FNV Magazine met een column van Ronald Giphart

FNV Magazine

By hans, 14 augustus 2018

Je ontvangt als lid 4 x per jaar FNV Magazine. Jouw ledenblad over werk en inkomen, waarin jij als werknemer centraal staat.

Het FNV Magazine verschijnt voor bijna 900.000 leden. En best bijzonder: we zijn één magazine, maar met een keur aan edities voor verschillende sectoren. Je leest in jouw sectoreditie vooral wat jou interesseert.

Hoofdredacteur: Roosmarijn Schröder

Eindredacteur: Peter Beekman

Redactie FNV: Peter van der Aa

Redactie MPG., Amstelveen: Reijer Blankenspoor en Annemiek Sinnige

Art direction en vormgeving: Esther Tji en Bianca van Hilst

Druk: Senefelder Misset, Doetichem

ISSN 2405-9013

Afmetingen: 27,5 x 21,5 cm

De columns van Ronald Giphart lees je hier:

MIJN VADER (#3 2016)

Ik stam uit een progressief vakbondsgezin – en zo erg was dat helemaal niet. Er zijn in de geschiedenis slechtere tijden geweest om op te groeien dan de jaren zeventig in Nederland. Voor mij was het een onlosmakelijke drievuldigheid: mijn moeder was ‘van de Partij’, mijn vader ‘van de Bond’ en met z’n allen waren we ‘van de omroep van het vrije woord’ (hallo hier Hilversum). Op 1 mei gingen we trouw naar de viering van de Dag van de Arbeid, waar mijn ouders alle strijdliederen van de Stem des Volks lustig meezongen (en niet eens ironisch, zoals ik later in mijn studententijd zou doen).

Nu, achteraf, kan ik niet meer navoelen hoe belangrijk sommige maatschappelijke ontwikkelingen in die jaren moeten zijn geweest. Zo kan ik me nog herinneren dat het NVV en het NKV opgingen in de FNV. Destijds, in 1976, maakte dat op mij – als tienjarige – diepe indruk, wat natuurlijk moet zijn geweest omdat dit in ons gezin een veelbesproken gebeurtenis was. ‘Wij van de socialisten’ gingen na jaren soebatten samenwerken met ‘hun van de katholieken’. Ik kan me de bijna verongelijkte argwaan van mijn vader nog voor de geest halen.

Hoe de tijden zijn veranderd. Speciaal voor deze column vroeg ik mijn kinderen naar wat zij van ‘de vakbond’ weten. Mijn jongste zoon is inmiddels tien jaar, maar hij wist niet waar ik het over had en ook het begrip ‘socialisme’ zei hem niets. Zijn oudere broer van achttien had meer politiek benul, al kon hij als eerstejaarsstudent politicologie toch ook niet vertellen waar vakbonden precies voor staan. ‘Hebben die niet te maken met de Franse Revolutie?’

Hun opa zou zich omdraaien in zijn urn. Ter nagedachtenis aan mijn vader heb ik vervolgens, voor mijn kinderen, uit volle borst gezongen en niet eens ironisch deze keer. ‘Op socialisten, sluit de rijen, het rode vaandel volgen wij. Het geldt den arbeid te bevrijden, verlossing uit de slavernij!’ Ik geloof niet dat het indruk maakte.

‘UNIONRATS’ (#4 2016)

Na de opnamen van de verfilming van mijn roman Phileine zegt sorry stelde ik vast dat Amerika op een bepaalde manier linkser was dan Nederland. Destijds — we schrijven het jaar 2003 — had deze constatering te maken met vermaak over de macht van de Amerikaanse vakbonden. Wie in Amerika een film opneemt is gebonden aan een door de unions opgelegde regeldrift waarvan de Europese Commissie stuiterend van geilheid achterover zou slaan.

Op een Amerikaanse filmset moet vrijwel iedereen zijn ingeschreven bij een vakbond, ook bij buitenlandse producties (op een paar functies die onvervangbaar zijn na — zoals acteurs en regisseurs). Op een Nederlandse set helpt iedereen iedereen, terwijl er in Amerika streng op wordt toegezien dat gaffers, grippers, geluidsmannen en setdressers zich louter met hun eigen departement bezighouden. Volgens union-regels mogen werknemers vóór de officiële aanvangstijd van een opname niet met elkaar praten, want ze zouden het over een bepaald camerastandpunt kunnen hebben en dat is werk (en moet worden betaald).

Een andere (idiote) bepaling was dat de Nederlandse cameraman van Phileine zegt sorry — Gouden Kalf-winnaar Bert Pot — slechts nagelbijtend kon toezien hoe een Amerikaanse collega zíjn camera bediende. Pot mocht wel — als toerist — door de zoeker van de lens kijken, maar zodra zijn wenkbrauwen het toestel zouden raken, zou de hele filmproductie worden stilgelegd — en verscheen er een grote rat in de straat.

Dat was een Amerikaans fenomeen. Als een werkgever zich niet aan vakbondsregels houdt, wordt er op de stoep een enorme opblaasbare rat gepland, zodat iedereen weet dat het gaat om een besmette werkplek. Deze zogenoemde ‘unionrats’ heb ik sindsdien overal in  het kapitalistische Amerika zien opduiken.

Terwijl ik dit schrijf hebben de Verenigde Staten net een nieuwe President-elect, iemand die vooral stemmen kreeg van een deel van het electoraat dat in vroeger tijden op de Democraten stemde. Het is afwachten of de nieuwe leider zich ook daadwerkelijk voor deze verworpenen der aarde zal inzetten en wat de rol van unions zal zijn.

VERKIEZINGEN (#1 2017)

De aankomende Tweede Kamerverkiezingen trekken bij mij een gevulde lade met herinneringen open. Bij ons thuis was mijn vader ‘van de bond’ en mijn moeder ‘van de partij’. De verkiezingen brachten hen bij elkaar. Geen
gelukkiger tijd dan campagnetijd.

In het huidige gewricht is de vakbond niet meer gelieerd aan één specifieke politieke partij, maar in de jaren zestig en zeventig waren bond en partij twee vette dikke takken aan dezelfde boom. De derde tak — de omroep — was al doorgebogen en bijna afgebroken.

Ik herinner me voornamelijk de verkiezingen van 1977, toen Joop den Uyl als premier Nederland overtuigend door stormen had geloodst. Bij ons thuis heerste in aanloop naar 25 mei 1977 een verwachtingsvolle jubelstemming. Via de AbvaKabo had mijn vader een Volkswagenbusje geregeld met een grote luidspreker op het dak. Mijn vader, fanatiek klarinettist, had met geëngageerde medemuzikanten een speciaal verkiezingslied geschreven om potentiële kiezers over de streep te trekken.

‘Kies de minister-president!’, luidde het refrein, dat tig keer door de straten van onze woonplaats Dordrecht schalde. Ik herinner me vooral een zaterdagmiddag, waarschijnlijk een of twee weken voor de verkiezingen. Oom Bram — die natuurlijk geen echte oom was, maar volgens de merites van de jaren zeventig door mij wel zo werd genoemd — stuurde het afgetrapte busje, mijn vader rookte rechts bij het raam amechtig shagjes, en ik zat als tienjarige uitgelaten in het midden.

Regelmatig startte mijn vader de geluidsband met strijdliederen en jingles, die werden onderbroken door live ingesproken stemadviezen. Af en toe mocht ik in de microfoon met mijn jongensstem een boodschap piepen als ‘Voorwaarts, zonder te vergeten! Stem PvdA!’

Het moet indruk hebben gemaakt, want de partij won de verkiezingen glorieus met tien zetels. Toch ging het later allemaal mis. Na een slepende formatie werd de PvdA buiten de boot gehouden en ook het huwelijk van mijn ouders strandde. Net als — uiteindelijk — de liefde tussen ‘bond’ en ‘partij’.

SCHRIJVERSVAKBOND (#2 2017)
We zijn op vakantie, maar desalniettemin moet ik werken. Als ik uitleg waaraan wil mijn jongste zoon (10) weten wat een vakbond is en waarom een schrijver überhaupt schrijft voor een vakbondsblad. Hij vraagt of ik ook bij een vakbond zit en wil weten of er überhaupt vakbonden voor schrijvers zijn.

Sinds een tijdje probeert hij in zo veel mogelijk zinnen het woord ‘überhaupt’ te stoppen. Ik vertel dat ik in vroeger tijden lid was van de Nederlandse Vereniging van Schrijvers en Vertalers (vroeger ‘de Vereniging voor Letterkundigen’ en sinds vorig jaar ‘De Auteursbond’), maar dat ik in krappe tijden ooit mijn uitgaven heb gevlooid op zaken die wel geld kostten maar mij feitelijk niets opleverden.

‘Wat doet een vakbond dan überhaupt voor schrijvers?’ gaat mijn zoon verder. Tja… Ik leg uit dat vroeger het communistische Rusland een zeer machtige schrijversbond had. Zogenaamd was de organisatie er om schrijvers bij te staan in de uitoefening van hun beroep, maar in praktijk kon niemand een letter publiceren zonder toestemming van Moskou. Schrijvers moesten zich houden aan de officiële richtlijnen waaraan hun werk moest voldoen (net als het werk van andere Russische kunstenmakers): ze werden geacht ‘socialistisch realisme’ te produceren. Het waren niet de minste schrijvers die lid waren, met Gorki als de bekendste.

‘En in latere tijden was de Amerikaanse schrijversvakbond ook heel machtig’, ging ik verder, waarna ik herinneringen ophaalde aan de beroemde schrijversstaking van 2007, die maandenlang Hollywood platlegde. Zonder scenaristen moesten veel televisieshows noodgedwongen herhalingen uitzenden, tot de werkgevers zwichtten en de scriptschrijvers lieten meedelen in de inkomsten. Eind april 2017 riep de Amerikaanse Writers Guild of America (WGA) wederom op tot een staking en we moeten nog zien hoe dat uitpakt.

‘Kunnen schrijvers staken?’ vraagt mijn zoon verbaasd. ‘Überhaupt bedoel ik.’

‘Als je vader bij een vakbond had gezeten, had hij vandaag niet hoeven werken’, roept mijn vrouw resoluut vanachter haar e-reader, waarna ik mij aan het werk zet.

JAAP VAN DER LINDEN (#3 2017)

In mijn bus lag een vriendelijke brief van mijn collega Peter van der Aa, die jarenlang als redacteur van vele FNV-uitgaven werkte en inmiddels zzp-schrijver is. In zijn brief vertelde hij over de biografie die hij onlangs publiceerde over de illustere Jaap van der Linden: ‘Geen stuiver van de lommerd’ (2017, uitgeverij Boekscout). De ondertitel van zijn boek luidt ‘de biografie van een vakbondsman’, en dat is natuurlijk precies wat Van der Linden was: een vakbondsman van de oude stempel, zoals Herman Bode en Jaap van de Scheur, die als actievoerder en stakingsleider stem gaven aan de rode strijd tegen de verdrukking en het kapitaal.

En dat ‘stem gaven’ mogen we letterlijk nemen: Jaap van der Lindens timbre klonk als een oudtestamentisch oordeel, of zoals de Volkskrant ooit schreef: hij had een stem ‘als een roestige betonschaar, die de woorden als krakende wagens met snerpende wielen naar buiten liet rollen’. Vakbondsleiders als Van der Linden, die ‘met zijn poten in de bagger stond’, lijken niet meer te worden gemaakt.

Zijn biografie leest als het enerverende verhaal van de maatschappelijke en sociale botsingen die Nederland en de rest van de wereld hebben gevormd. Van der Linden heeft een bevlogen leven achter de rug, dat begon als spruitjesplukker in de Hoeksche Waard.

De brief die Peter van der Aa mij stuurde ging over de tijd dat Jaap in Dordrecht actief was bij de NVV-jongerenorganisatie Jonge Strijd, waar hij voor het partijblad ‘Op de bres’ vaak samenwerkte met een man over wie ik mijn eerste bijdrage aan dit blad schreef: mijn vader.

Tot mijn verdriet heb ik niet meer de gelegenheid gehad hierover met Jaap van der Linden te mogen spreken, want bij overleed op 13 mei jongstleden op 81-jarige leeftijd. Gelukkig is er nog zijn biografie om zijn geest Ievend te houden.

VAKBONDSPORNO (#4 2017)

Halverwege de jaren tachtig was ook Soest in de ban van de revolutionaire rode storm die over de wereld waaide. In het multiekulturele centrum van mijn dorp stond een grootse gebeurtenis aangekondigd: de integrale vertoning van Novecento (1976) van Bernardo Bertolucci. De voltallige linkse goegemeente verzamelde zich in de filmzaal voor het ontroerende eerbetoon aan de strijd tussen verdrukten en onderdrukkers. Ik zat er met mede-Jonge Socialisten en met mijn ouders: oprechte FNV-leden die zich deze vijfenhalf uur durende vakbondsporno niet lieten ontzeggen.

De film begon met een shot van het prachtige schilderij ‘Il quarto stato’ (de vierde macht) van Giuseppe Pellizza da Volpedo (nog steeds mijn bureaublad), met een groep stakende nobele landarbeiders en boeren, die eendrachtig en vastberaden marcheren richting de kijker. Socialistische kunst in optima forma.

Novecento is het verhaal van de zoon van een rijke grootgrondbezitter (gespeeld door Robert De Niro) en een boerenzoon en latere vakbondsman (Gérard Depardieu). Gedurende de decennia volgen we hun vriendschap, die met de opkomst van de fascisten van Mussolini steeds meer onder druk komt te staan. Na de roemruchte periode die de geschiedenis is ingegaan als ‘Biennio Rosso’, het Rode Dubbeljaar 1919-1920, leek Italië rijp voor een linkse machtsovername: overal in het land braken stakingen uit en werden landerijen van het grootkapitaal ingenomen. Dit lieten de machthebbers, met hulp van de katholieke kerk, uiteraard niet op zich zitten, met alle bloederige gevolgen van dien.

Natuurlijk was Novecento overgeromantiseerde geschiedsverheerlijking, maar op mij maakte de film destijds diepe indruk. Tevergeefs. Niet lang na de vertoning in ons dorpshuis viel de Berlijnse Muur, werden communistische dictators verdreven, schudde de sociaaldemocratie haar ideologische veren af en leken de toekomstdromen van de aloude machtige Europese progressieve beweging voorgoed vervlogen. Novecento bleek uiteindelijk niet meer dan een links jaren-zeventigrelikwie over vervlogen strijdbare tijden van weleer. Toch heb ik veel zin om de film weer eens te zien. Al was het maar uit vakbondsnostalgie.

SCHOONMAKEN (#1 2018)

Elders in dit Magazine staat een interview met Leon Verdonschot over zijn documentaire Het schoonmaakparlement. Dat bracht me terug naar een van mijn eerste baantjes. Ik woonde in Soest, maar het kantoor waar ik geacht werd puin te ruimen lag in Hilversum (op een half uur fietsen, in de regen). Het was mijn taak om zes afdelingen van een kantoorflat op te ruimen en te boenen, wat binnen maximaal drie uur moest gebeuren. Als ik mijn werkzaamheden niet binnen deze termijn afkreeg moest ik in mijn eigen tijd doorgaan. Nu was het bijkans onmogelijk om dat rotgebouw in drie uur aan kant te krijgen, zeker voor een beginneling als ik (over het opruimen van mijn kamer deed ik gemiddeld al een paar maanden). Uiteindelijk bleek ik ƒ 9,30 per dag te verdienen, wat inclusief reistijd en onbetaalde overuren, ver onder het minimum lag.

Na een week kon mijn vakbondsvader het niet langer aanzien, waarop hij belde met het schoonmaakbedrijf. Het resultaat van dat gesprek was dat ik per direct stopte als schoonmaker en mijn goedzakkige vader mij extra zakgeld gaf, totdat ik elders een nieuw baantje kreeg. Sindsdien heb ik grote bewondering voor iedereen die het wel in de schoonmaakbranche uithoudt.

En daarom sprak het zo tot de verbeelding toen in 2010 duizenden schoonmakers de uitbuiting van vele boven- en onderbazen, zakkenvullers en uitzuigers niet meer pikten en drie maanden lang in staking gingen, een van de grootste heroïsche vakbondsacties van het afgelopen decennium. Deel van het succes was de sympathie die er onder het publiek ontstond, omdat mensen inzagen dat goed werk goed gewaardeerd moet worden. Meer respect en minder werkdruk!

Een uitvloeisel van de staking was vorming van het  zogenoemde Schoonmaakparlement, waarin een groep bezielde schoonmakers geregeld bij elkaar komt om zich uit te spreken over actuele kwesties en het imago van de schoonmaakbranche. Een geweldig initiatief waarop de vakbond met recht trots mag zijn. Zeg ik mede als oud-schoonmaker.

WERKEN ZONDER LOON (#2 2018)

Een van de FNV-thema’s voor 2018 is ‘Stop werken zonder loon’, wat te maken heeft met de arbeid die uitkeringsgerechtigden verrichten in de de hoop dat hen dit perspectief biedt op een betaalde baan. Het onbetaalde werk is bedoeld om ervaring op te doen of om een tegenprestatie te leveren voor hun uitkering. De vakbonden (en enkele politieke partijen) zijn terecht tegen ‘werk met behoud van uitkering’, om de simpele reden dat mensen voor werk normaal moeten worden betaald.

De slogan ‘Stop werken zonder loon’ wordt — in een ander verband — ook omarmd door zzp’ers, die regelmatig worden gevraagd zich in te spannen zonder dat daar iets tegenover staat. Een tijdje terug ging op Twitter de hashtag #tegendebakker, over dingen die opdrachtgevers tegen freelancers zeggen, wat ze niet tegen bakkers zouden durven. ‘Je krijgt extra naamsbekendheid als jij me nu een brood geeft.’

‘Heb je niet een paar extra bolletjes voor ons, zodat we eventueel een keuze kunnen maken?’

’Zie het als exposure.’

‘We zijn tevreden over je banketstaaf, maar we willen zonder te betalen toch een andere.’

‘Je bent wel een behoorlijke geldwolf hè, dat je honorarium wil voor een tijgerbrood.’ ‘Echte bakkers doen het niet voor het geld.’

Laatst kreeg ik de volgende vraag: ‘We willen voor ons komende nummer graag een “stapelverhaal” waarin steeds iemand een vervolg schrijft op wat een ander heeft geschreven. Jij mag de aftrap doen! We hebben helaas geen vergoeding beschikbaar, maar de publiciteit is natuurlijk erg goed.’

Nu ben ik heus niet mordicus tegen werken zonder loon. Soms is onbetaald werken inderdaad een ‘investering’ (wat een ander woord is: jij mag het risico dragen), soms is het een vriendendienst, soms gaat een zaak of instantie mij aan het hart.

Zo zou ik denk ik wel onbezoldigd een column schrijven voor bijvoorbeeld een milieustichting of een soortgelijke ideële club. Of – als dat nodig zou zijn – voor een vakbondsblad.

STAKING (#3 2018)

Van mijn jeugd herinner ik me de opgewonden sfeer die er thuis heerste in stakingstijden, als er bedrijven of instanties ‘plat gingen’. Dat energieke gevoel kwam terug toen ik een jaar of acht geleden verzeild raakte in een heuse staking. Ik moest voor een klus in Den Haag zijn (‘Willen we naar Den Haag? Dan gáán we naar Den Haag’), toevallig bij het hoofdkantoor van TNT Post, waar — nog groter toeval — een menigte stakende postbodes zich had verzameld voor een demonstratie.

Een warme gloed trok door me heen, want in mijn jeugd liep ik op het Malieveld regelmatig mee met politieke bijeenkomsten. De actie van de postbodes was gericht tegen het gedwongen ontslag van drieduizend medewerkers, die plompverloren werden ingeruild voor goedkopere parttimers.

Het hoofdkantoor van Treiteren Natrappen en Tegenwerken (zoals op een van de posters stond) werd belaagd en for old times’ sake scandeerde ik met de postbezorgers mee tegen de Hoge Heren. Na verloop van tijd merkte ik dat iemand me in de gaten hield en opzichtig naar me keek. Het duurde niet lang of de man kwam naar me toe. Ik was bang dat hij doorhad dat ik helemaal geen postbode was.

‘Je weet zeker niet meer wie ik ben?’, vroeg hij, waarop ik moest bekennen van niet. Hij bleek — het toeval begon zo langzamerhand in ongeloofwaardige regionen te opereren — de oude postbode uit de wijk van mijn jeugd.

‘Jullie woonden op het Gemmahof, op nummer… 12, zeg ik even uit mijn hoofd’, zei de man. ‘Naast jullie woonden de Vermeulens en die wonen er volgens mij nog steeds. Het is mijn wijk niet meer, maar soms loop ik hem nog.’

Verbijsterd keek ik naar de man. We voerden een kort gesprek over de postbezorging en hoe die in al die jaren is veranderd, waarbij ik grote bewondering voelde voor zijn vakmanschap en toewijding. Later die maand bereikten de vakbonden met TNT Post een akkoord, na vier stakingsronden, en dat deed me toch erg goed.