedichten
  • Peter Buwalda – Simon en Elvis

Er is geen daar daar

brief geschreven op de achterbank van een auto

We verdwalen altijd in de buurt van Woudsend. Piers familie heeft een kampeerboerderij (‘State Donia’) aan de oevers van het Slotermeer, maar zodra we dit meer naderen moeten we juist niet de afslag Wâldsein nemen en daarom juist wel, of juist wel en daarom juist niet, dat wisten we na tien keer hierheen te zijn afgereisd nog steeds niet.

Gistermorgen was de intieme trouwplechtigheid van Pier en zijn tweede vrouw in het stadhuis van Sneek, alleen toegankelijk voor naaste familie en getuigen. De rest van de vrienden en kennissen waren uitgenodigd voor een feestelijk zeilweekend ten logemente van de Donia’s. Gistermiddag zouden we met het hele gezelschap het meer opgaan, die avond was er een gezamenlijk diner, met sketches en cabaret en toespraken en samenzang en een deejayende oom en nachtelijke escapades en de stapelbedden onveilig maken met de tantes en oma’s van de bruid (dat laatste hoopte ik niet echt, al ben ik de laatste weken niet vies van wat ordinair gerebound, nadat de voormalige toekomstige moeder van mijn nooit geboren kinderen (Samarinde) & ik vorige maand NAMELIJK in alle rust hebben besloten dat we ‘toch maar beter’ ‘als vrienden’ verdergaan) (‘in alle rust’ wil zeggen dat we nachten lang tegen elkaar hebben lopen schreeuwen en in een kasteeltje op nota bene de Friese terp Leavefrede – waar we een vredesberaad hadden belegd – een hotelkamer finaal hebben verbouwd, waarna we géén goedmaakseks hebben gehad).

Wij, vrienden van weleer, komen alleen nog als groep bij elkaar op trouwerijen, kraamvisites en begrafenissen; en daar zitten we echt niet mee, want voor ons geen valse weemoed naar vroeger, als telden we dit tijdens de autorit naar Woudsend wel honderd keer vast. Een uur na de geplande uiterlijke verzameltijd arriveerden we eindelijk bij de kampeerboerderij, waar een man of vijftig aan de koffie zat in afwachting van de feestelijkheden. We werden ontvangen met gejuich; een soort running gag,begrepen we later, want het nieuwbakken echtpaar had uit alle geledingen van hun kennissenkring mensen uitgenodigd, mensen die elkaar onderling niet of nauwelijks kenden. Deze begroeting was een kleine test, een mini-ontgroening onder het motto: peilen of deze nieuwkomers bereid zijn zich dit weekend aan te passen aan de wurgende gezelligheid van onze middelpuntzoekende groep onbekenden. Wij vertegenwoordigden Piers oude kroegvrienden, jongens met wie hij een jaar of tien geleden een zo hecht broederschap vormde, dat we elkaar nu nog maar één keer per twee jaar hoeven te zien (in alle eerlijkheid: willen zien).

Mooi om waar te nemen dat sommige dingen niet veranderen. Thijm maakte na het gejuich onmiddellijk een buiging, kreeg hiermee de lachers op zijn hand en bestempelde zich aldoende tot gangmaker. Hij had direct lacherig contact met enkele andere gangmakers en -rnaaksters (mijn innerlijke hormoonspiegeldetectieapparaat stelde onmiddellijk vast dat er ook vrouwen waren). Monky daarentegen, mijn vriend Monk de Intellectueel, was veel minder uitbundig. Hij keek eerst eens even verkennend om zich heen naar de architectuur van deze laat negentiende-eeuwse boerderij, de verweerde impressionistische kunst aan de muur, de vormgeving van de meubels, luisterend naar de klassieke muziek uit de speakers, contemplerend over de goddelijke ongenaakbaarheid van Descartes’ opvattingen over het dualistisch wereldbeeld in relatie tot de geschiedenis van de beschaafde wereld, Friesland in het bijzonder. Ik ben in vreemd gezelschap veel minder ad rem of verkennend, en zocht onmiddellijk een hoekje van waaruit ik het gezelschap stilletjes kon gade slaan. Ik ben een geboren buitenstaander, een leek, een toeschouwer, een schrijver kortom (alleen door anderen te bekijken, kan ik mezelf zien). We waren nog niet binnen, of het gezelschap werd door een familielid naar buiten genood. Pier en Sipke,zijn nieuwe echtgenote, kwamen over het Slotermeer aanvaren, op een stoomboot, God betere het. Ze stonden op de voorsteven te zwaaien naar de menigte. Iedereen onthaalde hen op luid gejuich en applaus. Een orkestje speelde een of ander Fries mopje, dat door de Friezen uitbundig werd meegezongen. Het heeft iets treurigs, als je in een levensfase zit waarin je (oude) vrienden voor de tweede keer gaan trouwen (wanneer je als emotietoerist net hersteld bent van de eerste crash, bedoel ik). De bruid was niet in het wit, maar ze zager wel verpletterend lekker uit, voor iemand van in de dertig bedoel ik.Terwijl Pier en zij over de loopplank naar het vasteland stapten, werden ze bekogeld met rijst, bloemen en suikerwerk.

Mijn kennissenkring (een introductie) is onderverdeeld in uitgesproken Limburg- en hardnekkige Frieslandhaters. Ofwel er zijn er die een hekel hebben aan die voorhuigse diftonggorgelaars uit carnavalland, ofwel ze worden onpasselijk van het immer chagrijnige Dokkumse moordenaarsvolk – een tussenweg lijkt niet mogelijk. Ik hoor tot de eerste groep. Ik weet niet wat het is met Limburgers, maar ik kan ze niet serieus nemen. Een Maastrichtse hoogleraar neurolinguïstisch kennisverwerking kan nog zulke hyperintelligente stellingen poneren, zodra de hijgsyllaben uit zijn mond rochelen, denk ik steevast: ‘Zet je feesttoeter nog eens op, Sjef.’ Friezen kan ik beter hebben. Friezen lijken me ingetogen, een beetje gefrustreerde, niet-onprettig norse terpgevangenen. Ik klap niet dicht in de nabijheid van Friezen, ten minste niet meer dan bij normale mensen. In tegenstelling tot Monk en Thijm. Mijn voormalige huisgenoten hebben in vroeger tijden eens de FETA opgericht, de Friese afscheidingsbeweging, met als enige programmapunt dat het wingewest Friesland (waar volgens hen de meest schokkende gebeurtenis de Rolmopsopstand van 1328 was) zou worden losgegraven en op drift gestuurd richting IJsland. Werkelijk uren lang hebben ze geprobeerd Pier op de kast te krijgen met hun Frieslandgrappen en afgraafdreigementen, maar Pier onderging dit gepest minzaam glimlachend (waarde gemiddelde Limburger al na één onschuldig plagerijtje over de correlatie vlaaiconsumptie / neurale competentie compleet oververhit op de trein terug naar Geleen kan worden gezet).

Voor Monk en Thijm was de lunch dan ook een waar genot. Voordat we het water op zouden gaan, gebruikten we met het hele gezelschap een feestelijke maaltijd. We wachtten tot het prille echtpaar zich had verkleed en daarna was het aanvallen op de kroketten. De vader van Sipke verontschuldigde zich tegenover de niet-Friestaligen, in God betere het vlekkeloos Nederlands, dat hij zijn dochter en verse schoonzoon in het Fries ging toespreken. Ultrataalgevoelige Monky probeerde dit praatje ondanks zijn totale gebrek aan kennis van het Fries toch te volgen, maar ik liet me in mijn stoel zakken en keek onderzoekend om me heen. Thijm ging heel onstentatief hard meelachen als Sipkes vader een grap had gemaakt, tot een mevrouw aan de overkant van de tafel grinnikend iets samenzweerderigs tegen hem zei, waarna Thijm tot hilariteit van velen in het Nederlands moest bekennen: ‘Mevrouw, ik heb geen flauw idee waar u het over heeft…’

Wetenschappers moeten zich soms in rare bochten wringen om hun onderzoek te kunnen doen. Een Duitse gedragsfysioloog (laat ik hem Irenaus Eible-Eibesfeldr noemen) ontwikkelde in de jaren zestig een camera waarbij het leek of hij recht vooruit filmde of fotografeerde, hoewel de lens in werkelijkheid op de zijkant stond gericht. Ik had tijdens die lunch plaatsgenomen naast een mij onbekende mooie vrouw, die voortdurend geanimeerd knikte om de woorden van Sipkes vader. Ik noem haar ‘vrouw’, maar ik had evengoed of even slecht ‘meisje’ kunnen gebruiken. Ze was geen vrouwen ook geen meisje, meer een tussenvorm, een overgangsfase, een missing link, een ‘meisjesvrouw’, een ‘vrouwmeisje’. Om haar niet schaamteloos aan te staren probeerde ik zo te zitten dat het leek of ik de toespraak van Pappa Sipke volgde, terwijl ik in feite deze vrouw bekeek (als een levende camera van Eible-Eibesfeldt).

De reden dat Eible-Eibesfeldr zijn camera hermonteerde was dat hij op deze manier als argeloze toerist het flirtgedrag van vrouwen kon vastleggen. Van Samoa tot Japan, Frankrijk tot Papua, overal filmde hij flirtende meisjes (vervelend werk, maar het moest gebeuren). Terug in Duitsland stelde hij, beeldje voor beeldje, verschillende stadia van flirtgedrag vast. Eible- Eibesfeldts bevinding was dat dit gedrag over de hele wereld volgens een vast patroon blijkt te verlopen: (1) Een vrouw glimlacht naar een potentiële beminde en (2) trekt haar wenkbrauwen een eindje op. (3) Haar ogen verwijden zich en (4) ze staart de potentiële beminde even aan. (4-1) Haar pupillen worden groter. (5) De vrouw slaat haar ogen neer en (6) buigt haar hoofd een beetje opzij en omlaag. (7) De vrouw kijkt een andere kant op. (8) Regelmatig houdt ze haar hand voor haar gezicht. (9) Ze glimlacht achter haar hand, enzovoort. Volgens Eible-Eibesfeldt is dit gedrag niet aangeleerd maar evolutionair bepaald en aangeboren, sterker nog, het heeft zich miljarden jaren geleden ontwikkeld om seksuele belangstelling aan te geven (buidelratten, paarden, landschildpadden, albatrossen en ontelbare andere diersoorten doen overigens min of meer hetzelfde, dus het is niets om ons voor te schamen).

De vrouw/het meisje naast me gaf me zo’n glimlach als door Eible-Eibesfeldt bedoeld in gedragskenmerk 1 en vervolgens de kenmerken 2 tot 9 en weer terug. Ik schrok. Ik weet niet waarom, maar ik schrik altijd als vrouwen naar me glimlachen. Toen ik nog erg jong was heeft een heel mooi meisje eens heel lief naar me geglimlacht. Ze liep met haar vriendinnen op straat langs me heen, ze keek me aan, ze bewoog de spieren rond haar mond – en zowaar: de zin van het leven werd me plotseling duidelijk. De lach van dit meisje was de reden dat de wereld draaide. Ik kon niet anders dan haar lach beantwoorden met een als lach bedoelde angstgrimas. Het meisje trok haar wenkbrauwen een eindje op, heel lief. Mijn wenkbrauwen kropen tot achter in mijn nek. Daarna draaide het meisje zich naar haar vriendinnen en stak ze abrupt haar middelvinger naar me op. Wat of ik me in godsnaam in mijn lelijke puistenkop haalde. Schrijft u maar op, mevrouw: ik ben bang van vrouwen.

De glimlach van de Friese vrouw naast me beantwoordde ik met een voorzichtig knikje en vervolgens draaide ik me nog verder naar de vader van Sipke.

Na de lunch nam Pier zelf het woord. Hij vertelde dat er een dozijn grote en kleinere boten klaar lagen voor onze feestelijke vloottocht over het Slotermeer. We mochten zelf bepalen met wie we wilden zeilen, al hoopte hij dat het gezelschap een beetje zou mingelen (Fries leenwoord voor mengen). Toegegeven: ik ben geen enthousiast zeiler. Monk, Thijm, Pier en ik zijn in voorhene tijden regelmatig met een boot de Friese wateren opgegaan, waarbij ik stiekem hoopte dat de wind stante pede volledig zou gaan liggen zodat we de buitenboordmotor konden starten om een beetje egaal over het meer te pruttelen. Ofschoon ik niet hou van dat interessante zeilgebroddel als ‘reven’, ‘gieren’, ‘oploeven’ en ‘over stag gaan’, ben ik wel op zeilvolk gesteld. Er zijn weinig aperte hufters die in een zeilboot stappen, weinig agressieve oeververvuilers, weinig housedreun-verdovers, weinig laagvoorhoofdige snelheidszakkenwassers. Mijn stelling: ging iedereen maar zeilen in Friesland, dan was het een stuk rustiger in het land.

Het was een beetje als bij het zinken van de Titanic: het hele gezelschap deed een run op de klaarliggende sloepen. Stoelendans was nooit mijn favoriete spel (geen enkelspel is mijn favoriete spel) dus ik bleef afwachtend op de achtergrond, terwijl de echte hardedoden bij elkaar in de boten schoten. Een beetje argeloos volgde ik Monk en Thijm, toen die vanaf het houten vlonder embarkeerden – nooit vermoed dat ik dit woord eens zou gebruiken – in een lark, tjalk, jammer, klipper.jol, schoener,galjoen of hoe dat drijfhout mag heten. Bleek dat het schip van Mank en Thijm al te vol zat (zeker met Thijm erbij begint iedere boot spontaan slagzij te maken). Ik maakte aanstalten er, als die ene laffe officier in Titanic, toch nog bij te springen, maar een zelfbenoemde kapitein maakte duidelijk dat hij me in dat geval zou laten kielhalen.

Ik keek om me heen en zocht of ik elders nog andere bekenden zag, maar al mijn oude kennissen en vrienden bleken al in een boot te zitten. Nu ben ik van de Club Tegen Het Ontmoeten Van Nieuwe Mensen (ledenstop), en dus besloot ik dan maar niet te gaan zeilen en in de kampeerboerderij rustig in eenzaamheid wat te lezen of schrijven. Wij schrijvers zijn gebenedijden.

Het werd snel rustiger bij de vlonder; de meeste boten vertrokken richting het open water. Ik wilde teruglopen toen ik werd aangesproken door de meisjesvrouw die tijdens het eten naar me had geglimlacht. Ze stond in haar eentje bij een wel erg kleine zeilboot – laten we het op een jolletje houden – te wachten op eventuele medereizigers. Ze vroeg op de man af of ik met haar mee wilde varen. En ik kondig het hierbij vast aan: deze brief gaat nu verder uitsluitend over haar.

Belangrijk detail. Eén ding over deze vrouw, iets wat mij op dat moment ook pas opviel: ze was zwanger. Haar bolle buik stond fier vooruit onder haar blauwe zomerjopper. Ik vroeg me af waarom ik die buik niet eerder had geregistreerd (waarna er tevens in hoog tempo een paar gedachten door mijn hoofd schoten, want het was A) zowel prettig als jammer dat ze zwanger was,omdat B) de potentiële liefdesjacht hierdoor onmiddellijk met het vruchtwater werd afgedreven, hoewel het C) natuurlijk vreemd was dat haar meisjesvrouwenman niet van de partij was,waarmee ik D) overigens niets bedoelde).

Dat ik best met haar wilde zeilen, zei ik in een laffe poging er onderuit te komen, maar…

‘Is het niet een beetje een risico om in jouw toestand het water op te gaan?’ vroeg ik. ‘Stel dat je weeën krijgt. Het lijkt me op het water nogal moeilijk baren.’

Ze lachte hartelijk.

‘Ik zit pas in mijn zesde maand en ben echt niet invalide of zo,’ zei ze, wat ze kracht bijzette door behendig in de boot te stappen.

‘Kom,’ riep ze.

Onbeholpen sprong ikhaar na,waarbij ik ijsbaarlijk (lijkt me Fries)net niet overboord sloeg.

‘Ik ben Giph,’ zeiik, me vasthoudend aan de mast, ‘en ikweet niets van zeilen.’

‘Ik weet ook niets van zeilen,’ zei ze kalm, ‘en ik heet Teaske.’

Teaske. Sta me toe te ontboezemen. Ik word erg week van Friese fammenammen (alleen al van het woord ‘fammenammen’ begint mijn ruggenmerg te gloeien). Hoe vaak gebeurde het niet, vroeger zeg maar, dat ons oude studentenhuis een nachtelijke braderie organiseerde en dat Pier of een andere noorderling een paar nichtjes of buurmeisjes had uitgenodigd en dat je dan in een vredig intiem samenzijn stond met een meisje dat Durkje heette, of Intje, Fokje, Jontje, Wikje, Geartsje, Rinske, Nine, Ibbetje of Douwtje. Zoenen met een meisje genaamd Douwtje moet iedere Nederlandse man verplicht een keer hebben meegemaakt.

Aanvankelijk konden we de andere boten met enige moeite bijhouden. Er stond een stevige bries en na wat gehannes met de touwen, het zeilen de giekbalk kwamen we in beweging, zij het met duidelijke tegenwerking van de boot en het Sloterrneer, Teaske zat aan het roer en als ze ‘ree!’ schreeuwde schoot ik naar de bodem van het bootje om geen doodzwiep van de giek tegen mijn kop te krijgen. Tussendoor hadden Teaske en ik een onverwacht openhartig gesprek. We waren onbekenden voor elkaar, en tegelijk met het uitwisselen van persoonlijke details over onze fascinerende werelden, voerden we een overlevingsgevecht met het water, de wind en de andere boten.

‘En waar kom je vandaan?’ vroeg ik, nadat we met veel gekraak weer eens net niet of net wel overstag waren gegaan.

‘Uit Snits,’ antwoordde ze. ‘Dat is Fries voor Sneek.’

Op dat moment viel de boot door een verkeerde roeimanoeuvre volledig stil.

‘En vreemd genoeg is snits ook het Friese woord voor snee, eh, kut,’ voegde ze weifelend eraan toe.

‘Aha,’ stelde ik vast, ‘je komt dus eigelijk uit Kut.’

Ze kwam uit Kut, en ze had ook gevoel voor intelligentie, welspraak en humor. Hoe vaak gebeurt het dat je je met een vrijwel onbekende, maar erg mooie vrouw twee uur lang geanimeerd onderhoudt, zonder dat al teveel hormonaalbepaalde bijbedoeningen zich opdringen? Bijna helemaal nooit. Inmiddels waren we een beetje op drift geraakt en hadden wede meeste andere boten van de huwelijksvloot uit het oog verloren. Teaske wilde graag via het Slotermeer en het fascinerende dorpje Balk doorsteken naar een plas genaamd de Wyldemerk, omdat daar een kudde wilde paarden in het Gaasterland langs de oevers graasde. Het was even eng laveren bij lage bruggetjes en een nauwe doorgang van twee tussenmeertjes, maar we kwamen in een ruiger stuk water, met verschillende eilandjes, rietzodden en hoog helmgras aan de kanten. Aan de einder zagen we nog net twee schepen van wie we vermoedden dat ze ook bij het gevolg van Pier en Sipke hoorden, voor de restwaren we hier verlaten van volk. Af en toe bekroop me de angstgedachte dat Teaske toch activiteit in haar buik zou krijgen (en dat ik als redder in nood de boot al zwemmend naar de dichtstbijzijnde oever moest trekken), hoewel Teaske daar met haar levendigheid geen enkele aanleiding toe gaf. Af en toe keek ik naar haar, zo van schuin-rechtuit-van-opzij, en was erg onder de indruk van haar blakende kop en zwangere lijf.

Ik vroeg of ze een vriend had, niet om het een of ander, maar uit nieuwsgierigheid. Eerlijk gezegd had ik het antwoord zelf al ingevuld, zij het verkeerd. Ze had geen vriend, zei ze, maar ze had wel een vriend gehad, ooit.

En was hij de vader van haar kind, vroeg ik, turend over de Wyldemerk (terwijl ik deze onverwachte wending probeerde te duiden), waarop ze antwoordde: ‘Nou ja, een beetje.’

Een beetje, dat kan dus niet. God bestaat of God bestaat niet. Een vrouw is bezwangerd door haar ex-vriend of een vrouw is niet bezwangerd door haar ex-vriend. Een derde keuze is niet mogelijk, dat noemen we het tertium non datur-principe (en dit gaat niet achterlijk vaak op).

‘Ik weet niet wie de vader van mijn kind is,’ verduidelijkte ze. ‘Vorig jaar heb ik een beetje een wilde tijd gehad.’

Deze woorden bleven hangen boven het water.

Ik keek naar Teaske.

Ze keek terug met Eible-Eibesfeldts glimlach nr. 1.

Ze had dus geen vriend. Maar ze was wel zwanger.

‘Goh,’ zei ik.

‘Wat bedoel je “goh”?’

‘Nou ja. Het lijkt me nogal zwaar, het vooruitzicht dat je in je eentje een baby gaat krijgen. En dat je niet weet wie de vader is.Heb je nooit overwogen om het kind niet te nemen?’

‘Ach,’ antwoordde ze (ze had dit gesprek zo te horen vaker gevoerd), ‘de gouden regel van de psychologie luidt: in tijden van crisis geen belangrijke beslissingen nemen. Toen ik merkte dat ik zwanger was heb ik wel even gewanhoopt, maar het lijkt me eerlijk gezegd verschrikkelijker om een kindje weg te laten halen en er dan achter te komen dat ik het toch had willen hebben, dan andersom. Ik verlang niet naar een baby, maar ik verlang ook niet-niet naar een baby’ (in het verlangen naar een kind is een derde keuze inderdaad een mogelijkheid) .

Ze vroeg of ik een vriendin had en of ik misschien al vader was,waarop ik vertelde over Samarinde en onze miskraam op het toilet in La Palma. Nadat ik was uitgepraat, gingen we overstag omdat we gevaarlijk dicht bij een onbewoond eilandje kwamen.

‘Je hebt dus een kinderwens én je bent vrijgezel,’ zei ze, toen ik me weer had opgericht van de bodem van ons jolletje. Hierna maakte ze het nadenkende geluid ‘hmmf’.

Ik bloos niet snel, maar toen bloosde ik (volgens Freud is blozen een vervangend exhibitionisme; de blozer wil eigenlijk de geslachtsdelen tonen en gebruikt het gezicht als vervanging). Ze had het niet door en vroeg zich peinzend af waar de anderen van onze armada toch zouden zijn. Het was half vijf, tijd om zo langzamerhand terug naar State Donia te zeilen. Ik spiedde over het water naar zeilboten, maar zag er geen.

‘Weet jij welke kant we nu oprnoeten?’ vroeg ze. Ik wees in de richting waar ik dacht dat Woudsend lag.

‘Niet dan?’ zei ik, toen ze haar hoofd schudde. Teaske dacht juist dat we de tegenovergestelde kant uit moesten.

‘Maar ik ben zwanger, en zwangere vrouwen schijnen door al die hormonen hun richtinggevoel kwijt te raken.’

Nu was het mijn beurt om ‘hmmf’ te zeggen.

Het werd halfzes. De richting van ons zeil bracht ons naar vele hoeken van de Wyldemerk, maar we konden de doorgang van waaruit we waren gekomen niet meer terugvinden. Ramp op ramp: het was een mooie voorzomeravond en hoewel het de hele dag goed had gewaaid, ging de wind snel liggen. Ik maakte aanstalten om de buitenboordmotor (eindelijk) te starten en in een straf tempo het hele meer af te varen op zoek naar de uitgang. Bleek ons scheepje geen buitenboordmotor te hebben. Een zeilboot zonder motor, hoe verzinnen ze het? We probeerden beiden met onze mobiele toestellen te bellen naar het kampeerfront, wat niet lukte omdat we nergens bereik hadden. En terwijl ik me zorgen begon te maken, hield de wind het helemaal voor gezien. Kalm dobberden we midden tussen de verlaten eilandjes en wilde graspluimen. Het werd halfzeven. In Woudsend was men zich nu aan het bepoederen voor het diner.

Teaske leek zich geen zorgen te maken. Ze zei:’Het is niet het eind van de wereld. We komen niet om van de honger, we vormen een goed gezelschap, de zon schijnt prettig op onze konen, er komt straks heus wel iemand naar ons zoeken.’

Zuchtend ging ik naast haar zitten; de giek en het doelloos lubberende zeil hadden we met een touw vastgezet. Ik vroeg wat zwanger in het Fries was. Swier.

‘Maar ze zeggen ook wel: hja hat de bout al wei. Dat betekent zoiets als: zij heeft de stop eruit.’

‘De stop eruit?’ vroeg ik. ‘Goeie omschrijving. Geen lieflafferigheid, maar een stevig-poëtische metafoor. “De stop eruit.” Nuchter volkje, die Friezen.’

Ze zat met haar benen veruit elkaar,haar handen rustten op haar buik. Haar jopper had ze uitgetrokken. Ze zag dat ik naar haar buik keek en omdat ze dit zag begon zij met beide handen over de stof van haar trui te wrijven.

‘Mooie buik, hè?’

Ik knikte beamend. ‘Mooie buik, en je draagt hem ook met gratie. Ik hou van de loop van zwangere vrouwen. Statig, gracieus en een beetje log.’

‘Zeg maar met o-benen. Weet je hoe ze in het Fries noemen als een vrouw wijdbenig loopt? Dy hat der noch grif in eintsje yn fan justerjûn.’

‘En dat betekent?’

‘Zoiets als: zij heeft er vast nog een stukje van gisteravond inzitten.’

‘Hrnrnf… En is dat zo?’ vroeg ik,waarna ze me Eible-Eibesfeldts flirtgedrag 5 t/m 9 gaf.

Het werd halfacht. We waren inmiddels alzo lang bij elkaar dat we op het punt waren geraakt dat het vertrouwd was tussen ons en dat we persoonlijke dingen konden uitwisselen.

Ik vroeg of ze echt niet wist wie de vader van haar kind was. Teaske vertelde over een vakantie naar Rome, eind vorig jaar. Zij en een vriendin werden na een dronken middag in een café door twee Italiaanse studenten meegelokt naar een kelder waar het dispuut van deze jongens een soort geheim inwijdingsritueel hield. Bij wijze van hoge uitzondering mochten Teaske en haar vriendin dit schouwspel gadeslaan, maar echt bij wijze van hoge uitzondering.

‘Natuurlijk,’ zei ik.

Er stond een mechanische rodeostier, waarop de jongens zich zittende moesten zien te houden. Iedere keer dat een student van de stier werd geworpen moest hij een kledingstuk uittrekken. Uiteindelijk waren vele jongens naakt, en vervolgens kwam…

‘Natuurlijk.’

…het moment dat Teaske en haar vriendin ook op de stier moesten plaatsnemen. Het beest bleek zeer moeilijk te berijden.

‘Ik schaam me er nog steeds een beetje voor,’ zei ze, ‘maar uiteindelijk stond ik helemaal naakt tussen een stuk of vijftien jongens…’

‘Natuurlijk.’

‘En toen… Nou ja…’

‘Toen was je zo opgewonden dat je je door al die spaghettivreters tegelijk … ,’ zei ik.

‘Niet waar,’ ging ze glimlachend verder. ‘Maar door een stuk of vijf.’

Ze keek me aan en zei even niets.

‘Oké, ik heb er geen seconde spijt van dat ik me zo heb laten gaan. Al mijn vriendinnen hebben er fantasieën over het een keer met meer dan één jongen te doen; en ik heb het gewoon gedaan. En het was echt heel erg spannend en geil, en op een bepaalde manier ook erg… normaal. En ook erg ontluisterend, dat is het gekke. Op één avond heb ik met vijf jongens gevreeën en met nog zes andere gezoend – dat had ik van tevoren ook niet bedacht, maar het gebeurde wel. Ik heb, wat ze hier noemen, meerdere keren “fan de prikke slikke hat”, en Jezus, wat voelde dat goed. Kijkje daarop neer?’

‘Helemaal niet.’

‘Ik zou het niet snel nog een keer doen, sterker nog, ik denk dat ik het nooit weer zal doen, maar ik ben blij dat het heb meegemaakt.’

‘En is een van die Italiaanse jongens nu de vader van je kind?’

Ik keek naar haar buik. Teaske wreef er met haar handen liefdevol overheen.

‘Zou kunnen. Ze hebben het geloof ik niet allemaal veilig gedaan. Op een gegeven moment was ik zo door de lust bevangen dat ik niet heb gekeken of ze condooms hebben omgedaan. Maar de vader van mijn baby zou ook iemand uit Nederland kunnen zijn, want ook hier vergeten de mannen zich vaak te beschermen.’

Ik knikte.

‘Vind je me nu een slet?’

‘Nee,’ zei ik, ‘of eigenlijk: ja, maar eerlijk gezegd boeit het me altijd zeer als een meisje zich zo gedraagt. Daar schaam ik me dus niet voor.’

Nu knikte zij.

‘Wat is het Friese woord voor slet?’vroeg ik.

‘Klitse,’ zei ze. ‘Of klongel. Of skeuk.’

‘Klitse, klongel of skeuk. Nou, klinkt slet toch een stuk beter.’

Met de snelheid van een knoopje per kwartier dobberden we in de richting van een schijnbaar onbewoond eilandje, er was niets wat we hieraan konden doen. Er stond een dukdalf, waar we recht op afstevenden. Op het eiland was een houten hutje gebouwd, beschut door enkele hoge struiken en kleine boompjes. Toen we aanmeerden tegen de paal sprong ik uit de boot op de zachte klei, waarna ik de boot zo dicht mogelijk naar het land trok. Teaske legde een touw om de dukdalf en sprong me achterna.

Ik ving haar op, en dit was de eerste keer dat we zo direct fysiek contact hadden.

‘Wat is”vrijdag” in het Fries?’vroeg ik, nadat ik haar had losgelaten.

‘Freed,’ zei ze, ‘hoezo?’

‘Dan zal ik je vanaf nu Freed noemen,’ zei ik, een hand op haar schouder leggend.

Inbreken in het hutje bleek niet zo moeilijk, want er zat geen slot op de deur (dat kon op dat eiland nog gewoon). Er stonden twee stoelen, er lagen dekens op een kleine twijfelaar, er waren gaslampen en twee kookpitten, en in een kast vonden we proviand, een jerrycan met water en zelfs een paar flessen wijn. Als we wat geld zouden achterlaten zouden de eigenaars van het eiland er vast niet mee zitten als wij onze hongerige nood zouden ledigen met hun spullen. Teaske vroeg: ‘Zal ik een maaltijd voor u bereiden, meester Crusoe?’

‘Ja, zorg jij voor het vreten, Freed,’ zei ik, waarna het door een niet nader te noemen Duitse fysioloog ontdekte gedrag weer in alle vormen op haar gezicht verscheen. Heel voorzichtig gaf ik haar lachje nr. 1 terug.

Terwijl ik hierna het eilandje inspecteerde (Odysseus na een lange reis eindelijk behouden terug op het eiland genaamd Ithaka) ging Teaske in het kleine keukenblokje aan de slag.Het had iets onwerkelijks toen ze een kwartier later een maaltijdje op tafel zette: dampende blik ravioli met tomatenwijnsaus. Ze schonk voor ons allebei een glas Carbernet in, want het water uit de jerrycan durfden we niet te drinken (alcohol leek haar voor haar baby minder schadelijk dan de legionellabacterie). In Woudsend zouden velen zich inmiddels wel ongerust om ons maken, maar dat was de schuld van de wind en niet van ons.

Het begon licht te schemeren. Ik tilde twee stoelen uit het hutje, en met een bord op schoot keken Teaske en ik naar het kabbelende water van de Wyldemerk. Waarom is het zodat de meest onschuldige uiting van liefde,zoenen, naar mate we ouder worden steeds meer door taboes wordt geplaagd, terwijl de meest perfide uiting van liefde, penetratie, steeds vanzelfsprekender wordt? Vroeger zoende je een meisje om het zoenen, maar tegenwoordig is een zoen een point of no return. Ik denk dat er daardoor minder wordt gezoend. Deze mening deelde ik met Teaske. Ze kon me goed volgen, zei ze, ze was het helemaal met me eens.

‘Wat is kussen in het Fries?’vroeg ik, zo achteloos mogelijk. Voor het plaatje: onze stoelen stonden niet heel ver uit elkaar, de zon was duidelijk aan het zakken in het kabbelende meer. De boot deinsde rustig op het water, wilde peterselie groeide in de achtertuin.

‘Tútsje is zoenen. Of patsje. En een kus is een tút, een pea, of ordinair gezegd een smok.’

Teaske draaide zich naar me toe.

‘Hoezo eigenlijk?’ vroeg ze. ‘Ga je me smokken?’

Even keek ik haar zwijgend aan, waarna ik me langzaam in haar richting boog.

‘Ja,’ zei ik. ‘Ik denk het wel.’

God heeft eens gezegd, en ik ben het met hem eens: ‘Eet honing, mijn zoon, want dat is goed, honingzeem is zoet voor uw gehemelte’ (Spreuken 24:13). Ze smaakte naar honing, ze zoende zoet en heet. Kussen met een zwanger meisje; het had iets onverholen opwindends, daar schaam ik me dus niet voor. Haar borsten waren groot en stevig,en toen ik ze in mijn handen nam, zuchtte ze luidruchtig en probeerde haar lichaam ferm tegen me aan te drukken. Laat me je vertellen: er is geen verschil in Nederlands en Fries kreunen. Ik liet mijn handen zakken en wreef over haar buik, die mooie bolle blakende buik van haar, die blinde reiziger onder het hart van een Fries meisje.Terwijl de zon helemaal onderging, ging de stop eruit en leerde Teaske me bij het zachte licht van een olielamp de Friese woorden nodzje (lekker pakken, liefkozend duwen), kardzje (ruw wrijven), eintsje, strykstok, boechspryt en jim hurde kul, enzovoort. Ik weet niet of je fetisjistisch bent, maar ik zal niet uitweiden over de gebenedijde liefdeslust die ik met Teaske had. Tijd om de speciale lens van Irenaus Eible-Eibesfeldr voor deze brief te schroeven: ik zal deze niet richten op hoe we verder de nacht doorbrachten. Een schrijfster wier naam ik volslagen ben vergeten, heeft in een boek dat ik me met de beste wil niet meer voor de geest kan halen een onvergetelijke zin geschreven over de koesterende bescherming van het dorp waarin ze opgroeide: ‘Er is geen daar daar.’ Teaske en ik waren op ons geleende Friese eiland van Pier & Sipke & iedereen verlaten. Woudsend, de sketches, de speechende ooms, de deejayende neven en het gebral van de gangmakers waren onmetelijk ver weg. Er was geen daar daar, maar wel heb ik de stellige overtuiging dat het ontbreken van dit daar daar russen Teaske en mij nog lang zal duren, langer dan één nacht op een onbewoond eiland. Daarom schrijf ik je vandaag op de achterbank van Thijms wagen, tijdens onze terugtocht naar Utrecht. Ik geloof dat ik vannacht vader ben geworden.

Oorspronkelijk verschenen in het Fries (in uitgebreide versie) onder de titel Der Is Gjin Dêr, Dêre bij Steven Sterk, Útjouwer te Utrecht, februari 2003. Volgens contractuele afspraak mocht het Nederlandse origineel pas een jaar na verschijning in het Fries worden gepubliceerd.

Ronald Giphart – geboren in 1965. Schrijver. Zijn meest recente roman is Ik omhels je met duizend armen (2000). In 2002 verscheen in de reeks Prive-Domein zijn persoonlijke kroniek Het leukste jaar uit de geschiedenis van de mensheid. In 2003 schreef hij het boekenweekgeschenk Gala.

Hollands Maandblad

Ronald Giphart Hollands Maandblad juni juli 2001 ProefdomeinTitel: Hollands Maandblad

Redactie: Bastiaan Bommeljé

Redactieraad:

  • J.J. Peereboom (voorzitter)
  • Gerard van Emmerik
  • Marten ’t Hart
  • Willem Otterspeer
  • Marie-Anne van Wijnen

Jaar: juni/juli 2001-6/7

Jaargang: 43

Nummer: 643

ISSN: 0018-3601

Vormgeving: Steven Boland

Uitgever: Stichting Hollands Maandblad in samenwerking met Uitgeverij L.J. Veen

Tekeningen: Peter van Hugten

Pagina’s: 64

Pagina’s Giphart:  3 t/m 12

Afmetingen: 26,5 x 17,4 x 0,4 cm

Type: Paperback/schrift, geniet

Inhoud:

  • Redactioneel
  • Ronald Giphart – Proefdomein
  • Wim Brands – Gedichten
  • Michaël Zeeman – Parijs’ nachtboek
  • Emma Crebolder – Gedichten
  • A.L. Schneiders – Voorlaatste rustplaats
  • Ger Thijs – Het glas van Lady Di
  • Cor Gordijn – Gedichten
  • Frederieke Hijink – Springen
  • Anton Gerits – Gedichten
  • Ton Rozeman – Gehorig
  • Emanuel Overbeeke – Vreemde bewondering
  • J.J. Peereboom – Journaal

Proefdomein

Elf dagen die de wereld deden schudden

1 JANUARI – Snerpsirenes, sperterpijlen, knetterdozen, plofspuiren. vlamtollen, knalbakken: het is tien over twaalf’s nachts en deze reality novel is begonnen. Op mijn knieën gehurkt probeer ik in het midden van mijn huiskamer naar buiten te kijken en iets van het schouwspel te volgen. De televisie heeft ook lichtgeflikker, maar het geluid staat uit en zonder geluid is vuurwerk maar een lullige bedoening.

Een heel bang jongetje van net geen drie jaar houdt me stevig vast en probeert zich onder mijn jas te verstoppen. Een minuut geleden stonden we nog op straat, maar toen het knallen begon, wurmde hij zich los en sprintte hij naar binnen. Dat hij zo snel kon rennen wist ik niet. Ik ben hem achterna gelopen en probeer hem nu te troosten. ‘Dit is toch wat je wilde zien,’ probeer ik, maar hij roept verongelijkt van niet. Ik ben een stomme pappa. Hij jammert voortdurend: ‘Eng… Eng… Eng, Pappa, eng…’

‘Je hebt het al dagen alleen maar over vuurwerk, maar nu er vuurwerk is wil je er niets van weten,’ zeg ik zacht bij zijn oor, maar hij verstopt zich nog dieper in mijn jas.Ik neem een slok champagne en denk aan dit dagboek, voor de eerste keer dit jaar. Ik beschrijf in mijn hoofd een scène waarin ik in het midden van mijn kamer met mijn jongetje luister naar het gedonder. Mijn zoon ikzelf en het vuurwerk dit boek.

Mijn dochter Tip zit op de grond en voert een free fight uit met een boterham met pindakaas, en ik probeer met mijn laptop op schoot premissen te bedenken voor dit boek. Vorig jaar bezocht ik een klas van mijn oude leraar Nederlands, mijnheer Van Bueren, een van mijn belangrijkste literaire richtingpijlen. Hij gaf me In een adem uit, het geheim van het lezen van Daniel Pennac cadeau, waarmee hij me vermoedelijk probeerde duidelijk te maken hoe hij over het literatuuronderwijs en de verplichte leeslijst dacht.

In het boek stelt Pennac tien onaantastbare rechten van de lezer op (het recht om niet te lezen, het recht om bladzijden over te slaan, het recht om waar-dan-ook te lezen, het recht om te zwijgen over wat men gelezen heeft, et cetera). In navolging van Pennac wil ik voor mezelf ook tien rechten formuleren van de schrijver die in opdracht een jaar lang een dagboek bijhoudt:

I – Het recht om alles op te schrijven. In principe wil ik over ieder onderwerp kunnen schrijven, van familieleden die ziek worden tot de altijd lege wc-rolhouder op mijn toilet. Ik wil dingen over het literaire bedrijf kwijt, dingen over de eenzaamheid van het dagenlang achter je computer zitten, over meisjes, frappante verhalen uit het verleden, the struggle for life, items op tv, mijn afwasmachine, boeken die ik lees of dingen die mijn kinderen zeggen. In de afgelopen maanden heb ik onderwerpen verzameld die ik dit jaar kan behandelen, naast al het fascinerend interessante dat mij zal overkomen.

II – Het recht om dingen niet te beschrijven, dingen niet uit te leggen of mensen niet te introduceren. Dat ik alles mag beschrijven, wil nog niet zeggen dat ik alles moet beschrijven. Dit boek is geen Big Brother. Er zullen vele zaken onbeschreven blijven, tot genoegen van iedereen. Had ik hier bijvoorbeeld niet vermeld dat mijn kinderen bij de crèche vorige week een vers koortsvirus hebben opgehaald – waardoor ze zo ziekwaren dat weafgelopen vrijdag contact met de dokter hebben gehad, die ons het zogenaamde ‘pufje’ voorschreef, ofwel een lange plastic buis met medicinale verstuiver, die mijn dochtertje Tip wel toeliet maar die door mijn peuterpuberale zoontje Broos subiet en zeer agressiefwerd geweigerd, waardoor hij ziek bleef en we gisteren de grote oudejaars-nitlui bij Julia & Henk Westbroek hebben gemist, waarop we ons alweken hadden verheugd – dan was dat ongeregistreerd gebleven.

Ik wil vooralsnog de schijn ophouden dat ik een ‘vertellend dagboek’ schrijf, waarbij ik hoofdzakelijk voor mezelf zal boekstaven wat er dit jaar zo ongeveer geschiedt, met enkele uithalen naar het verleden.

III – Het recht om mensen tegen zichzelf in bescherming te nemen. Soms zijn mensen in mijn omgeving dronken, soms gaan ze vreemd, soms roddelen ze, gaan ze zich te buiten aan God mag weten wat, raken ze zichzelf kwijt of zeggen ze domme dingen. Wie ben ik om vriendschappen onder druk te zetten of geliefden uit elkaar te spelen? Sommigen (onder wie Joost Zwagerman en Vic van de Reijt) hebben, toen ze hoorden dat ik dit boek ging schrijven, al dan niet bezorgd geïnformeerd of ze nu nog wel alles tegen me konden zeggen of dat ze me moesten mijden. Niemand hoeft mij te mijden, ik ben geen relhetero en schrijf alleen schund als ik daar zin in heb. Ook mijzelf zal ik tegen mezelf in bescherming nemen en mijn liederlijkheden of echte gênante dommiteiten niet beschrijven. Ik ben niet suïcidaal en eerlijkheid is de kortste weg naar het gesticht.

IV – Het recht om meedogenloos te zijn. Het vorige recht is geen plicht. Soms zullen mensen het verdienen om niet tegen zichzelf in bescherming te worden genomen. Wanneer er bijvoorbeeld rekeningen te vereffenen vallen, weet ik niet of ik dit zal kunnen laten. Zie ook recht VI.

V(a) – Het recht om dingen mee te maken voor dit boek. Waarmee ik bedoel dat ik dit jaar sommige evenementen heb gepland, met als meezeurende reden dat ik er in dit boek over wil schrijven. De première van de verfilming van Ik ook van jou bijvoorbeeld is geen evenement waarbij ik op voorhand sta te juichen van plezier. Omdat ik op dit moment de film nog niet in de definitieve versie heb gezien, wil ik geen beslissing nemen of ik naar de première ga, maar mocht ik gaan, dan is het onder andere om er in dit boek kond van te doen. (De ruwe snede van de film heb ik overigens wel al gezien, en die was bepaald niet om stante pede aandelen in de filmindustrie aan te schaffen.)

V(b) – Het recht om dit boek te verzwijgen. Ik zal niet overal vertellen dat ik een dagboek bijhoud. Xandra Schutte (W.F Hermans zou hier luidop vragen: ‘WIE? WIE ZEG JE?) schreef ooit dat mijn generatie – toen rond de vijfentwintig jaar van jongs afgewend is om over zijn of haar eigen schouder naar zichzelf te kijken. Ik bevind mij soms in situaties die ik op dat moment al aan het beschrijven ben, maar ik voel niet de behoefte dit te melden. Het is als met de onderzoeksmethodologie van de kwantummechanica: het meten beïnvloedt het resultaat. Vertellen dat ik iets in mijn boek zal opnemen, kan het laagste of het hoogste in mensen losmaken. Mijn boek hoeft geen camera te zijn die opstootjes of interessante quotes uitlokt. Wel zal ik in NRC Handelsblad een advertentie zetten met de tekst: ‘Schrijver neemt u tegen betaling op in zijn Privé-domein.’

VI – Het recht om mijzelf tegen te spreken. Net als iedereen ben ik verre van consistent. Wat ik het ene moment bewonder, verafschuw ik het moment daarop. Ik hou van rust aan mijn kop en van schreeuwerige dronkenschap in volle cafés. Ik wil het beste voor mijn kinderen en kan ze toeschreeuwen: ‘Zit godverdomme niet aan mijn kop te zeiken, eet je chocolade-ijs, kijk tv en vermaak jezelf.’ Ik hou van innerlijke beschaving en van platte, onterende grappen. Ik ben voor absolute vrijheid van geest en kan zeer intolerant zijn over alles wat ik niet vind. Ik ben geïnteresseerd in mensen die ik een ander moment niet kan uitstaan. Ik kan fluitend het leven haten, of zuchtend zeer tevreden zijn.

VII – Het recht om te herschrijven. Hoewel ik niet graag wil antedateren of gebeurtenissen manipuleren, zal ik er niet aan ontkomen stukken te herschrijven. Bij romans herschrijf ik zeer veel, sterker nog, in mijn literatuuropvattingsbeschouwingspoetica is herschrijven het fundament van alles. Scheppend schrappen. Ik geloof pertinent niet in teksten die tot stand zijn gekomen onder invloed van dronkenschap, drugsgebruik, godsdienstwaanzin of andere krankzinnigheid. Ook in de zogenaamde pleur-het-maar-op-het-papier-dagboekmanier geloof ik niet. Er moet aan teksten zijn gesleuteld, er mag niet te veel zand kraken tussen de bladen en dus dient zweet op te stijgen uit de zinnen. Schrappend scheppen.

VIII – Het recht op verhaaltechnische toevoegingen. ‘Stalin liet zijn werk nooit aantasten door het geringste spoor van ijdelheid, trots of zelfverheerlijking.’ Dit is een toevoeging van Stalin zelf in de officiële Korte biografie van Stalin.Toen mijn vriend Bert (al bijna twintig jaar mijn beste vriend en plaatsvervanger, inmiddels uitgever van literaire roergangers als Appie Baantjer en Toon Hermans) & ik elkaar iedere dag literaire brieven schreven, hadden we de afspraak dat een verhaal of anekdote maximaal vijfentwintig procent ‘verhaaltechnische toevoegingen’ mocht bevatten. Geen rechtstreekse leugens of verdraaiingen, maar kleine topografische aanpassingen, een net iets ander licht op de zaak, een gunstiger dienstregeling. Professor Wagenaar noemt dit ‘geconstrueerde herinneringen’.

IX – Het recht om te schrijven over het schrijven, en over het schrijven overschrijven over schrijven. Vandaag vertelde Joost Z. me over de telefoon dat ‘het publiek’ boeken over schrijvers niet interessant vindt, en dit geloof ik ook wel. Toch is een van mijn oude liefdes literatuur over literatuur. Als schrijvers niet schrijven over het schrijven, wie moet het dan doen? Eten met Emma van Herman Koch bijvoorbeeld, dat ik vannacht heb uitgelezen, gaat over een schrijver die niet kan schrijven en zich afvraagt waarom het hem niet lukt. Lekkere kost (al zei Joost Z., toen ik hem dit vertelde: ‘Ik snap niet dat jij dat vindt, net of een leeuwentemmer enthousiast is over een vlooiencircus’).

X – Het recht om te stoppen als er een kind of beminde overlijdt. In mijn romans verschrijf ik mijn leven met een vertraging van een jaar of vijf. Ik roffel mijn humortrommeltje, ik probeer gevatte omschrijvingen te vinden voor algemene gevoelens van liefde & lust en soms doe ik luchtig & lichtig over zwaardere thema’s (automutilatie, euthanasie, de vergankelijkheid van alles). Mocht Mascha (mijn significante ander, mijn pavlove, mijn domtoren, mijn zoerigzuurtje, confettispeeltje, toverbeest en troetelbloem) of een van mijn kinderen overlijden dan sluit ik niet uit dat ik daar over zal schrijven. Echter niet dit jaar. Ik ontken niet dat schrijven therapeutisch kan zijn, noch dat verhalen wapens zijn tegen de wereld, maar verdriet is een vorm van krankzinnigheid (zie recht VII).

Tip is inmiddels op haar eigen manier naar de boekenkast gekropen (dat wil zeggen kruipend op haar knieën). Bij de boekenkast grijpt ze met gilletjes van plezier naar boeken. Af en toe lukt het haar een boek van de onderste plank te pakken en dit naar zich toe te trekken, waarna ze gelukzalig en erg geïnteresseerd aan de bladzijden begint te trekken. Ze zit nu met Advocaat van de hanen van Aft en ik ben in dubio: mag ze lekker scheuren en ravotten of ontneem ik haar dit pleziertje? Tuurlijk niet, scheur maar kind…

3 JANUARI, DINSDAG, HOOGHIEMSTRA – Ik zat me vroeger de hele kerstvakantie voor te bereiden hoe ik mijn tientallen diepgeheime beminden op school zou tegenkomen en hoe we elkaar het allerbeste zouden wensen, niet alleen voor het nieuwe jaar, maar voor de rest van onze levens. Nieuwjaar, de tijd van het gratis zoenen. Er zou een compleet verlaten bovengang zijn in een verder overbevolkte school, een van mijn zuchtmeisjes zou om onbekende reden in haar eentje van de ene vleugel naar de andere lopen, ik zou als een echte Byronic hero ook eenzaam door de gang slenteren (verdiept in het concipiëren van een allesvernietigende debuutroman), ik zou haar achteloos maar vriendelijk groeten, zij zou me na roepen: ‘Hé trouwens, Ronald, de beste wensen voor het nieuwe jaar…’ en ik zou me omdraaien, rustig antwoorden: ‘Ach,verrek ja, de beste wensen, kom, laten we het afzoenen.’ Waarna we tien jaar later een vakantiehuis in Frankrijk zouden kopen, met een hek erom zodat onze zes handenbindertjes niet konden weglopen. De waarheid was dat veel van mijn zuchtmeisjes zich er makkelijk vanaf maakten, door al in de fietsenkelder van veraf verveeld ‘glkg nwjr’ te wapperen en me vervolgens te ontlopen. Vandaag gratis gezoend met de vrouwen van de receptie van Hooghiemstra.

Eerste column geschreven voor het blad Pauze (vierhonderd woorden, twaalfhonderdvijftig gulden). Over het rolletje dat Bert en ik speelden in Ik ook van jou, de movie. In april hebben wij ’s ochtends heel vroeg de set bezocht, onder andere als cadeautje voor onszelf, om eens te ondergaan hoe het er op een filmset aan toegaat, maar ook om te zien wat er met mijn autobiografische roman allemaal werd uitgehaald.

De crew nam die dag een vrij bespottelijke scène op, waarin Antonie Kamerling in een overvol café een stuk voorlas uit het manuscript dat hij over Reza, in haar gedaante van Angela Schijf, had geschreven. Hij declameerde de zinnen heel ingetogen, heel langzaam en gevoelig, alsof hij op een begrafenis van een onverwachts overleden vriend speechte. Ik doe op voorleesbeurten dezelfde passage ook weleens,maar dan in de uptemponinetybeatsperminute-versie. Het bespottelijke was dat Kamerling na de woorden (die God betere het over een spetterende ontmaagding gingen) even dramatisch zweeg, waarna al zijn honderden vrienden in het café in een aanzwellend gejuich uitbarsten en Fraser-vertolker annex commercieel mediaverschijnsel Beau van Erven Dorens, die deze draaidag zijn debuut als filmacteur maakte, hem emotioneel omhelsde en een fles champagne gaf (op papier een makkelijk gebaar, maar Beau had zijn motivatie niet scherp en dus moest de scène veertien keer over).

Het zal aan mijn beperkte sociale leven liggen, maar ik heb in werkelijkheid nog nooit voor zoveel vrienden voorgelezen, en er is nog nooit zo doorleefd-huilerig voor mij gejuicht, noch heb ik van Bert na een voorleesbeurt ooit een fles champagne gekregen, de krent. Overigens hebben Bert en ik voor Antonie staan meeklappen als blije mongolen. Van tevoren hadden we afgesproken dat wij een kleine cameo zouden spelen. Regisseur Ruud van Hemert had ons achterin de zaal gezet bij de bar, tussen tientallen figuranten die niet wisten wie wij waren. Bert: ‘Krijgen jullie ook driehonderd gulden per dag, net als wij?’ Na het schieten van de scène met Antonie en Beau, kregen Bert & ik van de visagiste een likje bijtende glycerine onder onze ogen, waardoor we in close up hebben moeten huilen om Antonies gevoelige woorden. Zeg maar à la Stan Laurel en Oliver Hardy.

4 JANUARI – Uitputtende schrijfdag. Eindelijk een lang verhaal afgerond over… Over… Ik weet het echt niet meer… Eind oktober moest het stuk af zijn en kreeg ik van de opdrachtgever, een adviesbureau, zevenenhalfduizend gulden overgemaakt. Meestal krijg je pas tien maanden na het inleveren van een tekst je honorarium uitbetaald, na je zaak voor de Hoge Raad te hebben verdedigd. De voortvarendheid waarmee het adviesbureau betaalde, werkte contraproductief en verlammend. Tip aan opdrachtgevers: betaal schrijvers nooit voordat ze hun kunstje hebben geflikt. Ponnie Cammen en Gerrit Komrij hebben ook een bijdrage over… over… over het onderwerp geschreven, net als deelnemers aan een wedstrijd waarvan de hoofdprijs is dat de winnende verhalen met die van ons in één boek worden opgenomen. Ik mail het verhaal naar de opdrachtgever en voel letterlijk de druk van mijn schouders zakken.

[…]

5 JANUARI – Na afloop van het etentje gisterenavond heb ik tot kwart voor vijf gedronken en gediscussieerd met Arnold en een van zijn vrienden, een filosoof genaamd Erik. Ik ging om half twee naar De Bastaard, waar Arnold zat uit te puffen van een gevecht met een rolluik, waardoor zijn nooduitgang niet meer open kon (verstopte nooduitgangen liggen in deze post-Volendamse dagen niet zo prettig in de conversatie). De discussie was of een filosoof wijze, praktische wenken paraat moest hebben voor ethische dagelijkse problemen, of dat hij een veredelde theoretisch-natuurkundige is voor wie kennis en de kennis van kennis en de kennis van kennis van kennis valt uit te drukken in een niet-talig tekensysteem. Mijn hoofd denkt vandaag alleen nog nakaterend: ‘@%^$J»#$éÈÓ__Î___.’

Vanmorgen lag bij de post de filmeditie van Ik ook van jou (met de lullig-lelijke belettering van de filmposter en een paarsblauwe foto van een boos kijkende Angela Schijf) en de Rainbow-pocket van De voorzitter. Dat laatste boek had ik al een tijdje niet ingebladerd. Ik begon achteloos in het eerste hoofdstuk te lezen (pot koffie erbij, zachte muziek op en boxershort in de niet-knelstand). Tweeënhalf uur later had ik het boek uit, gelouterd, bevredigd, gerijpt. Erg vreemd, vaak moest ik hardop lachen om grappen die ik me niet meer of vaag kon herinneren. Ook bleek ik woorden te kennen, waarvan ik tot dit moment niet wist dat ze ooit tot mijn actieve woordenschat behoorden.

Het is niet bon ton onder schrijvers om te zeggen dat je je eigen boeken herleest, maar ik doe het vaak (een beetje stiekem ginnegappend van waardering om mezelf). In een gesprek met Bert heb ik gespeeld met het idee om de voorzitter uit de dood te laten herrijzen en een vervolg te schrijven. Bert ‘wist het niet’.

Verder heb ik vandaag niet veel gedaan. ’s Middags kwam Mascha naar Hooghiernstra om met mij via internet te zoeken naar recreatiewoningen. Een hypotheek, twee kinderen, twee auto’s, een set anti-aanbakpannen, een pensioenregeling, en nu ook op zoek naar een weekendhuisje ‘in een bosrijke omgeving’ (ik ben een roturier aan het worden). We hebben printjes gemaakt van een paar geschikte woningen op een uur rijden van Utrecht, om ’s avonds bij Hoofjes een top drie te selecteren. Broos was erg boos dat wij uit eten gingen en hem lieten zitten met oppas Sophie. ‘Jij bent poep,’ zei hij tegen mij, en tegen Mascha: ‘Jij bent pies.’

6 JANUARI – Vaststelling waarvan ik niet weet of ik hem laat staan:

Het jaar is nu vijf dagen oud, maar nog steeds hebben Mascha en ik alleen maar geslapen in ons grote familiebed.

‘Dit mag zo niet langer doorgaan,’ zei Mascha slaperig, toen we voor de vierde nacht achter elkaar besloten toe te geven aan onze vermoeidheid, waarna wede magische woorden spraken.

‘Morgen.’

‘Okay, morgen.’

Zoals schrijvers een writer’s block hebben, kunnen echtparen kampen met een lover’s block.

7 JANUARI – Broos zit op de bank te spelen met zijn auto’s. Ik wil naast hem zitten, om eindelijk mijn boek te kunnen uitlezen (De honden van Riga van Henning Mankell). Broos zegt dat ik niet naast hem maar op de andere bank moet gaan zitten. Vijftien seconden nadat ik daar heb plaatsgenomen (en nadat ik al verdiept ben in een alinea), zegt hij, met mijn intonatie: ‘Heb je dat goed begrepen?’ (een paar procenten vertedering).

Een psycholoog zei gisteren op tv dat je in normale omstandigheden zeventig procent van je tijd zeer verguld bent met je kind, dat je voelt dat je gebroed een verrijking is die je een intens genoegen verschaft, en dat je je de resterende dertig procent van je tijd onnoemlijk aan je kind kunt ergeren en aan de gedachte dat je leven definitief is veranderd. Ergo, ergeren is gezond. Broos is nu bijna drie, en als ik me een paar jaar geleden had voorgesteld dat ik vader zou zijn van een bijna driejarig kind, dan was in die voorstelling geen plaats voor ergernis. Hoe kan een tweejarige iets fout doen? Hoe kan een dreumes je het bloed onder de nagels vandaan treiteren? De werkelijkheid is dat Broos mij erg vertedert, maar dat ik soms ook zin heb om hem met mijn vlakke hand hard tegen zijn blozendblootblije wangetjes te slaan.

Tv uitzetten?’ vraagt hij, met zijn vingers al aan of bij het toestel.

‘Nou, doe maar niet. Ik zit naar Buitenhof te kijken.’

‘Wel uitzetten.’

‘Niet doen, Pappa kijkt even tv.’

‘Uitzetten.’

‘Niet uitzetten, Broos.’

Broos die mij uitdagend aankijkt, langzaam zijn vingertje naar de aan/uit-knop brengt en deze nog langzamer indrukt, doof voor mijn geschreeuwde bedreiging. Daarna valt zijn mond open, kijkt hij verschrikt op en rent hij weg (een paar procenten ergernis).

8 JANUARI, MAANDAG – Op de nummerverklikker van mijn mobieltje zag ik dat er iemand uit Groningen belde. Wie ken ik in Groningen, dacht ik. Het was Jack Wallage.Ik schrok, want de laatste keer dat ik zijn stem hoorde was een halfjaar geleden, toen ik ter inspiratie van de crematiescène in IOJMDA luisterde naar het cassettebandje van de crematie van mijn moeder. Jack hield daar een zeer warm & grappig praatje. Dat was een eis die mijn moeder hem en de andere sprekers had gesteld,want zij wilde berustende vrolijkheid en geen gelamenteerde elegieën.

De leukste toespraak kwam van EricaTerpstra, die het lukte om een zaal met vierhonderd rouwenden te laten schateren van de lach (nog een herinnering aan Erica: omdat wij, naar goed socialistisch gebruik, de plechtigheid eindigden met het zingen van de Internationale, had zij die ochtend de tekst van het lied laten faxen, zodat ze het voor één keer in haar leven en speciaal voor mijn moeder kon meezingen).

Bespiegeling op maandagavond: Mascha is stappen met een vriendin en ik heb twee uur geleden de kinderen naar boven gebracht. Ik moet een column schrijven voor Kijk, maar al die tijd heb ik zielloos zitten zappen. Waarom is het zo moeilijk de tv uit te zetten? De tv heeft in mijn leven meer schaamte opgewekt dan zelfverlies tijdens seksof tijdens alcoholische doorzaknachten. Tv-kijken isde lulligste manier van het zoeken naar leegheid. Ik ziemezelfkijken naar Weekendmiljonairs, een politie-achtervolgingsprogramma of een documentaire over de gemeentereinigingsdienst. Of voor de vierde keer naar de herhaling van het Acht Uur Journaal.

9 JANUARI – Het nieuwe studentencomplex op de Uithof bestaat uit drie achter elkaar gebouwde schreefloze letters ‘n’. In de achterste n wonen Joost en Stephan, de bedenkers van de Mulisch is Ajax-site (een thuispagina met allerlei literaire frutsels). Lekkere zelfmoordflat, zeg ik in het hokje van Joost, kijkend naar de leegte onder het dakje van de n, en naar het raam dat wagenwijd open staat. Stephan vertelt dat van alle duizendentwee bewoners er vorig jaar maar één de neiging te springen niet had kunnen onderdrukken.

We komen bij elkaar voor een nieuw ultrageheim allesvernietigend project: een site met ongein over literatuur. Eerst wilden we onze homepage www.degroteliteraireleeskijkknutsel&doevakantiesite.nl noemen, maar dat leek ons typetechnisch toch niet handig. Na een uur zoeken in domeinregisters (lezenisleuk.nl was al geclaimd door een kinderboekhandel en lekkerlezen.nl door een stichting in leesbevorderingssubsidiebesteding) reserveerde ik op mijn naam het adres www.toiletteren.nI. […]

II JANUARI – Vandaag op de site van de Volkskrant antwoord gegeven op een paar vragen die via e-mail waren gesteld.

Vraag: Ik las een interview met u in De Gelderlander. U sprak van uw interesse in biologie. Biologische verklaringen van menselijk gedrag spelenfeitelijk in al uw boeken een rol. U bent de enigeschrijver trouwens niet. Harry Mulisch lonkt al sindsjaar en dag naar de natuurwetenschappen. Marcel Möring noemde in een interview van tweejaar geleden critici hopeloze alfa’s.Hoe verklaart u die opvallende behoefte van schrijvers aan echte’ wetenschap?

Antwoord: De ‘echte’ wetenschap behandelt het ‘echte’ scheppingsverhaal. Wetenschap houdt zich bezig met de vraag hoe en waarom de dingen zijn zoalszezijn. Het isdes schrijvers om zelfeigen scheppingsverhalen te vertellen. Ik denk dat hun behoefte aan ‘harde feiten’ voortkomt uit de behoefte naar ijkpunten voor hun ‘zachte feiten’. Bij mij althans. De evolutiepsyche- en biologie zien in de menselijke genetische vorming ten tijde van het Pleistoceen hetflns et origovan alonze gedragingen en aberraties.

Een tijdje geleden zat ik in een publiekelijk debat met een professor van de Erasmus Universiteit. Na afloop van het gesprek stelde de zeer vriendelijke man dat de gretigheid waarmee sommige wetenschappers hun, overigens erg fraaie, theorieën over de oorsprong van het leven verdedigen religieuze trekjes heeft. Inderdaad: het duizenden eeuwen durende savanneverleden van de voorouders van de mens is een scheppingsverhaal, en niet zo maar een scheppingsverhaal, maar hét scheppingsverhaal van de mens, onderdeel van hét scheppingsverhaal van de wereld, het heelal. Het échte ware scheppingsverhaal. Jarenlang heb ik als een autist alleen maar literatuur gelezen, tot ik de (populair)-wetenschappelijke lectuur ontdekte. Zoals christenen religieuze ervaringen schijnen te hebben, had ik een ‘wetenschappelijke ervaring’, momenten dat ik diep geraakt werd door de schoonheid van de waarheid van het leven. Jarenlang had ik mij laten imponeren door mooie spreuken, eloquentia, levenswijze woorden, welluidende dichtregels, verrassende zinswendingen, hypnotiserende stijlfiguren en tot reflectie stemmende volta’s, maar plotseling kreeg ik behoefte aan harde feiten, de schoonheid van echte kennis. Mijn geïmponeerde verwondering, zoals Carl Sagan het noemde, veranderde in een gretige verwondering. In korte tijd werd ik weetjesgierig en anekdoteverslaafd en ontwikkelde ik een enorme honger naar populaire wetenschapsthrillers. Ik ging zelfs op zoek naar antwoorden op vragen die ik mijzelf daarvoor nooit gesteld had: de ‘levensvragen’, de ‘waaromvragen’, de ‘wie-ben-ik-in-deze-maffe-maffe-wereld-vragen’. Vragen die de literatuur niet in die mate opwekte.

Vraag: De open brief over Srebrenica, gepubliceerd in de Volkskrant, ondertekend door jou en een groot aantal Nederlandse schrijvers, heeft vrij veel reacties losgemaakt. Kun je na een halfjaar de balans opmaken? Was het een geslaagde actie? Welke reacties vond je het interessantst?

Antwoord: Het doel van de actie was tweeërlei: de Nederlandse politici oproepen waardiger om te gaan met het lot van de nabestaanden van achtduizend vermoorde of nog steeds vermiste Bosniërs, door hen ten eerste aan te sporen te zoeken naar waarheid en gerechtigheid (door middel van een parlementaire enquête) en hen ten tweede te vragen de hulp aan het gebied en de nabestaanden te intensiveren. De enquête is er vooralsnog niet gekomen, omdat de politiek in afwachting is van de resultaten van het NIOD-onderzoek. De open brief en vele andere reacties uit de samenleving zullen de komst van enquête in ieder geval niet hebben tegengewerkt. Zeker nu Frankrijk ook een enquête instelt, begint de kans dat de Nederlandse politiek de hand in eigen boezem steekt, te stijgen.

De reacties op de open brief waren onder te verdelen in vijf elkaar nogal tegensprekende categorieën: 1. de schrijvers moesten zich niet bemoeien met zaken waar ze niets vanaf wisten; 2. de schrijvers moesten zich niet bemoeien met Srebrenica, want groenteboeren en andere beroepsgroepen doen dat ook niet; 3. de actie was laf omdat in de open brief toch al stond wat iedereen vond; 4. De schrijvers zouden uit ijdelheid hun naam in de krant hebben willen zien staan; 5.De actie was te waarderen, maar zou niets uithalen en dus kon men de brief scharen onder de noemer luchtfietserij. Vanuit een literair oogpunt vind ik de tweede reactie interessant, omdat ik het in wezen met die kritiek eens ben. Je zou er tegenin kunnen brengen dat het des schrijvers is om zaken die spelen in de samenleving onder woorden te brengen, en dat Srebrenica sterk speelde.

De vraag over Srebrenica kwam ’s avonds terug tijdens de opname van het programma ‘De Hemelpoort’ van Jeroen Pauw (uitzending over twee weken). Of ik faalangst had dat ik geen roman over Dutchbat wilde schrijven. Ik kwam niet goed uit mijn woorden. Verder de vraag of ik ervan hield in de schijnwerpers te staan (alsof dat mijn boeken beter dan wel slechter zou maken) en de vaststelling dat ik veel over seks schrijf.

Ik heb een nieuwe afweerreactie op dit soort vragen: een lauwe bevestiging. ‘Jij schrijft veel over seks, hè?’ of ‘Jij wordt vaak geïnterviewd, hè?’ Antwoord: ‘Mjoeaah…’ Dit maakt verdere morele toetsing overbodig, want ik heb de misdaad al toegegeven. Pauw vroeg ook naar dit dagboek, ofmensen me nu moesten mijden, en of het niet een heel saai boek ging worden, als het werkelijk over mijn leven zou gaan. Als muziek waarmee ik op het eind van het programma mijn tocht naar de Hemelpoort mocht begeleiden, koos ik ‘Jezus blood never failed me yer’ van Gavin Bryars (gezongen door een zwerver bij een metro-uitgang, gefilmd door een documentairemaker en tien jaar later van een tweede stem voorzien door Tom Waits).

Terug in de taxi naar huis kreeg ik een aanval van taxigogme variant op trappegogme: er schoten me allemaal snedige antwoorden te binnen. Waarom heb ik dit of dat niet gezegd. Mijn quotes in de taxi terug zijn altijd een stuk beter.

Ronald Giphart – geboren in 1965. Schrijver. Zijn meest recente roman is Ik omhels je met duizend armen (2000). Het hier afgedrukte ‘Proefdomein’ is een eerste proeve van het Het leukste jaar uit de geschiedenis van de mensheid dat in 2002 in de reeks Privé-Domein zal verschijnen.

Hollands Maandblad

Ronald-Giphart-Hollands-Maandblad-631-632-juni-juli-2000-6-7Titel: Hollands Maandblad

Redactie:

  • Bastiaan Bommeljé
  • J.J. Peereboom
  • Marie-Anne van Wijnen

Jaar: juni/juli 2000-6/7

Jaargang: 42

Nummer: 631/632

Vormgeving: Steven Boland

Uitgever: Stichting Hollands Maandblad in samenwerking met Uitgeverij L.J. Veen

Tekeningen: Martin Janzen

Pagina’s: 65

Pagina’s Giphart:  61 t/m 64

Afmetingen: 26,5 x 17,4 x 0,4 cm

Type: Paperback/schrift

Inhoud:

  • Redactioneel
  • Arnon Grunberg – De Clairville-methode
  • Leo Vroman – Vijf liefdespsalmen
  • Maarten ’t Hart – Het gouden kruisje
  • Jaap van Heerden – Schaduwzijden
  • Maarten Doorman – Gedichten
  • Max Pam – Gisteren hield ik nog van je
  • Jan Pen – Het liefdesleven van e homo economicus
  • Thomas Verbogt – Liefde, allemaal liefde
  • Jos Versteegen – Feest in Amsterdam
  • Beatrijs Ritsema – De laffe liefde (the thrill of it all)
  • Gerard van Emmerik – No more bleeding
  • Lok Chan – Gedichten
  • Ronald Giphart – Ik omhels je met duizend armen [vier fragmenten]

Een
In remlicht is ieder meisje mooi

Er gebeurde vanmorgen weer iets waarvan ik bijna tranen in mijn ogen kreeg uit pure genegenheid voor mezelf. Ik stond voor het stoplicht bij Vinkeveen te wachten. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik Samarinde zitten achter het stuur van haar stokoude BMW. Ze zwaaide naar me.

We waren in colonne op weg naar Schiphol en hier stonden we aan het einde van de nacht in een verlaten landschap te wachten tot onze karavaan verder mocht trekken. Zonder dat daar noodzaak voor was, drukte ik mijn rempedaal in, terwijl ik in mijn spiegel bleef kijken. Een rode gloed maakte Samarinde nog mooier. Ik liet het pedaal los en de gloed verdween. Weer drukte ik de rem in. Een warme glans op Samarindes witte tanden. Haar glimlach vaag als het schilderij ‘Extase’ van Mathijs Maris. Er is een Japanse uitdrukking voor: mukushoh, ofwel lachen met de ogen (heeft Samarinde me eens verteld). Samarinde mukushohde naar mij.

Naast Samarinde zatMeija, die zich even vooroverboog om iets uit het dashboard te pakken. Ook zij kwam in mijn fantasmagorische gloed te zitten. Meija lachte naar me, niet met haar modellenlach, maar puur en oprecht. Ik dacht: in remlicht is ieder meisje mooi. En daarna dacht ik, van mijn hand een vuist makend: wat een geweldige openingszin voor een roman die ik waarschijnlijk nooit zal schrijven.

Twee

Dat alles anders was, en dat kwam door haar

Ik ruimde voor het eerst in acht jaar mijn kamer op, en dat kwam door haar. Ik deed al mijn andere vrouwen zonder al teveel emotie de deur uit en ik zat uren op mijn balkon te genieten van de zwoele kou, de voornachtgeluiden en de overweldigende geur van verliefdheid in mijn kleren, en dat kwam door haar. Ik haalde roti (wat ik nog nooit had gedaan), die voortreffelijk smaakte, en dat kwam door haar. Ik dacht aan haar, en dat kwam door haar. Ik moest zuchten wanneer ik aan haar dacht, ik zeg het gewoon eerlijk. De geur van brandend kachelhout in de straten was zij, de muziek uit mijn speakers zij, de gloed van het roze avondlicht boven de stad zij, mijn hoofdkussen voor eeuwig zij.

Het was tijdens haar eerste nachtdienst begonnen, deze oerknalverliefdheid, die gevoed werd door de schaarse keren dat ze thee bij me kwam drinken in mijn portiersaquarium, door dat moment waarop we zonder al teveel aanleiding arm in arm naar de nachtkeuken liepen en ik bij de gang naar de röntgenafdeling een enorm virtueel spandoek zag hangen met de tekst: GIPH, JE MOET JE NU NAAR HAAR TOEBUIGEN EN MET JE TONG HAAR MOND VERKRACHTEN – waarop ik natuurlijk niets deed.

Want het domme was goddomme dat ik maandenlang niets, echt niets durfde te ondernemen. Ik wist niet wat me bezielde, ik dacht aan haar, ik vertelde lyrisch over haar aan Monk &Thijm, aan wildvreemden, aan de caissière van de Dagmarkt aan de Biltstraat, die inmiddels is omgedoopt tot VIA, ik fietste, liep, kroop, vloog, zweefde, huppelde, skippybalde, radslagde en zwalkte langs dan weer de Wingerd en dan weer het ziekenhuis om haar te zien, en godbetert dat ik desondanks nada rien nothing had bedacht. En met bedenken bedoel ik lange brieven schrijven, onverwachts maar wel strategisch langskomen met een ernstig letsel of een stekend buikgezwel, haar naam op mijn voorhoofd tatoeëren, in een tochtige kerk voor een vervallen altaar op het koude plaveisel storten om haar mee uit eten te vragen (hè ja, romantisch…), haar aan haar haren mee naar een kroeg slepen en stomdronken voeren, zelf ook medicijnen gaan studeren en dan samen een ziekenhuis oprichten waar alleen zij en ik behandeld mochten worden, dat soort dingen.

Ik bedoel: zij was een vrouw uit de buitencategorie, een dokteres nota bene die zich verwaardigde om te gaan met een bebrild schrijvertje, type Eeuwige Nachtportier. Ik wist ook niet wat ik moest vinden. Toen we na een vreselijke bloednacht in het ziekenhuis op een veelte korte ochtend heel minilillistondig wenden, eindelijk, bij haar in de straat, zachtjes zodat niemand het kon horen, nog zachter Giph, en vooral niet van je fiets vandaan Giph, en nee, ik heb geen thee (te stoer om te zeggen: rneisjesdokter, jeruiktzozoetjebentzozacht), kom Giph, naar verderop in de straat, weer wenen, mijn hand op haar trui, ik weet niet wat ik nu moet doen zonder de situatie nog pijnlijker te maken. Ze zei: ‘Ik weet niet of het wel zo goed is wat we nu doen, ik bedoel met het oog op het ziekenhuis…’ Ik zei dat ik dat ook niet wist, hoewel ik haar daar eerlijk gezegd (schijt aan de poepwereld) het liefst had ontkleed, of in ieder geval heel teder had willen optillen om haar in langzame tred naar het dichtstbijzijnde park te dragen, haar tussen jasmijn te leggen, seringen, velddistels, lelies,boterbloemen, haar te besprenkelen met morgendauw, haar ogen te sluiten en naar haar te kijken, een paar honderd jaar achter elkaar.Ik was gewoon geil, denk ik.

Ze vroeg of ik het aan niemand wilde vertellen, van onze korte zoenerij en ik dacht: wat bedoelt ze?Later fietste ik naar huis, met uitgelaten in het rond stuiterende gevoelens. Moest ik blij zijn of juist niet? Ik gooi dingen tegen dingen en laat dat mijn leven bepalen. Langs de Vecht zag ik een bord Verboden aan te meren. Ik besloot mijn kauwgum in de richting van het bord te gooien. Zou ik geen metalen tik horen dan was alles voorbij en voelde zij ondanks onze korte kussage niets voor mij, de hoer; hoorde ik wel de tik van kauwgum op het bord dan kregen we in ieder geval voor een paar jaar eeuwige liefde. Door de donkere avond gooide ik (volwassen) een balletje in de richting van de Vecht. Mijn lot klonk. Alles was anders, en dat kwam door haar.

Drie
The Groningen Situation

Flirten mag. Net na mijn debuut werd ik door een studentenvereniging uit Groningen uitgenodigd te komen voorlezen. Als gage zou ik een fleswijn en een overnachting in het guesthouse van de Universiteit krijgen. Mijn eerste gratis hotelovernachting… wat was mijn familie trots. Natuurlijk ging Samarinde mee naar Groningen (al was het maar dat ze het niks vond dat ik waanzinnig opgegeild door voorlees-endorfinen in mijn eentje zou blijven slapen in een stad met vijftigduizend opgewonden studenrenrneisjes). Na afloop van mijn voordracht bleven we ‘nog even hangen’. Nu voldeden we in die tijd beiden precies acht keer aan de definitie van het Ministerie van Volksgezondheid voor het ziektebeeld ‘alcoholist’. En als Samarinde & ik samen dronken waren, hadden we eerst een fase waarin we ontzettend vreselijk heel erg veel van mekaar hielden, en dan zestien fases waarin weo ntzettend vreselijk heel erg ruzie maakten.

Door de organisatoren van de studentenvereniging werden we uitgenodigd mee te gaan naar een club die De Blauwe Engel heette, waar we eerst in onze eerste liefdesfase kwamen. God, wat hielden wij van elkaar. ‘Jij bent mijn hartware,’ fluisterde ik Samarinde in haar oor, ‘mijn klein liefdesvuurtje, feestkonijntje, Martinitorentje, mijn blauwe engel.’

Hierna dronken we nog een paar honderd parfaits d’amour, en toen moest ik even plassen. Onderweg naar het toilet stelde ik vast dat De Blauwe Engel niet verschilde van randstedelijke studentendisco’s: e rhuppelden meisjes met rode hoofden en slapgeschouderde jongens met brilletje, zoals ikzelf. Ergo: een prettige plek. Op de terugweg bleek het publiek echter dramatisch veranderd. De meisjes waren dezelfden gebleven, maar de jongens zagen er plotseling uit alsgigantische rugbyspelers, type epo-anabole. Teruggekomen bij de toekomstige moeder van mijn kinderen bleek dat zij met een van die kolerekasten in een diep gesprek stond. Om iets te doen te hebben, bestelde ik een dubbel rondje voor mezelf en ik vroeg of zij en haar nieuwe vriend ook iets wilden.

‘Dit is Sven,’ riep Samarinde, met in haar ogen nog steeds die gelukzalige blik die ervan getuigde dat immense liefde tussen haar & mij onbreekbaar was en dat die liefde zich er zeker niets van aan zou trekken dat de ruimte tussen haar & Sven inmiddels bijna viel onder het bijbelse begrip ‘een lekker potje neuken’. Nu ben ik heel principieel als het gaat om buitenechtelijke procreativiteit: ik vind dat alles moet kunnen en zo, en doe lekker wat je niet laten kunt, maar niet in het echt natuurlijk.

Daarna kwam het moment dat de dj een Japans popcornnummer van The Pizzicato Five draaide en mijn vriendin ‘even ging dansen’, want ‘zo vaak gebeurt het niet dat ze iets Japans draaien’. Wild kirrend verdween ze in de richting van de dansvloer. Ik dronk nog, terwijl ik keek hoe zij zich begon uit te sloven. Ik dronk nog wat, en daarna nog wat, en toen ik mij naar een barman had gedraaid om nog wat te bestellen en weer in de richting van de dansvloer keek, was Samarinde verdwenen. Ik keek beter, maar zag haar nergens. Ik inspecteerde alle hoeken, ik kwam zelfs even van mijn kruk, maar ze leek opgelost. Het vreemde was dat ik haar Noorman ook nergens zag. Nu versta ik onder ‘even dansen’ even dansen op de dansvloer (gebonden aan de onzichtbare halsband die je een relatie noemt) en niet even dansen op een toilet of in een donkere steeg met je broek op je enkels.

Ook hierover zijn onze advocaten nog in debat en ik ben zelfs van plan dit tot bij de Hoge Raad uit te vechten, maar Samarinde beweerde (toen ze na een stief halfuurtje, dampend van opwinding, weer terugkwam) dat ze werkelijk alleen maar op de dansvloer had gestaan en dat ik zeker blind aan het worden was en dat ze om precies te zijn op die en die plek had gestaan en weet ik veel, maar dat ze zeker niet met Nilfix gediverteerd had, laat staan hij met haar.

Nu, thans, heel veel later, zijn we vier jaar ouder en hebben we nog steeds elkaar en een nog onzijdig groeidiamantje. We kunnen inmiddels mer berustende glimlachjes terugdenken aan The Groningen Situation, maar die avond explodeerden we. Ik noemde haar smerige vuile gore hoer en zij mij smerige vuile gore zuiplap, waarna we om de beurt acht keer wegliepen uit de smerige vuile gore Blauwe Engel. Fase twee van onze dronkenschap. In het guesthouse hebben we vervolgens fases drie tot en met zestien uitgevochten, compleet met het gooien van kamerplanten, het elkaar subtiel uitmaken voor kankerhond, het huilen, gillen & krijsen tot het wakkerschreeuwen van argeloze professoren en – uiteindelijk – het melodramatisch bijleggen, mijn klein liefdesvuurrje, feestkonijnrje, Martinirorenrje, mijn blauwe engel en ik.

Vier

Samarinde staat voor de spiegel en maakt zich op

Ooit voer Cleopatra in haar goudblinkende staatsieboot de Cydnus af om haar stoere minnaar Antonius te begroeten met een pauwachtig kleurenpalet (op haar hoofd): lapisblauw, malachietgroen, zwarte kohl, loodwit, gele oker, karmozijn. Had ze Samarinde maar gekend. Samarinde bezit de gave om drie kwartier lang voor de spiegel te staan en druk in de weer te zijn met schildersdozen, verbandtrommels en gereedschapskisten, met als resultaat dat zeer spetterend uitziet, terwijl het lijkt alsof ze niet is opgemaakt.

Ik ga achter haar staan, haar omarmend. Samen kijken we naar samen. Aristoteles schreef dat schoonheid een grotere aanbeveling is dan welke introductiebrief dan ook. Terwijl op de gang de drukte aanzwelt en iedereen erg uitgelaten lijkt voor het ons opgedrongen naderende stranddiner, beveelt Samarinde zich beter bij me aan dan welke brief ik zou kunnen schrijven. We blijven elkaar zwijgend aankijken. Er ontstaat een spelletje met onze ogen. Samarinde drukt iets uit en ik reageer met het tegendeel. Boodschappen van onze ogen:

Samarinde kijkt teder. Ik kijk grof. Zij kijkt zeker.Ik kijk onzeker. Zij kijkt peinzend, ik gedachteloos. Haar ogen kijken ernstig, de mijne speels. Zij is verdrietig, ik ben vrolijk. Zij kijkt aandachtig, ik verstrooid. Onderdanig (Sarnarinde), dominant (ik). Zij kijkt vriendelijk, ik kijk vijandig. Zij kijkt vals, ik kijk Jezus. Zij kijkt verrast, ik weet niet hoe ik moet kijken. Zij kijkt oplettend, ik kijk vermoeid. Haar ogen stralen opwinding uit, de mijne kalmte. Zij kijkt begeerlijk, ik afkerig. Zij kijkt kwaad. Ik kijk vergevend. Zij kijkt ik hou van jou. Ik doorbreek het spelletje. Ik kijk ook van jou.

Hollands Maandblad

Ronald Giphart Hollands Maandblad Toets der kritiek januari 1998

Titel: Hollands Maandblad

Vrij en ongesubsidieerd

Redactie:

  • Bastiaan Bommeljé
  • Maarten Doorman
  • J.J. Peereboom
  • Marie-Anne van Wijnen

Jaar: januari 1998-1

Jaargang: 39

Nummer: 602

ISSN: 0018-3601

Vormgeving: Steven Boland

Uitgever: Stichting Hollands Maandblad in samenwerking met Uitgeverij L.J. Veen

Tekeningen: Erik Bindervoet

Pagina’s: 41

Pagina’s Giphart:  33- 34

Afmetingen: 26,5 x 17,4 x 0,4 cm

Type: Paperback/schrift

Inhoud:

  • J.J. Peereboom – Deze maand
  • Thomas Bersee – Broedertwist in het beloofde land
  • Michaël Zeeman – Gedichten
  • Aan de ene kant: Rik Smits – Gouden bergen
  • Martin Bril – ‘Yabadabadooh!’
  • Ronald Giphart – Toets der kritiek: Ideeën en wereldbeelden
  • Arjaan van Nimwegen – Veltstra vertaald

Ronald Giphart recenseert de roman Orville van Dirk van Weelden.

Toets der kritiek: Ideeën en wereldbeelden

Ik heb Orville, de nieuwe roman van Dirk van Weelden, nog niet gelezen.Wel kreeg ik van Hollands Maandblad in een mapje acht recensies en twee interviews ter recensie toegestuurd.

Ongelukkigerwijs las ik als eerste de lange bespreking – of beter het korte essay – van Hans Goedkoop in NRC Handelsblad. Goedkoop heeft de afgelopen jaren over veel schrijvers heldere analyses geschreven, die (hoewel ze niet altijd even positief waren, zoals bijvoorbeeld in geval van Grünberg of Zwagerman) altijd getuigden van respect. Ook Van Weeldens thematiek en schrijverschap worden door Goedkoop duidelijk samengevat. Volgens Goedkoop zoekt Van Weelden in zijn boeken voortdurend naar ‘alertheid’, door zijn personages een opgewekt trommelvuur van vragen over de dingen in de wereld te laten afschieten. ‘Een strategie voor geluk,’ noemt Goedkoop dit, ‘niet meeren niet minder, en dat maakt het tot een ongebruikelijk naïef totaalproduct. Maar wel gesteund door grote intellectuele kracht en filosofische kennis.’

Op drievierde van zijn recensie komt Goedkoop tot de conclusie dat hij uiteindelijk heel kort over Orville kan zijn: ‘Hier is iets categorisch misgegaan.’ Hij legt uit: ‘Het is niet langer een gedachtestroom die hij verwoordt, maar een gedachtengoed. Van Weelden is […] op een punt beland dat vrijwel elke schrijver op den duur bereikt. Hij weet wat hij wil zeggen.Hij is niet meer zorgeloos en opgetogen bezig met ontdekken, hij kijkt terug op de ontdekkingen die hij al eerder heeft gedaan en ziet ze als verworvenheden.’

Dit is diepe kritiek, maar Goedkoop laat het niet bij deze constatering. ‘Hoe nu verder met dit schrijverschap?’ vraagt hij zich verre van polemisch af.’Er is geen weg meer terug, ben ik bang. De onbevangen tegenwoordigheid van geest die hij een paar romans lang heeft bewaard zal niet meer terugkomen, tenminste niet door die te zoeken.’ Goedkoop raadt Van Weelden aan na drie boeken eens over andere dingen te schrijven, omdat misschien juist dan die onbevangen naïeviteit weer terugkeert.

Het vervelende is dat na deze recensie alle andere alleen maar erg tegenvielen. Die van Arjan Peters in de Volkskrant bijvoorbeeld, waarvan ik al tijdens de eerste kolom doodliep in mijn hoofd. Ik heb drie keer geprobeerd de tweede kolom te halen, maar dat is drie keer mislukt. Peters schrijft verbale zwarte gaten, waar ik graag voor bedank. Er zijn dingen waar je je gezondheid niet voor op het spel zet.

Ook de recensies van Care! Peeters in Vrij Nederland doen al mijn neurologische verbindingen normaliter crashen. Peeters is een criticus die consequent filosofie met literatuur blijft verwarren, en het is dan ook opvallend dat hij het filosofisch onderbouwde Orville gematigd negatief bespreekt. Wat Peeters voornamelijk tegenvalt is dat de ‘echte botsingen’ in Orville afwezig zijn, te weten die ‘tussen ideeën en wereldbeelden’. Zou het voor de literatuur niet veel beter zijn als Care! Peeters de permanente hoofdredacteur van Vrij Nederland wordt, vraag ik me wel eens af.

Het stuk van Johan Diepstraten in De Stem is redelijk te volgen (positief over Orville), maar de recensie van Jaap Goedegebuure in HP/De Tijd stelt in vergelijking met die van Goedkoop werkelijk he-le-maal niets voor. In de eerste alinea stelt Goedegebuure vast: ‘Al in geen tien jaar zijn er schrijvers bijgekomen die er wat mij betreft ook maar iets toe doen […]. [We] krijgen zo langzamerhand de bodem in zicht.’

Een fris uitgangspunt om week in jaar uit boeken te bespreken, lijkt me. Als Goedegebuure het al tien jaar werkelijk allemaal zo slecht vindt, waarom stopt hij dan niet met recenseren? Betaalt het hoogleraarschap soms zo erbarmelijk? – Slechts ‘af en toe’ (gaat de door W.F. Hermans vernietigend gekielhaalde blaséë literatuurprofessor verder) grijpt hij ‘nog’ ‘met enige gretigheid’ naar het nieuwe boek van iemand die hem ooit nieuwsgierig maakte. Zo iemand is Van Weelden, die door Goedegebuure een ‘zondagskind’ wordt genoemd. Hij schrijft: ‘Voortgestuwd door levenslust en schrijfdrift (en in zijn voortvarendheid dikwijls zondigend tegen deschoolmeestersnormen inzake een goede stijl) deed hij zijn best om in deze matte en sceptische jaren een minimum aan zekerheden aan tewijzen.’

Vooral die mededeling tussen haakjes is interessant. ‘Schoolmeestersnormen inzake een goede stijl’; wat zou Goedegebuure bedoelen? Zou hij zijn eigen fraaie zinnen in gedachten hebben? Zinnen als:’Men laat zich kennen en wil kennen.’

Men wil wat kennen? Wil men de betekenis van het begrip ‘overgankelijk werkwoord’ soms kennen? En hoeveel pleonasmes zouden de schoolmeesters tellen in deze zin: ‘Het blijkt een of ander onbestemd stuk elektronica te zijn, letterlijk een “onding” zonder functie of nut’?

En wat zouden de schoolmeesters vinden van deze wanstaltige alinea (van Goedegebuure, niet van Van Weelden) : ‘Al met al is het me het weekje wel ook al vanwege de inbreng van de meegekomen kinderen. Onder impuls van lastpak Sidney hebben die zich in het hoofd gezet dat op de bodem van het nabijgelegen stuwmeer een schat ligt, en ze rusten niet voor ze die met alle risico’s van dien naar boven hebben getakeld.’

‘Onder impuls’ van mijn schoolmeestersnorm zou ik ‘met alle risico’s van dien’ ‘al met al’ ‘ook al’ ‘vanwege de inbreng’ van deze onmachtige wanstilist even willen braken over deze clichérijke professorale haastblubber.

Opvallend is dat Goedegebuure als enige recensent het niet de moeite waard vindt te vermelden dat er naast hoofdpersoon Orville en zijn vrienden, zijdelings nog een personage wordt opgevoerd: een mysterieuze stokoude man die zich door het boek heen voordoet als hond, zwerver, roerdomp, boswachter, baars etcetera. Dat deze figuur, Legba, een nogal belangrijke rol speelt, vergeet Goedegebuure dus ook te vermelden – en dit zou je kunnen doen vermoeden dat Goedegebuure Orville niet in zijn geheel heeft gelezen.

Hoewel Goedegebuure van mening is dat in sommige passages Van Weeldens Lebensbejahung ‘uitglijdt in jongemeisjeskitsch’ (een contaminatie, want volgens de schoolmeestersnormen is het ‘uitmonden in’, ‘uitglijden door’ en ‘afglijden naar’) concludeert hij: ‘Wat overheerst is een hoog gehalte aan authentieke spiritualiteit die zweeft zonder echt zweverig te worden.’

‘Te zweverig’ oordeelt Wim Vogel in het Haarlems Dagblad daarentegen over de stijl van Van Weelden. En de enigmatische figuur van Legda ziet hij al helemaal niet zitten: ‘De meeste moeite heb ik met de sprookjesachtige metamorfoses […]. Dan heb ik liever het grauwe realistische naturalisme van honderd jaar geleden.’

Ook T. van Deel vindt Legba maar mal. Hij schrijft (in Trouw): ‘Zijn naam is Legba, vraag me niet waarom.’ Vraag me niet waarom? Daar betalen we je toch voor, werkweigeraar! – T. van Deel gaat verder: ‘Het optreden van deze magische figuur maakt de roman, in mijn ogen, nogal onzinnig, al hoort zoiets mals wel bij de springerige en schakelende Van Weelden.’

Volgens Van Deel gaan Van Weeldens boeken in laatste instantie altijd over het schrijven zelf. En daar zit de kneep, want: ‘Het theoretische gehalte van Orville, bij alle verhalende gebeurtenissen, levert geregeld een wazige en beroerde taal op, die niet op scherpte uit is.’

Persoonlijk moest ik even heel hard krijsen om deze potsierlijke woorden van Professor Rampstijl. Levert een wazige en beroerde taal op, die niet op scherpte uit is.Wie is T. van Deel in Godsnaam om over een schrijver te beweren: ‘Nu is stijl nooit Van Weeldens fort geweest, maar dit keer maakt hij het soms echt te bont’?

In Het Parool babbelt Robert Anker ook over Van Weeldens stijl. Zo schrijft hij: ‘De stijl is als vanouds weinig spectaculair, maar doortastend en vooral monter, wat goed aansluit bij Van Weeldens weigering zich neer te leggen bij welke vorm van pessimisme dan ook.’ – En voor spectaculaire zinnen moeten we blijkbaar bij Robert Anker zelf zijn. Vlak voor hij Van Weeldens stijl ‘weinig spectaculair’ noemt, schrijft hij: ‘Vergeleken met Mobilhome zit hij [de roman Orville] minder woest en ongelijksoortig in elkaar- wat niet per se een voordeel is- en is de essayistiek organischer ondergebracht in het verhaal, dat ook meer dan ooit een bij vlagen zelfs warmbloedig en spannend mensen verhaal is – wat ik wel een voordeel vind.’ BAMM! Wat was dat? Iemand die hersendood achterover sloeg.

Laat me besluiten door in een waanzinnig moment met instemming T.van Deel te citeren. In zijn laatste alinea schrijft hij over Orville: ‘Ergens staat: “Zijn humeur ging nog een tandje hoger.” Ik moet zeggen dat het mijne na lezing van zoveel stijlloze zinnen in Orville heel wat tandjes lager was aanbeland.’ – Ja, en zo was mijn humeur na het lezen van zoveel onmachtige, duffe, benepen, wanstaltig lelijke, overgewaardeerde flutrecensies in de laagste stand ‘aanbeland’. Ik ga nu snel Orville lezen. Slechter dan Goedegebuure, Peters, Peeters, Anker en Van Deel kan de nieuwe van Van Weelden niet zijn.

Ronald Giphart – geboren in 1965. Schrijver. Zijn meest recente boek is getiteld Phileine zegt sorry.

Hollands Maandblad

Ronald Giphart Hollands maandblad 1996 - 12 december Toets der kritiek

Titel: Hollands Maandblad

Redactie:

  • Bastiaan Bommeljé
  • Maarten Doorman
  • J.J. Peereboom
  • Marie-Anne van Wijnen

Jaar: december 1996-12

Jaargang: 38

Nummer: 589

ISSN: 0018-3601

Vormgeving: Steven Boland

Uitgever: Stichting Hollands Maandblad in samenwerking met Uitgeverij L.J. Veen

Tekeningen: Annelies Alewijnse in gemengde techniek: fotocollage, fotokopie, verf

Pagina’s: 41

Pagina’s Giphart:  18 – 19

Afmetingen: 26,5 x 17,4 x 0,4 cm

Type: Paperback/schrift

Inhoud:

  • Jan Pen – Wiens plagiator had ik willen wezen?
  • A. Moonen  – Verbanning
  • Sabine Lichtenstein – ‘In deze heilige hallen’: taal talen en vertalingen in de opera
  • Ronald Giphart – Toets der kritiek: Tussen melk en bitter
  • Elisabeth J.M. Jansen – Gedichten
  • Frederik Philip Kuethe – De eeuwige drenkeling
  • Mario Molegraaf – Nogmaals Plato
  • Marc Tritsmans – Gedichten
  • Maarten ’t Hart – De jacht op het rijbewijs

Ronald Giphart recenseert de roman De weg naar Caviano van Doeschka Meijsing.

Tussen melk en bitter

Toets der kritiek

Chocolade is iets waar je heel lang heel onbevredigend ruzie over kunt maken. Mijn zusje houdt van puur, ik van melk. Uren hebben we destijds gediscussieerd over de vraag wie er gelijk had. Dan namen we beiden een hapje puur of melk en schreeuwden we door elkaar ‘gádverdamme’ en ‘oh, dit is lekker’. Soms liepen deze gesprekken uit op ruzie, soms op vechten en altijd ging het ten koste van de sfeer in ons gezin (niet voor niets zijn mijn ouders gescheiden, maar dat is weer een heel ander droevig verhaal). De nieuwe reep literatuur van Doeschka Meijsing heet De weg naar Caviano. In het bescheiden recensiemapje dat ik van Hollands Maandblad mocht ontvangen (literaire tijdschriften weten van gekkigheid niet meer hoe ze de bladzijden moeten vullen) zitten zes recensies van het boek, dat ik overigens bewust niet heb gelezen.

De wedstrijd begint met een snelle voorsprong voor Meijsing. Johan Diepstraten (De Stem) scoort heel overtuigend met een linkse directe 1-0, Carel Peeters (Vrij Nederland) weet er met een niet al te sterke uppercut 2-0 van te maken, Jaap Goedegebuure (HP/De tijd) brengt de stand op 3-0, en Arnold Heumakers (de Volkskrant, oh nee! NRC Handelsblad) probeert de ronde te beslissen met een linksrechts-combinatie: 4-0.

Van al deze recensenten verliest professor Goedegebuure zich nog het meest, zo uitzinnig van literaire vreugde was hij na het lezen van De weg van Caviano. Uiteraard begint hij zijn recensie met een langgerekte en totaal overbodige uitweiding over het wel & wee van ‘de oude Grieken’, waarna ik eerlijk gezegd al hersendood achterover sla. Goedegebuure is het prototype van een criticus die na jaren en jaren iedere week verplicht te hebben gelezen, aan recensierot begint te lijden; een kwaal die zich uit in autistische babbeldrang, ongefundeerd chagrijn, rancuneuze vergeldingsacties en een totale desinteresse voor ontwikkelingen buiten de fascinerende kennissenkring van de recensent. Van Meijsing is hij echter diep onder de indruk. ‘Doeschka Meijsing is altijd al hevig gepreoccupeerd geweest met dood en verlies,’ legt hij uit (‘hevig gepreoccupeerd’, het staat er echt), waarop hij in een woord of zevenhonderd het verhaal van het boek navertelt. Dit resumeren staat erg belezen, maar is in feite een trucje van Goedegebuure om het zichzelf makkelijk te maken. Op zo’n niveau kan iedereen een boek lezen en recenseren (wat ik voor Het Parool dan ook vaak heb gedaan). Na het hele verhaal tot en met de laatste regel te hebben herverteld, voegt Goedegebuure er nog deze, hevig analyserende, slotalinea aan toe: ‘Zo eindigt een fascinerende roman die even sierlijk als trefzeker is geschreven, uitmunt door zijn subtiele peilingen van precaire verhoudingen en daarbij van veel inzicht en mildheid getuigt.’ Ik vind dat je van een professor en een beroepsrecensent niet hoeft te verwachten dat hij de samentrekkingsregels van zijn taal kent (de woorden ‘roman’ en ‘die’ zijn twee verschillende zinsdelen en derhalve mag slechts een van hen worden samengetrokken). Maar van iemand die een roman aanprijst met de woorden ‘even sierlijk als trefzeker geschreven’ had ik een betere of mooiere zin verwacht.

Ook Johan Diepstraten is onder de indruk van de nieuwe Meijsing. ‘Misschien is dat wel het meest opvallende (…): De weg naar Caviano had zes romans op kunnen leveren,’ vertelt hij om de roman een opkontje te geven, en even jubelend als onbegrijpelijk voegt hij eraan toe: ‘Want iedere levensgeschiedenis is op verhaalniveau een wereld op zich.’ Diepstraten eindigt met de mededeling: ‘De roman is geschreven in die mooie, geserreerde stijl die de lezer van Doeschka Meijsing kent.’ Ik vraag me dan altijd af wie dat toch is, de lezer: Waar woont die man, waar kan ik hem bereiken? Zou Diepstraten zichzelf met de lezer bedoelen?

‘Een innemend mengsel van tragiek en lichtvoetigheid’ wordt waarschijnlijk de flapblurb die uitgeverij Querido gaat plukken uit de kritiek van Arnold Heumakers. Omdat Meijsing zich heeft laten inspireren door Italo Calvino’s De weg naar San Giovanni, legt Heumakers uit: ‘Literatuur leidt tot literatuur, maar dat hoeft – zoals hier – het ontstaan van een onvervreemdbaar eigen wereld op papier niet in de weg te staan’ – waarbij ik maar even aanneem dat de toevoeging ‘zoals hier’ slaat op het boek van Meijsing en niet op Heumakers’ recensie, al lijkt me ‘hier’ hier niet de geschikte verwijzing.

Carel Peeters is iets minder enthousiast over het nieuwe werk van Meijsing. Omdat de schrijfster volgens hem ditmaal minder ‘gebruik heeft gemaakt’ van de wetten van de verbeelding, is het boek ‘te eendimensionaal’ gebleven, ‘ook al weet ze daarbinnen veel mooie zinnen te schrijven’ (daarbinnen het eendimensionale, het staat er echt). Eén zin verder verandert Peeters de omschrijving ‘veel mooie zinnen’ in ‘soms wellustig goed geschreven zinnen’. Wellustig goed geschreven.

Een andere Peeters, Arjan Peters, is het daar absoluut niet mee eens. Peters vond het broddelgedrocht van Meijsing maar niets en zet, ondanks de bijna onoverbrugbare voorsprong, een tegenaanval in. In de vier laatste alinea’s van zijn recensie somt hij de lelijkste zinnen, omschrijvingen en innerlijke onlogica’s op die hij in Meijsings boek kon vinden. Citaat: ‘Ook schrijft Meijsing “boswering”, “zomaar pardoes”, “de benen wijdbeens” (alsof er ook alternatieve ledematen voor het predikaat “wijdbeens” in aanmerking komen), “het verre geklop van hout ergens boven op de berg” (hoor wie klopt daar? Het hout), en: “Hij had nooit een ernstige gedachte besteed aan de weg die zijn ziel na de dood zou gaan, sterker nog, hij had nooit het bestaan van zoiets bevestigd of ontkend.” Het laatste partikel is niet “sterker nog”; de opmerking dat hij er nooit aan had gedacht, kan niet verder versterkt.’

Zo, die zit, en die zit goed. Het is moeilijk om het geschal van de vier loftrompetten Peeters, Heumakers, Goedegebuure en Diepstraten na de recensie van Peters nog serieus te nemen, zo verbeten gaat de laatste het gevecht aan. Maar wie zich echt kwaad maakt is Daniëlle Serdijn, een nog betrekkelijk jonge boekbespreekster van de Arnhemse Courant. Zij legt uit dat Doeschka Meijsing met De weg naar Caviano een ‘groot schrijver’ is geworden, althans in de ogen van de schrijfster zelf. De uitspraak ‘ik ben een groot schrijfster geworden’ deed Meijsing namelijk letterlijk in Hanneke Groentemans televisieprogramma De Plantage. Serdijn haalt deze verzuchting in het begin van haar kritiek gretig aan, waarna ze de reactie van de presentatrice op zoveel hybris fraai beschrijft: ‘Hulpeloos blikte Groenteman in de camera, toen zij merkte dat Meijsing het wel degelijk serieus meende. Ik kan er ook niets aan doen, spraken haar ogen boekdelen, maar dit mens hier naast mij noemt zichzelf een groot schrijver.’

Vernietigend is Serdijns laatste alinea: ‘Italo Calvino realiseerde zich dat een tekst tot leven komt en opnieuw ontstaat op het moment dat hij gelezen wordt. Vandaar ook zijn ode aan de lezer.Meijsing daarentegen lijkt (…) ervan overtuigd dat een tekst de grootheid van de schrijver in zich herbergt. Dat is misschien een heel klein beetje waar,maar zelfs in dat unieke geval kan die grootheid slechts ontdekt worden door lezers.De weg naar Caviano mag dan bedoeld zijn als hommage aan Calvino, op een cruciaal punt heeft Meijsing de meester verkeerd begrepen. De ijdeltuit.’ Deze laatste uitroep brengt de eindstand in Het Grote Doeschka Meijsing Debat op 4-2, al haalden de tegendoelpunten veel van de glans van de overwinning, zoals ik vroeger mijn melkreep toch minder lekker vond als mijn zusje naar me keek en spontaan begon te kotsen.

Ronald Giphart – geboren in 1965. Schrijver. Publiceerde onlangs Phileine zegt sorry.